Tagarchief: sprookje

Saartje Allegaartje (3)

Τ(De zeven uitverkoren mannen, Ton, Ron, Bob, Rob, Jos, Vos en Boy, zoeken een plaatsje om te gaan zitten in de audiëntiekamer. Ze kunnen kiezen uit een plekje op een verzameling azuurblauwe piano’s, een groepje broodmanden of een aantal tot krukjes getransformeerde trolleys. Saartje zelf neemt plaats op en gouden kinderstoel en kucht een beetje zenuwachtig. ‘Oké heren, jullie willen met mij  trouwen?’ Alle mannen knikken totdat hun hoofd bijna van hun romp afrolt en roepen in koor: ‘Ja dolgraag Saartje!’ ‘Maar waarom zou ik met jullie trouwen? Jullie krijgen allemaal vier en driekwart minuut om dit uit te leggen. Wie wil er beginnen?’)

 

‘Ik!’, roept Ton. Hij is groot, breed en heel gespierd. Als hij lacht verschijnt er een sterretje op zijn tanden. ‘Lieve Saartje, trouw met mij en ik zal je helpen bij al je verzamelingen te dragen.’ Ter demonstratie jongleert hij met een betonnen bloembak, een stalen deur en een loden kogel. Saartje knikt, ja dit komt goed van pas.

‘Nu ik!’, roept Ron. Hij draagt een tuinbroek en een strooien hoed en heeft hand één hand op zijn rug. ‘Lieve Saartje, trouw met mij en ik zal je elke dag een prachtig boeket bloemen geven. Misschien is dit het begin van een nieuwe verzameling…’ Hij haalt een bos roze rozen achter zijn rug vandaan, gecombineerd met gele boterbloempjes en voorzien van een zilverglitterlaagje. Saartje knikt, ja dit wil ze wel.

‘En nu ik!’, fluistert Bob. Hij draagt een zwart/wit gestreept pak met bijpassende pet, op zijn borst staat een vet gedrukt nummer en hij kijkt steeds wat angstig achterom. ‘Hey Saartje, je moet met mij trouwen hoor, want ik weet heel veel adresjes waar je aan leuke spulletjes kan komen, allemaal voor weinig!’ Saartje ruikt direct onraad en wijst hem de deur: ‘Ik wil geen boef trouwen!’

‘Ik dan!’, roept Rob. Hij draagt een deftig pak met een krijtstreepje en houdt een telefoon in zijn hand. ‘Ik ben echt je man Saartje, want kijk met een slimme app op deze telefoon kan ik al je verzamelingen in kaart brengen, fotograferen, opslaan, bijhouden, omzetten in vrolijke animaties, zodat je ook zittend op je gouden stoel van je spulletjes kunt genieten!’ Tjonge, denkt Saartje, dat is gaaf!

‘Nu ik!’, roept Jos. Hij draagt een legergroen soldatenpak, op de borst gedecoreerd met roze, gele en mintgroene broches, en in zijn hand een geweer. ‘Allerliefste Saartje, ik weet dat je niet van geweld houdt maar mijn medailles heb ik behaald door goede daden te doen en mijn geweer schiet alleen maar zoete chocoladebonbons. Zo kan ik je beschermen en helpen tegelijkertijd.’ Verdraaid handig, denkt Saartje.

‘Mijn beurt!’, roept Vos. Hij draagt een streepjesbroek, een jacquetjasje en smetteloos witte handschoenen. Hij klinkt zijn hakken tegen elkaar en zegt: ‘Geachte Saar, ik wil gaarne je butler worden zodat ik orde kan aanbrengen in deze … eh … chaos van verzamelingen, ik kan je leren hoe het heurt.’ Saartje zit te stuiteren van ergernis en roept: ‘Jij begrijpt er niets van. Tot ziens!’

‘Hè hè, nu ben ik!’, roept Boy. Hij draagt een donkerblauwe spijkerbroek en een lichtblauw T-shirt, zijn haar valt als een waterval over zijn schouders en hij heeft een gitaar vast. Hij tokkelt wat en zet dan met een zwoele stem een lied in: ‘Allerliefste Saartje, wanneer vormen wij een paartje? Ik zal altijd van je houwen, daarom wil ik je graag trouwen. Ik beloof je elke dag een nieuw lied, dus waarom kies je mij niet?’ Saartje pinkt een traantje weg van ontroering.

‘Dank jullie wel allemaal,’ zegt Saartje, ‘Ik moet hier even ernstig over nadenken hoor.’ Ze trekt zich terug op de zolder en loopt vijftien rondjes met haar handen op haar rug. Het helpt niet veel. Ze vraagt een papegaai om raad, maar die roept alleen maar: ‘Leuke mannen, leuke mannen!’ Ze kijkt naar buiten en ziet vijf wolken in de lucht. Ze gooit een kaartspel omhoog en vijf kaarten liggen met de afbeelding naar boven. Ze pakt vijf dobbelstenen en gooit vijf keer, alle keren liggen er vijf ogen boven. Dan neemt ze een kloek besluit.

Vijf dagen later…

Saartje draagt een witte jurk. Eigenlijk zijn het twee jurken over elkaar heen want ze kon niet echt kiezen welke ze het mooist vond. Ze heeft de jurken versierd met witte strikken en witte linten. Alleen haar hoedje is natuurlijk knalroze. De buurman is voor gelegenheid verkleed als een ambtenaar van de burgerlijke stand. De tuin is ook versierd met witte strikken en witte linten. In een van de negen kruiwagens staat een levensgrote taart van 25 witte en roze lagen cake. De ambtenaar test nog eenmaal de microfoon en roept dan: ‘Saartje Allegaartje neem je tot je wettige echtgenoot Ton, Ron, Rob, Jos en Boy?’ ’Jaaaa, ik wil de héle verzameling!’ roept Saartje vergenoegd. Tijdens de receptie, waarvoor het hele dorp is uitgelopen, laat Saartje vol trots haar rechterhand zien waar aan elke vinger een glinsterende ring zit. Eindelijk is ze niet meer alleen en zeer waarschijnlijk leven ze nog lang en gelukkig.

 

Saartje Allegaartje (2)

Je kent Saartje toch nog wel? Saartje, die in het allergrootste huis van het dorp woont zodat al haar verzamelingen een plekje kunnen krijgen en dat ze daarom Saartje Allegaartje wordt genoemd. Dan weet je vast ook nog dat iedere bezoeker een potje zonnestralen mee naar huis kreeg. Wat je niet weet is wat daarna gebeurde…

Saartje zwaait haar laatste visite uit en loopt haar huis weer in. Midden in de grote hal, waar een verzameling broodroosters nog een vleugje brandlucht afgeven, staat ze stil. Ze kijkt omhoog naar de zes roze kroonluchters en zucht. Dan haalt ze haar schouders op en loopt naar de badkamer. Daar laat ze het grote bad op duizendpoten vollopen, gooit er een bruisbal en een bouillonblokje in. In een paarse mand verzamelt ze alle afwas die door het hele huis verspreid ligt en smijt alles in het bad. Smijt ja, want opeens is Saartje moe! Nee, niet moe maar boos! Nee, niet boos maar verdrietig! Zo verdrietig dat de tranen over haar wangen in het bad lopen. Ze huilt en huilt totdat het bad begint over te lopen. Dan stopt ze abrupt, snuit haar neus flink in een olifantenoor en spreekt zichzelf toe: ‘Als jij je zo alleen voelt Saartje, dan moet je er iets aan doen!’

Twee weken later weet Saartje niet wat ze ziet als ze ‘s morgens de gordijnen opent. Haar hele tuin en de hele straat staat vol met mannen. Kennelijk hebben die allemaal gereageerd op haar oproep in de krant: ‘Welke man wil er met me trouwen?’ Van schrik sluit ze de gordijnen weer en denkt hevig na. Wat moet ze met al die mannen? Dan krijgt ze een ontzettend goed idee. Ze rent naar zolder en opent daar het raam van waaruit ze alle mannen kan overzien. Zodra ze haar in de gaten hebben beginnen de mannen te springen, te roepen, te gillen, te zingen, te juichen, te joelen en te zwaaien. Saartje pakt een honkbalknuppel en slaat daarmee hard op een grote pan. De mannen zijn direct stil. ‘Ahum’, schraapt Saartje haar keel, ‘Wat fijn dat jullie allemaal gekomen zijn maar ik hoef maar 1 man!’ De mannen steken allemaal een hand op en roepen in koor: ‘Ik ben je man!’ Saartje slaat weer hard op de pan en roept naar beneden: ‘Ik weet het goed gemaakt, ik wil een man met een voornaam van drie letters! De rest wordt vriendelijk bedankt en mag naar huis.’ Mopperend en mompelend vertrekt een flink deel van de mannen. Ongeveer de heft blijft staan. Dit vind Saartje nog veel te veel. ‘En de middelste letter van je naam moet een o zijn!’, roept ze daarom. Er blijven zeven mannen staan.

De zeven uitverkoren mannen, Ton, Ron, Bob, Rob, Jos, Vos en Boy, zoeken een plaatsje om te gaan zitten in de audiëntiekamer. Ze kunnen kiezen uit een plekje op een verzameling azuurblauwe piano’s, een groepje broodmanden of een aantal tot krukjes getransformeerde trolleys. Saartje zelf neemt plaats op en gouden kinderstoel en kucht een beetje zenuwachtig. ‘Oké heren, jullie willen met mij  trouwen?’ Alle mannen knikken totdat hun hoofd bijna van hun romp afrolt en roepen in koor: ‘Ja dolgraag Saartje!’ ‘Maar waarom zou ik met jullie trouwen? Jullie krijgen allemaal vier en driekwart minuut om dit uit te leggen. Wie wil er beginnen?’

 

Saartje Allegaartje

In een klein gezellig dorpje woont een alleraardigst dametje, luisterend naar de naam Saartje. Een bijzonder dametje is het ook. Want zij spaart. Ze spaart niet alleen suikerzakjes, driewielers, soldatenschoenen en taartscheppen, maar ook knopen. Vooral knopen met een bijzondere vorm of kleur vindt ze prachtig. Deze naait zij vast op haar enkellange mantel. Niet omdat ze zoveel knoopsgaten heeft maar gewoon omdat ze dat mooi vindt. En als ze een bijzondere veer ziet liggen op straat of in het bos raapt ze die snel op. Grote of kleine, knalgroen of paars gespikkeld, het maakt haar niet uit. Eenmaal weer thuis plakt ze al die veren op haar roze hoedje.

Iedereen in het dorpje kent Saartje wel. Ze noemen haar Saartje Allegaartje. Die naam begrijp je helemaal als je een keertje bij haar thuis geweest bent. Saartje woont al jarenlang in het allergrootste huis van het dorp omdat al haar verzamelingen een plekje moeten hebben natuurlijk. Zodra je alleen maar langs het allergrootste huis van het dorp loopt roept Saartje je al vriendelijk welkom. Binnen in de woonkamer maakt ze graag plaats voor je. Je mag zelf kiezen waar je wil zitten, op een stapel pannenkoeken of in een met kussentjes gevulde boekenkist. Uit de keuken haalt ze graag wat théfie voor je, dit maakt ze zelf omdat ze niet kan kiezen tussen thee en koffie. Je mag ook kiezen waar je de théfie uit wil drinken: uit een blauwe bloempot of een gele gieter. Als ze je een zelfgebakken zandkoekje aanbiedt moet je wel even oppassen; het zand uit haar achtertuintje blijft nog dagenlang tussen je tanden knarsen. Na de théfie neemt ze je met plezier mee naar de muziekkamer. Daar staat, hangt en ligt een indrukwekkende verzameling instrumenten: pannen waarin je knikkers moet roeren, zakjes met bierdopjes die je kunt overgooien en lege flessen met sleutelbossen die prachtig rammelen. Je mag zelf iets uitzoeken en spelen waar je blij van wordt. Meezingen wordt extra gewaardeerd. En als iedereen na een uurtje of zo best wel moe is neemt Saartje haar visite mee naar de kleedkamer. Hier hangen de mooiste verkleedkleren die je maar kunt bedenken. Van een paars putjesschepperspak tot een donkergroen drakenkostuum, van een zwarte schaap outfit tot een goudkleurige heilig boontjescape. Daarna stuurt Saartje iedereen naar de bibliotheek. Hier staan veertien lege badkuipen en er hangen 5 hondenhokken aan het plafond. Zodra iedereen een fijn plekje heeft gaat Saartje vertellen. Urenlang neemt ze je mee op reis met haar verhalen. En die haalt Saartje niet uit een boek maar uit de muur. De muren van de bibliotheek zijn namelijk van onder tot boven behangen met gevonden treinkaartjes. Bij elke bestemming weet ze wel een avontuur te bedenken. Een retourtje Haarlem gaat over het terugbrengen van een weggelopen hondje, een kinderkaartje naar Broek op Langedijk gaat over een logeerpartijtje bij oma, een groepskaart naar Almelo gaat over een workshop koeienschilderen. Sommige bezoekers vallen in slaap, anderen snoepen nog wat lolliesoep uit een soldatenhelm, maar er komt onverbiddelijk een moment dat iedereen weer naar huis vertrekt…

Het moment waar velen naar uitkijken. Niet omdat ze het niet leuk vonden bij Saartje Allegaartje, juist wel! Maar ze weten dat iedereen bij vertrek een aardigheidje van haar krijgt. En dat is niet zomaar iets. Saartje Allegaartje vangt immers elke dag zonnestralen en stopt die in lege glazen potjes. Iedere bezoeker krijgt zo’n potje mee. Want Saartje weet precies wat mensen nodig hebben: elke dag een zonnestraal, elke dag iets positiefs, elke dag iets liefs.

Waar dat dorpje precies ligt? Misschien wel dichterbij dan je denkt!

 

Zevelientje

Dit verhaal heb ik ingestuurd voor de schrijfwedstrijd van Schrijverspunt: schrijf een sprookje. Het moet leuk en grappig zijn voor kinderen van 5 tot 10 jaar en het moet voorgelezen kunnen worden en mag dus niet meer dan 750 woorden bevatten. Persoonlijk vind ik de leeftijdsgroep wat aan de grote kant…maar de uitdaging is leuk!)

Er was eens een klein meisje. Zij woonde in een paars huisje achter de derde heuvel buiten het dorp. Omdat zeven haar lievelingsgetal was noemde zij zichzelf Zevelientje. Ze had prachtig lang haar waarvan ze elke morgen zeven dikke vlechten maakte. Daarna kookte ze zeven eitjes die ze met een klein beetje suiker in zeven happen opat. Daarna deed ze haar jas met zeven knopen aan en huppelde naar het dorp. Misschien konden de mensen haar hulp vandaag wel gebruiken, want mensen helpen deed ze het liefst.

Onderweg kwam Zevelientje een oud mannetje tegen, die tien zware boodschappentassen tegelijk probeerde te dragen, maar telkens liet hij er drie vallen. Zevelientje droeg de drie tassen helemaal naar zijn huis. Een jongen met een geruite pet op riep: “Help!”, want zijn fiets ging alleen maar achteruit. Zevelientje zette de jongen achterstevoren op zijn fiets en hup, hij ging weer vooruit. Ze hielp ook nog een hond met buikpijn, een meisje met te kleine schoenen en een dakloze slak. En zo hielp Zevelientje zeven keer per dag.

Op een dag was het heel druk in het dorp. Alle mensen stonden op straat met elkaar te praten. Ze keken bang. Zevelientje vroeg wat er aan de hand was. “Er is een reus in het bos! En die reus is heel erg hebberig. Hij wil het hele bos voor zichzelf hebben en nu moeten wij verhuizen of anders…” “Of anders wat?”, vroeg Zevelientje. “Anders gaat hij op onze huizen staan! En waar moeten we dan wonen?” “Zal ik helpen?”, vroeg Zevelientje. “Nee, hier ben jij veel te klein voor!”, zeiden de grote mensen. Ze gingen in een kring staan om een plan te maken. Maar dat was nog niet zo makkelijk. Wat doe je tegen een reus? Zevelientje probeerde nog eens: “Zal ik helpen? Ik weet zeven toverspreuken!” De dorpsbewoners wisten het ook niet meer, haalden hun schouders op en zeiden: “Vooruit, probeer jij het maar.”

Toen de reus die middag dichtbij het dorp kwam riep Zevelientje :

“Toverspreuk 1: stoot je teen!”

Het werkte! Hij  jammerde van de pijn: “Au, au, au!” De reus stond op één voet rond te hupsen terwijl hij zijn andere voet met twee handen vasthield. De dorpsbewoners glimlachten voorzichtig. Totdat de pijn weer over was en de reus dichterbij kwam. Snel sprak Zevelientje nog een spreuk.

“Toverspreuk 2: val in de puree!”

Het werkte! De reus leek opeens wel dronken; hij wiebelde en waggelde en viel met een harde gil languit achterover in een grote bak puree! De dorpsbewoners lachten zachtjes toen de reus de puree uitspuugde en zijn ogen uitwreef. Totdat hij weer opgekrabbeld was en dichterbij kwam.

“Toverspreuk 3: krijg een kromme knie!”

Het werkte! De reus kwam hard stampend aanrennen en opeens stond zijn rechterknie helemaal krom en kon hij niet meer lopen. Hij viel zo met zijn neus op het natte mos. De dorpsbewoners lachten hardop. Maar hij stond weer op.

“Toverspreuk 4: verander in een piepklein dier!”

De reus hikte even en veranderde plotseling in een mier. Zevelientje liep dreigend op hem af en de mier maakte dat hij wegkwam. De dorpsbewoners lachten zich slap. Totdat ze zagen dat deze spreuk maar vijf minuten werkte. De mier werd weer een reus.

“Toverspreuk 5: jeuk op je hele lijf!”

Het werkte alweer! De reus krabbelde aan zijn kin, achter zijn oor, aan zijn rug, zijn knieën, zijn haar, zijn voeten, zijn buik, overal had hij de kriebels. Ten slotte rende hij gillend het bos weer in. De dorpsbewoners rolden over de grond van het lachen. Totdat hij terugkwam.

“Toverspreuk 6: eet een giftige bes!”

Nu werd het spannend. De reus lachte heel hard: “Er zijn geen giftige bessen in mijn bos, hahaha!” En hij nam een handvol tegelijk. En? Hij viel langzaam op de grond en daar bleef hij liggen.  Zevelientje wist het zeker: “Ik heb een reus verslagen! Het gevaar voor het dorp is voorbij!” De mensen wachtten nog vijf minuten, voor de zekerheid. Toen juichte en klapte iedereen en ze riepen “Hoera!” Ze droegen Zevelientje op hun schouders. Iedereen was aardig  en blij. Ze mocht snoepen en drinken wat ze wilde en kreeg allemaal lieve cadeautjes. De burgemeester gaf haar zelfs een medaille en zei: “Lieve Zevelientje, dank je wel voor wat je voor ons dorp gedaan hebt! We zijn zo blij dat de reus weg is! Ik heb nog wel één vraag: je had toch zéven toverspreuken?” Zevelientje knikte en riep heel hard:

“Toverspreuk 7: lang en gelukkig zullen we leven!”

Literair

(Dit verhaal heb ik ingestuurd voor de schrijfwedstrijd van de Baarnse Literatuurprijs. Je kunt je natuurlijk afvragen wat precies ‘literatuur’ is. Is het ‘kunst’? Zijn het ‘teksten die meer waarde hebben dan  gewone teksten´? Wie bepaalt die waarde dan en wat is eigenlijk gewoon? Waarom is werk van Harry Mulisch het wel en de Donald Duck niet…? Ik laat het in het midden. Niet dat ik pretendeer literatuur te schrijven, juist verre van dat,  maar vond het thema ‘Metamorfose’ uitdagend genoeg om er een sprookje/verhaaltje van te maken. Dat de jury het met mee eens was kreeg ik vandaag te lezen: ik behoor niet tot de twaalf genomineerden… Daarom het verhaaltje gewoon hier te lezen ;-))

Metamorfose

Er was eens een lege bladzijde. Omdat er helemaal niets op stond en omdat hij volkomen wit was noemde men hem Tabula Rasa, Tabbie voor vrienden. Hij was al een behoorlijke tijd leeg en vond dit een behoorlijke tijd prima. Totdat er een gevoel aan hem knaagde. Na hevig nadenken constateerde hij dat het een gevoel van ontevredenheid was. Hij voelde zich kleurloos en nutteloos. Wrevelig vroeg hij zich af op welke wijze hij zijn leven zin en inhoud kon geven. Hoe kon hij van zich laten horen? Hij hoefde niet vooraan of bovenop, hij was geen schreeuwer, maar een klein beetje aandacht heeft nog niemand kwaad gedaan. Maar wie gaf er nu aandacht aan een leeg vel papier? Hij kreeg genoeg van de betekenisloosheid van zijn bestaan en nam een drastisch besluit: hij wilde veranderen.

Daarom ging hij op pad. Hij kwam terecht bij een, van horen zeggen, beroemde schrijver. Die kon vast wel iets met hem beginnen. De schrijver keek verbaasd naar Tabbie, dit zag hij niet vaak. Zijn bladzijdes waren altijd gevuld, bomvol met letters, punten en komma’s, hoofdstukken en inhoudsopgaven. Boeken vol had hij in zijn kast staan en ook in stapels op de grond. Hij was een bedrijvige schrijver en had geen tijd voor leeghoofderij. Toen Tabbie smeekte: ‘Alstublieft, een kleinigheidje maar…’ rommelde de schrijver ten slotte wat in de onderste la van zijn bureau en schonk hem een handvol oude woorden. En zette hem resoluut het huis uit.

Eenmaal buiten zuchtte Tabbie opgelucht, het begin was er. Hij was niet meer leeg. Toch zag hij er nog niet aantrekkelijk uit. Hier en daar slingerde een woord over hem heen. Ze misten duidelijk structuur en samenhang. Daarom toog Tabbie naar een, van horen zeggen, beroemde dichteres. Zij heette hem hartelijk welkom. Ze zat tussen twee gedichten in en om de tijd te doden greep ze naar de fles. Zo duurde het even voordat hij uitgelegd had wat precies of ongeveer de bedoeling was. Ze hikte van de lach en klapte in haar handen van opwinding en ze besloot die arme Tabbie te helpen. Even later stonden de woorden keurig gerangschikt en op rijm in het midden van Tabbie. Daardoor kreeg ze zelf een prachtig idee voor een nieuw gedicht. En zette hem resoluut het huis uit.

Tabbie liep zo trots als een pauw rond en liet iedereen die wilde het gedicht lezen. Maar de lezers vonden het gedichtje zo klein dat ze snel klaar waren met hem. Sommigen konden het zonder leesbril niet eens lezen. Sommigen beweerden hun leesbril kwijt te zijn en dat ze liever plaatjes keken. Daar veerde Tabbie van op. Plaatjes! Dat hij daar zelf niet aan gedacht had. Hij ging naar een, van horen zeggen, beroemde schilder. Hij vroeg de schilder om hulp, wellicht in ruil voor het uitspoelen van de kwasten. De schilder mopperde nog wat over inspiratie, stijl en perspectief, maar maakte uiteindelijk een rand van afbeeldingen om het gedicht heen. Wel uitsluitend in groen want de andere kleuren waren op. Maar Tabbie vond het prachtig. Nu zou iedereen graag naar hem kijken, hem aanspreken, hem waarderen. Mensen zouden van hem genieten, blij worden. Hij zou eindelijk zinvol zijn. Hij stapte resoluut naar buiten.

Tabbie liet zich voldaan aan zijn Chinese buurman, genaamd Gami Ori, zien. Eerst schrok Gami: ‘Wat ben jij veranderd! Wat is er gebeurd?’ Tabbie vertelde van de leegheid die nu overgegaan was in volheid en dat zijn leven daardoor weer zinvol was. Gami liep drie maal om hem heen en bekeek hem van alle kanten. Hij plukte wat aan zijn dunne snorretje en keek Tabbie met één oog aan. Tabbie werd er een beetje nerveus van. ‘Iets niet goed?’ vroeg hij. ‘Hm,’ antwoordde de Chinees ernstig, ’Je bent niet heel veel veranderd hoor, je bent nog steeds plat!’ Tabbie schrok zich een ezelsoor, hij wilde juist wel heel erg veranderen! Hij vroeg zijn buurman om hulp. ‘Dit kan pijn gaan doen!’ waarschuwde Gami nog. En voor Tabbie er erg in had veranderde hij in een prachtige kraanvogel. En toen kreeg hij eindelijk de aandacht die hij zo graag wilde. Doordat hij zo veranderd was. Tabbie leefde niet zo heel lang maar wel gelukkig.

 

De koe die iets anders wilde

(Schrijvenonline organiseert een schrijfwedstrijd met als opdracht een ‘nieuwswaardig sprookje’ te schrijven. Een sprookje naar aanleiding van een nieuwsitem, in dit geval: “Politie in Overijssel pakt chocoladedief na maanden op”. Het mag niet meer dan 500 woorden bevatten. Leuke opdracht!)

 

De koe die iets anders wilde

grazende-koe

Er was eens in een weiland hier niet zo ver vandaan een koe. Een gewone koe die gewoon Clara heette. Zij en haar zusjes deden niets anders dan grazen, melk geven en ‘Boe’ roepen. Elke dag,  jaren achter elkaar. De boer, die er stoer uitzag en daarom Boer Stoer heette, was dik tevreden met zijn koeien. Het enige wat hem ontbrak was een boerin. Maar Clara was minder tevreden. Ze vond het leven saai. Als zij stond te grazen droomde ze alsmaar van een eigen zaak.

Op een dag verliet ze zomaar de kudde. Ze riep ‘Boe!’, ze ging het doen. Haar eigen melk verkopen. Ze vond een alleraardigst huisje, compleet ingericht, tegen een lage huur. Van steigerhout timmerde ze een kraam waar ze met haar staart op schilderde ‘Verse melk van Clara’. Twee weken later had ze echter nog niets verkocht. Ze ontdekte dat zij precies hetzelfde deed als Boer Stoer.

Ze moest het anders aanpakken. Opvallen! Allereerst veranderde zij haar naam in Kuya en at daarna  zes koetjesrepen. Op het bord schreef ze ‘Eerlijke Sjokoelademelk van Kuya’. Het werkte en de eerste dag was Kuya helemaal uitverkocht. Zie je wel, het ging haar lukken. ’s Avonds zat zij tevreden met haar hoefjes op poefjes, keek tv waar ze Boer Stoer een vrouw zag uitzoeken, en zuchtte ‘Boeboe!’.

De zaken gingen goed totdat alle repen op waren. En zonder chocola kon Kuya echt geen sjokoelademelk maken. Maar chocola was duur. Toen deed Kuya iets wat ze nog nooit gedaan had. Op maandag ging ze naar de winkel en toen de winkelbaas even de andere kant opkeek stopte zij snel twee dikke repen in haar zak. De dinsdag nam Kuya stiekem vier repen. Op woensdag een hele doos en op donderdag een winkelwagen vol.

Op vrijdag  was het wagentje zo vol geladen dat er een wiel afbrak. Alle chocola rolde door de winkel. De winkelbaas kwam aanrennen en riep boos: ‘Aha, daar blijft mijn chocola dus! Jij bent de dief!’. Kuya wilde snel weglopen maar het was te laat. ‘Boehoehoe’ huilde zij nog. Tevergeefs. Voor straf moest Kuya zeven weken lang, dag en nacht, in de winkel helpen. Schoonmaken en alle chocoladevakken bijvullen.

Toen ze bij haar huisje terug kwam zat het vol krakelende krakers en haar winkeltje was intussen een pop-up boter-kaas-en-eierenwinkeltje geworden. Ze was alles kwijt. Wat nu?

Er zat niets anders op dan teruggaan. Met hangende hoefjes klopte ze aan bij Boer Stoer. ‘Zo Clara, ben je daar weer,’ zei hij streng, ‘Ik houd niet zo van koeien die weglopen!’. ‘ Bbbboehoehoe, ik zal het nooit meer doen.’ snotterde Clara. ‘Nou vooruit, ga dan maar weer de wei in!’. Dat liet Clara zich geen twee keer zeggen. De boer sloeg een arm om zijn kersverse boerin en was meer dan tevreden. En Clara? Soms droomde zij nog wel eens van hoe het had kunnen zijn. Maar het bleef bij dromen. Mooie dromen. Clara riep ‘Boe’ en graasde nog lang en gelukkig.

Het sprookje van Vrouwtje Vrolijk

vrolijke dame

Er was eens, in een land hier niet zo ver vandaan, een vrouwtje. Omdat zij altijd vrolijk was noemde iedereen haar Vrouwtje Vrolijk. Vrouwtje Vrolijk was echt altijd vrolijk. Ze lachte, zong en danste de hele dag van vrolijkheid. Zelfs als ze ’s nachts lag te slapen zag je een glimlach om haar mond. Ze droeg graag vrolijke kleren in vrolijke kleuren. Het liefst lange rokken met vrolijke patronen. Oranje met rode hartjes, roze met gele fietsen of groene met blauwe draakjes. Soms kon ze niet kiezen en dan trok ze gewoon twee rokken over elkaar aan. En omdat ze altijd zo vrolijk was kwam er vaak en veel visite in haar huisje met de vrolijke gordijntjes, de vrolijke meubeltjes en het vrolijke servies. Als je bij haar een kopje grapjesthee had gedronken en daarbij een zelfgebakken giecheltje uit de moppentrommel kreeg, kon je niet anders dan vrolijk over het tuinpad huppelend het huisje weer verlaten. Vrouwtje Vrolijk had ook een huisdier; een schaap. Het arme dier was door soortgenoten verstoten omdat zij niet ‘Bè-hè-hè’ riep maar ‘Ha-ha-ha’. Het schaap was door Vrouwtje Vrolijk liefdevol opgenomen en ze noemde hem Blijheid. Samen lachten ze wat af.

Tot op een dag alles anders werd. Blijheid stikte van de lach en viel morsdood op haar linkerzij. Vrouwtje Vrolijk lachte eerst nog vrolijk omdat zij dacht dat het een grapje was. Maar al snel bleek dat Blijheid echt dood was. Vrouwtje Vrolijk was ontroostbaar. Ze kon helemaal niet meer lachen. Voordat Blijheid een keurige en treurige begrafenis kreeg schoor ze alle wol van Blijheid af en legde dat in het kolenhok. Nadat ze zeventien dagen gehuild had stopte ze er mee. Ze wilde iets doen ter nagedachtenis aan Blijheid. Vastberaden stapte zij naar het kolenhok, verzamelde alle wol, spon er garen van en ging fanatiek zitten breien. Eerst een sjaal voor haarzelf zodat ze Blijheid dichtbij haar voelde. Toen een tafelkleedje. Toen een gordijntje en een treintje, een theemuts en een slaapmuts, een schaapje en een aapje, hondenbrokken en koffiemokken.

Een jaar later was er weinig meer over van het vrolijke huisje. Alles was grauw van kleur en Vrouwtje Vrolijk werd een Vrouwtje Grauwtje. De visite bleef weg. Er was geen vrolijkheid meer te beleven. Er viel niets meer te lachen, te zingen of te dansen. En zo zat Vrouwtje Vrolijk uiteindelijk helemaal alleen in haar grauwe huisje met de grauwe spullen in haar grauwe kleren.

Omdat sprookjes altijd een happy end hebben kwam er op een dag een pauw op doorreis langs het huisje. Hij klopte aan en vroeg waar Vrouwtje Vrolijk woonde want hij was op zoek naar haar. ‘Dat ben ik’ zuchtte Vrouwtje Vrolijk. Eenmaal binnen schrok de kleurige pauw van de treurige saaiheid en vroeg wat er gebeurd was. Toen ze alles verteld had riep hij concluderend: ‘Aha! U heeft van Blijheid iets droevigs gemaakt!’. Ze knikte instemmend. ‘En denkt u dat Blijheid dat leuk gevonden had?’. Ze dacht even na en schudde toen haar hoofd. Ze riep wanhopig ‘Ik heb het helemaal verkeerd aangepakt! Maar wat moet ik nu doen?’. De pauw, die ooit een cursus binnenhuisarchitectuur succesvol afgerond had, adviseerde haar om alle wol te gaan verven. In vrolijke kleuren natuurlijk. En opeens  kreeg Vrouwtje Vrolijk weer energie voor tien. Ze bedankte de pauw vriendelijk en een maand lang was ze bezig om alles wat ze gebreid had en wat grauw was, in vrolijke kleuren te verven. Het hele huisje knapte er van op. Ze werd er zelf ook weer helemaal vrolijk van. Ze zette weer grapjesthee en bakte verse giecheltjes. Visite kwam weer dolgraag op visite. Er werd weer uitbundig gezongen en gedanst. Zo kwam alles toch nog goed en Vrouwtje Vrolijk? Zij lachte nog lang en gelukkig!

Prietpraatje

Wanneer ga ik die kinderen toch eens helemaal begrijpen….?

Nog een keer. ‘Welk woord moet hier staan?’.  Klein Duimpje en de .eu.  ‘Ik weet het juf: deur!’ Ik moet het goed rekenen want grammaticaal gezien klopt het als een bus en dat doe ik ook. Maar intussen vraag ik mij af welk sprookje dat is…

klein duimpje

 ‘Er was eens een klein jongetje, niet groter dan een duim en daarom noemde iedereen hem Klein Duimpje. Op een dag was hij het zo zat dat hij overal te klein voor was. Hij maakte grootse plannen. Hij wilde weglopen en de wijde wereld intrekken. Zo zou hij laten zien dat hij best groot was. Maar er was één probleem: de deur! Hoe kreeg hij nou toch die ontzettend grote en zware deur alleen open. Hij nam een aanloop(je) en kwam met een plof(je) tegen zijn vijand die van geen wijken wist. Toen besloot hij eerst vrienden te worden met de deur. Hij wreef het hout op tot het glansde en lapte de 28 raampjes tot zij helder glommen. ‘Wil je nu voor mij opengaan’, vroeg Klein Duimpje?. ‘Alleen als jij mijn knop eens fijn oppoetst!’, bromde de deur. Klein Duimpje had hier niet veel zin in want van het koperpoets moest hij altijd zo hard niezen. Maar omdat hij dolgraag naar buiten wilde deed hij toch wat de deur hem vroeg. Klein Duimpje poetste en poetste want de rest van zijn leven hing er vanaf. Eindelijk vond de deur het genoeg. Hij schoof een eindje open zodat Klein Duimpje naar buiten kon. Maar net toen Klein Duimpje een voetje over de drempel wilde zetten moest hij zo hard niezen dat de deur weer met een klap dichtsloeg!’

Ik weet niet precies wie hier nou nog lang en gelukkig leefde maar voor uit!