Tagarchief: verhalenslang

Verhalenslang 25/25

(De eerste zin van dit verhaal is de laatste zin van het vorige verhaal. Beide verhalen hebben niets met elkaar te maken. De oplettende lezer ziet dat dit het laatste verhaal is van deze serie en dat de laatste zin van dit verhaal de eerste zin is van het eerste verhaal…volg je het nog 😉 De slang is daardoor rond, er is geen begin en geen einde.)

Hij is al drie straten verder als hij merkt dat zijn moeder niet meer naast hem loopt. Verbaasd kijkt hij achter zich. Roept nog eens vragend: ‘Mama?’ Dan draait hij om zijn as, zijn grote ogen wijd opengesperd. Een lange slanke meneer knielt bij hem neer. ‘Zo ventje, ben jij je moeder kwijt?’ De kleine knikt. ‘Zeg, weet je wel dat je hele mooie ogen hebt… Maar zal ik je bij je Mama brengen? Zullen we samen zoeken?’ De man pakt het handje van de kleuter en leidt hem richting parkeerterrein. ‘Weet je wat? We gaan met de auto zoeken, dat gaat veel sneller!’ De kleine stapt in, op weg naar zijn verdwijning.

Maya ploft op de bank tussen haar studiegenoten. ‘Kijk jongens, ik heb de foto’s van de vakantie gehaald! Hier was het strand, dit was een heerlijk barretje, waar Jolijn helemaal niet teveel gedronken had, hahaha. Dit was de leukste duikinstructeur ever, dit was het uitzicht tijdens die hike waar ik van vertelde en dit zijn wat plaatjes van de markt. Is het niet geweldig allemaal?! O, ik zou zo wel terug willen naar Italië. Weet je wat, ik ga pizza halen en we houden een lekker Italiaans avondje!’ En weg is ze. Joep kijkt nog een keer op zijn gemak de foto’s na. Hij grinnikt om de gekke gezichten die Maya steeds trekt. Opeens komt hij met een ruk overeind. Jolijn schrikt ervan en vraagt: ‘Gaat het? Wat heb jij nou! Je ziet zo wit als een lijk joh!’ ‘Niks!’, snauwt hij. Hij loopt naar zijn eigen kamer en niemand ziet dat hij een foto van de markt meeneemt.

Als hij niet verschijnt na het herhaaldelijk gebrul van Maya dat de pizza er is, komt ze naar zijn kamer. ‘Sinds wanneer sla jij een pizza af? Wat is er aan de hand?’, vraagt ze. Hij reageert niet en zit met gebogen hoofd op zijn bed. Dan gaat ze naast hem zitten en heft zijn gezicht naar haar toe.’Wat heb je toch een mooie ogen…’ Hij slaat haar hand weg en staat snel op. ‘Ik ga weg, naar Italië!’, zegt hij. ‘Eh… leuk’, reageert ze aarzelend, ’maar zullen we dat na onze tentamens bespreken?’ ‘Nee! Ik ga morgen. Alleen!’ ‘Wat doe je vreemd schatje.’ ‘Ik doe niet vreemd!’, schreeuwt hij bijna. Maya kijkt de kamer rond of ze wellicht een aanwijzing ziet voor zijn gedrag. Haar oog valt op haar foto. ‘Hee, wat doet die nou hier?’ Hij kucht wat en geeft de foto terug. ‘O, die had ik nog in mijn hand, neem maar meteen mee hoor. Ik moet nu pakken.’ Met deze woorden dirigeert hij haar de kamer uit.

Maya maakt zich zorgen. Ze bekijkt de foto van alle kanten, denkend dat hier de oplossing ligt voor het vreemde gedrag van Joep. Er staat een aantal mensen op de foto. Maya en Jolijn vooraan en op de achtergrond nog wat mensen op het terras. Mensen die ze niet kent. Ook niet als ze goed kijkt. Een ouder echtpaar, nippend aan een wijntje. Een jong stel samen aan één sorbet. Een lange slanke opa met zijn kleinzoon. O shit, wacht! Misschien doet dat beeld Joep wel aan vroeger denken. Alleen aan haar heeft hij toevertrouwd dat hij vroeger drie weken verdwenen is geweest, meegenomen door een lange slanke man. Resoluut opent ze haar laptop en zoekt naar krantenkoppen uit die tijd. Naar aanleiding van de beweringen van de kleine Joep is er destijds een compositietekening gemaakt. Wacht, hier heeft ze hem. Dan kijkt ze van de foto naar de tekening en terug en terug en hapt naar adem.

Maya rent naar de kamer van Joep. Leeg. Ze heeft hem niet weg horen gaan. Ze ziet dat zijn tas weg is en als ze zijn kast opent mist ze zijn spijkerbroek en favoriete t-shirt. Hij is weg! Op weg waarheen? Om wat te doen? Nooit heeft hij kunnen praten over die drie weken en altijd voelde ze een bepaalde reserve. Alsof ze nooit helemaal tot hem doordrong, of hij een schild om zich heen had opgetrokken, een schild dat aan hem vast zat en niet verwijderd kon worden. Maar hoe toevallig is het dat de dader waarschijnlijk op haar vakantiefoto staat. Kan een klein kind dat wel onthouden? Ze moet hem stoppen! Voor hij iets onherroepelijks gaat doen. Of juist niet? Moet ze hem met zichzelf en het verleden in het reine laten komen? Alleen? Nee, ze wil hem helpen! De enige mogelijkheid hem te spreken is  vermoedelijk nog op Schiphol. Ze staat op, grist haar jas van de bank en zoekt in haar tas de sleutels van haar rode autootje. Dan hoort ze een vreselijke klap. Ze vliegt naar het raam. Daar, aan het eind van de straat ligt een berg verkreukeld rood staal tegen een vrachtwagen aan. De vrachtwagenchauffeur loopt paniekerig heen en weer, druk gebarend met de telefoon aan zijn  oor. Ze rukt zich los van het raam en roffelt de trap af. In de verte klinken sirenes die dichterbij komen. Joep! Waar is Joep?! Nog 30 meter, dan is Maya bij haar auto.

Verhalenslang 24/25

(de eerste zin van dit verhaal is de laatste zin van het vorige verhaal. Beide verhalen hebben niets met elkaar te maken.)

Ze zwicht, natuurlijk. Daar kon hij haar om haten. Altijd dat meegaande, nooit eens van zich afbijten, nooit eens een eigen menig geven. Aan de andere kant komt het hem wel prima uit. Geen gezeur, gewoon doen wat hij wil, zonder dat truttige overleg. En hij moet toegeven, ze is verdraaid goed in wat ze doet. Hij kan haar maar beter te vriend houden want vervanging zoeken zal niet meevallen. Ze is pijnlijk snel tevreden. Als hij haar een kleinigheid toeschuift kijkt ze hem zo intens dankbaar aan dat hij zich tegelijk een schoft voelt. Ze is zo klein en tenger, breekbaar bijna, dat het ook een behoefte bij hem oproept haar te willen beschermen. Misschien moet hij haar eens meenemen op een leuk tripje.

Ze maken zich klaar voor de klus. Zij doet haar oudste kleren aan en trekt een pet met een grote klep over haar hoofd zodat haar gezicht in de schaduw is. Afgetrapte sneakers en een zelfgebreide tas maakt het sjofele geheel af. Hij hijst zich in een mooi pak dat hem net ietsje te krap is. Een echt lederen tas voor een groot formaat laptop slingert hij over zijn schouder. ‘Ik heb niet zo’n zin meer hoor’, jammert ze, ‘je wilde gisteren ook al.’ ‘Ach schatje, doe het voor mij. Nog  één keertje. Ik heb je zo nodig. Alsjeblieft?’, fleemt hij. Ze drukt zich even tegen hem aan en hij drukt vluchtig een kus op haar kruin. Dan gaat ze naar buiten. Tien minuten later gaat hij ook.

In de winkel is het weer net zo spannend als de eerste keer. Zij loopt wat heen en weer te drentelen, pakt van alles op, bekijkt het van alle kanten om het vervolgens een schap verderop weer neer te  zetten. Ze doet dit zo opvallend dat de twee dames van het winkelpersoneel haar strak in de gaten houden. Zo strak dat ze niet in de gaten hebben dat een keurige heer in een mooi pak clandestien het een en ander zijn tas laat verdwijnen. Op een bepaald moment houdt ze een dure sjaal vast en loopt ermee naar de uitgang. Zodra ze tussen de beveiligingshekjes naar buiten wil lopen, loopt de meneer met het mooie pak ook naar buiten. Het alarm gaat luid piepend af. Hij kijkt nog vragend om maar de beide winkeldames staan al bij haar. ‘Loopt u maar hoor meneer, we zien het al.’ Ze grissen de sjaal uit haar handen. ‘Ik wilde alleen de kleur bij daglicht zien hoor’, verdedigt zij zich nog. Na een verplichte en zo bleek overbodige controle van haar tas, loopt ze even later schouderophalend naar buiten. Hij is al drie straten verder.

 

 

Verhalenslang 23/25

(De eerste zin van dit verhaal is de laatste zin van het vorige verhaal. Beide verhalen hebben niets met elkaar te maken.

De pijn in zijn ogen is bijna tastbaar. Zodra het kleine ventje zijn mond opendoet ziet ze direct de boosdoener. Ze draait het riedeltje af van gaatjesmonsters die ze gaat vangen en dat hij mee kan helpen door heel stil te zijn en niet te bewegen. Nog even kijkt hij haar peilend aan, zoekend naar een blijk van vertrouwen. Maar zodra zijn moeder ook bemoedigend knikt besluit hij zich over te geven. Tien minuten later staat hij met moeder, nieuwe tandenborstel, gevulde kies, een kleurplaat en zonder pijn weer buiten. Opgelucht halen ze adem. ‘Mag ik nu snoep?’

Even later zitten moeder en zoon genoeglijk tegenover elkaar in een koffiehoek van een groot warenhuis, tevreden snoepend van een kleurrijk taartje. ‘Ik ben zo trots op je!’, zegt moeder. Zoonlief gaat wat meer rechtop zitten en deelt mee: ‘Ik heb niks niet gehuild hè!’. ‘Nee hoor, en je weet wat de tandarts gezegd heeft hè!’.  ‘Ja mam, heel goed poetsen zodat alle gaatjesmonsters bang van me worden!’ Om zijn woorden kracht bij te zetten gromt hij maar eens vervaarlijk en zwaait zijn gebalde vuistjes door de lucht. Moeder haalt glimlachend een hand door zijn haar.

Zodra het gebakje op is, lurkt hij aan het rietje van zijn drankje. Intussen kijkt hij om zich heen. Hij heeft vooral interesse voor het tafeltje schuin voor hem. Daar zit een ouder echtpaar zich tegoed te doen aan een broodje. Een gezond broodje met veel zaden en pitten. Ze genieten er zichtbaar van. Opeens worden de ogen van de jongen zo groot dat zijn moeder ervan schrikt. ‘Wat is er?!’, vraagt ze, ‘Heb je weer pijn?’ De jongen kan niets zeggen maar wijst voorzichtig naar het tafeltje tegenover hem. Moeder draait zich om en dan ziet ze het ook. De oudere man heeft zijn kunstgebit uit zijn mond gehaald en pikt er alle pitjes vanaf.

‘Kunnen mijn tanden er ook uit mam!’ ‘Nee lieverd, die meneer heeft neppe tanden.’ ‘Waar zijn z’n echte tanden dan?’ ‘Eh…’ En dan valt het kwartje. Voor zijn moeder er erg in heeft glijdt hij van zijn stoel en loopt naar de andere tafel. Hij kijkt de meneer streng aan. Hij heft zelfs een wijsvingertje op. ‘U heeft niet goed gepoetst meneer, nu hebben de gaatjesmonsters alles opgegeten! Maar ik ga wel goed poetsen en dan blijven mijn tanden in mijn mond en niet in mijn hand!’ Hij gromt nogmaals met gebalde vuistjes. ‘Grrrrrr!!!’

Moeder neemt verontschuldigend het jongetje bij de hand. ‘Kom dan gaan we nog wat boodschappen doen. Wat moesten we ook alweer hebben?’ ‘Hele vieze tandpasta, dat lusten de gaatjesmonsters niet! En mam, mag vanavond het kleine lampje weer aan? Monsters houden niet van licht. En als jij gaat slapen kom je dan nog bij mij kijken, of mijn mond wel dicht is?’ Opeens begint hij te huilen. ‘Ik wil geen tanden in mijn hand…’ Pas als moeder belooft alle monsters tegen te houden en buiten te zetten bedaart de kleine weer wat. ‘Mam?’’Ja lieverd?’’Mag ik nu nog die Lego?’ Ze zwicht, natuurlijk.

 

 

Verhalenslang 22/25

(De eerste zin van dit verhaal is de laatste zin van het vorige verhaal. Beide verhalen hebben niets met elkaar te maken.)

Het klopt. Duidelijk hoorbaar. En zo snel! Routineus zet ik een glimlach op en feliciteert de ouders. De moeder is zoals gewoonlijk direct in tranen. Deze vader verroert geen vin en staart met steeds kleiner wordende ogen naar het scherm. ´Weet u het zeker?’, vraagt hij. Als ik bevestigend knik en op het scherm het een en ander wil aanwijzen staat hij zo abrupt op dat zijn stoel met een klap op de grond valt. Hij stormt het kleine kamertje uit. De moeder kijkt me verontschuldigend aan en probeert nog: ‘Sorry voor hem hoor. We hebben er al vier dus het zal hem even teveel zijn. Letterlijk. Maar hij trekt wel bij hoor.’ Ik neem aan dat zij haar man beter kent, maar ik vond zijn blik niet alleen maar verbaasd of bezorgd.

Drie maanden later zit het stel weer voor me. Moeder en kind doorlopen de controles foutloos. Beiden groeien volgens het boekje en weer klinkt de snelle hartslag door de ruimte. De moeder straalt trots en verliefd. De vader doet deze keer iets rustiger. Hij zegt op het juiste moment de juiste dingen, stelt de juiste vragen, maar ik heb het idee dat hij er niet echt bij is, hij lijkt het niet echt te menen. Het valt me op dat hij haar niet één keer aanraakt. Meestal gebeurt het tegenovergestelde. Ik zie aanstaande vaders armen om schouders leggen, buikjes aaien en stevig  handen vasthouden, maar hier niets van dit alles. Ik hoop maar dat ze thuis de situatie met een vijfde op komst goed hebben besproken.

Nog eens drie maanden later melden ze zich voor de bevalling. De moeder giechelt van de zenuwen en vader gedraagt zich weer voorbeeldig. Hij draagt alle tassen, schuift haar stoel aan, masseert haar koude voeten, aait haar rug, helpt haar naar het toilet en terug in bed, puft braaf mee, maar alles met een bozige frons op zijn voorhoofd. En dan toch nog verrassend snel wordt de baby geboren. Een prachtig jongetje met een donkere huid, een klein mopsneusje en een paar plukje zwart kroeshaar. De moeder huilt tranen met tuiten. Van geluk. De vader bekijkt het jongetje van alle kanten. Als hij de perfecte minivoetjes in zijn grote handen houdt kijkt hij zijn vrouw doordringend aan en zegt rustig: ‘Je mag hem houden, de andere vier gaan met mij mee. Veel geluk.’

Ik voel me geroepen achter hem aan te gaan maar wil me ook niet opdringen. Ik zie hem met ongelijke tred door de lompe aangepaste schoenen naar de wachtkamer klossen. Daar zit een oudere donkere dame met grijs haar en aan weerskanten twee kinderen. Alle vier hebben ze aangepaste schoenen. Ik denk dat ik begrijp wat er aan de hand is en stap toch naar voren: ‘Een klompvoet is niet altijd erfelijk hoor.’ Hij kijkt me strak aan en zegt: ‘Dat weet ik maar ik heb me drie jaar geleden laten steriliseren’. De pijn in zijn ogen is bijna tastbaar.

 

 

Verhalenslang 21/25

(De eerste zin van dit verhaal is de laatste van het vorige verhaal. Beide verhalen hebben niets met elkaar te maken.)

Eindelijk morgen. Eindelijk heb ik vandaag tijd om eens lekker naar de kapper te gaan. De laatste tijd ben ik alleen maar niet normaal druk in de weer geweest met constant dingen regelen voor onze bruiloft. Trouwen met Rob is het liefste dat ik doe maar wat een gedoe af en toe. Bloemen, taart, catering, wie past er op tante Martha, de kleur van de sokken van de bruidsmeisjes, het houdt maar niet op. Een continu gevoel van honger maakt het er niet gezelliger op, maar alles voor de jurk hè! Ik kijk daarom uit naar dit verwenmomentje. Ruim op tijd ben ik al aanwezig. Een nieuw kapstertje leidt mij naar een stoel. ‘Wilt u zelf een blinddoek om of zal ik de spiegel blinderen?’, vraagt ze. ‘Eh…’stamel ik verwonderd. ‘Nieuw beleid, om de klant meer te verrassen’, verklaart ze. Even later zit ik met een strak aangesloten donker masker op. Kan mij het schelen.

Het water aan mijn hoofd is heerlijk warm en de hoofdmassage laat me bijna indutten. Ik geef me over aan de handen van de kapster. Ze frunnikt er op los. Ik ruik brandlucht, ik wil overeind komen maar ze duwt me zachtjes terug. ‘Prachtige lengte’, hoor ik haar mompelen. Lengte? Als ik even met mijn hoofd schudt voel ik de zwaarte van een volle haardos, met een lengte ver voorbij mijn schouders. Zal ik dan eindelijk eens lang haar hebben? Haar dat ik achteloos over één schouder kan werpen, haar dat ik in allerlei nonchalante of juist heel strakke knotten kan draaien, haar dat ook aan de laatste punten nog vol en gezond is, haar dat ik heel sjiek kan opsteken bij mijn bruiloft. Dan ruik ik iets dat ik herken als haarverf. Goed idee, mijn kleur was wat vaal met een uitgroei formaatje landingsbaan. Een oppepper kan het wel gebruiken. Ik hoop op een chocoladetint met een rode ondertoon. Ja, het zal prachtig worden. O wat lekker die zachte warme lucht van de föhn. Nog wat plukken, friemelen en trekken en een paar pufjes haarlak. ‘Klaar hoor! Wilt u het zien?’

Ik kan niet wachten en ruk het masker af. Ik raak met mijn hand de spiegel aan en wil het plaatje dat ik daar zie eraf peuteren. Dat ben ik namelijk niet. Dat is een hele enge mevrouw met dreadlock-achtige slierten haar, van ongelijke lengtes in alle kleuren van de regenboog. Het plaatje gaat er niet af. ‘Hé dame, help eens!’, roep ik het kapstertje toe. Ze pakt een handdoek en een fles met sterk ruikend spul en boent als een bezetene over de spiegel. Het wordt er niet beter op. De enge vrouw loopt rood aan en haar mond staat angstaanjagend wijd open. Ik hap naar adem en wil opstaan maar val plat op mijn rug. De baas van de kapsalon komt koffie brengen. Ik sla het bijna uit zijn handen. ‘Hé, doe es niet!’, roept de baas. Hij pakt me bij mijn schouders en rammelt me door elkaar. Nu valt het me pas op dat de baas wel heel erg veel op Rob lijkt, sprekend zelfs. Ik knipper nog eens goed met m´n ogen en dan zie ik Rob op mijn bed zitten. Hij is degene die me door elkaar schudt. ‘Wat droom je toch allemaal? Moest jij niet naar de kapper vandaag?’, zegt hij. Ik knik versuft en pak de koffie. Voor de zekerheid kijk ik nog even in de weerspiegeling van het lepeltje. Kort met uitgroei. Het klopt.

Verhalenslang 20/25

(De eerste zin van dit verhaal is de laatste van het vorige verhaal. Beide verhalen hebben niets met elkaar te maken.)

‘Hoe pak je dit aan en wat heb je er voor nodig?’ Ze drukt een knop van de afstandbediening in en het volgende programma verschijnt. Het kan haar niet veel schelen hoe je een stoofschotel aanpakt en wat je er voor nodig hebt al helemaal niet. Dat heeft ze al zo vaak gedaan. Dan maar een Amerikaanse talkshow. Na vijf minuten heeft ze genoeg van die zelfingenomen presentator en dat gillende publiek. Een natuurdocumentaire volgt. Dat is een slim idee zeg; een camera op een vogel vastmaken. Ze laat zich lekker mee zweven op de vleugels van een grote vogel. Over bomen, zeeën en zelfs bergen. Hoog en licht. Zal het straks ook zo gaan? Alleen maar zweven? Drijven op de wind? Bijna geen zwaartekracht meer? Dan lijkt het haar een goed idee. Hopelijk morgen.

‘Dag oma!’ Een frisse wind waait door de bedompte ziekenhuiskamer. Een rugtas wordt op de grond gegooid en een koele wang tegen de hare geduwd. ‘Voel es Oma, wat een lekker weer. Nog even en dan kunt u er ook weer van genieten. Hoe gaat het vandaag? Lekkere vroeg ben ik hè. De Schele van Frans viel uit. Je mocht ook op school blijven en je huiswerk maken. Ja doei, dat doe ik vanavond wel. Pap en Mam komen vanavond toch hier? Mooi dan heb ik het huis alleen, haha. Maar wacht eens, Frans hoef ik natuurlijk niet te doen, dat had ik gister echt heel goed geleerd. Dan houd ik zeeën van tijd over!  Was u vroeger goed in Frans? Of hadden jullie dat nog niet? O shit, mijn telefoon, wacht even Oma …… nee hè, helemaal vergeten! Ik had Mam beloofd Sven uit school te halen. Alles voor mijn kleine broertje hè? Nou dag Oma, was weer gezellig, tot morgen!’ De wang is intussen warm geworden. De kamer lijkt eindeloos leeg als ze weg is. Tot morgen.

‘Goedemiddag Mevrouw van Galen.’ Een statige man in een witte jas komt de kamer in. Ze lag net even met haar ogen dicht. Zo moe. Even terug naar dat gevoel van zweven. Nu probeert ze iets rechtop te gaan zitten maar het is te pijnlijk.  Hij kijkt haar zoals gewoonlijk streng aan, en toch ziet ze deze keer iets van vriendelijk medelijden. ‘We gaan uw wens inwilligen. We hebben er met het team goed en nauwgezet  over gesproken. De psycholoog heeft een zorgvuldig onderhoud met u gehad en een positief oordeel geveld. De benodigde papieren heeft u al eerder getekend dus niets staat u en ons nog in de weg. Tenzij u er alsnog vanaf ziet. Het enige wat nog rest is een datum. Heeft u nog wensen dan kunt u die nu inplannen en aan de hand daarvan een datum bepalen. Heeft u alles begrepen wat ik zeg?’ Ze knikt en zegt: ‘Morgen.’ Hij maakt een aantekening, geeft een kneepje in haar hand, knikt en draait zich om. Eindelijk morgen.

Verhalenslang 19/25

(De eerste zin van dit verhaal is de laatste van het vorige verhaal. Beide verhalen hebben niets met elkaar te maken.)

Ze lachte bijna. De mannen bleven echter bloedserieus.

Dit gebeurt iedere keer weer. Ze melden zich aan, waarschijnlijk aangespoord door hun echtgenotes. Vervolgens wordt in overleg een datum afgesproken, veelal in de avonduren. En dan begint zo’n avond altijd eerst behoorlijk ongemakkelijk. Mannen die zich geen raad weten. Ten eerste al gestuurd door vrouwlief. Ten tweede hebben ze een gevoel van schaamte tegenover de anderen, wat het zelfvertrouwen niet ten goede komt. Ten derde hebben ze allemaal een houding van ‘ik heb dit niet nodig, ik weet het allemaal best wel.’ En ten slotte schrikken ze zich een ongeluk als ze haar zien. Telkens weer.

Neem nou Hans. Al jaren gelukkig met Henriëtte. Een mooi vol leven met goede banen, vakanties, veel afspraken met vrienden, eigen auto’s en de maximale hypotheek op een huis. Volop genieten van het wat het leven te bieden heeft. Totdat er een scheur kwam in het mooie plaatje. Hans werd ontslagen op het moment dat Henriëtte acht maanden zwanger was van de tweeling. Er werd koortsachtig overlegd wat weg kon en wat moest blijven. De tweeling moest uiteraard blijven dus werd het huis verkocht. Een hectische tijd brak aan en zette het leven van Hans compleet op zijn kop. Niet gewend om financiële problemen te hebben zocht het stel naar goedkopere oplossingen. Ze kregen vaker onenigheid totdat Henriëtte hem de folder nadrukkelijk onder ogen schoof.

Of wat te denken van Sjors. Na een mooie jeugd, een bijna vlekkeloze middelbare schoolperiode en een heerlijke studententijd woonde Sjors nog steeds bij zijn ouders. Hij logeerde wel eens bij vrienden of bij zijn zus die een gezellig appartement in de het centrum van de stad bewoonde, maar hij kwam altijd weer  bij zijn ouders terecht. Toen hij al vijf jaar een redelijk betaalde baan had stuurden zijn ouders er met zachte, maar ook dwingende, hand op aan iets voor zichzelf te gaan zoeken. Het idee moest even landen bij hem. Zijn vader had op een gegeven moment een geschikte etage voor hem gevonden en Sjors hapte toe. Op de verhuisdag kreeg hij van zijn ouders een envelop met daarin de aanmelding.

Henk is een man van geheel ander kaliber. De man was al een aantal jaren weduwnaar en snakte gewoon naar wat gezelschap. Ook hij had de folder gevonden en zich aangemeld. Een half uur voor aanvang sloeg opeens de twijfel toe. Moest hij dit nou wel doen? Wat schoot hij ermee op? Aan de andere kant had hij Agaat op haar sterfbed beloofd niet alleen te blijven kniezen.

Ze overzag de mannen, zette haar mooiste glimlach op en zei: ‘Welkom allemaal. Ik ga jullie zoveel leren! Vandaag beginnen we met iets eenvoudigs, het ophangen van een schilderijtje. Hoe pak je dat aan en wat heb je er voor nodig?’

 

Verhalenslang 18/25

(De eerste zin van dit verhaal is de laatste van het vorige verhaal. Beide verhalen hebben niets met elkaar te maken.)

We zorgen graag een beetje voor jou”, lispelde het groene mannetje met de drie ogen. Het meisje met de slobkousen was echter niet gerustgesteld. Zo goed werd er helemaal niet voor haar gezorgd. Elke morgen kreeg ze als ontbijt een hard broodje met zachte spinnenkoppen maar dan nota bene zònder boter. Tussen de middag kreeg ze regionale schoenzolensoep waar af en toe nog een pittig hakje in ronddobberde, terwijl ze aangegeven had nìet van pittig te houden. En als diner kreeg ze te vaak gebakken soldatenbroeken met harde goudkleurige gespen, die regelmatig in haar keel bleven steken. Ze vond het een hotel van niks. Maar ja, het was een cadeau van haar grootmoeder en dat kon ze natuurlijk niet weigeren.

“Vollugt u mij maar niet”, lispelde het groene mannetje met de drie ogen weer. Zuchtend stond het meisje met de slobkousen op en volgde het mannetje onopvallend. Ze moest nog twee excursies afleggen en dan kreeg ze haar Diploma van Onbetrouwbaarheid. Wie wil dat nou niet?! Het mannetje was razend vlug en rende een lange gang door. Om de vijf meter gooide hij een tussendeur dicht met steeds een andere methode. Het meisje moest de deuren zo snel mogelijk open krijgen. Wat hij niet wist was dat de slobkousen van het meisje gevuld waren met hamers, beitels, zagen en pleisters, waardoor het haar wonderwel snel lukte de deuren te openen. Vandaag zelfs zonder de pleisters nodig te hebben. De tweede excursie was ook een makkie voor haar: ze moest zelf haar avondeten maken. Stiekem stopte ze de gespen in haar slobkousen en daardoor was ze als eerste klaar.

“Ik ben blij dat je het vreselijk gehad hebt kind!”, mekkerde grootmoeder verheugd toen het meisje met de slobkousen haar kwam bedanken.  Op het station had het meisje met de slobkousen nog een doos bedorven chocolade gekocht die grootmoeder nu met veel gesmak zat weg te werken. Toen de doos bijna leeg was begon grootmoeder te hoesten. Te hoesten en nog eens te hoesten. Ze hoestte zo vreselijk dat eerst haar gebit naar buiten vloog en daarna een klein goudkleurig gespje. Ze werd roder en roder. Het meisje met de slobkousen stond er bij te kijken. Ze lachte bijna.

 

 

Verhalenslang 16/25

(De eerste zin van dit verhaal is de laatste van het vorige verhaal. Beide verhalen hebben niets met elkaar te maken.)

Een paar grote blauwe kinderogen kijken me aan. Zucht! Te laat. Ik ben ontdekt! Altijd hetzelfde liedje: een kindermens dat me gevonden heeft. Ik verstop me steeds zo goed mogelijk in de struiken maar ze vinden me altijd. Oké, soms let ik niet goed op en wil ik wel eens open en vrij op een tafelblad lopen. Kijk, dan is het mijn eigen schuld dat ze me vinden. Maar nu zat ik op een tak. O nee hè, daar komt weer zo’n vingertje. De kleine poert  net zo lang tegen mijn pootjes dat ik wel op die vinger moet springen. En zodra ik eraf wil rennen komt er weer een andere vinger tevoorschijn. En nog een, en nog een. Gek word ik er van! Alsmaar op zoek naar het hoogste punt om vanaf te vliegen. Help!

Het wordt nog erger: het glazen huis! Mijn moeder waarschuwt me er elke avond voor. Regelmatig wordt het trieste relaas van oom Piet aangehaald. Ik moet er altijd om lachen. Moeders zijn zo overbezorgd dat ze de meest enge verhalen ophangen om hun kroost maar wat angst in te boezemen. Om hen te ‘beschermen’ noemen zij dat. Het zal allemaal wel. Ik laat me toch zeker niet vangen en opsluiten. Maar nu voel ik toch een zekere mate van paniek opkomen als ik een glazen huisje op tafel zie staan. Het blonde mensenkind roept iets en er verschijnt een roodharig mensenkind, die haalt het dak van het glazen huis. Ik stribbel zoveel mogelijk tegen maar ren uiteindelijk alleen maar rondjes. De hand beweegt op en neer en dan vlieg ik zomaar door de ruimte. Ik ben zowel stuur- als gewichtsloos en eindig met een zacht plofje in het glazen huis.

De blaadjes op de bodem breken mijn val. De dak wordt vliegensvlug gesloten. En daar zit ik dan. De blauwe en groene ogen komen angstaanjagend dichtbij. De open monden vormen diepe spelonken. Ik houd me stil. Ga op mijn rug liggen en trek al mijn zes pootjes in.  Misschien vergeten ze me dan en leggen zij hun aandacht op iets of iemand anders. Dat had ik beter niet kunnen doen. Een hand, ik meen van de rode, klemt zich om het huisje en dan wordt ik ongenadig door elkaar geschud. De blaadjes vliegen door de ruimte en vallen op mijn hoofd. Met veel moeite kruip ik er onder vandaan en een gejuich klinkt vervormd van buiten.

Ik krijg het benauwd. Echt benauwd. Frisse lucht zou welkom zijn. Ik ga me steeds trager bewegen. De kindermensen schudden het huis nog eens door elkaar maar ik kan echt niet meer. Waarschijnlijk hebben ze het in de gaten want opeens gaat het dak eraf, een stuk papier moet het vervangen. Buiten het huisje klinkt getimmer en dan komt het dak er weer op. Er zitten nu gaten in waar de zo gewenste frisse lucht door heen komt. Een paar maal haal ik heel diep adem en voel me direct opleven. Ik heb er honger van gekregen maar onder de blaadjes is geen enkele luis te vinden. De kindermensen zijn kennelijk tevreden met mijn gescharrel en verdwijnen op twee wielen. Eten, hoe kom ik aan eten? Dan kijk ik omhoog en zie de blauwe hemel door de gaten van het dak heen. Zal ik? Ik doe het en vlieg omhoog naar wat mij het grootste gat lijkt. Nee! Ik pas er niet door! Ik zit klem! Ik wrik en wurm me een ongeluk en opeens schiet ik los. Auw! Een stukje rode vleugel hangt nog aan de opening. Gelukkig kan ik nog vliegen. En ik vlieg, ik vlieg en ik vlieg…

Hoog boven op een struik zie ik hoe een windvlaag het glazen huisje van de tafel doet rollen. Het valt in duizend scherven.

Verhalenslang 15/25

(De eerste zin van dit verhaal is de laatste zin van het vorige verhaal. Beide verhalen hebben niets met elkaar te maken.)

Dan zie ik niks meer door de tranen. Ik bijt op mijn lip. Ik wil niet dat ze me ziet janken. Ze weet precies hoe ze me raken moet. En waar.  Al vijftien minuten beukt ze genadeloos overal op mijn lichaam en telkens als ik dubbelklap van de pijn stoot ze haar knie tegen mijn neus. Het bloed druipt op de witte vloerbedekking wat haar een nieuwe woedeaanval bezorgt. Van het een op het andere moment houdt ze op en loopt weg. Een dreun van de voordeur geeft aan dat ze naar haar werk vertrokken is.

Ik kruip de trap op naar de badkamer en schrik van mijn verwrongen spiegelbeeld. Ik zak kreunend neer op de deksel van het toilet en huil zonder inhouden. Van pijn. Pijn aan mijn lichaam. Mijn ribben. Mijn neus. Maar vooral van onmacht. Om de situatie waarin ik me nu bevindt. Welke vent laat zich nou in elkaar slaan door zijn vrouw. Waar is de Veronique gebleven waar ik verliefd op werd. Waarom kan ik nooit iets goed doen. Ik kon het echt niet helpen dat haar thee niet de juiste temperatuur had. Als ik het bloed van mijn gezicht verwijderd heb probeer ik het tapijt schoon te maken.

“Goedemorgen, wat heb jíj gedaan?!” Ik probeer vruchteloos collega’s te vermijden maar heb een verhaal klaar. Een verhaal over mountainbiken en daarbij een ongelukkige smak maken. Ik zie Peter zijn wenkbrauwen fronsen. Gelukkig zegt hij niets. In mijn bureaulade vind ik nog een aangebroken strip pijnstillers en neem er direct een paar in. Met mijn hand voor mijn ogen wacht ik tot de pillen hun werk doen. Daarna probeer ik te werken, het wordt niet meer dan wat heen en weer schuiven van mappen en staren naar het beeldscherm van de laptop. Ik kijk op mijn horloge en zou de tijd willen tegen houden. Zodat het moment van weer naar huis gaan zo lang mogelijk uitgesteld wordt.

Opeens krijg ik een mailberichtje van Peter. Met als onderwerp: ‘Lees dit!’ Een bijgevoegde link leidt me naar verhalen over mishandelde mannen. Naar blijf-van-mijn-lijf-huizen voor mannen. Naar ervaringsverhalen door mannen. Mijn ogen scannen de informatie, ik zuig de verhalen op. Een traan rolt over mijn  gehavende wang. Toch sluit ik met een klap mijn laptop en storm naar de kamer van Peter. ‘Waar bemoei jij je mee! Er is helemaal niets aan de hand tussen Veronique en mij!’, schreeuw ik naar hem. ‘Zo te merken zit ik op het juiste spoor’, antwoord Peter rustig.’Laat je helpen Maarten, dit hoeft niet, dit mag niet eens. Het ligt niet aan jou.’ ‘Hou je kop en stop daarmee!’, bijt ik hem nog toe voordat ik me omdraai en de deur met een daverende knal dicht gooi.

Ik heb op tijd het avondeten klaar maar Veronique verschijnt een paar uur later. De badkamer boven heb ik net een laatste grondige schoonmaakbeurt gegeven. Met uitgestrekte armen komt ze op me af. ‘Ach schatje toch, wat zie je er uit! Kom maar hier, dan zal ik je beter maken.’ Zodra ze mijn gezicht probeert aan te raken trek ik me schielijk terug. Fout. Direct zie ik de flikkering in haar ogen opgloeien. Haar ademhaling versnelt en ik zie haar rechterarm tergend langzaam naar achteren bewegen. Dan doe ik wat ik nog nooit gedaan heb: ik ontwijk haar. Zodra haar vuist richting mijn gezicht gaat duik ik naar beneden. Ze heeft zo’n krachtige aanval gepland dat ze om haar as draait als ze doel mist. Ze doet nog een poging zich ergens aan vast te grijpen maar klapt dan met haar hoofd naar beneden de trap af. In een vreemde houding en met een bloedspoor uit haar oor blijft ze bewegingsloos liggen. Achter me gaat een deur langzaam open. Een paar grote blauwe  kinderogen kijken me aan.