Tagarchief: stal

Gewoontjes ?

Als je niet van een gewoon doorsnee blogverhaaltje houdt kun je deze net zo goed overslaan. Ik ging namelijk heel gewoontjes naar het tuincentrum. Naar de kerstmarkt in het tuincentrum om precies te zijn. Het ging er vrij gewoon aan toe. Een optocht van rolstoelen met mopperende oudjes ‘Ik heb nog mooie ballen!’. Zuchtende mannen die het allemaal net wat minder ‘Enig!!!’ vinden. Vrouwen in wier glimmende ogen alle lichtjes weerkaatsen, haastig hun toch al goed gevulde wagentje voortduwend. Opa’s en oma’s die uit alle macht  hun nakroost uit de Lemaxetalages proberen te houden. Heerlijk. Alles ieder jaar lekker hetzelfde 😉 Bijna alles dan…

DSCN3817

De levensgrote schapen (hoe groot is die stal dan…?)  waren al snel uitverkocht…

DSCN3819

Na het vliegend hert, het hijgend hert, nu ook het liggend hert…blauw…

DSCN3820

Kerstaanbieding voor NA de Kerst…

DSCN3823

Een boom, niet mèt ballen maar vàn ballen…voel een drang tot tellen…

DSCN3826

Eindelijk helderheid over de lampjes…wel natellen hè als je clusterverlichting gebruikt…

Hoe gewoon wij het ieder jaar eigenlijk weer vinden geldt niet voor iedereen. Een klein dametje van een jaar of vier bleef bij de ingang pal staan en vanaf die plek keek verwonderd in het rond, alle geluiden en schitteringen opzuigend  en met een diepe zicht van verrukking zei ze ‘Dit is echt de allermooiste winkel die ik van me leven heb gezien!!!’.

Advertenties

Welk kind?

(Mijn bijdrage voor de Editio schrijfwedstrijd! Stemmen mag 🙂 op http://www.editio.nl )

roze stof 2

 

‘Luister goed, alle engeltjes gaan links staan en alle herders rechts. Nee, de andere kant is links Anna! En Joery, blijf bij Peter staan! Nienke kijk uit voor de kribbe! Heb je nu je pop meegenomen?’

Uiterlijk zie je niets aan haar maar wat is ze het zat. Spuugzat! Ieder jaar weer hetzelfde toneelstukje. Ieder jaar weer hetzelfde gedoe. Nerveuze kinderen die zo nodig iets moeten opvoeren voor de ouders en grootouders. Nou ja, niet moeten maar mogen natuurlijk. Altijd is er wel een kind dat op het laatste moment nog eens moet plassen. Altijd zijn er rekwisieten kwijt. Altijd gaan er wel een stuk of drie toneelspelertjes huilen en altijd scheurt er een engelenvleugeltje. Tel daarbij op dat zij elk jaar de klos is dit te organiseren omdat ze het ‘zo enig doet’ en dat collega’s Ben en Susan altijd te beroerd zijn om ook maar een vinger uit te steken. Genoeg redenen om het beu te zijn.

Als ze heel eerlijk is moet ze toegeven dat vooral het hele verhaal haar gewoon tegenstaat. Ze zou er aardig wat voor over hebben om in een armzalige stal te bevallen. Om sowieso een eigen kind te krijgen. En nu haar eigen leeftijd vordert lijkt het Kerstverhaal elk jaar pijnlijker. Waarom heeft zij niet een eigen kind? Waarom moet zij altijd voor andermans kinderen zorgen? Waarom heeft Kees haar laten zitten in haar meest vruchtbare periode? Vanavond als ze om acht uur klaar is met deze verplichting gaat ze er meteen vandoor. De directeur kan de boom in met zijn Kerstborrel. Ze heeft haar tas niet voor niets vanmorgen vroeg al meegenomen in haar auto. Met een beetje geluk is ze om tien uur in het huisje van tante Toos. Natuurlijk vond haar moeder het vreselijk dat ze niet thuis komt met Kerst, omdat ze zogenaamd gaat skiën met een stel vrienden. Maar twee dagen vol geforceerde gezelligheid, ze moet er niet aan denken. Nu even diep ademhalen en het laatste uurtje doorstaan.

‘I’m driving home voor Christmas’ schalt Chris Rea in haar autootje. Nog harder schalt zij er boven uit. Hoewel de tekst nergens op slaat is het een heerlijke meezinger. Tjonge wat was Ruud gepikeerd toen ze meldde iets eerder te willen vertrekken. Hij kan haar tot veel dwingen maar een nutteloos samenzijn met aandacht vragende ouders en zeurende collega’s kon ze echt niet meer opbrengen. Nog even door dit onverlichte stuk en dan is ze al snel bij haar tweede huisje. Nog steeds kan ze er breeduit om grijnzen dat ze zo slim is geweest niemand te vertellen van deze plek. Niemand weet dat tante Toos haar dit poppenhuisje drie jaar geleden heeft nagelaten. Een plek voor haarzelf, een plek om helemaal tot rust te komen. De ouderwetse inrichting van haar tante heeft ze zoveel  mogelijk intact gelaten. Af en toe heerlijk weg van haar overbezorgde ouders.  ‘Weet je dat Robert, de zoon van buurvrouw Annie weer vrijgezel is? Dat hebben we nou altijd echt zo’n leuke jongen gevonden! Wanneer kom je weer eens? Had ik al verteld dat Margreet alweer oma is geworden…?’ Alsof zij niets liever zou willen dan trouwen en baren.

Opeens staat ze bovenop de rem! Dat scheelde maar een haartje of ze was tegen een stilstaande auto gebotst. Wat is dit nu weer? Ze stapt uit en loopt voorzichtig naar de dwars op de weg staande wagen. Doodstil is het. Langzaam nadert ze het voorportier. Dan ziet ze een bos lange rode haren geklemd tussen de stoel en de airbag. Er beweegt niets. Zal ze? Behoedzaam opent ze het portier en ziet de rest van de vrouwelijke chauffeur. Ze kijkt om zich heen voor hulp maar er is niemand anders. Uiterst voorzichtig steekt ze haar hand uit naar de vrouw en probeert in haar hals een hartslag te vinden. Met een ruk slaat de roodharige opeens haar ogen op en fluistert met haar laatste krachten: ‘Neem…hem…mee…’. Haar hoofd met de gebroken ogen rolt opzij. Op de achterbank zit een in roze gehulde baby. Grote donkere ogen in een vlekkerig gezichtje kijken haar nietszeggend  aan. Het kind maakt kleine geluidjes en zwaait wat lusteloos een roze badstof olifantje  heen en weer. Naast het stoeltje staat een grote geruite tas waar een flesje uitsteekt. En dan, als in een droom gespt ze het kind los, pakt de tas en brengt alles over in haar eigen auto. Nog een keer kijkt ze om zich heen maar ze is nog steeds alleen. Met de kostbare lading rijdt ze nu in een ruk naar het huisje.

Bij het ontwaken vindt zij zichzelf in de grote oorfauteuil. Met een schok zit ze rechtop. De baby! Ze vliegt naar het geïmproviseerde bedje in de enige slaapkamer die dit huisje rijk is en blijft dan een moment vertederd kijken. Dit is het dus. Zo voelt het dus. Een baby van haar alleen. Een wezentje dat van haar afhankelijk is. Iemand die haar echt nodig heeft. Ze tilt het kind op en loopt er mee naar de keuken waar ze de goedgevulde tas vijf dagen geleden heeft neer gezet. Wat was ze blij met het extra pak luiers. De lucht was niet te harden toen ze thuis kwamen. Verbaasd was ze wel dat er onder al die roze laagjes een jongetje bleek te zitten. Een jongetje. Een zoon. Neuriënd maakt ze een flesje klaar. En dan komt haar favoriete moment. Samen in de grote stoel, oog in oog, lijf tegen lijfje, warmte uitwisselend, samen. De roze olifant onafscheidelijk in zijn vuistje geklemd. De lichtjes van de kleine kerstboom weerspiegelen in zijn oogjes. Lieflijke kerstliedjes klinken op de achtergrond. Eigenlijk zou het nu nog moeten gaan sneeuwen, denkt ze grinnikend.

De baby slaapt. Uit die vijf dagen ervaring weet ze nu dat het voor een paar uurtjes is. Snel gaat ze met de auto even naar het dorp. De geruite tas is bijna leeg. Ergens ver in haar achterhoofd knaagt er natuurlijk wel iets. Wie ben je? Waar kom je vandaan? Wat betekenen al die roze kleertjes? Was dit je echte moeder? Waarom moest ik je meenemen? En waarom komt niemand je ophalen? Al die dagen heeft ze het nieuws nauwgezet gevolgd. Ook internet speurt ze dagelijks af. Ze heeft zelfs onder een andere naam gebeld naar ziekenhuizen in de omgeving. Maar nergens wordt melding gemaakt van het ongeluk. Koppig drukt ze de vragen die in haar hoofd ronddraaien weg. Ze zorgt toch goed voor hem? En als niemand het kind mist is het stukken beter af bij haar. Voor haarzelf koopt ze een feestelijk taartje met een rode marsepeinen strik en voor de baby een rood fluweel pakje met de woorden ‘Ho, ho, ho!’ er heel fijntjes op geborduurd. Verder schaft ze nog speeltjes, een boekje en sokjes aan die ze allemaal apart als kerstcadeautje laat inpakken. Op de vragende blik van de verkoopster antwoordt ze vaag ‘Schoonzusje…’.

Sneller dan toegestaan rijdt ze naar huis. Van uit het niets overvalt haar opeens een gevoel van onrust. Met alle tassen in haar ene hand opent ze de voordeur met de sleutel in haar andere hand. In de smalle gang blijft ze even staan. Het is stil. Eigenlijk wel erg stil. Zo stil dat ze automatisch haar adem inhoudt. Dan laat zij de tassen op de grond vallen en snelt naar de slaapkamer. Haar bed is strak opgemaakt zoals ze het zelf graag heeft. Het met badlakens gemaakte bedje van haar zoon is verdwenen. Snel trekt ze de laden van de lage kast open. Onderin liggen de keurig opgevouwen badlakens, net als altijd en bovenin haar ondergoed. Verwilderd kijkt ze om zich heen. De luieremmer. Weg? De roze kleertjes. Weg! Ze stuift de badkamer in. Roze handdoeken. Weg! Ze rent naar de keuken. De geruite tas. Weg! In de woonkamer dan? De grote stoel staat uitnodigend op zijn eigen plaats. Alles staat op zijn gewone plaats. Precies zoals tante Toos dit jaren geleden heeft ingericht. Ze begrijpt er helemaal niets meer van. In het hele huis is niets maar dan ook helemaal niets meer te vinden dat wijst op de aanwezigheid van een baby. Haar baby.

Als verdoofd zit ze aan de keukentafel als politiewagens met gillende sirenes voor haar huisje stoppen. Ze beweegt niet. Twee agenten staan opeens in haar keuken. Versuft kijkt ze op.

‘Wat is er?’

‘Mevrouw, wij willen even in uw huis rondkijken.’

 ‘Waarom?’

 ‘Wij hebben redenen om aan te nemen dat u een baby heeft ontvoerd!’

Ze schudt haar hoofd ‘Baby? Ik kan hem niet vinden….’

In een mum van tijd is het poppenhuisje gevuld met veel te grote agenten.

‘Mevrouw we moeten u verzoeken mee te gaan naar het bureau.’

 ‘Maar ik heb geen baby….’

Dan ziet ze in de hand van de langste agent een roze badstof olifantje.

 

Drie kamelen en één boon

3 kamelen

Vandaag worden de beeldjes van de drie koningen helemaal vooraan gezet in de kerststal, vlak bij de kribbe. Want vandaag vieren we dat zij aangekomen zijn in Bethlehem. Vanavond worden zij met de rest van de stal weer opgeruimd en naar zolder verbannen. Zes januari is hiermee officieel de laatste dag van de kersttijd.

Ik vind het zo jammer dat er niet meer aandacht besteed wordt aan deze Driekoningendag; eindelijk wat glamour in de stal! Stel je voor: er komt een indrukwekkende stoet kamelen aan. Die drie deden natuurlijk niet alles zelf maar namen een heel gevolg mee. En extra kamelen voor de tenten, de pannen en de cadeautjes. ‘Kijk Caspar’, zegt Balthasar, ‘Daar is die ster weer die we moesten volgen’. ‘Pffff!’ zucht Melchior ‘Zijn we er bijna want ik heb me toch een zadelpijn.’ Even later stijgen ze af en lopen in hun mooiste koninklijke gewaden richting stal. De laatste herders maken nog snel een selfie alvorens zij weer met de schapen het veld in gaan.

RSCN2494

De drie wijze mannen trekken in eerste instantie nuffig hun neusje op vanwege de armoedige inrichting van de babykamer maar zodra zij de kleine ontwaren zijn ze om. Omstebeurt proberen zij zijn aandacht te trekken. De vlammen van het voor de warmte aangelegde vuurtje weerschijnen in hun met gouddraad geweven mantels en geven de stal opeens een luxe uitstraling.

Zo iets dus. De enige vorm van viering die ik ken is de zogenaamde Koningskoek. In het deeg is een boon verstopt en degene die de boon in zijn stuk koek aantreft is de Koning van de Dag. Je mag lekker de baas zijn en bepalen wat er ’s avonds gegeten wordt. Ook niet verkeerd eigenlijk…als ik die koek nou eens zelf bak en goed onthoud waar de boon zit…of ben ik dan een (schijn)heilig boontje…?