Tagarchief: telefoon

Recht of krom

!!!*****!!!! Knallend rolt er een hartgrondige vloek over straat! Een vrouwenstem verheft zich, een kinderstem huilt, andere verkeersgebruikers schrikken zich een ongeluk.

Ik schrik ook … en toch ook weer niet. Een paar minuten terug liep ik achter deze dame. Met haar linkerhand duwde ze een kinderwagen voort. Naar mijn idee zat er een reus van een kind in maar waarschijnlijk was de wagen gewoon te klein voor hem. Hij keek klaarwakker in de rondte. Aan zijn besmeurde gezichtje te zien had hij al het een en ander achter de kiezen. Zodra zijn handjes leeg waren zette hij het steevast op een brullen. Zijn moeder wierp hem, door ervaring behendig, weer een nieuw koekje toe dat hij gretig en direct weer lachend aannam. Naast de wagen drentelde nog een peuter. Ten minste…als zijn moeder hem riep. De rest van de tijd dartelde hij heen en weer op de stoep zoals peuters dat doen. Of op het stoeprandje. Of rende hij rondjes om de wagen. Of stond hij stil om een reuze interessant blaadje van straat op te rapen. Zijn moeder werd er behoorlijk geïrriteerd van. Begrijpelijk want ze was een super interessant telefoongesprek aan het voeren! Met een vriendin of zus die haar advies dringend nodig had. ‘Nee joh, dat moet je niet goed vinden hoor, daar heb je gewoon recht op! Ik heb het toch ook gehad. Ik wist het eerst ook niet maar Marjolein zei dat ik daar recht op had en toen ben ik het gaan navragen en ik had daar inderdaad echt recht op dus jij moet dat ook doen hoor, heb je recht op!’

Intussen liep ik best wel gespannen naast haar want ik zag de peuter richting het kruispunt huppelen. Net toen ik dacht een behulpzaam sprintje te moeten trekken bleef de kleine stilstaan voor het stoplicht! Pffff! ‘Wachten hoor’, riep de moeder rijkelijk laat en ze haalde haar zoon in. Ik moest rechtsaf en deed dat met een gerust hart, naarstig op zoek naar een stukje schaduw. En toen kwam de vloek! Ik draaide me om en zag dat de moeder de peuter door elkaar schudde en aan zijn armpje meetrok, voor zover dat ging want ze moest natuurlijk ook nog haar telefoon vasthouden…

Het is een lastig kruispunt, want zodra je de weg over bent moet je nog een fietspad over en daar crosst nog wel eens iemand. Waarschijnlijk huppelde hij vrolijk het fietspad over. Maar om nou je peuter de schuld te geven… Heeft dat kind ook niet ergens recht op? Of is dit erg krom geredeneerd?

Ladyviller

(Dit verhaal heb ik ingestuurd voor een schrijfwedstrijd van Editio, het moest een begin zijn van een eng/spannend verhaal, niet meer dan 400 woorden bevatten en er moest een onbekende telefoon in voor komen… Leuke uitdaging om te doen! Echter het systeem van ‘het verhaal met de meeste publieksstemmen heeft gewonnen’ staat mij tegen, daarom niet eerder geplaatst dan de dag van de uitslag.)

Hij knikt goedkeurend als hij zijn werk van een afstandje bekijkt. De vleeskleurige lampenkap met het bloedrode hart in het midden komt goed tot zijn recht naast de pot met rode ogen. Liefkozend raakt hij de kleine vlinders aan die er boven hangen. “Sukkels zijn het allemaal, wie laat zoveel moois nu onder grond stoppen!”, mompelt hij. Glimlachend kijkt hij naar de in gouden lijstjes gevatte rozen uitgestald op het kastje van ellepijpen. Hij neemt zijn werk in het mortuarium maar al te graag mee naar huis. Abrupt wordt zijn aandacht naar het raam getrokken. Een jonge vrouw komt zijn tuinpad op. Dagelijkse liet ze haar hondje hier uit. In zijn bos. Hij haat haar.

Ze zit op zijn bank en kijkt rond. Heen en weer geslingerd tussen bewondering en afschuw, zoals iedere bezoeker. Ze staat op,  loopt met een boog om de met diverse ledematen gevulde potten heen, naar de vlindercollectie. “Bijzonder, het lijken wel tatoeages!” zegt ze. Ze trekt haar linkermouw iets omhoog en toont hem de roos op haar pols. Er schiet een vlammende steek door zijn lijf. Zijn hartslag versnelt een fractie. “Dus je bent je hond kwijt?”, stuurt hij haar. Ze knikt en vraagt: “Heeft u haar misschien gezien? Middengroot, wit met kleine krulletjes.” Hij biedt haar iets te drinken aan. Al snel ligt ze verdoofd op de bank.

Zodra ze bijkomt ziet ze als eerste het dikke pak verband rond haar linkerpols. Hij reikt haar een wit doosje aan zonder enig opschrift.“ Je bent in glas gevallen. Driemaal daags innemen, tot ze op zijn.” Opeens golft de angst door haar heen. Ze snakt naar adem. Ze wil slikken maar kan niet. Ze wil schreeuwen, het lukt niet. Te snel staat ze op en beweegt zich duizelig naar de deur. “Wacht! Je vergeet je hond…” Hij houdt haar een tas voor. Aarzelend rukt ze de tas uit zijn handen en rent zijn huis uit. Zijn bos uit.

In een café bestelt ze whisky. Dan heeft ze de moed om in de tas te kijken. Er zit een hartvormig kussen in. Van zachte witte krulletjes. Net op tijd haalt ze het toilet en leegt haar maag. In het hokje naast haar gaat een telefoon over. Eindeloos over. Voorzichtig duwt ze deur open. Op de deksel van het toilet ligt een mobiel. Ze pakt de telefoon op. Een rasperige stem klinkt: “Ik… heb… alles… gezien!”

 

De auditie

(Dit verhaal heb ik ingezonden voor de schrijfwedstrijd Baarnse Literatuurprijs 2016. Volgens Google moet literatuur een ‘universele waarde’ hebben. Of dit hier het geval is betwijfel ik ten zeerste maar dit was wel het verhaal dat bij me opkwam toen ik het thema zag: ‘Oproep’)

De auditie

“Hoi, met mij, ik moet je even spreken. Wat ik vandaag meegemaakt heb, dat geloof je niet. Let op. Je weet dat ik vanmorgen een auditie had. Een echte auditie voor een echt serieuze rol! Nou ja, geen serieuze rol want ze zochten nog iemand die de stuntel van het stuk kon spelen. Maar wel serieus genoeg om misschien eens door te breken. En zeg nou zelf, wie stuntelt er beter dan ik? Ik had me zowaar een keer niet verslapen. Ik was zelfs te vroeg. Uiteindelijk kwam dat goed uit voor een toiletbezoekje. Daar zag dat ik maar één oog had opgemaakt.  Wel eens geprobeerd in een toiletruimte met koud water en papieren doekjes een oog schoon te maken? Toen had ik een rood oog.  Ik werd binnengeroepen en moest een scène spelen met, houd je vast, met die leuke acteur, Rob…eh…dinges. Je weet wel. Van schrik kwam ik niet meer uit mijn woorden  terwijl ik de tekst gisteravond feilloos kon oplepelen. Met rode konen en een verhoogde hartslag worstelde ik me er doorheen. Waarom wilde ik dit ook alweer. Maar wat denk je, ik kreeg applaus na afloop! Dit was wel ongeveer wat ze zochten. Ik zou eind van de dag een telefoontje krijgen. Spannend hè. Wacht, even mijn thee pakken.

Ben ik weer. Toen ik weer thuis was kon ik mijn draai niet vinden. Moest ik nu thuis gaan zitten blijven wachten op dat telefoontje? Eind van de dag was een rekbaar begrip toch. Ik besloot naar het winkelcentrum aan de andere kant van de stad te fietsen, even wat adrenaline wegtrappen. Daar wandelde ik op mijn gemak door de gangen en net  toen ik bij de chocola stond hoorde ik mijn telefoon afgaan. Ik graaide in mijn jaszak. Mis. Andere kant dan. Ook niet. Tas! Dat ding zit natuurlijk onderin. ‘Hee Max, kan ik je straks terugbellen, ik sta in de supermarkt.’, hoorde ik opeens. Het was mijn telefoon helemaal niet. Plotseling brak het zweet mij uit. Ik had geen telefoon bij me! En stel nou dat ze bellen over die auditie. Stel dat de rol van mijn leven aan mijn neus voorbij gaat,  mijn hele carrière aan diggelen. Ik dacht alleen maar ‘Naar huis, ik moet naar huis!’. Na de file bij de kassa, de onbruikbare pinpas en op het nippertje voldoende contant geld hebben, propte ik alles snel in mijn fietstas. Waarom maken ze die dingen toch zo klein? Toen ben ik als een dwaas naar huis gefietst. Tenminste, de laatste drie straten moest ik lopen, met een geklapte achterband. Ik krijg dorst van dit verhaal. Blijf hangen, ik pak even een wijntje.

Ben ik weer. Het werd nog  erger. Ik kwam de tuin in, smeet de fiets tegen de schuur toen ik een klap hoorde, echt zo’n zware dreun en tegelijkertijd een verschrikkelijk gegil. Ik stond stijf van schrik. Het lawaai kwam van de buren, die oudere mensen weet je wel, dus ik keek voorzichtig over de heg. Maar niet voorzichtig genoeg want de buurvrouw riep me meteen, helemaal overstuur. Haar man was gevallen, of ik even kon helpen. Een tel twijfelde ik nog. Zal ik eerst mijn telefoon halen? Maar ik liep toch de buurtuin in. Meteen zag ik die man op de grond liggen. In zijn val had hij de salontafel omgegooid terwijl het kanten kleedje daarvan op zijn hoofd was gevallen. Er ontsnapte mij een zenuwachtig gegrinnik. De buurvrouw jammerde alleen maar “Hij gaat dood”. Hij zag er ook zo uit. Ik gaf haar, ogenschijnlijk   doortastend, de opdracht 112 te bellen. Daarna heb ik  bij de buurman ter hoogte van waar ik dacht dat zijn hart zat een paar keer geduwd en gepord. Toen ik wat aan zijn bovenste knoopjes prutste deed hij opeens zijn ogen open. ‘Hou daar es mee op!’ snauwde hij. Ik viel van schrik plat op mijn achterste. Maar zo kende ik hem weer. Mopperkont eerste klas. Of het de buurvrouw nog is opgevallen weet ik niet maar zodra de ambulance verscheen haastte ik mij terug naar huis. Naar mijn telefoon natuurlijk. Even bijvullen hoor.

Ben ik weer. Dus ik kom thuis en zie mijn telefoon gewoon midden op tafel liggen. Grote opluchting want ik dacht nog  dat hij misschien gestolen was, of dat ik hem  verloren had of dat hij thuis was kwijt geraakt. Maar hij lag gewoon op tafel. Toch durfde ik niet meteen te kijken. Ik nam eerst een glas wijn en toen nog een tot ik voldoende moed had. ‘3 oproepen gemist’. Wat! En het was nog niet eens eind van de dag! Boos, verontwaardigd en vooral overmoedig  belde ik meteen terug. Er werd opgenomen en voor iemand iets zeggen kon ratelde ik als een kip zonder kop dat ik er niets aan kon doen en dat ik de rol zo  ontzettend graag wilde hebben en dat ik nog een kans verdiende. En toen ik even ademhaalde hoorde ik ‘Hoi, met Rob, heb je al drie keer gebeld om te vragen of je vanavond met me uit wilt’.  O wacht, ik krijg een wisselgesprek….”