Tagarchief: vakantie

Vakantie = taalkwesties

(Deel 5 van de serie Vakantieherinneringen op Apeldoorn Direct.)

Door Carla van Vliet

De coronasituatie zorgt ervoor dat veel vakantieplannen niet doorgaan. We blijven dichter bij huis of zelfs helemaal thuis. Je leest erover in onze serie ‘Coronazomer’. Daarnaast is er alle tijd om terug te denken aan voorgaande jaren. Gelukkig hebben we de foto’s en de verhalen nog. Hiervan een verzameling, geschreven door Carla van Vliet. 

De Franse taal maakt wel heel vrolijk. Door de nadruk steeds op de laatste lettergreep te leggen klinkt alles een stuk positiever. Probeer maar eens met ‘bonjour’, ‘café’, ‘velo’, ‘piqué’, ‘par la moustique’, ‘croissant’, ‘au revoir’. Zelfs ‘cent euro’ lijkt opeens een kleinigheid. Daarmee moet je dan wel weer oppassen bij zo’n authentieke brocantemarkt. Ik zag iets van onze gading, het kleinood was uiteraard niet geprijsd maar ik wilde er per se niet meer dan 10 euro voor betalen. We zetten onszelf schrap, bepaalden een strakke onderhandelingsstrategie, zouden ons niet de fromage van het brood laten eten, hadden pen en papier paraat om misverstanden te voorkomen. Toen mompelde de besnorde verkoper: “Deuzzeuroomezjeudaam”…”Eh, oké dan, hartstikke merci!”

In Tsjechië ging het niet veel beter. Vreemde binnensmondse klanken hoorde ik. Ik trok mijn wenkbrauwen op. Nog meer drzrgtsj-klanken. Ik haalde nu ook de schouders op. Nee, van de Tsjechische taal is niets te volgen. Deze rijke taal kent drie geslachten, mannelijk, vrouwelijk en onzijdig (tot zo ver helder!) maar kent ook zeven naamvallen, geen lidwoorden en natuurlijk ook nog eens dialect. Een simpel biertje kun je tegenkomen als pivo, piva, pivu, pivem, piv, pivum of pivy. Het hangt allemaal af van de zin, de omstandigheden en het aantal pivo’tjes. Met behulp van het handige ‘Wat&hoe-in-het-Tsjechisch-boekje’ had ik braaf ‘nazdar’ (hallo) uit het hoofd geleerd, maar de standaard openingszin bleek steeds  ‘Briedèn’ te zijn! Wat ik dan weer niet in mijn boekje kon vinden omdat het een afkorting was van ‘Dobry den’ (dag). Nou ja, zinnen als ‘Hoe synchroniseer ik mijn telefoon via bluetooth’ of ‘Is het hier altijd zo nat?’ heb ik gevoeglijk overgeslagen. Maar twee vingers in de lucht steken een hard pivo bestellen dat kon ik dan weer wel.

Zelf pakken

Nog even over dat Frans. Kijk, de super- en hypermarché geven geen problemen, gewoon zelf pakken wat je nodig hebt. Bij de apotheek iets vragen ‘tegen de jeuk van een akelige muggenbeet van drie dagen geleden’ wordt een stuk lastiger. Maar soms is taal echter overbodig. Gezeten op een terrasje deed een windvlaag onze fietsen neersmakken met een bungelende voorlamp tot gevolg. Een fransoos, ook klant op het terras bemoeide zich er omslachtig en luidkeels mee en stuurde een andere fransoos met een rol tape op ons af, die al even onverstaanbaar maar in hetzelfde tempo ratelend het euvel verhielp. Woorden onzerzijds waren overbodig, een drie werf ‘Merci’ bleek ruim voldoende.

En soms zijn de Fransen gewoon slimmer. De donkerogige Française vuurt een vijftal Franse volzinnen op ons af. We hebben toch net alleen maar keurig om twee toegangskaartjes gevraagd? Deux tickets silvousplait. Ze leest in onze vragende ogen een flink portie onbegrip en volgt een andere aanpak. ‘Parlez vous francais?’ vraagt ze nog hoopvol. ‘Non’, zeggen wij. Wat eigenlijk niet klopt want ‘non’ is Frans zat. Daarbij kennen wij ook ‘une glace, deux boules’ en ‘chaud hè!’ en ‘piscine! vite!’. Maar daar komen we hier niet ver mee. ‘Un petit peu’ proberen we haar nog tegemoet te komen. Ze zucht dramatisch en wuift al onze opmerkingen, in welke taal dan ook, weg. ‘Anglais?’ We knikken enthousiast en roepen ter bevestiging luidkeels ‘Yes!’ Ze rolt nog eens met haar ogen en vervolgt met dat charmante Franse accent ‘Oké, ziz is fog you’. Ze schuift ons een papiertje toe ‘Ziz give you korting.’ Wij verloochenen onze afkomst niet en veren op bij het laatste woordje. De elegante dame heeft vaker met dit bijltje gehakt en roept concluderend ‘Aha, you kom fgom ze Nezerlands!’

 

 

Vakantie = cultuur snuiven

(Deel 4 van de serie Vakantieherinneringen op Apeldoorn Direct.)

Door Carla van Vliet

De coronasituatie zorgt ervoor dat veel vakantieplannen niet doorgaan. We blijven dichter bij huis of zelfs helemaal thuis. Je leest erover in onze serie ‘Coronazomer’. Daarnaast is er alle tijd om terug te denken aan voorgaande jaren. Gelukkig hebben we de foto’s en de verhalen nog. Hiervan een verzameling, geschreven door Carla van Vliet. 

Een uitstapje naar Duitsland. Naast kerken, ingedommelde dorpjes, terrassen en Konditoreien vind ik ook musea leuk om te bezoeken in mijn vakantie. Bij voorkeur niet de schilderijen-en-beelden-musea maar de net-iets-anders-dan-anders-musea. Zo troffen wij een heus houtmuseum in Morbach. En aangezien ik erg van hout houd leek dit een schot in de roos.

De folder gaf het juiste adres aan en we kwamen in een buitenwijk van een toch al ver uitgestrekt dorpje aan. Na een lichte aarzeling verstoorden wij het keurig aangeharkte grint om de auto toch maar ergens te laten. Nog voor het uitstappen ging de voordeur van het museum al open en een morsige Duitser riep ons van verre herzlich welkom. Hij knikte dat we goed zaten en gebaarde dat we de auto daar mochten parkeren. Hij dirigeerde ons naar binnen en wees ons de weg naar de Kasse. Zonder hem hadden we nooit geweten welke deur we hadden moeten nemen, de ene die openstond met een bordje ‘Kasse” of de ene die dichtgetimmerd was.  Achter de Kasse zat een morsige norse Duitser die de intelligente vraag stelde: “Sie wünsche?”. Mijn fantasie antwoordde: “Een miljoen euro! Een jaar lang gratis taart! Een paar schoenen die ook met deze hitte lekker zitten! Een open raam want het ruikt niet zo fris!”. Mijn verstand vroeg om twee toegangskaartjes, Bitte. Ik wachtte op het belletje van de antieke verzilverde kassa die indrukwekkend stond te glimmen. Maar het geld verdween in een Tupperwarebakje dat er naast stond. Na betalen likt de norse morsige aan een potloodstompje en turfde twee streepje op een maagdelijk blank blaadje. Toen overhandigde hij ons de felbegeerde papiertjes.

Er bleek een duidelijke taakverdeling te bestaan tussen de uiteindelijk drie morsige Duitse mannen. Nummer 1 deed het welkomstwoord, de ontvangst en de catering, nummer 2 de financiën en nummer 3 was verantwoordelijk voor de rondleiding. Het was een morsige maar vriendelijke Duitser, die zijn uiterste best deed een keihard keelsnoepje weg te kauwen. Dit viel waarachtig niet mee met anderhalve tand. Nog wat nasmakkend en gehuld in een wolk van menthol begon hij enthousiast te vertellen. Maar aangezien hij uitsluitend vloeiend Morbachs sprak en wij uitsluitend glazig keken, gaf hij het al snel op. Even begon hij nog hoopvol de bordjes voor te lezen. Maar ja, dat konden wij zelf ook wel. Hij droop af met een mompelend “Jahjah!”

We leerden dat we hout kunnen ruiken, voelen, zien, proeven maar ook horen. Er stond een reuze grote xylofoon en toen ik alleen maar een piepklein hoortestje deed verscheen de anderhalve tand weer en zuchtte: “Jaja!”. De vrijwilligers van het museum hadden zoveel houten voorwerpen verzameld dat ze de bovenverdieping van het pand ook bij het museum betrokken hadden. Je kon daar echter niet rechtop staan, dus met een scheve nek kwamen wij een uurtje later weer naar beneden. In het laatste kamertje beneden was kinderspeelgoed, van hout uiteraard. Een reuze grote knikkerbaan met houten knikkers groter dan biljartballen. En dat gaf me toch een heerlijke herrie! “Jahjah!”, klonk het.

De nummer 1 had intussen koffie gezet. Waarschijnlijk had hij een extra schepje toegevoegd, of de koffie van gisteren opgewarmd, want het rook zo sterk dat de lucht alleen al voldoende was om vriendelijk doch beslist te bedanken. Het feit dat hij nog snel een lading ondefinieerbare  kruimels van het meer dan morsige tafelkleedje veegde deed ons definitief naar de uitgang snellen. “Wiedersehen!”

Makkelijk hoor zo’n mopperverhaaltje schrijven over een stel hardwerkende vrijwilligers. Ik denk dat zij in hun werkzame leven landarbeiders waren met hun knoestige handen en verweerde koppen. Met een versleten knie, een nieuwe heup en ver versleten gebit hadden zij het toch maar prima naar hun zin, deden zij nog iets nuttigs met hun leven. Hulde voor deze vrijwilligers die zo trots zijn op hun werk en ons in staat stellen mee te genieten van al die mooie dingen. Tenslotte zijn zij degenen die zo’n klein museum in stand houden!

Ik wed dat ze elkaar een ferme high five gaven toen wij vertrokken. Of ein höhes Fünf!

 

 

Vakantie = (geen) les

Door Carla van Vliet

De coronasituatie zorgt ervoor dat veel vakantieplannen niet doorgaan. We blijven dichter bij huis of zelfs helemaal thuis. Je leest erover in onze serie ‘Coronazomer’. Daarnaast is er alle tijd om terug te denken aan voorgaande jaren. Gelukkig hebben we de foto’s en de verhalen nog. Hiervan een verzameling, geschreven door Carla van Vliet. 

In de vakantie hoeven kinderen lekker niets te leren. Zou je zeggen. Volwassenen ook niet. Zou je zeggen. Wat ik vanaf mijn Franse balkon zag…

Op een bosachtig stukje grond, met drie reuze dennenbomen, komen de vakantiekinderen aan het eind van de dag samen. Toevallig allemaal Franse kinderen, dus geen taalbarrière. Behalve voor mij: ik versta er niets van. En toch begrijp ik veel. Er is een jongetje van ongeveer 9 jaar en een meisje van ongeveer 10 jaar, duidelijk broer en zus. Er is nog een jongetje, van ik schat 8 jaar en een kleine dreumes van 2 jaar, de laatste luistert naar de melodieuze naam Elodie.

Net als in de grote-mensen-maatschappij werpt (dringt) één persoon zich vrijwillig (nadrukkelijk) op als aanvoerder. Het jongetje van 8 schreeuwt het hardst dus is hij de leider. Als broer en zus iets voorstellen om te gaan spelen houdt hij één hand afwerend op en met zijn andere een stuk hout tegen zijn oor. Ik versta iets van ‘telephoné’. Hij trekt een ernstig snuit en roept te pas en te onpas ‘oui’ en ‘bien sur’ alsof hij aandachtig aan het luisteren is. Dan zegt hij resoluut: ‘Mais non!!!’ en volgt er een Franstalige waterval die duidelijk intimiderend bedoeld is.  Met een ferme ‘Bonjour!’ drukt hij zijn gesprekspartner weg op zijn houten telefoon. Broer en zus lijken onder de indruk van zoveel overwicht. Maar als ik ze stiekem naar elkaar zie lachen merk ik dat zij de act ook nogal overtrokken vinden. Le Patron heeft intussen een plan bedacht: ze gaan een pad aanleggen. Een pad van zand, bedekt met dennennaalden en de kanten worden afgezet met een sierlijke rij dennenappels. Broer en zus zijn blij eindelijk iets om handen te hebben en verzamelen naarstig de benodigde materialen. Ze werken langs de door de baas uitgezette lijnen. Het wordt wel wat!

Maar dan komt Elodie in beeld. Het is een schatje met prachtige blonde krullen, haar kromme beentjes in een parmantige legging gestoken en een shirt dat vast bij een andere combi hoort, maar in de vakantie letten zelfs de Fransen niet op stijl. Ze heeft altijd een  lach op haar gezicht, die alle omstanders ook doet lachen. Maar niet monsieur le Patron! La petite Princesse vindt de dennenappels zo aantrekkelijk dat ze er af en toe eentje uit de keurige rij vist, een actie die overduidelijk tegen het oorspronkelijke plan indruist. De baas gebruikt al zijn tact en neemt haar lief bij het plakkerige handje en leidt haar zeven meter verderop. Hij biedt haar ook nog een mooie stok aan ter compensatie. Ze neemt het dankbaar aan en schenkt hem haar liefste lach. Tevreden draait hij zich om en stuurt zijn personeel verder aan. Wat hij even niet ziet is dat de kleine dame zich ook omdraait en achter hem aan drentelt. Zodra hij het wel in de gaten heeft brengt hij haar gedecideerd terug.

Tot vijf x toe herhaalt Elodie deze actie en de manager wordt steeds ongeduldiger. Hij voelt zijn gezag ondermijnd worden. Uiteindelijk smijt hij haar zijn ‘telefoon’ toe en verdwijnt mokkend naar huis. Broer en zus halen de kleine dreumes erbij en gedrieën spelen ze nog uren lief met elkaar.

Welk een levensles zie ik hier onder mijn ogen uitgespeeld worden: de grootste schreeuwlelijk wordt de baas maar dat wil niet zeggen dat de kleinste partij geen stem heeft…

Waar lijkt dit toch op?

 

Vakantie = inpakken en wegwezen

(Een eigen serie van 7  met vakantieherinneringen op Apeldoorn Direct , elke zondag een deel)

Door Carla van Vliet

 

De coronasituatie zorgt ervoor dat veel vakantieplannen niet doorgaan. We blijven dichter bij huis of zelfs helemaal thuis. Je leest erover in onze serie ‘Coronazomer’. Daarnaast is er alle tijd om terug te denken aan voorgaande jaren. Gelukkig hebben we de foto’s en de verhalen nog. Hiervan een verzameling, geschreven door Carla van Vliet. 

 

“Moet dit ook mee?!”

“Ja schat, we kunnen niet zonder!”

Op vakantie gaan gaat niet zomaar, er gaat het een en ander aan vooraf. Allereerst het inpakken. Zonder te willen opscheppen kan ik met een gerust hart stellen dat ik hier een kei in ben. Ik kan griezelig goed stapelen en stouwen, dit alles zonder echt te proppen. Menig reisgenoot heeft versteld gestaan: “Heb je dat óók bij je??!” Dan heb ik het niet over Nederlandse aardappelen en heel veel hagelslag want wat is er leuker dan in een ander land boodschappen doen? Maar ik heb het vermogen om in doemscenario’s te denken. Stel dat…en wat nou als… Een voorbeeld: geven de weersvoorspellingen  uitsluitend hoogzomerse temperaturen dan zie ik toch een onverwachte kille dag opdoemen. Zo kil dat de lange broek gewenst is. Dan zie ik het gebeuren dat iemand (anders) iets smerigs op die broek knoeit. Dus heb ik voor iedereen twee lange broeken mee. Ik krijg pas zin in vakantie als ik het getingel van de lege kledinghangertjes in de kast hoor en ik zeker weet dat van bikini tot bontgevoerde vestjes in de koffer zitten. In het gunstigste geval gaat driekwart van de kofferinhoud alleen maar heen en weer mee op vakantie en kan na afloop zo de kast weer in. Kortom ik ga over de koffers, de tasjes, de bakjes, de zakjes en de mandjes. Schat gaat over de auto…

Wegwezen dan maar. Het heeft altijd wel wat, met z’n allen op de Route du Soleil. Zo’n Route verbroedert. Want je rijdt een aardig tijdje met dezelfde auto’s/mensen op. Je haalt elkaar eens in. Je gluurt eens bij elkaar naar binnen. Je herkent elkaar na verloop van kilometers. Afgezien van de bumperklevende of rechts inhalende wegmisbruikers en de slingerende asocialen die heel sociaal zitten te facebooken, zijn er ook gezellige meerijders. De voortdurend met elkaar kletsers, de samen zwijgers, de dommelende knikkebollers, de gestreste let-jij-nou-es-op-die-kinderen-stellen, de van verveling eters, de constante rokers, de enthousiaste meezingers en de altijd aanwezige neuspeuteraars. We vormen een groep, een team, een bonte verzameling, een club, een peloton dat van weerszijden afstevent op Parijs!

Natuurlijk ga ik bij een file ook eerst de opstandige fase in: zuchten en blazen en geïrriteerd op mijn horloge kijken en denken: “Als die voorste nou eens gewoon doorrijdt hebben we er allemaal wat aan…!” Dan komt de berustende fase: “Tja, er valt niets aan te doen, dan komen we maar wat later aan.” En ten slotte de creatieve fase: “Wat zal ik eens gaan doen?”

Links naast ons rijdt een man alleen, met een fiets achterop en een schoon overhemd aan een haakje voor het achterzijraam. Een kantoormeneer die de laatste kilometer op de fiets gaat? Maar waarom is zijn overhemd een houthakkershemd? Leidt hij een dubbelleven? Achter deze man rijdt een jong meisje dat zich uitsluitend bemoeit met haar telefoon. Wat is er zo belangrijk? Of appt ze haar vriendje dat ze in de ###file staat en daardoor wat later komt? Rechts van ons rijdt een vrachtwagen. De chauffeur heeft zijn raampje open en er bungelt een arm met sigaret uit. Met zijn andere hand trommelt hij het ritme mee van een of ander levenslied. Weinig vlam in de pijp deze keer. Daar achter rijdt een echtpaar met een caravan. Hun eigen kleine huisje van geluk op wielen. Zij voert hem stukjes appel. Hij checkt de spiegels, ten overvloede.

Wij passeren elkaar gedurende uren, links en rechts, inhalen en ingehaald worden, alles met een slakkengangetje. Hé, er komt op rechts een nieuw iemand tussen. Even kijken. Voor het achterraampje verschijnt een rond chinees jongensgezichtje. Hij kijkt naar me. Hij kijkt nog eens goed. Hij wijst naar me en schiet dan in de lach. Hij draait zich om naar de andere inzittenden en roept iets, ondertussen steevast naar mij wijzend. Wij kunnen doorrijden en verliezen hen uit het oog. Maar niet voor lang. Intussen zijn er twee kindergezichtjes en één moedergezicht voor het raampje verschenen en zodra ze mij zien beginnen ze keihard te lachen. Het gaat over in de slappe lach, hikkend vallen ze tegen elkaar. Ik vraag mijn chauffeur of er iets op mijn neus zit. “Je klep”, is het enige antwoord. Ik laat mijn zonneklepje een paar keer heen en weer bewegen op mijn bril en oogst applaus! Aha!

Heerlijk met z’n allen onderweg.

 

Op slot?

Ze zit voor het raam. Een hand rust op het dichtgeslagen boek op haar schoot, de andere hand ondersteunt haar hoofd. Haar ogen volgen het grillige regenspoor langs het raam. Ze ziet het amandelboompje in de voortuin beangstigend ver doorbuigen. Het zoveelste weekend achtereen met deze weersomstandigheden brengen haar bijna in een staat van depressie. Hoe lang duurt dit nog? Ze wil eruit. Naar wat warmte. Opeens gaat ze rechtop zitten. Als zij zo nodig weg wil hier dan moet ze daar zelf iets aan doen. Frankrijk! Daar waren ze vroeger zo vaak samen geweest. Met de kinderen ook nog wel. Ze springt overeind en haalt haar adresboekje tevoorschijn uit zijn oude bureau. Ze belt direct met de eigenaren van het zomerhuisje dat ze jaren terug vaak huurden en waar ze na zijn dood niet meer is geweest. Wat? Het land op slot? Eer ze van de schrik bekomen is zijn de regels aangescherpt en gaat haar stad op slot, haar straat op slot en zelfs haar huis op slot. Wat nu?

Ze loopt naar de verzameling oude lp’s en na enig speurwerk vist ze daar een hoes uit met een foto van mooie lachende jongedame. Even later klinkt het zwoele ‘Non, je ne regrette rien…’ door de woonkamer. Ze maakt danspassen en houdt haar armen zo alsof hij er in past. Ze kan de tekst woordelijk meezingen. Dan rent ze naar boven, trapt haar joggingbroek uit en gooit de sweater op haar bed om ze verruilen voor een zwierig zomerjurkje. Onderin de kast vindt ze nog een paar elegante sandaaltjes en ze zet er zelfs een kittig hoedje bij op. Ze huppelt weer naar beneden, knipoogt naar haar spiegelbeeld in de gang. Uit de ijskast haalt ze een stukje kaas en opent een flesje rode wijn. Onder een paraplu pakt ze snel een bistrostoeltje uit de tuin, droogt het zorgvuldig af en zet het naast de kachel voor het raam.

Ze zit voor het raam. Een hand houdt een glas rode wijn vast, de andere hand rust op het opengeslagen fotoalbum. Haar ogen glimmen van pret bij elke herinnering. Ze verwarmt nog wat croissantjes die ze om en om met de gevonden bonbons opsnoept. Een lavendelkaars brandt en op de achtergrond klinken de trage tonen van ‘La Bohème’. Zolang ze niet naar buiten kijkt waant ze zich in Frankrijk. Ze geniet zowaar. Oké, het land is op slot, de stad is op slot, de straat is op slot, haar huis is op slot, maar haar hoofd…. gaat nooit op slot!

Gieds en gids

Een week in de Belgische Ardennen leert je een heleboel. Ik dacht dat daar louter klimbossen en raftriviertjes waren… Wel veel bos gezien maar ook uitgestrekte maisvelden, grote meren met indrukwekkende stuwdammen. Een zucht van verlichting ontsnapte me: gelukkig geen survivaltocht 😉

Wat betreft kleine oude dorpjes kwam ik goed aan mijn trekken. Alhoewel sommige niet eens door de voorrondes van ‘Help mijn man is klusser’ zouden komen. Een betere optie zou zijn de vervallen panden te verkopen voor 1 euro aan bijvoorbeeld Spanjaarden of Italianen. Die het vervolgens dolenthousiast opknappen, op gepaste wijze gaan integreren, het dorp weer op de kaart zetten en zo de lokale bevolking een oppepper geven van heb ik jou daar. Laat dit alles gerust filmen door een tv-ploeg. ’t Is maar een idee.

Aan de andere kant ben ik ook dol op kastelen en grote landhuizen. In Chimay staat een kasteel om van te smullen. Zowel van buiten…

            

Als van binnen…

             

Bij binnenkomst krijg je bij je toegangskaartje een interactieve I-pad, zodat je heel handig alles ZELF kunt bekijken. Heldere uitleg in alle talen, slechts een kwestie van aanklikken. Toch stond er op de trap een keurig mannetje druk te gebaren. Hij riep: ‘Iek ben de gieds! U kunt mij alles vragen!’ Hij sprak alle g’s uit zoals wij het woord guillotine beginnen. Ik toonde hem glimlachend de I-pad, en dacht: ‘Laat me met rust!’ Maar hij bleef me achtervolgen en gaf te pas en te onpas uitleg. ‘Ier ies de groene kamer!’, ‘Ier ies de wapenkamer!’ Ben ik blind? Ik kan lezen hoor! Ik heb toch een I-pad! Jaartallen goochelde hij constant in het Frans te voorschijn zodat ik daar dan weer niets van begreep. Om half drie riep hij alle aanwezigen toe dat hij het theater ging openen, op een toon alsof hij ging roepen: ‘You get a car! You get a car! And you get a car!’ Met rollende ogen gaf ik hem zijn zin, totdat….ik het theater zag!

Alles was goud, rood fluweel, witte kaarsen, guirlandes, franjes, spiegels in en ereloge, barok all over the place! Wat een grandeur! Ik hou d’r van! Op het podium werd een film vertoond waar duidelijk werd dat dit prachtige theater heel veel te lijden heeft gehad, twee wereldoorlogen meegemaakt maar dit alles fier doorstaan heeft. Heden ten dage worden er zelfs nog concerten gegeven. Na de film sprong de gieds weer naar voren met een grijns op zijn gezicht alsof hij er persoonlijk voor had gezorgd dat het theater nog in leven was en riep: ‘Wie heeft nog vragen? Niemand? Maar iek ben gieds! Iek weet alles!’ Ik zwaaide nogmaals met mijn  I-pad en gaf hem applaus.

Twee dagen later stond Chateau du Fosteau op het programma. Op het terrein komen was al een uitdaging, maar als je door het smalle poortje was, dan had je ook wat! Het gordijntje naast de voordeur bewoog zachtjes heen en weer…

     

De voordeur ging open en een allerliefst ouder echtpaar heette ons welkom. Zij zei: ‘Bienvenue!’ Hij zei: ‘Je kunt gewoon Nederlands praten hoor.’ Ik mocht mee naar een deftige kamer met prachtige meubels en een gewelfd plafond met bloemetjesbehang. Ik wilde graag het toegangskaartje pinnen. Dit kon wel, maar eerst werd uit de lade van een 17de eeuws kabinetje de gebruiksaanwijzing gehaald van het pinapparaat. De rood onderstreepte stappen werden nauwkeurig gevolgd en de keurig gekapte en geklede dame slaakte een zuchtje toen de transactie succesvol verlopen was. Ik kreeg allerlei zelf getypte folders mee, van wat er te zien was, in het Nederlands, maar…meneer liep toch maar even mee. Stel dat ik iets zou overslaan of iets wilde vragen wat niet in de folder stond… Waarschijnlijk was hij blij zijn kennis weer eens te kunnen spuien. Zodra ik maar naar de folder keek begon hij weer. De uiterst vriendelijke en correcte heer had denk ik ook iets aan zijn stembanden waardoor er niet meer dan een naargeestig gefluister te horen viel. Met ingespannen oren onderging ik alles beleefd. Van de oorsprong in 1350 tot de drooglegging van de grachten in 1949, van 2004 toen er een latrine ontdekt werd in een van de dikke muren tot 2019 waar bezoekers nodig zijn om het pand te kunnen onderhouden. De kamers beneden mocht ik zelf bekijken, waarschijnlijk was hij wat vermoeid. De kamers liepen vanzelf in elkaar over en op sommige artikelen zat zelfs een prijsje. Je moet wat als eigenaren in nood.

     

Uiteindelijk werd ik vriendelijk uitgelaten door het echtpaar. Wederom paste de auto op een haar na door het poortje en er bewoog een gordijntje.

Was het toch nog een soort van survivallen…’hoe overleef ik de gids’…

Toerist

Af en toe is het heerlijk om toerist in eigen land te zijn! Als je dan ook de inlandse taal niet verstaat waan je je direct heel ver weg. Eerst dacht ik steeds Doutzen Kroes gemengd met Piet Paulusma te horen maar gelukkig zijn de meeste Friezen bilinguaal. Een dûmke en een Fryske sûkerbôle begrijp ik overigens zelfs zonder vertaling.

Ik had me aangemeld voor de workshop Fierljeppen in het immer pittoreske Joure maar bij gebrek aan voldoende belangstelling ging dit jammer genoeg niet door. Dan maar een Jouster kuierke maken in het dorp. Midden in het dorp kom ik dit standbeeld tegen, genaamd De Drie Toeristen, en wat doe ik dan…?

 

Juist, dan kijk ik ook omhoog om te zien wat zij zien. Toen was ik dubbelop toerist… Ik zag namelijk, net als die drie, de toren van de Hobbe van Baerdt Tserke. Die meneer Hobbe was vroeger een soort burgemeester en mocht de eerste steen leggen van deze Jouster Toer. Dan praten we wel over 1628, een eindje terug dus. Iemand zag in dit beeld ook de familie van Rossem…

Maar natuurlijk wil/moet je in Joure naar het Douwe Egbertsmuseum. Wat zouden we zijn zonder die voorvader? Geen koffie, geen thee: help! Maar hoe kom ik binnen als ik de deuren moet sluiten….

 

Ik ben burgerlijk ongehoorzaam geweest en heb de deuren uiteindelijk brutaal geopend. Eventjes dan. En zo kon ik toch het geboortehuis van deze held bewonderen. Moest wel op m’n knieën naar binnen, want zijn daden benne wel groot maar zijn voordeur niet hoor.

Om bezoekers wat langer te entertainen is het koffie/theemuseum uitgebreid met van alles en nog wat. Van een huisje volgestouwd met onnoemelijk veel Friese staartklokken, waar ik lichtelijk getikt vandaan kwam. Tot een oude drukkerij waar ik natuurlijk stond te kwijlen bij de prachtige letterkasten. Er is ook een oude metaalwarenfabriek waar ik kon zien hoe koper vroeger gegoten werd. Voor ieder probleem was een oplossing/mal bedacht. Ook hoe je de mallen van de verschillende onderdelen het best kan bewaren. Heel erg leerzaam…

   

Ik bedoel, je zult maar verlegen zitten om een paar vaste nekogen, een setje stuurhutkopvastzetters of een zakje schuifdeurovervalletjes. Ik kan het niet gekker bedenken…het is geruststellend daar!

En gelukkig is er een gezellig museumcafé waar de rozekleurige oranjekoek vriendelijk doch verplicht geserveerd wordt bij de Douwe Egberts koffie en thee. Ik klaag niet, ik ben toerist.

Vakantie – Afgelopen

Mijn vakantie was na twee weken afgelopen en dan begint het grote terugblikken. En dat gebeurt bijna altijd relativerend. Een mens slaat nu eenmaal snel aan het vergelijken. En zo vormen we een mening.

  • De Fransen zijn luidruchtig. Ze ratelen zo hard en rap tegen elkaar dat ik me zonder moeite een voorstelling van de Bestorming van de Bastille kan maken.
  • Fransen hebben veel ruimte nodig, praten met hun hele lichaam. Ze maken vooral wegwerpgebaren en halen geïrriteerd hun schouders op.
  • Fransen zijn ongeduldig. Ze verstaan mijn Engels niet maar mijn Frans ook niet.
  • Hoe hard je ook rijdt, een Fransoos haalt je altijd in.
  • Nergens lopen zoveel leidingen boven de grond.

   

Maar hé, nergens is het stokbrood lekkerder dan daar. En de kaas. En de wijn. Niemand leeft Bourgondischer dan een fransman. Nergens wordt het joi-de-vivre beter geleefd dan daar. Nergens zijn fijnere bric-a-bracwinkeltjes. Nergens bevinden zich mooiere luiken en hekwerken.

   

Natuurlijk zijn er ook overeenkomsten. Wat dacht je van een strandbezoek?

  • Je handdoek uitkloppen en je buren opschepen met een lading zand.
  • Je badlaken opvouwen tegen de wind in.
  • Wit komen en knalroze weggaan.
  • Pop-up shelters, die je zo makkelijk neer zet, maar met geen mogelijkheid weer fatsoenlijk in elkaar kunt krijgen.
  • Heb je net je kind lekker afgedroogd zodat het de kleertjes weer aan kan, besluit de dreumes nog één koprol in het zand te maken.
  • Teveel tassen/stoelen/parasols/voetballen/schepjes/emmertjes/zeefjes/opblaasflamingo’s meenemen.
  • Na een bepaalde leeftijd niet meer soepel overeind kunnen komen.
  • Na een bepaald aantal kilo’s toch eens een nieuw badpak moeten kopen.
  • Moeders die tevergeefs de tassen graag zandvrij willen houden.
  • Vaders die zich weer kind voelen en zich zo gedragen.
  • Ik ga naar het strand en doe zo min mogelijk kleding aan.
  • Ik ga naar zee en kleed me goed aan tegen de wellicht frisse zeewind.
  • Jankende kinderen.
  • Druipende ijsjes.
  • Bloggers op bankjes 😉

Hier dus geen verschil met Nederland. Hoewel de stranden er daar wel veel schoner uitzagen. En daar waar het een kiezelstand betrof kon men een klein strandhuisje huren. De omgeving is natuurlijk anders maar het menselijk gedrag…. Je kunt overal voor paal liggen…

Een prachtvoorbeeld van een andere overeenkomst vond ik in een dorpje. Alsof ik Jan Terlouw hoorde…

En dan ben je gewoon weer thuis, waar je de minibieb weer kunt lezen en waar de plaatsnamen weer vertrouwd klinken.

     

 

Vakantie – kinderles

In de vakantie hoeven kinderen lekker niets te leren. Zou je zeggen. Volwassenen ook niet. Zou je zeggen. Wat ik vanaf mijn Franse balkon zag…

Op een bosachtig stukje grond, met drie reuze dennenbomen, komen de vakantiekinderen aan het eind van de dag samen. Toevallig allemaal Franse kinderen, dus geen taalbarrière. Behalve voor mij: ik versta er niets van. En toch begrijp ik veel. Er is een jongetje van ongeveer 9 jaar en een meisje van ongeveer 10 jaar, duidelijk broer en zus. Er is nog een jongetje, van ik schat 8 jaar en een kleine dreumes van 2 jaar, luisterend naar de naam Elodie.

Net als in de grote-mensen-maatschappij werpt/dringt één persoon zich vrijwillig/nadrukkelijk op als aanvoerder. Het jongetje van 8 schreeuwt het hardst dus is hij de leider. Als broer en zus iets voorstellen om te gaan spelen houdt hij één hand afwerend op en met zijn andere een stuk hout tegen zijn oor. Ik versta iets van ‘telephoné’. Hij trekt een ernstig snuit en roept te pas en te onpas ‘oui’ en ‘bien sur’ alsof hij aandachtig aan het luisteren is. Dan zegt hij resoluut: ‘Mais non!!!’ en volgt er een Franstalige waterval die duidelijk intimiderend bedoeld is.  Met een ferme ‘Bonjour!’ drukt hij zijn gesprekspartner weg. Broer en zus lijken onder de indruk van zoveel overwicht. Maar als ik ze stiekem naar elkaar zie lachen merk ik dat zij de act ook nogal overtrokken vinden. Le Patron heeft intussen een plan bedacht: ze gaan een pad aanleggen. Een pad van zand, bedekt met dennennaalden en de kanten worden afgezet met een sierlijke rij dennenappels. Broer en zus zijn blij eindelijk iets om handen te hebben en verzamelen naarstig de benodigde materialen. Ze werken langs de door de baas uitgezette lijnen. Het wordt wel wat!

Maar dan komt Elodie in beeld. Het is een schatje met prachtige blonde krullen, haar kromme beentjes in een parmantige legging gestoken en een shirt dat vast bij een andere combi hoort, maar in de vakantie letten zelfs de Fransen niet op stijl. Ze heeft altijd een  lach op haar gezicht, die alle omstanders ook doet lachen. Maar niet monsieur le Patron! La petite Princesse vindt de dennenappels zo aantrekkelijk dat ze er af en toe eentje uit de keurige rij vist. De baas gebruikt al zijn tact en neemt haar lief bij het plakkerige handje en leidt haar zeven meter verderop. Hij biedt haar ook nog een mooie stok aan ter compensatie. Ze neemt het dankbaar aan en schenkt hem haar liefste lach. Tevreden draait hij zich om en stuurt zijn personeel verder aan. Wat hij even niet ziet is dat de kleine dame zich ook omdraait en achter hem aan drentelt. Zodra hij het wel in de gaten heeft brengt hij haar gedecideerd terug.

Tot vijf x toe herhaalt Elodie deze actie en de manager wordt steeds ongeduldiger. Hij voelt zijn gezag ondermijnd worden. Uiteindelijk smijt hij haar zijn ‘telefoon’ toe en verdwijnt mokkend naar huis. Broer en zus halen de kleine dreumes erbij en gedrieën spelen ze nog uren lief met elkaar.

Welk een levensles zie ik hier onder mijn ogen uitgespeeld worden: de grootste schreeuwlelijk wordt de baas maar dat wil niet zeggen dat de kleinste partij geen stem heeft…

Waar lijkt dit toch op?

Vakantie – Kerkenwerk

Ik hoef je vast niet te vertellen dat er in Frankrijk een aantal zeer mooie kerken zijn te vinden. Dit zijn er een paar die ik gezien heb. Achtereenvolgens: de Collegiale kerk Sint Vulfran in Abbeville, de Eglise Sint Martin in Saint Vallery sûr Mer en de indrukwekkende Nôtre Dame van Boulogne sûr Mer.

         

Van buiten zijn ze al heel bijzonder, van binnen is de ene nog prachtiger dan de andere! Je kunt je er vast wel iets bij voorstellen; veel houten banken en stoelen, veel altaren en kaarsen, veel beelden en schilderijen, veel glas-in-lood en pilaren. Die ga je zelf maar een keer bekijken, maar wat mij opviel…..

Een prachtige beeltenis van moeder Maria met kind, samen in een boot. Wat wil je met al die kustplaatsen. Gezien de wieltjes onder deze boot zal hij ook wel eens meegaan in een processie. Wat mij opvalt, toen ik aan de achterkant keek, is dat hoewel Maria en het kind vaak voor bescherming en redding staan, er toch een reddingsboei achterop ligt. Voor de zekerheid? Voor als zij uit het gammele bootje kukelen. Beetje ongeloofwaardig. Of geloof onwaardig…

Wat gebeurt hier?Toen ik deze foto naar het thuisfront stuurde werd ik direct gesommeerd deze disco te verlaten. Maar zo’n mooi effect geeft de zon nou eenmaal als die door een  glas-in-loodraam schijnt! Ik heb er wel even stilletjes ‘Nightfever’ op gedanst. Nee, hier zijn geen beelden van.

Waarom hangen deze niet in de klokkentoren? Waarom mogen ze niet meer meedoen? Zijn ze vals? Zijn ze eigenwijs? Slaan ze voor hun beurt? Maken ze ruzie met de anderen? Willen ze eerste viool spelen? Om nou voor straf in een donker en koud hoekje van de kerk te eindigen is wel sneu hoor. Wat me opviel was dat ze aan een soort ketting lagen, alsof iemand die zware dingen mee zou (willen)nemen…

Handig, zo’n bordje! In vier talen nog wel. Drie maal raden wie het toch voor elkaar krijgt over dat opstapje te struikelen… Ik kan het uitleggen. Op beide kanten van het bordje staat namelijk dezelfde tekst. Ik stond al op het opstapje maar ik ging er af. Er stond geen bordje met ‘Kijk uit voor het AFstapje’! Er is namelijk een wezenlijk verschil tussen op en af. Ik kan het weten. Stomme blauwe knieën. Stom bordje.

Buiten de kerken wordt de boel ook vaak opgeleukt met wat gezellige beelden. Niet dat die beelden er altijd zin in hebben… Hen wordt immers niets gevraagd. Je zult daar maar moeten blijven staan. In weer en wind. In je lendendoekje. Heb ik het nog niet eens over incontinente vogels. Ik zou er ook chagrijnig van worden…

Wie zegt dat kerken overal hetzelfde en saai zijn…?