Tagarchief: toilet

De Snakbar

Oké, ik geef toe dat ik heel af en toe wel eens een ietsepietsie overdrijf, dat mijn pen wat creatiever is dan de waarheid. Maar dit is serieus helemaal echt waar: er kwam in een ver verleden een jongeman bij ons over de vloer die het liefst elke dag van de snakbar at. Zonder ‘c’ inderdaad. Hij bleek geen blijvertje…

Toch moet ik de laatste tijd steeds aan hem denken, of eigenlijk meer aan het woord ‘snakbar’. Dit overkomt me sinds ik zeer regelmatig het woord ‘snakken’ hoor. Snakken in de zin van: ‘heftig naar iets verlangen, veelal na ontbering ervan.’ Het woord wordt veelvuldig gebruikt. Mensen snakken zich suf. Nu denk ik dat een Snakbar helemaal geen gek idee is…

Die Snakbar is gevestigd in een groot pand. Je komt binnen in de snakhal waar achter de balie een snaktherapeut staat. Die doet de eerste opvang, de snakcrisis, en zoekt uit naar welke afdeling in het pand je het beste doorverwezen kunt worden. Dat is de afdeling waar je de meeste medesnakkers zult vinden.

Zo is daar de snakzolder. Daar tref je mensen die snakken naar hoogdravende zaken, zoals wereldvrede, gelijke verdeling van voedsel en geld. Die daarover bijna uit hun/het dak gaan, ze snakken naar hun hoofd in de wolken. Terwijl de snakkelder beneden juist bevolkt wordt door snakkende uitvinders, die met gebogen ruggetjes, roerend in pannetjes en plannetjes, oplossingsgericht en zeer praktisch ingesteld snakken naar de ontdekking van de eeuw.

Daartussen bevinden zich diverse snakruimtes, al naar gelang de snakbehoefte.

In de snaksalon kun je met snakmakkers snakken naar weer eens zelf boodschappen kunnen doen, naar weer eens zelf willen knijpen in de mango, naar weer eens zelf boeken uitzoeken in de bieb. Doorgaans zijn deze snakkers dol op verrassingen maar hebben er nu schoon genoeg van.

In de standaard snakkamer wordt gesnakt naar de kapper, (klein)kinderen, terrassen en vakanties. Deze kamer is een stuk ruimer en vaak afgeladen vol.

In de donkere snakroom kun je ongezien snakken. Ik snak naar het einde van die vreselijke herhalingen van voetbalwedstrijden op tv. Naar nooit meer de blijdschap moeten veinzen als er (een half jaar gelden) gescoord wordt. Dat de nabeschouwingen analyseren van de nabeschouwingen uit de vorige eeuw eindelijk stopt. Ik snak slechts naar begrip.

In de snakzaal staat voor de übersnakkers een hotelontbijtje klaar. Daar ga ik zo nog even langs. Alweer.

Ik begin in het kleinste snakkamertje, ik snak immers naar kleine dingen, zoals schuifspeldjes omdat de kapper de eerste zeven weken volgeboekt  zit.

Ik krijg een eigen snakbuddy, maar wil eerst naar de snakkelder. Ik heb namelijk een supergoed nieuw idee. Ik snak namelijk regelmatig naar schone toiletten, onderweg, in de stad, in een restaurant. Om hiervoor in aanmerking te komen moet je, volgens mijn uitvinding, in het bezit zijn van een OT-chipcard. Die kun je thuis opladen, van dat geld wordt de (al)oude toiletjuffrouw van stal gehaald en vervangen door de nieuwe, jonge, fris en fruitige, gezellige en aantrekkelijke toiletman. Hij sopt na elk bezoek liefdevol het witte porselein, maakt de warme bril weer heerlijk koel, verjaagt de luchten, dweilt het vloertje en zorgt voor persoonlijke papieren handdoekjes. Het kost wat maar dan heb je ook wat. Ik snak er naar.

Ja, lieve lezers, we snakken wat af, vooral naar geduld heb ik het idee. Bekijk het positief: snakken stelt je een doel! Voorlopig blijf ik snakken naar het volmaken van mijn spaarkaart van de banketbakkerij… Wat mij ook helpt is de gedachte: gedeelde snak is halve snak! 🙂

Schrijfhandje 34/52

(Een jaar lang elke week een handgeschreven bericht.)

Nu denk je vast dat ik vandaag vals zit te spelen. De tekst op het bord is inderdaad niet met de hand geschreven. Maar… de pijl onder de tekst echter wel!

En daar ben ik blij mee!!! Ik weet natuurlijk niet precies hoe dat gaat met heren en toiletten maar ik heb zomaar wat heren in gedachten die zouden kunnen denken dat ze bij dat bord kunnen/moeten toiletteren…  Je kunt de vraag op tafel gooien ‘wat zijn heren?’ maar dat voert nu te ver. Stel je eens voor dat die pijl er niet bij stond geschreven! Fijn bord dus.

Het is moeilijk te zien op de foto maar die pijl is in stippellijntjes is geschreven. Waarom? Dat is mij niet helemaal duidelijk. Stippellijntjes duiden op haperingen, gestotter, geen vaste hand hebben. Ik zie de link naar het toiletteren niet helemaal. Maar hè, ik hoef daar niet heen. Ik ga es op zoek naar een damesbordje.

Heb meelij

Je gelooft het misschien niet maar er zijn mensen die jaloers zijn op mijn fantasie. Maar weet je dat dit ook gigantisch tegen me kan keren, dat ik er soms niet los van kan komen, dat mijn fantasie maar door en doorgaat.

Afgelopen week een paar dagen in Duitsland doorgebracht. Lekker in een hotelletje. Met meerdere mensen. Mijn fantasie maakte al overuren zodra het ontbijtbuffet begon. Maar daar heb ik eerder eens over geschreven. Ik wil je graag op iets anders wijzen.

Ik rijd mee dus heb alle tijd en gelegenheid om naar buiten te kijken. En me te verwonderen over wat ik daar allemaal zie. Moeite heb ik altijd met die bordjes ‘Ausfahrt’. Het heeft iets verdrietigs. Evenals het bordje ‘Rastplaz’. Het heeft iets eindigs, toch?

Maar heb je wel eens op de namen van die parkeerplaatsen gelet? Ze hebben sowieso allemaal een WC en een bordje ‘Bitte sauber halten’. Goede combinatie lijkt me dat, hoewel ik er nooit veel vertrouwen in heb.

De eerste die ik tegenkom heet Rehweg. Ik denk nog logisch, langs de rijweg.

De tweede heet Helderloh. Meteen denk ik aan schoon en aan het Engelse loo maar dan op z’n Duits.

De derde heet Mäusegatt. Tja, misschien een klein plekje of alleen voor kleine boodschappen?

De vierde heet Schwiendahl. Nou, die komt op mij niet erg sauber over, wat een zwijnenstal?

De vijfde heet Schwarzheide. Als je denkt dat het niet erger en smeriger kan moet je hier eens kijken/ruiken?

De zesde heet Hunscheid. Ja, dat zou ik ook doen: nooit zeggen dat het van jou is, altijd van hun!

De zevende heet Drögenputt. Stink er niet in (of juist wel) want je gelooft toch niet dat het daar een droge put is?

Intussen ben ik een appelflauwte nabij op de bijrijdersstoel. De chauffeur vraagt waar ik last van heb.  Teveel fantasie, zielig hè.

Nr. 285

(Dit verhaal heb ik ingestuurd voor een schrijfwedstrijd van Kelly Meulenberg. De opdracht was de woorden ‘Ik ben niet bang’ ergens in het verhaal te gebruiken maar niet in de titel. Geen prijs maar wel een ervaring rijker.)

nummertje trekken

Als ik nietsvermoedend de wachtkamer van het priklab binnen loop voel ik onmiddellijk een sterke drang snel rechtsomkeert te maken. Wat een drukte. Deze ruimte is al niet mijn eerste keus en de lange wachttijd werkt niet bevorderend voor mijn humeur. Niemands humeur, als ik zo om mij heen kijk. Zuchtend trek ik een verplicht volgnummertje. De machine bedeelt mij nummer 258 toe. Het elektronische scherm boven de deur geeft aan dat er nog tien wachtenden voor me zijn.

‘Mam, ik ben een beetje bang’ fluistert een kleine jongen bibberig. Zijn moeder slaat liefdevol een arm om haar zoon en belooft hem troostend van alles en nog wat. Je ziet hem denken ‘Jij hebt makkelijk praten!’. Dan besluit hij het uit te buiten en schroeft de beloning wat op. Moeder is kennelijk bang voor drama en stemt haastig in.

‘Zal ik zo met je meelopen, ik ben bang dat je de zuster niet goed verstaat.’ vraagt een oudere meneer aan zijn dame. Zij wijst het aanbod vriendelijk doch beslist af. Waarschijnlijk heeft zij in dat huwelijk vaker haar eigen boontjes gedopt dan hij weet.

Nummer 255. Nog drie. Het gedrag in een wachtkamer bevreemdt mij telkens weer. Zoveel mensen bij elkaar op een kluitje die niets tegen elkaar zeggen. Hooguit een binnensmonds ‘Mogge’. Is iedereen bezig met eigen angsten? Waarom moet ik bloed laten prikken? Wat zal de uitslag zijn?

Een dame van middelbare leeftijd roept net iets te hard in haar telefoon ‘Hoi met mij. Hé luister es, ik ben bang dat ik het niet ga redden hoor! Gekkenhuis hiero! Nee joh, gaan jullie maar vast dan kom ik gewoon wat later. Hou wel een plekkie vrij hè? Ja, haha! Okido! Doei! Ja doe ik! Doei! Tot straks! Hoi!’. De neiging om ook heel hard ‘Doei ook van mij!!’ te gaan roepen weet ik met grote inspanning te onderdrukken. Of probeert zij haar angst te overschreeuwen?

Twee bijna identieke dames verschijnen met een rollend serveerwagentje ten tonele. Op hun linkerborst prijkt een grote button met de tekst ‘Ik ben vrijwilliger’. Om misverstanden te voorkomen. Zij voorzien liefhebbers van een drankje en serveren dit met een bijna identieke glimlach. Als de kleine jongen om cola vraagt doen ze eerst nog alsof ze zoeken tussen de melkcupjes en de zoetjes en verklaren dan gelijktijdig ‘Ik ben bang dat we dat niet hebben jongeman’. Nog geen drie tellen later druipt de moeder af naar het ziekenhuisrestaurant.

Nummer 257. Nog eentje. Is het hier nou de hele tijd al zo warm? Ik heb gewoon klamme handen. Is er nog tijd om naar het toilet te gaan? Hoe groot zijn die naalden eigenlijk? Wat nou als ik flauwval? Of erger, wat als ik gênant ga gillen? Of huilen? Ik moet echt heel nodig!

Nummer 258. Ben ik nou bang? Gedurende de tien meter lang die ik van de martelkamer verwijderd ben ontwikkel ik een mantra. Ik ben niet. Ik ben niet bang. Ik ben niet bang. Ik ben NIET bang.