Tagarchief: thriller

Letterlijk

(Dit verhaal heb ik ingeleverd bij de schrijfwedstrijd van uitgeverij Keytree en het leverde me een plek in de bundel op! Het moest een thrillerverhaal zijn van 1500 à 2500 woorden. Het is mijn eerste thrillerverhaal in een bundel…een thriller op zich, haha. De bundel heeft de meest Nederlandse titel ‘The End’.  Alleen lezen als je durft…)

Manouk wordt wakker van een geluid maar als ze probeert haar ogen te openen is het doodstil. Haar oogleden zijn zwaar, loodzwaar. Een diepe zucht ontsnapt tussen haar droge lippen. Ze heeft zeker weer op haar rechterarm gelegen vannacht, want het steekt ontzettend. Ze draait zich om en wil haar arm bovenop het dekbed leggen. Dan ziet ze het dikke verband om haar onderarm en daaronder helemaal niets. Wat?! Haar hand is weg! Als door een wesp gestoken schiet Manouk overeind en kijkt ontsteld naar de stomp. Pijn. Opeens is er overal pijn. En misselijk voelt ze zich ook. Een helse hoofdpijn overvalt haar als ze zich probeert te herinneren wat er gebeurd is. Flarden ziet ze. Lichtflitsen en iemand met een zonnebril. Grote meekleurende glazen gevat in een dun goud randje. De rest is streperig alsof ze in een te snel draaiende draaimolen zit. Duizelig is ze. Als de kamer weer stil staat kijkt ze verwonderd om zich heen. Dit is helemaal niet haar eigen slaapkamer. Er zijn geen ramen maar er is wel een deur. Langzaam stapt ze uit bed en loopt voorzichtig naar de deur.

Gisteravond was er geen stoel onbezet op het terras van café Boathouse. De warme dag ging naadloos over in een zwoele avond. De ligging aan het water zorgde voor enige verkoeling. Tevens was het uitzicht geweldig daar. Zeilboten, met gebruinde mensen, kwamen terug in de haven. Plezierjachten, voor geïnteresseerden op zoek naar romantisch vertier op het water, maakten zich klaar om te vertrekken. Vier jongedames sloten zich lachend aan in de rij en liepen, wiebelend op hun hoge hakken, de loopplank over. Ze wisten een tafeltje op het achterdek te bemachtigen en zelfs voordat de trossen los waren proostten zij al met de eerste cocktail.

De vier waren op een opmerkelijke manier bij elkaar gekomen. Los van elkaar hadden ze gereageerd op een flyer die ze in hun brievenbus vonden. Op een gifgroene ondergrond stond de bijzondere tekst: ‘Verlaten en besodemieterde vrouwen verenigt u! Kom dinsdagavond om vijf uur naar café Boathouse. Op vertoon van deze flyer gratis drank.’ Niet eens de drank maar de oproep sprak hen zo aan dat ze het als een persoonlijke uitnodiging opvatten. De groene flyer bracht hen aan hetzelfde tafeltje. In eerste instantie waren ze wat terughoudend naar elkaar toe maar als snel bleek de nieuwsgierigheid  een bindende factor. Ze hadden geen van allen een idee door wie de oproep geplaatst was. Twee van hen aarzelden en vroegen zich de bedoeling van dit samenkomen af. Ze werden direct overgehaald door de andere twee. Hadden ze niet genoeg te verstouwen gehad de laatste tijd en waren ze niet toe aan een nieuw avontuur? Ze keken wat vreemd op toen de ober hen naast een drankje ook een briefje gaf. Hierin stond de volgende uitnodiging: ‘Welkom dames, op de rondvaart van jullie leven. We vertrekken om 21.00 uur.’ Ze werden er wat giechelig van. Het was vast een onschuldige grap van iemand. Ze spraken af er alle vier voor te gaan en wat er ook gebeurde vooral samen te blijven.

Het zonlicht prikt op de neus van Karlijn. Haar tong plakt aan haar verhemelte en ze hoort een drumband in haar hoofd. Moeizaam knippert ze met haar ogen en realiseert dan dat de omgeving haar niet bekend voor komt. Langzaam gaat ze rechtop zitten en slingert haar benen over de rand. Waar ben ik? En vooral waar is het toilet? Een golf van misselijkheid verrast haar en ze laat zich haastig achterovervallen. Maar haar volle blaas wint het, ze komt weer overeind. Zodra haar benen over de rand bungelen voelt ze een duizeligmakende pijn in haar linkervoet. Karlijn reikt met gesloten ogen naar haar voet en grijpt mis. Met geopende ogen grijpt ze ook mis. Op de plaats waar eerst haar linkervoet zat ziet ze haar onderbeen dik ingezwachteld. Haar been pulseert van de pijn en ze trekt hem weer op het bed. Ze wordt naar beneden gezogen in steeds kleinere cirkels, als in een draaikolk. Net voordat ze dreigt flauw te vallen komt ze weer langzaam overeind. Ze kijkt om zich heen en herkent nog steeds niets. Er zijn geen ramen maar er is wel een deur. Dan ziet ze naast het bed twee krukken staan. Ze pakt ze en doet onhandige pogingen hiermee te hinken. De pijn verbijtend beweegt ze zich richting de deur.

Manouk probeerde een mop te vertellen maar had vòòr de clou al de slappe lach. De andere drie schudden van de lach.

‘Neehee, toen kwam die blauwe…’, probeerde Manouk nog.

‘Het waren toch rooie?!’ verbeterde Karlijn.

‘O jaaaaa!’, reageerde Manouk verbaasd, ‘Nou, weet ik veel. Proost dan maar! Oepsie, alweer op!’

Ze hield haar glas teleurgesteld ondersteboven. Haar inmiddels vriendinnen klapten dubbel van de lach. Direct verscheen er een ober, hij schonk  met een grote glimlach de glazen weer vol.

‘Oehhhh lekker!’, riep Manouk.

‘Bedoel je de wijn?’, grinnikte Karlijn.

Ze brulden door elkaar heen dat zowel de wijn als de ober niet te versmaden waren. Ze vormden een vrolijk gezelschap. Diverse mannen keken met plezier naar het groepje. Maar steeds als er iemand contact probeerde te leggen werd hij hardnekkig genegeerd. Een groepje van vier goed uitziende mannen ondernam nog een moedige poging en ging bij de dames zitten. De mannen trokken alles uit de kast wat betreft charme. Ze deelden grif complimentjes uit, die de dames schamper in ontvangst namen. Ze boden tevergeefs een drankje aan. Ten slotte probeerden ze de dames over te halen tot dansen. De mannen bewogen hun slanke lichamen soepel en uitdagend op de zwoele muziek van het aanwezige combo. De dames gingen alleen maar harder lachen en zwaaiden de mannen weg als lastige insecten.

‘Wel leuk geprobeerd’, riep Manouk nog.

Jessica ontwaakt met een bijna dierlijk gekreun. Wat een hoofdpijn. Wanneer leert ze het nou eens niet zoveel te drinken. Haar ogen branden in haar hoofd. Ze heeft toch geen gekke dingen gedaan gisteravond? Eerst maar eens kijken hoe laat het is. Met haar rechterhand tast ze naar haar telefoon. Tevergeefs. Dan moet ze haar pijnlijke ogen toch maar opendoen om te zoeken. Het lukt niet echt. Ze vraagt zich af waarom het in haar kamer zo aardedonker is. Zodra ze gaat zitten maakt haar maag een buiteling en met moeite houdt ze een golf gal binnen. Opeens wordt ze bang. Ze krijgt haar ogen niet open en als ze haar handen naar haar gezicht brengt voelt ze een groot verband ter hoogte van haar ogen. Een blinde paniek overvalt haar. Wat is er aan de hand? Waarom branden haar ogen en waarom voelt ze zich zo ziek? Dit is geen gewone kater. Ze laat zich uit bed glijden en tast met haar handen het nachtkastje af naar haar telefoon. Maar er staat geen nachtkastje. Waar is ze dan? Met haar handen langs de muur gaat ze op zoek naar een deur.

De vier vrouwen deden zich tegoed aan hapjes die geserveerd werden. De drank had de tongen aardig losgemaakt en ze vertelden elkaar zonder enige gêne over hun exen. En vooral hoe dom, slecht, overspelig, gemeen, egoïstisch, eigenwijs, niet romantisch, slordig en lui mannen in het algemeen zijn en hun exen in het bijzonder. Ze beloofden met z’n vieren te gaan samenwonen en mannen  voor altijd af te zweren.

‘O wacht even!’, riep Manouk, ‘Kijk es wat daar aankomt!’

Uit vier kelen klonk een waarderend geloei toen de kapitein van de boot hun kant op kwam. Jessica begon, maar al snel zongen ze alle vier luidkeels ‘Loveboat, exciting and new, we’re expecting you-hou-hou!’ De kapitein lachte en nam zijn pet af. Hij maakte een buiging, schraapte zijn keel en zei: ‘Gefeliciteerd dames! Mag ik u verzoeken gebruik te maken van mijn privéhut. U bent vanavond uitgekozen voor dit speciale arrangement.’ Karlijn en Margriet keken elkaar even vragend aan maar Manouk en Jessica stonden al op.

‘Kom op, wat kan er gebeuren,  dit is toch gaaf!’, zei Manouk.

Even later zaten ze in grote zachte luie stoelen in de kapiteinshut. Ze bewonderden de luxe omgeving en Karlijn zwoer plechtig ook kapitein te worden als ze groot was. De kapitein reikt hen een gevuld glas aan en ze proostten op het geweldige idee van Karlijn. Hij verontschuldigde zich toen met de woorden: ‘Ik ga even wat hapjes halen, ben zo terug.’ De dames joelden en gaven de fles door.

Voorzichtig opent Manouk de deur. De kamer waar ze wakker geworden was sluit aan op een andere kamer. Een ronde kamer met vijf deuren. Als een duizeling haar overvalt klampt ze zich vast aan de deurpost. Aarzelend zet ze een stap in de kamer. Haar rechterarm steekt. Dan hoort ze gestommel achter de deur naast die van haar. Ze trekt zich snel terug en volgt door een kiertje wat er gaat gebeuren. Ze hoort iemand vloeken, een vrouwenstem. Opeens ziet ze Karlijn met veel gebonk in de ronde kamer hinken. Ze haast zich naar buiten. Ze vallen elkaar huilend in de armen.

‘Wat is er gebeurd?’, roept Karlijn snikkend.

Ze verstijven van schrik als er nog een deur opengaat.

‘Jessica!’, roepen ze gelijktijdig.

Jessica draait haar hoofd richting de stemmen en strekt haar armen naar voren.

‘Help me toch, ik kan niets meer zien, waarom hebben jullie mij alleen gelaten?’, huilt Jessica.

Manouk loopt naar Jessica toe en leidt haar naar Karlijn. Ze vertellen Jessica wat hen is overkomen. Als ze elkaar vasthouden vraagt Jessica opeens: ’Waar is Margriet?’

De laatste deur gaat open. De vrouwen houden hun adem in. Als ze zien dat niet Margriet maar buiten komt, maar een man, knijpen ze elkaar angstig.

‘Wat? Wat gebeurt er? Is Margriet daar?’, roept Jessica.

‘’t Is een rare vent’, sist Karlijn.

De man draagt een opzichtig Hawaïhemd boven een driekwart broek, een te klein rieten hoedje op zijn donkere haar en een zonnebril met een dun gouden randje en grote meekleurende glazen.

‘Zo dames, zijn we wakker? Dat mag ook wel na drie dagen.’

Manouk en Karlijn kijken elkaar even snel aan, Jessica draait haar hoofd richting de stem. Manouk herpakt zich als eerste.

‘Wat moet je van ons? Wie ben je? Waarom zijn wij hier?’, snauwt ze.

‘Ho, ho, ho, niet zoveel vragen tegelijk! Ik ga alles uitleggen en dan zullen jullie me dankbaar zijn. Heel dankbaar zelfs. Ik heb uiteindelijk alleen maar gedaan wat jullie zelf wilden.’

‘Wie ben jij?’, schreeuwt Karlijn gefrustreerd.

‘Zo jammer vind ik dit. Jullie kennen mij al lang. Alle vier!’

‘Waar is Margriet dan?’, bibbert Jessica.

‘Alles op z’n tijd. Ik ga het uitleggen, maar eerst dit.’ De man pakt het hoedje van zijn hoofd en daaraan zit een zwarte pruik vast. Als hij ook zijn bril afzet slaken Manouk en Karlijn een gil.

‘Wat? Wat gebeurt er!’, gilt Jessica in paniek.

‘Het is Rob. Rob Verkerke, mijn psycholoog, waar ik kwam na mijn scheiding.’, vertelt Manouk.

‘Maar ik kwam ook bij Rob!’, roept Karlijn.

‘Ik ook’, fluistert Jessica.

‘Juist dames. Alle vier zijn jullie bij mij in behandeling geweest. Alle vier hebben jullie mij de kop gek zitten zeuren over die vreselijke echtgenoten van jullie. Afgeschilderd als hersenloze figuren die het vertikten naar jullie te luisteren. Jullie hadden alle vier zoveel haat in jullie lijf ten opzichte van de andere sekse dat je bijna zou denken dat jullie de man voor altijd afgezworen zouden hebben. Maar nee, zover ging het nou ook weer niet. Jullie wilden wel een man, maar dan wel eentje die in jullie straatje past! Jullie hadden er zelfs nogal wat voor over.’

De drie vrouwen staan verbijsterd te luisteren. Zo kennen zij hun psycholoog helemaal niet. Was hij niet altijd een baken van rust, een houvast, een steunpunt van vertrouwen.

‘Daarom bedacht ik een plan. Een masterplan al zeg ik het zelf. De kapitein van deze boot was zo vriendelijk zijn schuit aan mij te verhuren voor een week, meer tijd heb ik niet nodig om jullie te helpen.’

‘Man zemel niet zo, kom op met je plan en wat heeft dit er mee te maken?’, geïrriteerd steekt Manouk haar verbonden arm omhoog.

De man loopt naar een kast en opent met een sleutel de deuren. Hij pakt er een grote doos uit en zet die op tafel. Hij opent de doos maar de vrouwen kunnen niet zien wat er in zit.

‘Let op! Kijk naar mij! Want ik ben de ideale man voor jullie! Ik kan jullie de liefde geven die jullie zoeken! En om te bewijzen dat ik echt naar jullie luister… Manouk weet je nog wat je eens beweerd hebt tijdens een sessie bij mij, toen ik vroeg wat je zou overhebben voor een nieuwe liefde?’

‘Hè, wat bedoel je?!’, roept Manouk gefrustreerd.

De man haalt uit de doos een glazen pot met vloeistof en daarin een hand. ‘Mijn rechterhand, zei je,’ met een hand op zijn hart declameert hij op overdreven toon: ‘ Ik zou mijn rechterhand geven voor echte liefde.’

Manouk snakt naar adem, het zweet breekt haar uit. De man haalt een tweede fles uit de doos.

‘Karlijn, wat heb jij er voor over om nog eens echte liefde te beleven?’

Een linkervoet is duidelijk zichtbaar in de fles. Karlijn valt bijna flauw. De man haalt de derde fles tevoorschijn. Manouk en Karlijn slaken een oerkreet als ze daarin twee ogen zien drijven.

‘Wat? Wat gebeurt er!’, schreeuwt Jessica.

Manouk legt het kokhalzend uit. Jessica smoort een gil in haar handen en valt op haar knieën.

‘En Margriet dan? Waar is Margriet?’, huilt Karlijn.

De man tilt een vierde fles uit de doos. Daarin zweeft een hart.

 

 

Merry Christmas

Ja, ja, ik weet het…Sinterklaas is nog niet eens in het land, dus Kerst is nog een verboden onderwerp. Maar schreef ik laatst niet iets over dooie mussen die van het dak vielen en van glibberige laptoptoetsen? Toch was ik toen al bezig met kerst, een witte kerst nog wel. Het ging namelijk om een schrijfwedstrijd van Crime Compagnie. Het moest gaan over kerst, donkere dagen, sneeuw, familie, gevoel en lekker warm maar ook moord en doodslag! Gezelligheid ten top in 2000 à 2500 woorden. Best lastig om je in te leven bij 30 graden… Ik deed een poging en stuurde het ijskoud in. Vorige week uitslag gekregen: van de 33 inzendingen gingen er maar drie door en daar zat ik jammer genoeg niet bij. Misschien toch te warm gebleven…? Lees maar.

Merry Christmas

Ik doe mijn ogen open en weet direct dat er iets leuks is. Wat was het ook alweer? O ja, ik ben verloofd! Ik kijk naar mijn linkerhand en zie daar de witgouden ring. We waren gisteravond bij de winterversie van de buurtbarbecue, een mooie traditie op kerstavond, en Gijs gebruikte dit  als decor om mij ten huwelijk te vragen. Ik tast naast me om naar Gijs te kijken. Als ik niets voel draai ik me helemaal om. Ik constateer dat het bed, op mij na, helemaal leeg is, er zit zelfs geen deukje in het kussen van Gijs. Vreemd. Ik pijnig mijn hersenen om de afloop van gisteravond helder voor de geest te krijgen. Dit lukt niet erg. We bleven maar proosten, op ons, op de buurt, op de liefde en het leven. Dat weet ik nog wel. Wat ik ook nog weet is het gezicht van Dennis. Ach Dennis, mijn trouwe vriend van twee huizen verderop. Zijn scheiding ging niet zonder slag of stoot. Hij heeft wat gehuild bij mij in de keuken en we hebben gepraat tot we niet meer konden. Liters koffie, thee en wijn zijn er doorheen gegaan en regelmatig gingen we samen iets leuks doen met de kinderen. En als de kinderen bij zijn ex waren bleef hij vaak bij Gijs en mij eten. De mannen konden het zo goed met elkaar vinden dat een gezamenlijk uitstapje naar de kroeg bijna ieder weekend plaatsvond. Daarom kon ik de uitdrukking op het gezicht van Gijs gisteravond niet duiden. Ik kan er niet de vinger op leggen wat ik precies zag.

Ik stap uit bed en doe een gordijn open. Dan houd ik mijn adem in. Mijn wens is uitgekomen: een witte kerst! Een dikke laag sneeuw zover mijn ogen reiken. De tuin heeft iets mysterieus. De twee coniferen in pot staan als kabouters met witte puntmutsen naast de schuur. Het vogelhuisje op stam draagt een zware witte hoed. De fiets van onze zoon staat weer niet in de schuur en is nu bijna onherkenbaar verstopt. De buxusbollen zijn nu sneeuwbollen. Naast de schuur ligt een grote berg. Wat lag daar nou toch? Ik herken het even niet. Een vroege vogel landt op de fiets. Hij zakt diep weg en vliegt snel weer op. Dan strijkt hij op de grote berg neer. Wederom heeft het diertje geen houvast en fladdert driftig met zijn vleugeltjes. Een laagje sneeuw verstuift en opeens zie ik iets geels tevoorschijn komen. Net zo geel als mijn winterjas. Gijs lachte zich suf toen ik ermee thuis kwam maar nooit eerder had ik zo’n heerlijke winterjas. Enkellang en met een grote capuchon, dik gevoerd en dus comfortabel warm. De gele kleur gaf het geheel iets vrolijks en als je van dichtbij keek zag je dat er piepkleine rode roosjes op geborduurd waren. De vogel heeft intussen gezelschap gekregen en het stukje geel wordt groter. Het moet niet gekker worden, het lijkt echt op mijn jas. Maar wat zou dat ding buiten doen? Ben ik hem vergeten? Heb ik hem daar laten liggen?

Ik ben nu zo nieuwsgierig dat ik naar beneden loop om poolshoogte te nemen. Zodra ik de gang doorloop moet ik glimlachen als de plastic eland begint te zingen: ‘I wish you a merry Christmas’.  De kinderen wilden hem graag in de gang hangen zodat het liedje maar vaak te horen zou zijn. Als het ding buiten mijn jas blijkt te zijn haal ik hem snel naar binnen. Hij heeft me een klein fortuin gekost en zoiets bijzonders vind ik nergens meer. Ik zie hem niet aan de kapstok hangen. Dan trek ik het zwarte jack van Gijs aan, wurm me in mijn laarzen en stap de tuin in. Even sta ik stil. Wat jammer dat de ongerepte laag nu verstoord wordt door mijn voetstappen. Maar ik moet duidelijkheid krijgen en vervolg mijn weg naar de schuur. De sneeuw knerpt vriendelijk onder mijn voeten. De vogels vliegen op zodra ik dichterbij kom. Ik kniel bij de berg neer en veeg nog wat sneeuw opzij. Ja, dit lijkt precies mijn jas. Ik trek er zachtjes aan maar voel direct weerstand. De jas zit ergens aan vast. Ik veeg nog meer sneeuw weg. Als ik iets hards raak spring ik geschrokken overeind. Met mijn laars probeer ik het harde deel bloot te leggen. Dan slaak ik een kreet van ontzetting: het is een hand. Een hand die uit de mouw van de jas steekt. Mijn jas. Opeens maak ik haast en veeg de sneeuw zo snel mogelijk weg boven de mouw tot ik bij de kraag ben. Nog een stukje en ik zal een gezicht zien. Durf ik dit? Kan ik dit?

Ik ren naar binnen op zoek naar Gijs, waarom zou ik dit alleen doen? Op mijn geroep komt geen antwoord, de eland in de gang zingt elke keer als ik langsloop opnieuw en als ik alle kamers vlug bekeken heb voel ik opeens druk op mijn borst. Mijn ademhaling gaat snel en ik merk dat ik hijg. Van mijn nachtkastje pak ik mijn telefoon. Nog één keer kijk uit het raam. Nu ik vermoed dat er een mens ligt zie ik ook duidelijk de contouren. Ik slik moeizaam. Ik ga naar beneden en opnieuw de tuin in. Wat moet ik doen? De politie bellen? Knoei ik nu met een plaats delict? Nee, dat is alleen als er moord is toch? Dit lijkt meer een ongeluk. Maar wie ligt daar toch? Opeens bedenk ik me dat diegene misschien niet eens dood is en dringend hulp nodig heeft! Ik graaf of mijn leven ervan afhangt en binnen de kortste keren kijk ik in een paar helblauwe ogen. De ogen van Gijs! Ik hoor een harde hoge gil. Ik graaf Gijs verder uit en zodat zijn hoofd op mijn schoot kan rusten. Ik wrijf over zijn gezicht en schudt hem heen en weer. Ik huil en besef dat het gegil uit mijn mond komt. Ik probeer de capuchon over zijn hoofd te doen met de bedoeling hem warmte te geven en zie dan dat de binnenkant donkerrood bebloed is. Op dat moment pak ik mijn telefoon en bel om hulp.

Gijs is dood en meegenomen door de ambulance. De kinderen zijn meegenomen door mijn ouders, die met kalkoen en al voor de deur stonden om kerst te komen vieren. Ik kon die verdrietige gezichtjes niet aan. De ouders van Gijs zijn op hun vakantieadres in Thailand op de hoogte gebracht van het verschrikkelijke nieuws en komen morgen terug. Zo moest ik in mijn eentje ook de politie te woord staan. Als die eindelijk vertrekken met hun zeurderig gevraag wil ik maar één ding: Dennis! Natuurlijk zal hij de ambulance en de politieauto’s wel gehoord of gezien hebben, het bevreemdt me ook enigszins dat hij nog niet hier is, maar bedenk dan dat zijn kinderen dit weekend bij hem zijn. Nog steeds in Gijs zijn jas loop ik twee deuren verder en bel aan. Zodra Dennis opendoet worden zijn ogen groter. ‘Gijs is dood. Ik heb je nodig!’ fluister ik en stort me in zijn armen. Hij wrijft me onhandig over mijn rug als ik het hele verhaal vertel. ‘En nu is hij dood! En we zouden nog wel gaan trouwen!’, snik ik: ’Wat is er nou gebeurd en waarom was hij nog buiten? En waarom had hij mijn jas aan?’ Dennis reageert opeens koeltjes: ‘Ja hoor eens, dat weet ik ook niet hoor. Vreemd allemaal. Misschien wilde hij gewoon iets uit de schuur halen en trok hij jouw jas omdat die nu eenmaal hartstikke warm is. Toen is hij uitgegleden, heeft zijn hoofd gestoten en is door de kou bevangen?’ Maar dan breekt Dennis ook, hij huilt met gierende uithalen en snikt: ’Sorry Gijs, sorry, ik wist het niet.’ Nu is het mijn beurt om te troosten: ‘Precies Dennis, wisten we het maar. Reken er op dat de politie erachter komt!’ Dennis snuit luidruchtig zijn neus, kijkt me met rode ogen aan en zegt zacht: ’Ik moet dit echt verwerken, hij was ook mijn beste vriend hè. Vind je het erg om me alleen te laten, zodra ik wat bekomen ben kom ik je helpen, oké?’ Ik kijk verbaasd maar zeg toch: ‘Oké!’

Alleen thuis weet ik me geen raad. Ik drink wat thee naast de opgetuigde kerstboom en kijk doelloos naar buiten. Het sneeuwt flink en de plek waar Gijs lag is met een flinterdun laagje bedekt. De schoenen van de ambulancebroeders en de politiemannen hebben donkere gaten achtergelaten. Wat een verschil met de sprookjesachtige tuin vanmorgen vroeg. De gebeurtenissen gaan natuurlijk als een lopend vuurtje door de buurt, vooral na de gezellige avond gister. De telefoon gaat constant. Snel doe ik de gordijnen van de voorkamer dicht, ik heb geen zin in andere mensen. Ik wil alleen Gijs. Mijn mooie sterke Gijs. Terwijl ik niet eens zo op machotypes val was Gijs anders. Sterk en toch zacht. Lief, doortastend, energiek. Hoewel hij vlagen van afstandelijkheid kon hebben, hij kon dan zomaar uren achter elkaar op de bank zitten. Hij leek wel een tijdje in een andere wereld te verkeren. Zijn eigen wereld waarschijnlijk. Als de periode voorbij was wilde hij nooit iets met me delen hierover en was dan ook zo vrolijk en boordevol nieuwe plannen dat ik het maar zo liet. Mijn telefoon gaat. ‘U spreekt met Hendriks van de recherche. Wij staan bij u voor de deur, wilt u opendoen? We hebben nieuws over uw vriend.’ Ik realiseer me dat de voordeurbel een paar maal is overgegaan.

Ik heb het koud. Een trui van Gijs die nog over bank lag trek ik aan. Ik ruik Gijs. Mijn lieve Gijs die volgens de politie is neergeslagen met een scherp voorwerp. De bijl die achter de twee coniferen lag is meegenomen. Voor onderzoek. Nog steeds heb ik het ijskoud. Mijn telefoon gaat weer. Een onbekend nummer deze keer. Ik besluit op te nemen zonder iets te zeggen. Een blikkerige stem roept: ‘Bitch! Ik krijg jou ook nog wel! Kom naar buiten als je durft…’ Ik hap naar adem en laat de telefoon bijna uit mijn handen vallen. Instinctief kijk ik naar buiten. De tuin ligt er stil bij. Ik ruk de gordijnen hier ook dicht. Daarna sluip ik naar boven. Vanuit het slaapkamerraam gluur ik naar beneden. De vitrage laat voldoende door om te zien zonder gezien te worden. De tuin is inderdaad leeg, er beweegt niets. In de tuin van de rechterburen wordt een paadje geveegd. Bij de linkerburen maken kinderen een sneeuwpop. In de verte hoor ik een hard  en regelmatig geluid, alsof er iemand tegen een deur slaat. Als ik op mijn tenen sta zie ik Dennis. Hij hakt hout, als een bezetene. Hij slaat zijn verdriet er uit zeker. Bijzonder om dit op kerstmorgen te doen. Ik besluit hem te bellen en te vragen of hij langs komt. Ik zie hem zijn telefoon uit zijn broekzak halen. Voor ik iets kan zeggen drukt hij me weg en gaat zo mogelijk nog harder hakken.

Ik eet werktuiglijk het ene chocolade kerstkransje na het andere. Ondertussen bedenk wat ik moet doen. Ik moet naar buiten. Onze kat Pluis is al een tijd weg. Ik wil hem roepen, bij me nemen, met hem kroelen, troost aan hem ontlenen. Maar durf ik naar buiten? Inmiddels is het al bijna donker, maar een lichtje doe ik niet aan. Enge telefoontjes heb ik na die ene keer niet meer gekregen. Wel intimiderende appjes, die ik heb opgeslagen. De mouwen van de trui van Gijs heb ik over mijn handen getrokken om de verlovingsring maar niet te zien. Hem afdoen is een stap te ver. Na een half uur neem ik een besluit. Ik doe het, ik ga naar buiten. Een klein stukje de tuin in, de achterdeur open laten, wat kan me gebeuren. Eenmaal buiten roep ik met schorre stem: ‘Pluisie! Kom maar bij het vrouwtje! Kom maar Pluis!’ Ik wil niet laten horen hoe bang ik ben en loop bijna stampend. Hoe dichter ik bij de schuur kom, hoe meer ik ga beven. Opeens gaat mijn telefoon weer, een appje: ‘Pluis in het vogelhuis!’ met een serie lachebekjes er achteraan. Ik zet een voet richting huis maar kijk toch schielijk naar het vogelhuis. Ik kokhals als ik het lichaampje van Pluis daar zie hangen. Struikelend over mijn eigen voeten ren ik het huis weer binnen en met een zucht draai ik de deur op slot. ‘Prima, doe maar op slot!’ hoor ik achter me. Vliegensvlug draai ik me om. ’Jeetje Dennis, ik schrik me dood!’  Dennis kijkt naar me, op een hele indringende manier. ‘Dennis, wat is er, wat kijk je raar!’

En weer rijdt er een ambulancewagen bij mijn huis weg en opnieuw zit rechercheur Hendriks in mijn woonkamer. De uitbundige kerstboom lijkt misplaatst. ‘Vertelt u het nog eens rustig vanaf het begin’, vraagt hij vriendelijk. Maar ik weet nog steeds niet waar het begin is. Begon het toen Dennis hier over vloer kwam? Of was het toen Dennis met Gijs ging stappen? Begon het omdat ik niet door had dat Dennis en Gijs een relatie hadden, met elkaar. Of begon het toen Gijs mij ten huwelijk vroeg. Toen ging het in elk geval mis bij Dennis. Zijn toekomst ging in rook op en dat was mijn schuld. Ik moest uit de weg geruimd worden. Maar hoe kon hij weten dat Gijs met mijn jas aan naar buiten kwam? Zo doodde hij zelf de liefde van zijn leven. En dan vertel ik de rechercheur dat Dennis zijn handen al om mijn keel had gelegd toen de eland opeens begon te zingen: ‘I wish you a merry Christmas’. Afgeleid door het geluid draaide Dennis zich om. De vader van Gijs twijfelde geen moment en overmeesterde  de verblufte Dennis. Ik hoefde alleen nog maar de politie te bellen. Maar waar het allemaal begon? Misschien heb ik Gijs nooit echt gekend. Ik ben moe. Mijn schoonmoeder stuurt me naar bed. In de gang klinkt : ‘I wish you a merry Christmas’

 

 

Hartstreek

(Dit verhaal heb ik ingestuurd voor de jaarlijkse schrijfwedstrijd van uitgeverij LetterRijn. Het thema was ‘Deadline’ en er moest in ieder geval 1 lijk in voor komen. Het aantal woorden moest tussen de 2500 en 4500 tellen en daar lag de uitdaging voor mij. Zo’n lang verhaal heb ik nog nooit geschreven! Op 16 juni behaalde ik een plek op de longlist, waar ik reuze trots op ben. Maar de shortlist…was uiteindelijk toch te hoog gegrepen. Daarom niet in een bundel maar gewoon hier te lezen.)

Ik werd pas serieus bang toen ik in mijn eigen tuin over een lijk struikelde. Ik zag een laars op het pad liggen, ter hoogte van de roze rododendron, en toen ik die laars wilde wegschoppen bleek er een heel lichaam aan vast te zitten. Even vergat ik adem te halen. Doorlopen was geen optie. Het bevond zich immers in mijn tuin. Ik bukte voorzichtig richting het lichaam. Langzaam stak ik mijn hand uit om de overhangende bloemen uit het gezicht te vegen toen het lichaam opeens bewoog. Ik sprong overeind, smoorde mijn gegil door mijn hand tegen mijn mond te drukken. Het lichaam bleek dus geen lijk te zijn en rolde kreunend onder de struik vandaan. Toen zag ik het. Het was Ed, mijn ex-man. Een snee boven zijn rechter wenkbrauw zorgde voor een stroom bloed over de helft van zijn gezicht. Zijn onderlip was gezwollen en zijn handen vertoonden schaafwonden. Ik knielde bij hem neer, ondersteunde zijn hoofd en vroeg wat er gebeurd was. Uit zijn keel kwamen niet meer dan wat rochelende geluiden. Opeens greep hij mijn bovenarm wonderbaarlijk ferm vast, sperde zijn ogen wijd open en zei voordat hij het bewustzijn verloor: ‘Pas op, Liz!’

Een paar uur later in het ziekenhuis zit ik naast zijn bed nog steeds te trillen. Ed is direct geopereerd aan verschillende inwendige verwondingen en wordt nu in diepe slaap gehouden. De politie die mij allerlei vragen stelde is weer verdwenen. Nee, natuurlijk weet ik niet wat er gebeurd is. Nee, ik heb niets gezien, hij lag daar opeens. En ja, ik ken hem wel. Drie jaar ben ik met die lieverd getrouwd geweest. Daarna moest ik wel van hem scheiden omdat ik Rozemarijn tegenkwam. Toen wist ik direct wat er ontbrak aan mijn huwelijk. Bij Rozemarijn voelde ik eindelijk waar het om gaat in het leven. Alles viel op zijn plaats. Bijna een jaar wonen we nu samen. Een zilveren hanger in de vorm van een roos ligt in cadeauverpakking verstopt tussen mijn sportkleren. Ik denk er hard over haar ten huwelijk te vragen bij het overhandigen van het sieraad. Plotseling realiseer ik me dat er een arts naast het bed staat. Ik moet weggedoezeld zijn. Hij adviseert me naar huis te gaan omdat de patiënt voorlopig niet wakker zal worden. Nadat hij me ervan verzekerd heeft dat de situatie niet levensbedreigend is en belooft direct te zullen bellen bij verandering in de situatie, verlaat ik het ziekenhuis.

Het is 5.00 uur als ik bij mijn auto aankom. Ik wil niet bang zijn maar toch huiver ik als ik het gekraste hart in het voorportier zie. Snel open ik de auto en spring er in. Op een bepaalde manier voel ik  me hier binnen veilig. Ik stuur Roos een geruststellend appje dat ik er over een half uur ben.  Autorijden kost mij niet veel moeite en geeft me daardoor tijd en ruimte om na te denken. Nu ik zo terugdenk begon het eigenlijk allemaal al veel eerder.

Eerst had ik het niet eens in de gaten. Een mailtje gevuld met hartjes. Hartjes waar een mes in stak zodat het bloed eruit druppelde. Ik dacht deze actie toe aan de tijdelijke stagiaire die steeds rood werd als ik haar goedemorgen wenste. Een week later deed een hart van rode verfspetters op mijn vaste parkeerplaats mijn collega’s schunnige insinuaties maken. Daarna begonnen de telefoontjes. Zodra ik opnam hoorde ik steeds weer dezelfde muziek. Orkestrale muziek die lieflijk en romantisch begon om al snel te veranderen in angstaanjagend gesnerp .  Een afzender was nooit te traceren. Toen er op een dag een grillige hartvorm met een groot kruis er doorheen in het linkerportier van mijn auto was gekrast bekroop mij een akelig gevoel. Ik keek schichtig om mij heen. Wie doet dit? En waarom bij mij? Wat wil diegene van mij? Is er iemand verliefd op me? Of juist niet? Vrijwel direct na deze ontdekking kreeg ik een bericht op mijn telefoon: ‘Wil je dat dit ophoudt, ontmoet mij dan vanavond bij club Bubbels.’ Ik kende de club wel. Bubbels was één van de zaken die volgens een project de binnenstad wat meer aantrekkingskracht moest gaan geven. De prestigieuze opzet was echter tot mislukken gedoemd en het eindigde in een verloederd stadsdeel. Ik besloot niet toe te geven aan dit merkwaardige verzoek. Negeren leek mij beter.

Toch hield ik de volgende dag, voor de zekerheid, mijn telefoon voortdurend in de gaten. Had het gewerkt? Was het de ander duidelijk dat ik niet zou zwichten? Eenmaal thuis vroeg ik geforceerd vrolijk of er nog iets bijzonders gebeurd was. Rozemarijn keek me doordringend aan. ‘Iets bijzonders?’, vroeg ze liefjes. Ze liep naar de keuken en kwam met een platte doos terug die ze mij overhandigde. Ik pakte de doos aarzelend aan, zag mijn naam er met grote letters op staan en opende hem voorzichtig. De hartvorm van verdorde rozen en de rottingslucht die daarbij vrij kwam deed me terugdeinzen. ‘Bijzonder genoeg?’, vroeg ze, ‘Heeft ze ook een naam?’  Moest ik nu zeggen: ‘Het is niet wat je denkt!’ of  ‘Schat ik weet van niks!’ Beide antwoorden zouden haar evenveel van streek maken, zeker nu ze weer in een labiele fase was. De tweede miskraam had haar tot een depressie gedreven. Vraag me niet hoe maar ik wist haar ervan te overtuigen dat dit bloemstuk voor haar bestemd was omdat ik zoveel van haar houd. Dat de rozen verdord waren zou ik morgen verhalen bij de bloemist.  Ze verweet me op het laatst alleen nog de kitscherigheid van mijn keuze.

Die avond tijdens het laatste rondje met Boris, onze boxer, ging mijn telefoon. Ik treuzelde met opnemen maar deed het toch. Een hese stem: ‘Vond je de bloemen mooi? Zo jammer dat ik je gemist heb in Bubbels. Ik denk dat jij niet precies begrijpt wat ik bedoel. Volgens afspraak heb je nog 24 uur de tijd om er te komen. Anders kom ik wel naar jou. Afspraak is afspraak. En onthoud dit goed, ik krijg altijd wat ik wil, niets of niemand houdt me tegen!’ Nog voor ik enige vorm van reactie kon geven was de verbinding verbroken. Daarna volgde een constante stroom van berichtjes met alleen maar hartjes afgewisseld met doodskoppen. Voor ik mijn telefoon rigoureus uitzette keek ik naar de tijd: 23.55 uur. Toen ik thuis kwam zag ik die laars op het tuinpad.

Volgens afspraak? Welke afspraak? Dus ik heb nu nog negentien uur de tijd. Voor wat eigenlijk? En wie bepaalt dit? En heeft dit iets met Ed te maken? Zo ja, wat dan? Zo nee, waar slaat dit op dan? Ik rijd de auto de garage in waar de elektrische deur zich direct achter me sluit. Ik pak mijn tas en aarzel nog even met uitstappen. Alsof ik moed moet verzamelen. Dan stap ik uit en verlaat de garage. Nog zeven meter eer ik bij de achterdeur ben. Ik hoor geritsel,  vliegensvlug draai ik me om. Niets te zien. Waarschijnlijk gewoon een nachtdier. Als ik bijna bij de deur ben voel ik eerder dan dat ik het hoor iets vlak langs mijn hoofd suizen. Pal voor me slaat een bloempot tegen de muur in scherven. Ik draai me snel om en zie nog net iemand onze tuin uitrennen. Ik haast me de deur te openen, zenuwachtig laat ik mijn sleutels vallen, raap ze vlug op en stap naar binnen. Veilig. Ik doe de deur op slot en blijf even met mijn rug tegen de deur aan geleund staan. Ik sluit mijn ogen en haal diep adem. Mijn hart bonkt in mijn keel. Dan adem ik langzaam uit en loop door naar de keuken. Ik weet zo snel niet wat maar er klopt iets niet. Behoedzaam sluip ik verder tot ik mijn teen stoot tegen de hondenmand. Tegelijk dringt tot me door wat er niet klopt. Ik laat me op mijn knieën vallen en voel het harde koude lichaam van Boris. Snel doe ik het licht aan en onderzoek Boris aan alle kanten. Ik kan geen enkele verwonding vinden. Hij is gewoon dood.

Hoe ga ik dit aan Roos vertellen. Kan ze dit aan? Boris heeft haar de laatste tijd zoveel troost gegeven. Meer dan ik, bedenk ik me. De kinderwens is bij Roos nu eenmaal veel groter dan bij mij. En beide keren werd de vreugde in de kiem gesmoord. Ik ben onhandig in dit soort situaties, wil alleen maar dat zij gelukkig is. Moe ben ik opeens, zo moe. Eerst Ed en nu Boris. Als door een wesp gestoken spring ik overeind. Roos! Ik vlieg de trap op naar onze slaapkamer, ondertussen steeds harder haar naam roepend en gooi de deur open. Roos! Dan blijf ik stokstijf staan. Het bed is leeg. Onbeslapen zelfs. Wild draai ik om mijn as alsof ik haar achter me verwacht. Roos! Ik haast me naar de badkamer. Ook leeg! En net op dat moment gaat mijn telefoon. Ik talm een aantal seconden, ervan overtuigd dat die hese stem mij gaat vertellen wat er met Roos gebeurd is. Maar dan hoor ik de allerliefste stem van de wereld: ‘Liz! Hè hè, eindelijk neem je op. Ik ben bij mijn ouders hoor. Ik was zo bang na dat gedoe met Ed. Mijn vader heeft me opgehaald. Kom je ook hier heen? Huil je nou?’  ‘Nee schat, ik huil niet, ik kom er aan.’ ‘Oké, en Liz, en wil je meteen Boris meenemen? Anders schrikt hij zo als ik er morgenochtend niet ben.’

Het is 7.30 uur als ik Roos alles verteld heb. Ze ziet er intens verslagen uit, ze huilt geluidloos. Ik voel me hulpeloos. Bij het verliezen van de baby’s krijste ze tenminste, kon ik haar in mijn armen nemen. Nu is ze zo in zichzelf gekeerd dat ze iedere poging tot toenadering met een zwak handopsteken afweert. Ik laat haar en loop rond in de tuin van mijn schoonouders. Een tuin die niet zou misstaan in een magazine. Nadenken moet ik. Overzicht krijgen. Nog zestien en een half uur. Volgens de hese stem. Ik doe mijn best de stem te herkennen maar ik weet niet eens of het een man of een vrouw is. Iemand wil mij pijn doen, dat is tot zover duidelijk. Maar wie en waarom. En waar komt die deadline opeens vandaan. Ik herinner me niets van een afspraak maken die klokslag middernacht zal verlopen. Gespannen laat ik mij op een bankje zakken. Uit de schuur komt Jaap, mijn schoonvader, hij gaat naast me zitten. Hij kijkt me niet aan, is een man van weinig woorden maar vraagt toch: ‘Wat gebeurt er bij jullie? Ed, Boris, problemen?’ Ik overweeg hem in vertrouwen te nemen. Het welzijn van zijn dochter gaat hem boven alles, mij ook. Toch wil ik hem geen angst aanjagen. Daarom voel ik me verplicht het een en ander te vertellen maar het feit van de deadline houd ik voor me. ‘Het lijkt er op dat iemand een hekel aan je heeft. Ruzie gemaakt?’ ‘Niet dat ik weet.’, antwoord ik. In gedachten ga ik al mijn collega’s langs, mijn vriendkring en mijn hardloopgroepje, maar ik kom er niet uit. Hoofdschuddend sta ik op en loop wat heen en weer. Dan blijft ik abrupt staan en fluister: ‘Jean-Jacques!’

Maar eerst moet ik naar het ziekenhuis. Ik ben er van overtuigd dat de antwoorden bij Ed liggen. Degene die hem in elkaar geslagen heeft is de figuur met de hese stem. Is degene die mij probeert klein te krijgen. Zodra ik Ed’s  kamer binnenkom zie ik dat de toestand onveranderd is. Hooguit zijn de blauwe plekken in zijn gezicht dikker en donkerder. Een verpleegkundige staat met haar rug naar mij toe en doet iets met het ventiel van het infuus. Als ik met mijn tas per ongeluk tegen de deur stoot draait ze zich snel om. Kijkt ze nu verschrikt, betrapt of bang? Even weten we allebei niet hoe te reageren. Ik herpak me als eerste en vraag hoe het met de patiënt gaat. Met de woorden: ‘Geen verandering en de rest kunt u aan de dokter vragen.’, verlaat ze de kamer. Ik bekijk Ed nog eens goed. Ik strijk hem zacht over de wang en fluister: ‘Ed lieverd, hoor je me?’ Even maakt hij een kreunend geluid. Dan schudt ik hem zachtjes aan zijn schouder en vraag: “Wie heeft dit met je gedaan Ed? Geef me een naam. Alsjeblieft! Ed?’ Uiterst langzaam gaan zijn ogen een stukje open en draaien ze verwonderd van links naar rechts en terug. Als hij mij in beeld heeft vormen zijn gebarsten lippen een grimas en probeert hij iets te zeggen. Om hem te kunnen verstaan moet ik me diep voorover buigen. Zijn adem strijkt langs mijn wang als ik hem ‘Auw’ hoor prevelen. Aan de dokter die binnenkomt, verzoek ik dringend de pijnmedicatie te verhogen.

Ik zet mijn auto met twee wielen op de stoep en ren de delicatessenwinkel in. Een jonge vrouw duw ik opzij.  Jean-Jacques komt op mij af. Hij steekt zijn armen uit alsof hij me gaat omhelzen. Ik sla ze weg en roep boos: ‘Wat wil je van me?’ Hij steekt zijn handen in de lucht alsof hij zich bedreigd voelt. ‘Zeg het! Zeg dat jij die mailtjes hebt verstuurd! En dat je mijn auto beschadigd hebt! En mijn ex in elkaar geslagen hebt!’ ‘Hoe… wat…ik…’, probeert Jean-Jacques, terwijl hij hulpeloos zijn schouders ophaalt. Ik schreeuw intussen: ‘Stop hier onmiddellijk mee! Ik weet toch dat je me al maanden probeert te versieren. Ik zie het toch! En nu wil ik weten waarom! En wat is dat met een deadline!’ Hij laat vertwijfeld zijn handen zakken en kijkt me verbaasd aan. Dan roept hij opeens keihard: ‘Maria!’. Uit de keuken komt een bezwete maar elegante vrouw met een geruit schort. Hij slaat zijn arm om haar schouders en vraagt zonder zijn ogen van mij af te wenden: ‘Maria, schat, vertel jij deze dame eens hoelang wij al bij elkaar zijn. Hoe gelukkig wij zijn met ons gezinnetje. Dat deze dame het vreselijk mis heeft te denken dat ik iets met haar zou willen en dat flirten mijn tweede natuur is zonder dat ik er iets mee bedoel.’ De jonge vrouw, die ik eerder opzij duwde, loopt op mij af: ‘Stel je niet zo aan mens, hij flirt ook met mij, daarom komen we hier toch zo graag?’ Huilend zak ik in elkaar. Het is 11.45 uur.

‘Ga wat slapen!’, dringt Roos bij me aan. Maar dat ga ik niet eens proberen. Nog geen twaalf uur meer en dan… Ja, wat dan? ‘Eet dan alsjeblieft wat.’ Zonder iets te proeven lepel ik de soep die ze me voor zet op. Mijn hersenen maken overuren zonder enig bruikbaar resultaat. Ik breng de kom naar de keuken en spoel hem om onder de kraan alvorens hem in de afwasmachine te zetten. ‘Zeg Roos, je wilde toch nog je föhn hebben van thuis? Die ga ik wel even halen.’ Blij dat ik iets kan doen. ‘Ik ga mee.’, zegt Roos. Ze kijkt me zo doordringend aan dat ik niet eens waag haar op andere gedachten te brengen. Zo staan we even later weer voor onze eigen voordeur. Ik open hem met mijn sleutel en samen staan we in de gang met ingehouden adem te luisteren. ‘Geen onraad.’, grap ik. Roos rent naar boven: ‘Ben zo terug.’  Ik raap wat post op en loop er mee naar de woonkamer. Dan hoor ik Roos gillen. Niet zomaar gillen maar hartverscheurend gillen. Ik neem de trap met twee treden tegelijk en zie Roos middenin de babykamer staan, haar armen kruislings over haar buik. ‘Nee!’, schreeuwt ze, ‘Niet aan mijn kindjes komen!’ Ik neem haar in mijn armen en kijk verbluft de kamer rond. Het meubilair is kapot geslagen, niets is nog heel. Alle kleertjes, zo liefdevol en zorgvuldig uitgekozen, liggen verscheurd tussen de kastresten. Heel zachtjes klinkt vanonder het matrasje ‘Somewhere over the Rainbow’. Roos wil het muziekdoosje pakken maar ik weet haar op tijd weg te trekken. ‘Niet aankomen! Ik ga de politie bellen.’ Nog negen uur.

Roos en ik zitten op het bankje in haar vaders tuin. Haar ogen zijn gezwollen van het huilen. Beiden zijn we doodmoe van alle vragen van de politie. We zitten dicht tegen elkaar aan en toch hangt er iets tussen ons in. ‘Ga je me nog vertellen wat er aan de hand is Liz?’ Wat kent ze me goed, ik heb inderdaad informatie achter gehouden tegenover de politie maar wat vertel ik haar? Sleep ik haar mee in dat hele deadlineverhaal, die over vijf uur afloopt, of blijf ik haar beschermen. Alsof ze mijn gedachten leest zegt ze: ‘Je hoeft me niet altijd te beschermen!’ Ik pak haar hand en besluit voor een middenweg te kiezen.  Haar de halve waarheid vertellen is nog altijd beter dan niets, verdedig ik mezelf. Ik houd het luchtig en vertel dat dit allemaal waarschijnlijk een samenloop van omstandigheden is, dat het één vast niets met het ander te maken heeft. Ik haal zelfs de wet van Murphy erbij. En probeer haar hoop te geven door mijn vertrouwen in de politie uit te spreken. Tenslotte vertel ik haar zo nonchalant mogelijk dat ik vanavond nog even weg moet. ‘Waar moet je naar toe dan? Wat ga je doen? Waarom zeg je dat niet tegen de politie dan? Liz,wat gebeurt er met ons?’

Als ik ’s avonds in de auto het adres van Bubbels ingevoerd heb en de radio aan wil zetten,  klinkt er een harde klop op mijn raampje. Van schrik raakt mijn hand de volumeknop en de bassen dreunen door de kleine ruimte. Snel draai ik de knop weer terug en zie Roos naast de auto staan. Ze trekt de deur open en vraagt gejaagd: ‘Kun je nog even binnenkomen om het alarm uit te leggen? Mijn vader is de code vergeten.’ Ik zucht, maar geef gehoor aan haar verzoek. Eenmaal binnen kijkt Jaap wat bevreemd als ik hem om de code vraag, die hij moeiteloos opzegt. Als Roos binnenkomt giechelt ze een beetje: ‘O, ik dacht…’ Ik haal mijn schouders op en verdwijn.

Minder zelfverzekerd dan ik wil loop ik Bubbels binnen. Aan de bar hangen drie mannen die mij suf aankijken. Vermoedelijk zitten ze hier al een tijdje. Achter de bar staat een slonzige vrouw al rokend te bladeren in een roddelblad. Ik knik naar hen en vraag me af, terwijl mijn benen opeens van rubber lijken, waarom ik eigenlijk geen plan van aanpak heb gemaakt. Ik ben altijd zo precies en hier stap ik zomaar onvoorbereid in. Hoe naïef ben ik eigenlijk. Is het angst die mij zo roekeloos maakt? Of is het woede. Of pure nieuwsgierigheid om degene te ontmoeten die mijn leven de laatste tweeëntwintig  uur tot een hel heeft gemaakt. Bevend neem ik plaats op een stoel. Wat nu? Een grote man stapt op mij af en gebaart me met een enkele hoofdbeweging hem te volgen. Zijn lengte van bijna twee meter en zijn gewicht van ruim 160 kilo doen me beseffen dat tegenstribbelen geen enkele zin heeft. Ik aarzel toch even maar loop ik hem dan gedwee achterna. In een schemerige gang opent hij de derde deur en laat me voorgaan. Hij duwt mij op een stoel tegenover een soort bureau en gaat achter me staan. Ik kijk de kamer rond en weet niet wat ik moet voelen. Mijn hart bonkt in mijn keel en zelfs mijn handen zweten.

De deur achter het bureau gaat plots open. Ik spring overeind als er een figuur met een zwart kraaienmasker op verschijnt. De grote man duwt me weer op mijn stoel en de kraai gaat ook zitten. ‘Fijn dat je gekomen bent.’ klinkt het hees, ‘En keurig op tijd. Ik wist wel dat je eieren voor je geld zou kiezen. Nu kunnen wij eens fijn praten.’ Ik houd het niet meer uit, sta op en schreeuw: ‘Wie ben je en wat wil je van me! Waarom doe je dit! Nog laf ook met zo’n masker!’ Ik word teruggeduwd op mijn stoel. De kraai slaat met zijn vuist op tafel en zegt: ‘Niemand noemt mij laf! Ik houd mij alleen maar aan de afspraak. Die afspraak verloopt over een uur!’ De adrenaline neemt de overhand, opnieuw spring ik overeind: ‘Man, ik weet niet eens waar je het over hebt. Welke afspraak? Ik ken je niet eens!’ De kraai gebaart naar de grote man die mij nu met tiewraps aan de stoel vastmaakt. De kraai gaat voor me staan en schuift tergend langzaam zijn masker omhoog. Paul staat daar! Paul Vogel, de ex van Roos. Hij buigt zich naar mij toe en spuugt de woorden bijna in mijn gezicht: ‘Ja, ik ben het. Stom van je dat je dat niet doorhad. Jij bent sowieso een stom wijf!’ Paul zet zijn woorden kracht bij door me een klap te geven. Mijn hoofd tolt ervan. ‘Jij hebt mijn leven zo ontzettend verziekt door Roos van mij af te pakken. Het liefste wat ik ooit bezat. Ik kon haar alles geven. Ik was zielsgelukkig met haar totdat jij kwam en haar die onzin in haar hoofd praatte.’ Een tweede klap volgt, harder. Ik proef bloed. ‘Twee vrouwen. Pffff, wat een bizarre situatie. Waarom was ik niet goed genoeg? Door jou! Snap je. Door jou! Jij hebt alles verpest!’ De grote man moet mijn stoel nu vasthouden zo hard als Paul mij slaat. Door mijn linkeroog zie ik niets meer. ‘En ik heb je gezegd toen jullie vorig jaar gingen samenwonen: ‘Je krijgt één jaar de tijd en dan wil ik haar terug!’, en dat is nu.’ Hij trapt de stoel omver en ik val met mijn hoofd langs de muur. Ik blijf stil liggen en probeer me de afspraak te herinneren. Het enige wat ik nog weet is dat hij dit lachend vertelde, daarbij Ed op de schouders slaand. Iedereen  het idee gevend vrede met de situatie te hebben. Hij schopt tegen de stoel zodat mijn hoofd tegen de muur knalt. ‘Nou, weet je het weer? Je eigen Edje was erbij. Edje die bijna alles verpestte door met jou te willen gaan praten. Ik kon hem op tijd stoppen. Net als Boris, dat stomme beest. Voordat hij me kon verraden heb ik hem een heerlijk stukje vlees gegeven. De schrokop vrat zichzelf dood. Hahaha. En dacht je nu echt dat ik kon toestaan dat jullie baby’s maakten? Als Roos een kind krijgt is dat van mij hoor je. Van mij!’ Opeens gebeurt er van alles tegelijk.

De deur achter Paul vliegt open en slaat met een klap tegen de muur. Twee gewapende politieagenten stormen binnen. Er is veel gegil en geschreeuw. Roos wurmt zich langs een van de agenten en knielt bij me neer en zegt snel: ‘Ik zag op je navigatie waar je naartoe ging. Alles komt goed!’ De grote man haalt een pistool uit zijn binnenzak en er klinkt een oorverdovend schot. Alles is even stil. Dan zie ik als in slowmotion de mond van Roos ‘Nee!’ schreeuwen. Ik zie de grote man vallen. Steeds dichterbij komt zijn enorme lijf. De stoelpoten versplinteren onder zijn gewicht of zijn het mijn heupen? Als hij bovenop mij valt wordt alle lucht uit mijn longen geperst.

 

 

 

 

Ladyviller

(Dit verhaal heb ik ingestuurd voor een schrijfwedstrijd van Editio, het moest een begin zijn van een eng/spannend verhaal, niet meer dan 400 woorden bevatten en er moest een onbekende telefoon in voor komen… Leuke uitdaging om te doen! Echter het systeem van ‘het verhaal met de meeste publieksstemmen heeft gewonnen’ staat mij tegen, daarom niet eerder geplaatst dan de dag van de uitslag.)

Hij knikt goedkeurend als hij zijn werk van een afstandje bekijkt. De vleeskleurige lampenkap met het bloedrode hart in het midden komt goed tot zijn recht naast de pot met rode ogen. Liefkozend raakt hij de kleine vlinders aan die er boven hangen. “Sukkels zijn het allemaal, wie laat zoveel moois nu onder grond stoppen!”, mompelt hij. Glimlachend kijkt hij naar de in gouden lijstjes gevatte rozen uitgestald op het kastje van ellepijpen. Hij neemt zijn werk in het mortuarium maar al te graag mee naar huis. Abrupt wordt zijn aandacht naar het raam getrokken. Een jonge vrouw komt zijn tuinpad op. Dagelijkse liet ze haar hondje hier uit. In zijn bos. Hij haat haar.

Ze zit op zijn bank en kijkt rond. Heen en weer geslingerd tussen bewondering en afschuw, zoals iedere bezoeker. Ze staat op,  loopt met een boog om de met diverse ledematen gevulde potten heen, naar de vlindercollectie. “Bijzonder, het lijken wel tatoeages!” zegt ze. Ze trekt haar linkermouw iets omhoog en toont hem de roos op haar pols. Er schiet een vlammende steek door zijn lijf. Zijn hartslag versnelt een fractie. “Dus je bent je hond kwijt?”, stuurt hij haar. Ze knikt en vraagt: “Heeft u haar misschien gezien? Middengroot, wit met kleine krulletjes.” Hij biedt haar iets te drinken aan. Al snel ligt ze verdoofd op de bank.

Zodra ze bijkomt ziet ze als eerste het dikke pak verband rond haar linkerpols. Hij reikt haar een wit doosje aan zonder enig opschrift.“ Je bent in glas gevallen. Driemaal daags innemen, tot ze op zijn.” Opeens golft de angst door haar heen. Ze snakt naar adem. Ze wil slikken maar kan niet. Ze wil schreeuwen, het lukt niet. Te snel staat ze op en beweegt zich duizelig naar de deur. “Wacht! Je vergeet je hond…” Hij houdt haar een tas voor. Aarzelend rukt ze de tas uit zijn handen en rent zijn huis uit. Zijn bos uit.

In een café bestelt ze whisky. Dan heeft ze de moed om in de tas te kijken. Er zit een hartvormig kussen in. Van zachte witte krulletjes. Net op tijd haalt ze het toilet en leegt haar maag. In het hokje naast haar gaat een telefoon over. Eindeloos over. Voorzichtig duwt ze deur open. Op de deksel van het toilet ligt een mobiel. Ze pakt de telefoon op. Een rasperige stem klinkt: “Ik… heb… alles… gezien!”