Tagarchief: sprookje

Zevelientje

Dit verhaal heb ik ingestuurd voor de schrijfwedstrijd van Schrijverspunt: schrijf een sprookje. Het moet leuk en grappig zijn voor kinderen van 5 tot 10 jaar en het moet voorgelezen kunnen worden en mag dus niet meer dan 750 woorden bevatten. Persoonlijk vind ik de leeftijdsgroep wat aan de grote kant…maar de uitdaging is leuk!)

Er was eens een klein meisje. Zij woonde in een paars huisje achter de derde heuvel buiten het dorp. Omdat zeven haar lievelingsgetal was noemde zij zichzelf Zevelientje. Ze had prachtig lang haar waarvan ze elke morgen zeven dikke vlechten maakte. Daarna kookte ze zeven eitjes die ze met een klein beetje suiker in zeven happen opat. Daarna deed ze haar jas met zeven knopen aan en huppelde naar het dorp. Misschien konden de mensen haar hulp vandaag wel gebruiken, want mensen helpen deed ze het liefst.

Onderweg kwam Zevelientje een oud mannetje tegen, die tien zware boodschappentassen tegelijk probeerde te dragen, maar telkens liet hij er drie vallen. Zevelientje droeg de drie tassen helemaal naar zijn huis. Een jongen met een geruite pet op riep: “Help!”, want zijn fiets ging alleen maar achteruit. Zevelientje zette de jongen achterstevoren op zijn fiets en hup, hij ging weer vooruit. Ze hielp ook nog een hond met buikpijn, een meisje met te kleine schoenen en een dakloze slak. En zo hielp Zevelientje zeven keer per dag.

Op een dag was het heel druk in het dorp. Alle mensen stonden op straat met elkaar te praten. Ze keken bang. Zevelientje vroeg wat er aan de hand was. “Er is een reus in het bos! En die reus is heel erg hebberig. Hij wil het hele bos voor zichzelf hebben en nu moeten wij verhuizen of anders…” “Of anders wat?”, vroeg Zevelientje. “Anders gaat hij op onze huizen staan! En waar moeten we dan wonen?” “Zal ik helpen?”, vroeg Zevelientje. “Nee, hier ben jij veel te klein voor!”, zeiden de grote mensen. Ze gingen in een kring staan om een plan te maken. Maar dat was nog niet zo makkelijk. Wat doe je tegen een reus? Zevelientje probeerde nog eens: “Zal ik helpen? Ik weet zeven toverspreuken!” De dorpsbewoners wisten het ook niet meer, haalden hun schouders op en zeiden: “Vooruit, probeer jij het maar.”

Toen de reus die middag dichtbij het dorp kwam riep Zevelientje :

“Toverspreuk 1: stoot je teen!”

Het werkte! Hij  jammerde van de pijn: “Au, au, au!” De reus stond op één voet rond te hupsen terwijl hij zijn andere voet met twee handen vasthield. De dorpsbewoners glimlachten voorzichtig. Totdat de pijn weer over was en de reus dichterbij kwam. Snel sprak Zevelientje nog een spreuk.

“Toverspreuk 2: val in de puree!”

Het werkte! De reus leek opeens wel dronken; hij wiebelde en waggelde en viel met een harde gil languit achterover in een grote bak puree! De dorpsbewoners lachten zachtjes toen de reus de puree uitspuugde en zijn ogen uitwreef. Totdat hij weer opgekrabbeld was en dichterbij kwam.

“Toverspreuk 3: krijg een kromme knie!”

Het werkte! De reus kwam hard stampend aanrennen en opeens stond zijn rechterknie helemaal krom en kon hij niet meer lopen. Hij viel zo met zijn neus op het natte mos. De dorpsbewoners lachten hardop. Maar hij stond weer op.

“Toverspreuk 4: verander in een piepklein dier!”

De reus hikte even en veranderde plotseling in een mier. Zevelientje liep dreigend op hem af en de mier maakte dat hij wegkwam. De dorpsbewoners lachten zich slap. Totdat ze zagen dat deze spreuk maar vijf minuten werkte. De mier werd weer een reus.

“Toverspreuk 5: jeuk op je hele lijf!”

Het werkte alweer! De reus krabbelde aan zijn kin, achter zijn oor, aan zijn rug, zijn knieën, zijn haar, zijn voeten, zijn buik, overal had hij de kriebels. Ten slotte rende hij gillend het bos weer in. De dorpsbewoners rolden over de grond van het lachen. Totdat hij terugkwam.

“Toverspreuk 6: eet een giftige bes!”

Nu werd het spannend. De reus lachte heel hard: “Er zijn geen giftige bessen in mijn bos, hahaha!” En hij nam een handvol tegelijk. En? Hij viel langzaam op de grond en daar bleef hij liggen.  Zevelientje wist het zeker: “Ik heb een reus verslagen! Het gevaar voor het dorp is voorbij!” De mensen wachtten nog vijf minuten, voor de zekerheid. Toen juichte en klapte iedereen en ze riepen “Hoera!” Ze droegen Zevelientje op hun schouders. Iedereen was aardig  en blij. Ze mocht snoepen en drinken wat ze wilde en kreeg allemaal lieve cadeautjes. De burgemeester gaf haar zelfs een medaille en zei: “Lieve Zevelientje, dank je wel voor wat je voor ons dorp gedaan hebt! We zijn zo blij dat de reus weg is! Ik heb nog wel één vraag: je had toch zéven toverspreuken?” Zevelientje knikte en riep heel hard:

“Toverspreuk 7: lang en gelukkig zullen we leven!”

Literair

(Dit verhaal heb ik ingestuurd voor de schrijfwedstrijd van de Baarnse Literatuurprijs. Je kunt je natuurlijk afvragen wat precies ‘literatuur’ is. Is het ‘kunst’? Zijn het ‘teksten die meer waarde hebben dan  gewone teksten´? Wie bepaalt die waarde dan en wat is eigenlijk gewoon? Waarom is werk van Harry Mulisch het wel en de Donald Duck niet…? Ik laat het in het midden. Niet dat ik pretendeer literatuur te schrijven, juist verre van dat,  maar vond het thema ‘Metamorfose’ uitdagend genoeg om er een sprookje/verhaaltje van te maken. Dat de jury het met mee eens was kreeg ik vandaag te lezen: ik behoor niet tot de twaalf genomineerden… Daarom het verhaaltje gewoon hier te lezen ;-))

Metamorfose

Er was eens een lege bladzijde. Omdat er helemaal niets op stond en omdat hij volkomen wit was noemde men hem Tabula Rasa, Tabbie voor vrienden. Hij was al een behoorlijke tijd leeg en vond dit een behoorlijke tijd prima. Totdat er een gevoel aan hem knaagde. Na hevig nadenken constateerde hij dat het een gevoel van ontevredenheid was. Hij voelde zich kleurloos en nutteloos. Wrevelig vroeg hij zich af op welke wijze hij zijn leven zin en inhoud kon geven. Hoe kon hij van zich laten horen? Hij hoefde niet vooraan of bovenop, hij was geen schreeuwer, maar een klein beetje aandacht heeft nog niemand kwaad gedaan. Maar wie gaf er nu aandacht aan een leeg vel papier? Hij kreeg genoeg van de betekenisloosheid van zijn bestaan en nam een drastisch besluit: hij wilde veranderen.

Daarom ging hij op pad. Hij kwam terecht bij een, van horen zeggen, beroemde schrijver. Die kon vast wel iets met hem beginnen. De schrijver keek verbaasd naar Tabbie, dit zag hij niet vaak. Zijn bladzijdes waren altijd gevuld, bomvol met letters, punten en komma’s, hoofdstukken en inhoudsopgaven. Boeken vol had hij in zijn kast staan en ook in stapels op de grond. Hij was een bedrijvige schrijver en had geen tijd voor leeghoofderij. Toen Tabbie smeekte: ‘Alstublieft, een kleinigheidje maar…’ rommelde de schrijver ten slotte wat in de onderste la van zijn bureau en schonk hem een handvol oude woorden. En zette hem resoluut het huis uit.

Eenmaal buiten zuchtte Tabbie opgelucht, het begin was er. Hij was niet meer leeg. Toch zag hij er nog niet aantrekkelijk uit. Hier en daar slingerde een woord over hem heen. Ze misten duidelijk structuur en samenhang. Daarom toog Tabbie naar een, van horen zeggen, beroemde dichteres. Zij heette hem hartelijk welkom. Ze zat tussen twee gedichten in en om de tijd te doden greep ze naar de fles. Zo duurde het even voordat hij uitgelegd had wat precies of ongeveer de bedoeling was. Ze hikte van de lach en klapte in haar handen van opwinding en ze besloot die arme Tabbie te helpen. Even later stonden de woorden keurig gerangschikt en op rijm in het midden van Tabbie. Daardoor kreeg ze zelf een prachtig idee voor een nieuw gedicht. En zette hem resoluut het huis uit.

Tabbie liep zo trots als een pauw rond en liet iedereen die wilde het gedicht lezen. Maar de lezers vonden het gedichtje zo klein dat ze snel klaar waren met hem. Sommigen konden het zonder leesbril niet eens lezen. Sommigen beweerden hun leesbril kwijt te zijn en dat ze liever plaatjes keken. Daar veerde Tabbie van op. Plaatjes! Dat hij daar zelf niet aan gedacht had. Hij ging naar een, van horen zeggen, beroemde schilder. Hij vroeg de schilder om hulp, wellicht in ruil voor het uitspoelen van de kwasten. De schilder mopperde nog wat over inspiratie, stijl en perspectief, maar maakte uiteindelijk een rand van afbeeldingen om het gedicht heen. Wel uitsluitend in groen want de andere kleuren waren op. Maar Tabbie vond het prachtig. Nu zou iedereen graag naar hem kijken, hem aanspreken, hem waarderen. Mensen zouden van hem genieten, blij worden. Hij zou eindelijk zinvol zijn. Hij stapte resoluut naar buiten.

Tabbie liet zich voldaan aan zijn Chinese buurman, genaamd Gami Ori, zien. Eerst schrok Gami: ‘Wat ben jij veranderd! Wat is er gebeurd?’ Tabbie vertelde van de leegheid die nu overgegaan was in volheid en dat zijn leven daardoor weer zinvol was. Gami liep drie maal om hem heen en bekeek hem van alle kanten. Hij plukte wat aan zijn dunne snorretje en keek Tabbie met één oog aan. Tabbie werd er een beetje nerveus van. ‘Iets niet goed?’ vroeg hij. ‘Hm,’ antwoordde de Chinees ernstig, ’Je bent niet heel veel veranderd hoor, je bent nog steeds plat!’ Tabbie schrok zich een ezelsoor, hij wilde juist wel heel erg veranderen! Hij vroeg zijn buurman om hulp. ‘Dit kan pijn gaan doen!’ waarschuwde Gami nog. En voor Tabbie er erg in had veranderde hij in een prachtige kraanvogel. En toen kreeg hij eindelijk de aandacht die hij zo graag wilde. Doordat hij zo veranderd was. Tabbie leefde niet zo heel lang maar wel gelukkig.

 

De koe die iets anders wilde

(Schrijvenonline organiseert een schrijfwedstrijd met als opdracht een ‘nieuwswaardig sprookje’ te schrijven. Een sprookje naar aanleiding van een nieuwsitem, in dit geval: “Politie in Overijssel pakt chocoladedief na maanden op”. Het mag niet meer dan 500 woorden bevatten. Leuke opdracht!)

 

De koe die iets anders wilde

grazende-koe

Er was eens in een weiland hier niet zo ver vandaan een koe. Een gewone koe die gewoon Clara heette. Zij en haar zusjes deden niets anders dan grazen, melk geven en ‘Boe’ roepen. Elke dag,  jaren achter elkaar. De boer, die er stoer uitzag en daarom Boer Stoer heette, was dik tevreden met zijn koeien. Het enige wat hem ontbrak was een boerin. Maar Clara was minder tevreden. Ze vond het leven saai. Als zij stond te grazen droomde ze alsmaar van een eigen zaak.

Op een dag verliet ze zomaar de kudde. Ze riep ‘Boe!’, ze ging het doen. Haar eigen melk verkopen. Ze vond een alleraardigst huisje, compleet ingericht, tegen een lage huur. Van steigerhout timmerde ze een kraam waar ze met haar staart op schilderde ‘Verse melk van Clara’. Twee weken later had ze echter nog niets verkocht. Ze ontdekte dat zij precies hetzelfde deed als Boer Stoer.

Ze moest het anders aanpakken. Opvallen! Allereerst veranderde zij haar naam in Kuya en at daarna  zes koetjesrepen. Op het bord schreef ze ‘Eerlijke Sjokoelademelk van Kuya’. Het werkte en de eerste dag was Kuya helemaal uitverkocht. Zie je wel, het ging haar lukken. ’s Avonds zat zij tevreden met haar hoefjes op poefjes, keek tv waar ze Boer Stoer een vrouw zag uitzoeken, en zuchtte ‘Boeboe!’.

De zaken gingen goed totdat alle repen op waren. En zonder chocola kon Kuya echt geen sjokoelademelk maken. Maar chocola was duur. Toen deed Kuya iets wat ze nog nooit gedaan had. Op maandag ging ze naar de winkel en toen de winkelbaas even de andere kant opkeek stopte zij snel twee dikke repen in haar zak. De dinsdag nam Kuya stiekem vier repen. Op woensdag een hele doos en op donderdag een winkelwagen vol.

Op vrijdag  was het wagentje zo vol geladen dat er een wiel afbrak. Alle chocola rolde door de winkel. De winkelbaas kwam aanrennen en riep boos: ‘Aha, daar blijft mijn chocola dus! Jij bent de dief!’. Kuya wilde snel weglopen maar het was te laat. ‘Boehoehoe’ huilde zij nog. Tevergeefs. Voor straf moest Kuya zeven weken lang, dag en nacht, in de winkel helpen. Schoonmaken en alle chocoladevakken bijvullen.

Toen ze bij haar huisje terug kwam zat het vol krakelende krakers en haar winkeltje was intussen een pop-up boter-kaas-en-eierenwinkeltje geworden. Ze was alles kwijt. Wat nu?

Er zat niets anders op dan teruggaan. Met hangende hoefjes klopte ze aan bij Boer Stoer. ‘Zo Clara, ben je daar weer,’ zei hij streng, ‘Ik houd niet zo van koeien die weglopen!’. ‘ Bbbboehoehoe, ik zal het nooit meer doen.’ snotterde Clara. ‘Nou vooruit, ga dan maar weer de wei in!’. Dat liet Clara zich geen twee keer zeggen. De boer sloeg een arm om zijn kersverse boerin en was meer dan tevreden. En Clara? Soms droomde zij nog wel eens van hoe het had kunnen zijn. Maar het bleef bij dromen. Mooie dromen. Clara riep ‘Boe’ en graasde nog lang en gelukkig.

Het sprookje van Vrouwtje Vrolijk

vrolijke dame

Er was eens, in een land hier niet zo ver vandaan, een vrouwtje. Omdat zij altijd vrolijk was noemde iedereen haar Vrouwtje Vrolijk. Vrouwtje Vrolijk was echt altijd vrolijk. Ze lachte, zong en danste de hele dag van vrolijkheid. Zelfs als ze ’s nachts lag te slapen zag je een glimlach om haar mond. Ze droeg graag vrolijke kleren in vrolijke kleuren. Het liefst lange rokken met vrolijke patronen. Oranje met rode hartjes, roze met gele fietsen of groene met blauwe draakjes. Soms kon ze niet kiezen en dan trok ze gewoon twee rokken over elkaar aan. En omdat ze altijd zo vrolijk was kwam er vaak en veel visite in haar huisje met de vrolijke gordijntjes, de vrolijke meubeltjes en het vrolijke servies. Als je bij haar een kopje grapjesthee had gedronken en daarbij een zelfgebakken giecheltje uit de moppentrommel kreeg, kon je niet anders dan vrolijk over het tuinpad huppelend het huisje weer verlaten. Vrouwtje Vrolijk had ook een huisdier; een schaap. Het arme dier was door soortgenoten verstoten omdat zij niet ‘Bè-hè-hè’ riep maar ‘Ha-ha-ha’. Het schaap was door Vrouwtje Vrolijk liefdevol opgenomen en ze noemde hem Blijheid. Samen lachten ze wat af.

Tot op een dag alles anders werd. Blijheid stikte van de lach en viel morsdood op haar linkerzij. Vrouwtje Vrolijk lachte eerst nog vrolijk omdat zij dacht dat het een grapje was. Maar al snel bleek dat Blijheid echt dood was. Vrouwtje Vrolijk was ontroostbaar. Ze kon helemaal niet meer lachen. Voordat Blijheid een keurige en treurige begrafenis kreeg schoor ze alle wol van Blijheid af en legde dat in het kolenhok. Nadat ze zeventien dagen gehuild had stopte ze er mee. Ze wilde iets doen ter nagedachtenis aan Blijheid. Vastberaden stapte zij naar het kolenhok, verzamelde alle wol, spon er garen van en ging fanatiek zitten breien. Eerst een sjaal voor haarzelf zodat ze Blijheid dichtbij haar voelde. Toen een tafelkleedje. Toen een gordijntje en een treintje, een theemuts en een slaapmuts, een schaapje en een aapje, hondenbrokken en koffiemokken.

Een jaar later was er weinig meer over van het vrolijke huisje. Alles was grauw van kleur en Vrouwtje Vrolijk werd een Vrouwtje Grauwtje. De visite bleef weg. Er was geen vrolijkheid meer te beleven. Er viel niets meer te lachen, te zingen of te dansen. En zo zat Vrouwtje Vrolijk uiteindelijk helemaal alleen in haar grauwe huisje met de grauwe spullen in haar grauwe kleren.

Omdat sprookjes altijd een happy end hebben kwam er op een dag een pauw op doorreis langs het huisje. Hij klopte aan en vroeg waar Vrouwtje Vrolijk woonde want hij was op zoek naar haar. ‘Dat ben ik’ zuchtte Vrouwtje Vrolijk. Eenmaal binnen schrok de kleurige pauw van de treurige saaiheid en vroeg wat er gebeurd was. Toen ze alles verteld had riep hij concluderend: ‘Aha! U heeft van Blijheid iets droevigs gemaakt!’. Ze knikte instemmend. ‘En denkt u dat Blijheid dat leuk gevonden had?’. Ze dacht even na en schudde toen haar hoofd. Ze riep wanhopig ‘Ik heb het helemaal verkeerd aangepakt! Maar wat moet ik nu doen?’. De pauw, die ooit een cursus binnenhuisarchitectuur succesvol afgerond had, adviseerde haar om alle wol te gaan verven. In vrolijke kleuren natuurlijk. En opeens  kreeg Vrouwtje Vrolijk weer energie voor tien. Ze bedankte de pauw vriendelijk en een maand lang was ze bezig om alles wat ze gebreid had en wat grauw was, in vrolijke kleuren te verven. Het hele huisje knapte er van op. Ze werd er zelf ook weer helemaal vrolijk van. Ze zette weer grapjesthee en bakte verse giecheltjes. Visite kwam weer dolgraag op visite. Er werd weer uitbundig gezongen en gedanst. Zo kwam alles toch nog goed en Vrouwtje Vrolijk? Zij lachte nog lang en gelukkig!

Prietpraatje

Wanneer ga ik die kinderen toch eens helemaal begrijpen….?

Nog een keer. ‘Welk woord moet hier staan?’.  Klein Duimpje en de .eu.  ‘Ik weet het juf: deur!’ Ik moet het goed rekenen want grammaticaal gezien klopt het als een bus en dat doe ik ook. Maar intussen vraag ik mij af welk sprookje dat is…

klein duimpje

 ‘Er was eens een klein jongetje, niet groter dan een duim en daarom noemde iedereen hem Klein Duimpje. Op een dag was hij het zo zat dat hij overal te klein voor was. Hij maakte grootse plannen. Hij wilde weglopen en de wijde wereld intrekken. Zo zou hij laten zien dat hij best groot was. Maar er was één probleem: de deur! Hoe kreeg hij nou toch die ontzettend grote en zware deur alleen open. Hij nam een aanloop(je) en kwam met een plof(je) tegen zijn vijand die van geen wijken wist. Toen besloot hij eerst vrienden te worden met de deur. Hij wreef het hout op tot het glansde en lapte de 28 raampjes tot zij helder glommen. ‘Wil je nu voor mij opengaan’, vroeg Klein Duimpje?. ‘Alleen als jij mijn knop eens fijn oppoetst!’, bromde de deur. Klein Duimpje had hier niet veel zin in want van het koperpoets moest hij altijd zo hard niezen. Maar omdat hij dolgraag naar buiten wilde deed hij toch wat de deur hem vroeg. Klein Duimpje poetste en poetste want de rest van zijn leven hing er vanaf. Eindelijk vond de deur het genoeg. Hij schoof een eindje open zodat Klein Duimpje naar buiten kon. Maar net toen Klein Duimpje een voetje over de drempel wilde zetten moest hij zo hard niezen dat de deur weer met een klap dichtsloeg!’

Ik weet niet precies wie hier nou nog lang en gelukkig leefde maar voor uit!