Tagarchief: zebra

Verhalenslang 13/25

(De eerste zin van dit verhaal is de laatste zin van het vorige verhaal. Beiden verhalen hebben niets met elkaar te maken.)

“Om 18.00 uur mag je de mijne zien.” Hij praat wat onduidelijk maar dit heb ik goed verstaan. Hij rent er vandoor met zijn blauwe rollator, laat mijn rode scootmobiel nou net ietsje sneller zijn. “Een uurtje later hoor, moet eerst eten.”, brom ik in het voorbijgaan. De opgestoken hand zie ik als teken dat hij me verstaan heeft.

Om 19.00 uur precies sta ik voor zijn deur en bel aan. Na wat een eeuwigheid lijkt gaat de deur op een kiertje. “Heeft niemand je gezien?”, vraagt hij argwanend. Ik schud mijn hoofd en klim uit mijn rode duivel. Hij kijkt nogmaals de gang in, eerst links dan rechts, voor hij me binnenlaat. Hij draait de deur achter me op slot. Ik kijk verwonderd achterom. “Je kunt niet voorzichtig genoeg zijn!”, bezweert hij met opgeheven knokige vinger. Hij vraagt wat ik wil drinken. Hoewel ik eigenlijk ’s avonds niet meer drink ten einde eens een nacht zonder toiletbezoek te kunnen meemaken, zwicht ik toch voor koffie. Waar ik onmiddellijk spijt van heb. Hij drinkt zelf alleen thee. Van zijn dochter heeft hij een Senseo gekregen omdat ze dat zelf zo lekker en makkelijk vindt, maar hoe het apparaat precies werkt heeft ze er niet bij verteld. Samen klungelen we wat aan en dan lijkt mijn koffie sprekend op zijn thee. Ik zeg niets en draag het.

Na het verorberen van een zalig Mariakaakje wil ik graag ter zake komen. “Nou, ik ben benieuwd hoor!”, begin ik. Met de woorden “Wacht effe.” verdwijnt hij richting badkamer. Onze kamers zijn gespiegeld maar ik herken alles. Afmetingen te krap, meubels te groot en te donker, en alles wat niet van jezelf is ziet er kaal en sleets uit. Sukkels zijn we. Sneue sukkels. Met dagen die uitgestrekt in leegte voor ons liggen. En achter ons. Nu hoop ik in hem een bondgenoot te vinden. Als hij tenminste nog eens uit die badkamer komt. Net als ik opsta om op de deur te gaan bonzen komt hij tevoorschijn. Met een diep ingevallen mond. “Klemt als de ziekte die dingen!” lispelt hij.

“Je zou het me laten zien, weet je nog?”, probeer ik weer. “Ik ben niet dement hoor!”, snuift hij verontwaardigd. Hij sloft naar een tweedeurs eiken kastje. Uit zijn achterzak haalt hij een sleutel en opent het kastje. Nog een laatste argwanende blik op mij en dan pakt hij een stoffen tas uit het kastje. Ik knik hem nog maar eens bemoedigend toe als hij aarzelt de tas te openen. “Hier, kijk zelf maar…”, zegt hij, mij de tas toestekend. Ik kijk hem even vragend aan, meer voor de vorm en kijk dan in de tas. Ik houd mijn adem in als ik de inhoud in mijn handen neem. Ik draai het om en om en zeg: “Het is prachtig! Maar…rood-zwart?” Hij zucht: “Ik had geen wit.” Samen kijken we naar de gebreide zebra met zwarte en rode strepen. Ik grijp zijn hand, knijp er zachtjes in en knik drie maal. Een kleine traan baant zich een weg langs de groeven van zijn gezicht. We hebben weer nieuwe vooruitzichten.

Advertenties