Tagarchief: politie

Welk kind?

(Mijn bijdrage voor de Editio schrijfwedstrijd! Stemmen mag 🙂 op http://www.editio.nl )

roze stof 2

 

‘Luister goed, alle engeltjes gaan links staan en alle herders rechts. Nee, de andere kant is links Anna! En Joery, blijf bij Peter staan! Nienke kijk uit voor de kribbe! Heb je nu je pop meegenomen?’

Uiterlijk zie je niets aan haar maar wat is ze het zat. Spuugzat! Ieder jaar weer hetzelfde toneelstukje. Ieder jaar weer hetzelfde gedoe. Nerveuze kinderen die zo nodig iets moeten opvoeren voor de ouders en grootouders. Nou ja, niet moeten maar mogen natuurlijk. Altijd is er wel een kind dat op het laatste moment nog eens moet plassen. Altijd zijn er rekwisieten kwijt. Altijd gaan er wel een stuk of drie toneelspelertjes huilen en altijd scheurt er een engelenvleugeltje. Tel daarbij op dat zij elk jaar de klos is dit te organiseren omdat ze het ‘zo enig doet’ en dat collega’s Ben en Susan altijd te beroerd zijn om ook maar een vinger uit te steken. Genoeg redenen om het beu te zijn.

Als ze heel eerlijk is moet ze toegeven dat vooral het hele verhaal haar gewoon tegenstaat. Ze zou er aardig wat voor over hebben om in een armzalige stal te bevallen. Om sowieso een eigen kind te krijgen. En nu haar eigen leeftijd vordert lijkt het Kerstverhaal elk jaar pijnlijker. Waarom heeft zij niet een eigen kind? Waarom moet zij altijd voor andermans kinderen zorgen? Waarom heeft Kees haar laten zitten in haar meest vruchtbare periode? Vanavond als ze om acht uur klaar is met deze verplichting gaat ze er meteen vandoor. De directeur kan de boom in met zijn Kerstborrel. Ze heeft haar tas niet voor niets vanmorgen vroeg al meegenomen in haar auto. Met een beetje geluk is ze om tien uur in het huisje van tante Toos. Natuurlijk vond haar moeder het vreselijk dat ze niet thuis komt met Kerst, omdat ze zogenaamd gaat skiën met een stel vrienden. Maar twee dagen vol geforceerde gezelligheid, ze moet er niet aan denken. Nu even diep ademhalen en het laatste uurtje doorstaan.

‘I’m driving home voor Christmas’ schalt Chris Rea in haar autootje. Nog harder schalt zij er boven uit. Hoewel de tekst nergens op slaat is het een heerlijke meezinger. Tjonge wat was Ruud gepikeerd toen ze meldde iets eerder te willen vertrekken. Hij kan haar tot veel dwingen maar een nutteloos samenzijn met aandacht vragende ouders en zeurende collega’s kon ze echt niet meer opbrengen. Nog even door dit onverlichte stuk en dan is ze al snel bij haar tweede huisje. Nog steeds kan ze er breeduit om grijnzen dat ze zo slim is geweest niemand te vertellen van deze plek. Niemand weet dat tante Toos haar dit poppenhuisje drie jaar geleden heeft nagelaten. Een plek voor haarzelf, een plek om helemaal tot rust te komen. De ouderwetse inrichting van haar tante heeft ze zoveel  mogelijk intact gelaten. Af en toe heerlijk weg van haar overbezorgde ouders.  ‘Weet je dat Robert, de zoon van buurvrouw Annie weer vrijgezel is? Dat hebben we nou altijd echt zo’n leuke jongen gevonden! Wanneer kom je weer eens? Had ik al verteld dat Margreet alweer oma is geworden…?’ Alsof zij niets liever zou willen dan trouwen en baren.

Opeens staat ze bovenop de rem! Dat scheelde maar een haartje of ze was tegen een stilstaande auto gebotst. Wat is dit nu weer? Ze stapt uit en loopt voorzichtig naar de dwars op de weg staande wagen. Doodstil is het. Langzaam nadert ze het voorportier. Dan ziet ze een bos lange rode haren geklemd tussen de stoel en de airbag. Er beweegt niets. Zal ze? Behoedzaam opent ze het portier en ziet de rest van de vrouwelijke chauffeur. Ze kijkt om zich heen voor hulp maar er is niemand anders. Uiterst voorzichtig steekt ze haar hand uit naar de vrouw en probeert in haar hals een hartslag te vinden. Met een ruk slaat de roodharige opeens haar ogen op en fluistert met haar laatste krachten: ‘Neem…hem…mee…’. Haar hoofd met de gebroken ogen rolt opzij. Op de achterbank zit een in roze gehulde baby. Grote donkere ogen in een vlekkerig gezichtje kijken haar nietszeggend  aan. Het kind maakt kleine geluidjes en zwaait wat lusteloos een roze badstof olifantje  heen en weer. Naast het stoeltje staat een grote geruite tas waar een flesje uitsteekt. En dan, als in een droom gespt ze het kind los, pakt de tas en brengt alles over in haar eigen auto. Nog een keer kijkt ze om zich heen maar ze is nog steeds alleen. Met de kostbare lading rijdt ze nu in een ruk naar het huisje.

Bij het ontwaken vindt zij zichzelf in de grote oorfauteuil. Met een schok zit ze rechtop. De baby! Ze vliegt naar het geïmproviseerde bedje in de enige slaapkamer die dit huisje rijk is en blijft dan een moment vertederd kijken. Dit is het dus. Zo voelt het dus. Een baby van haar alleen. Een wezentje dat van haar afhankelijk is. Iemand die haar echt nodig heeft. Ze tilt het kind op en loopt er mee naar de keuken waar ze de goedgevulde tas vijf dagen geleden heeft neer gezet. Wat was ze blij met het extra pak luiers. De lucht was niet te harden toen ze thuis kwamen. Verbaasd was ze wel dat er onder al die roze laagjes een jongetje bleek te zitten. Een jongetje. Een zoon. Neuriënd maakt ze een flesje klaar. En dan komt haar favoriete moment. Samen in de grote stoel, oog in oog, lijf tegen lijfje, warmte uitwisselend, samen. De roze olifant onafscheidelijk in zijn vuistje geklemd. De lichtjes van de kleine kerstboom weerspiegelen in zijn oogjes. Lieflijke kerstliedjes klinken op de achtergrond. Eigenlijk zou het nu nog moeten gaan sneeuwen, denkt ze grinnikend.

De baby slaapt. Uit die vijf dagen ervaring weet ze nu dat het voor een paar uurtjes is. Snel gaat ze met de auto even naar het dorp. De geruite tas is bijna leeg. Ergens ver in haar achterhoofd knaagt er natuurlijk wel iets. Wie ben je? Waar kom je vandaan? Wat betekenen al die roze kleertjes? Was dit je echte moeder? Waarom moest ik je meenemen? En waarom komt niemand je ophalen? Al die dagen heeft ze het nieuws nauwgezet gevolgd. Ook internet speurt ze dagelijks af. Ze heeft zelfs onder een andere naam gebeld naar ziekenhuizen in de omgeving. Maar nergens wordt melding gemaakt van het ongeluk. Koppig drukt ze de vragen die in haar hoofd ronddraaien weg. Ze zorgt toch goed voor hem? En als niemand het kind mist is het stukken beter af bij haar. Voor haarzelf koopt ze een feestelijk taartje met een rode marsepeinen strik en voor de baby een rood fluweel pakje met de woorden ‘Ho, ho, ho!’ er heel fijntjes op geborduurd. Verder schaft ze nog speeltjes, een boekje en sokjes aan die ze allemaal apart als kerstcadeautje laat inpakken. Op de vragende blik van de verkoopster antwoordt ze vaag ‘Schoonzusje…’.

Sneller dan toegestaan rijdt ze naar huis. Van uit het niets overvalt haar opeens een gevoel van onrust. Met alle tassen in haar ene hand opent ze de voordeur met de sleutel in haar andere hand. In de smalle gang blijft ze even staan. Het is stil. Eigenlijk wel erg stil. Zo stil dat ze automatisch haar adem inhoudt. Dan laat zij de tassen op de grond vallen en snelt naar de slaapkamer. Haar bed is strak opgemaakt zoals ze het zelf graag heeft. Het met badlakens gemaakte bedje van haar zoon is verdwenen. Snel trekt ze de laden van de lage kast open. Onderin liggen de keurig opgevouwen badlakens, net als altijd en bovenin haar ondergoed. Verwilderd kijkt ze om zich heen. De luieremmer. Weg? De roze kleertjes. Weg! Ze stuift de badkamer in. Roze handdoeken. Weg! Ze rent naar de keuken. De geruite tas. Weg! In de woonkamer dan? De grote stoel staat uitnodigend op zijn eigen plaats. Alles staat op zijn gewone plaats. Precies zoals tante Toos dit jaren geleden heeft ingericht. Ze begrijpt er helemaal niets meer van. In het hele huis is niets maar dan ook helemaal niets meer te vinden dat wijst op de aanwezigheid van een baby. Haar baby.

Als verdoofd zit ze aan de keukentafel als politiewagens met gillende sirenes voor haar huisje stoppen. Ze beweegt niet. Twee agenten staan opeens in haar keuken. Versuft kijkt ze op.

‘Wat is er?’

‘Mevrouw, wij willen even in uw huis rondkijken.’

 ‘Waarom?’

 ‘Wij hebben redenen om aan te nemen dat u een baby heeft ontvoerd!’

Ze schudt haar hoofd ‘Baby? Ik kan hem niet vinden….’

In een mum van tijd is het poppenhuisje gevuld met veel te grote agenten.

‘Mevrouw we moeten u verzoeken mee te gaan naar het bureau.’

 ‘Maar ik heb geen baby….’

Dan ziet ze in de hand van de langste agent een roze badstof olifantje.

 

De wereld op z’n kop

wereld op z'n kop 1

‘Gefeliciteerd je hebt een fiets gewonnen!’ riep de  organisator van de wedstrijd. De kleine jongen had het gepresteerd om aan alle voorwaarden te voldoen. Hij moest in tijd van drie weken drie keer op de fiets of lopend naar school komen. En daarmee won hij een nieuwe fiets. Maar is dit niet de wereld op z’n kop? Is het niet logischer het kind een fiets te geven en hem op dit voertuig naar school te sturen? Ouders kiezen doorgaans voor een school die dicht in de buurt is dus waarom dan toch met de auto brengen en halen? Wat een omslachtige manier om het terug te draaien.

Opeens zag ik veel meer voorvallen die naar mijn idee juist andersom moeten zijn.

  1. ‘Gordon heeft het gehad met het jureren! Hij stopt er mee.’, aldus de krant. Moet zijn: ‘Het publiek heeft het overduidelijk gehad met Gordon als jurylid.’
  2. ‘Mensen moeten hun fietsen beter op slot zetten!’ aldus meneer de politieagent. Moet zijn: ‘Dieven hebben met hun tengels van andermans fiets af te blijven.’
  3. ‘Ouders moeten aangeven wat zij willen dat hun kind kan bij de eerste sollicitatie.’ aldus Sander Dekker. Moet zijn: Ministerie van Onderwijs bepaalt lesprogramma.
  4. ‘Koop nu een handig schoottafeltje voor onder je tablet.’ aldus Blokker. Moet zijn: ‘Koop een laptop.’
  5. ‘Het Beste Idee van Nederland wordt gepresenteerd door Britt!’ aldus SBS 6. Moet zijn: ‘Britt en iets uitvinden gaan duidelijk niet samen.’
  6. ‘Stadgewest Haaglanden gaat deze maand 1100 nieuwe abri’s plaatsen’ aldus het AD. Moet zijn: ‘Laten we eerst de jaarwisseling afwachten…’
  7. ‘Op de i-Pad is nu een app verkrijgbaar om met de hand te leren schrijven’ aldus Bart Smit. Moet zijn: ‘Leer op school gewoon schrijven…’
  8. ‘Romeo Talakua heeft een prijs gewonnen omdat met hij, met 85 decibel, de luidruchtigste snurker van Nederland is!’ aldus nu.nl. Moet zijn: ‘Romeo wordt verbannen naar Siberië en alle mensen in zijn directe omgeving krijgen een super verwenprijs!’

Nog meer ondersteboven of achterstevoren denken? Kijk eens om je heen! Struikel niet…

Vrienden?

(Dit verhaal heb ik ingestuurd naar de schrijfwedstrijd ‘Ik dacht dat we vrienden waren’, georganiseerd door ‘Monument of Life’. Dit is een online platform waar je verhalen kunt insturen die verwoorden hoe mooi, bijzonder, waardevol en intens het leven is. De titel geeft naar mijn mening al meteen veel weg, dus heb ik het aangepast. Geen prijs maar wel een overdenking hoe dicht liefde en haat bij elkaar liggen.)

 

haat

Zevenentwintig minuten. Zolang duurde het. De tijd die hij nodig had om zijn trillende handen tot bedaren te brengen, zijn knikkende knieën stil te krijgen, de rillingen uit zijn lijf te krijgen.

Gehuld in zijn grijze vest waar nog steeds een knoop aan ontbreekt zit hij achter zijn laptop. Langzaam, alsof hij eigenlijk niet echt wil, zoekt hij de politiepagina. Niets bijzonders. Verdorie hij heeft het nog koud. Hij schenkt zichzelf een whisky in. Het is nog vroeg maar hij heeft het nú nodig. Twee glazen later krijgt hij een tweet ‘De Doetichemse politie heeft in de vooravond langs de Kanaaldijk het stoffelijk overschot gevonden van een man. Het zou gaan om de directeur van een plaatselijk aannemersbedrijf. De man is waarschijnlijk door geweld om het leven gekomen. De politie roept getuigen op zich te melden bij….’ Een kleine voorzichtige glimlach kruipt over zijn gezicht.

‘Waar bleef je nou?!’ de zoveelste beschuldiging vliegt hem om de oren. Haar gezicht ziet er vlekkerig uit, ze heeft rode ogen en een schrale neus. Toch heeft ze zich de moeite getroost een splinternieuw zwart designer jurkje aan te trekken. De perfect treurende dochter. ‘Je moet me wel steunen nu Pappie er niet meer is. Ik kan toch niet alles alleen beslissen! Er moet nog zoveel geregeld worden. Waar was je nou eigenlijk? Toch niet weer zo idioot hardlopen als gisteravond hè. Zo idioot dat je uren nodig hebt om bij te komen… Kom ik wil dat je nu eerst naar de lijst van genodigden kijkt!’. Hij zucht geluidloos ‘Natuurlijk schat’.

Vijf dagen na de begrafenis verschijnt er een brief van een vooraanstaand notariskantoor. Als zijn vrouw dit ziet begint ze opnieuw met lange uithalen te huilen ‘Ik wil geen erfenis, ik wil Pappie!’. Hij neemt haar in zijn armen en troost ‘Natuurlijk schat’. En dan alsof hij het plotseling bedenkt ‘Als het voor jou te zwaar is liefje, dan ga ik wel alleen naar de notaris. Het is nu eenmaal een formaliteit die moet gebeuren. Ik denk dat het niet uitmaakt wie er van ons tweetjes gaat’ dan pakt hij haar kin en tilt haar hoofd wat op daarbij dwingend in haar ogen kijkend ‘en ik doe het graag voor je!’. ‘Wat ben je toch een lieverd en wat zorg je toch goed voor me. Bijna net zo goed als Pappie! ‘snift ze ‘Maar ik ga mee, dat ben ik aan Pappie verplicht!’.

‘Goedemorgen aanwezigen. We zijn hier bij elkaar om het testament van wijlen ….’ De naam van de overledene kan niemand verstaan door het hartverscheurende snikken van zijn dochter. ’Sorry’, zegt ze, ’gaat u verder met lezen’. ‘Tja’ zegt de notaris ‘uw vader heeft de nadrukkelijke wens geuit na zijn dood dit aan u te laten zien’. Hij houdt een dvd zichtbaar omhoog en stopt hem dan in de gereedstaande dvd-speler. Opeens vult de kamer zich met de aanwezigheid van de verdronken aannemer. ‘Pappie!’ roept ze terwijl ze slap in haar stoel hangt. ‘Dag lieve dochter, mijn notaris en ik hoop mijn schoonzoon. Dat jullie dit zien betekent dat ik er niet meer ben. Dood. Vermoord. En ik wil graag uitleggen hoe dit komt. Mijn allerliefste kleine prinsesje, mijn enige dochter, de zon in mijn leven; alles maar dan ook alles had ik voor je over. Ik heb mijn uiterste best gedaan je tegen alle kwaad van de wereld te beschermen. Dit is mij aardig gelukt moet ik zeggen.’ Hier heeft de spreker het even te kwaad en snuit luidruchtig zijn neus.

‘Toen je ging trouwen ging ik er van uit dat jouw man dit naadloos van mij zou overnemen. Al vrij snel heb ik hem als een eigen zoon in ons gezin opgenomen. Met liefde en vertrouwen heb ik hem een plaats gegeven in mijn bedrijf. Ik voelde zelfs een warme vriendschap voor hem.’ Hier valt een onheilspellende stilte. ‘Tot een jaar geleden. Ik betrapte hem op oneerbare zaken, hij weet precies waar ik op doel maar uit liefde voor jou heb ik hem geholpen. Overigens niet voor de laatste keer bleek later. Ik  kon jou, mijn oogappel,  geen pijn doen met  te vertellen wat een vreselijke kerel die man van je was en nog steeds is. Ik kan je niet eens vertellen hoe vaak ik hem het afgelopen jaar niet de hand boven het hoofd heb gehouden door zijn smerige zaakjes te camoufleren of voor hem op te lossen’.

Ze kijkt hem aan ‘Waar heeft Pappie het over?’. ‘Ik weet het echt niet schat, hij was vast moe en in de war!’. ‘Zal ik de band stopzetten?’ vraagt de notaris. ‘Nee!’ klinkt het uit twee monden. ‘Dus om kort te gaan, bij deze onterf ik mijn schoonzoon en afgezien van een paar legaten gaat de rest van mijn vermogen naar mijn dochter. Mijn schoonzoon heeft mij vermoord terwijl ik dacht dat we vrienden waren.’

‘Hé Marcel, je moet wat voor me doen! Weet jij waar ik donderdagavond de 16de was!’ smeekt hij zijn vriend. ‘Donderdag de 16de zeg je? Even in mijn agenda kijken. Ik zie het al, toen zijn we ’s avonds gaan sporten. Ja, ik weet het nog goed want jij moest je weer eens zo nodig ongenadig uitsloven dat we bang waren dat je een hartaanval kreeg. Ik heb je nog met de auto thuisgebracht. Jongen wat was je er beroerd aan toe, haha!’.

 

Milieuramp

(Dit verhaal heb ik ingezonden voor een schrijfwedstrijd georganiseerd door uitgeverij Ecmyk. Het bijzondere aan deze wedstrijd was dat de cover van het boek al bekend was, deelnemers moesten een verhaal schrijven dat hierbij past. Mijn verhaal werd goed genoeg bevonden en is geplaatst in het boek!)

schrijfwedstrijd ecmyk (Mobile)

 

‘Wanneer doen wij het nou eens?’ De vragensteller is 124 centimeter hoog, draagt een afgeknipte spijkerbroek en een smerig (alweer?!) supermanshirt. Om het verzoek kracht bij te zetten schuift hij zijn zusje naar voren ‘Zij wil het ook heel graag!’. Zijn grote broer staat op veilige afstand te luisteren. Die zet zijn gezicht op ‘Het interesseert me niets’ passend bij zijn leeftijd, maar blijft toch quasi nonchalant in de buurt hangen. Ik verbijt een glimlach en stuur hen alle drie door naar de andere ouder. Ze rennen. ‘Pap, wanneer…?’ Het gewenste antwoord blijft uit want vaderlief bromt ‘we hebben niet eens zo’n ding.’

Twee weken later. Gegiechel in de gang. Superman vraagt om een hoekje van de keukendeur ‘Mam, heb je nog plakband?’ Ik geef het hem, nog wat zuinigheid afdwingend, en meteen stormen drie paar kindervoeten de trap op. De oudste heeft duidelijk de leiding ‘Nee, ik knip, daar zijn jullie nog te klein voor’. Mijn nieuwsgierigheid bedwingend en allang blij dat ze even geen ruzie maken, begin ik aan het avondeten. Ook tijdens het eten wordt ik niet veel wijzer van het gegniffel en de geheime oogcontacten. Als vader mij over de sperziebonen vragend aankijkt haal ik stilzwijgend de schouders op. Na het eten verdwijnen ze, nog net niet hand in hand, weer naar boven. Er klinkt een schaterlach, een hard maar onverstaanbaar gefluister, een dreun, een ‘Pas nou op!’ en net als ik me niet meer wil beheersen roffelen ze de trap af. Met rode konen, schitterende ogen en de handen op de rug kijken ze samenzweerderig naar elkaar en hoopvol naar ons. ‘We hebben wat’ begint de oudste. ‘Zelf gekocht!’ voegt superman toe. Zusje maakt het af ‘en het is voor ons allemaal’. Er wordt een pakje tevoorschijn getoverd, ingepakt in…hé had ik dat tijdschrift al gelezen?…voorzien van een ruime hoeveelheid plakband. Het opgeplakte kaartje is duidelijk door superman geschreven ‘Vor ons alemaal’. Toch wordt het geheimzinnige pakketje overhandigd aan de vader. Voor de lol schudt hij het wat heen en weer maar staakt hier subiet mee als hij het vervaarlijk hoort rammelen. ‘Pak het nou ui-huit!’smeekt de oudste. Superman houdt het niet meer en verklapt schreeuwend ‘Het is een barbecue!!!’. Vader is duidelijk van de wijs want hij komt niet verder dan ‘Zo zo’.

Twee weken later. ‘Wanneer doen we het nou eens?!’, ‘ We hebben nu toch zo’n ding?!’, ‘Ja, voor ons allemaal!’. Een hulpzoekende blik naar mij. Ik knik, toe maar, je kunt het. ‘Even een schroevendraaier halen.’ De barbecue moet namelijk eerst nog in elkaar gezet worden. Na openen van de doos rollen er zevenentwintig onderdelen over de tuintafel. Vader kijkt, schat, past, past nog eens, schroeft en zucht ‘Een kruiskopschroevendraaier nodig’ Als er achtenveertig minuten en zeven lelijke woorden verstreken zijn lijkt het een klein beetje op een barbecue en zijn er nog maar vier onderdeeltjes over… ‘Pap?’, ‘Wat is er meisje?’, ‘Wat is dit?’, ‘Grmpf…de gebruiksaanwijzing!’ Het bouwsel wordt onmiddellijk gedemonteerd en binnen vijf minuten zit deel a aan deel b, past hendel f precies in gat z. ‘We kunnen!’ roept hij dan nog trots ook.

De barbecue wordt zorgvuldig op het gras gezet en gevuld met kooltjes en een aanmaakblokje. Voor de zekerheid twee aanmaakblokjes. Pap wacht, blaast, wappert en is al snel warmer dan het apparaat. De kinderen maken een vreugdedans en zingen ‘Ik wil een varken en een koe, op onze nieuwe barbecue!’. Omdat een en ander toch te langzaam naar vaders zin gaat liggen binnen de kortste keren alle dertien aanmaakblokjes tussen de kolen. Met als gevolg dat we nog geen kwartier later gezamenlijk zitten te hoesten als oude mannetjes behept met bronchitus. Zusje roept angstig ‘Mam waar ben je?’. Over de schutting verschijnt een wapperende handdoek ‘Zo buurman, volg je een cursus rookseinen?’. De kolen staan intussen in lichterlaaie. ‘Brand!!!’ roept superman verrukt. ‘Dit hoort zo hoor’ klinkt de verdediging. ‘Ik heb honger’ dreint de oudste. Ik doe een aanbod ‘Zal ik vast wat binnen wat wokken? Alleen voor de eerste trek natuurlijk.’ Tegen de tijd dat de kooltjes verast zijn steekt er een klein briesje op, genoeg om de kipsateetjes te voorzien van een laagje grijze spikkels. Dan geeft hij zich eindelijk over. ‘Kun je nog iets wokken? Binnen.’

Twee weken later. ‘Erg hè mam’ Ik kijk naar de nog steeds geblakerde rechthoek in het gras. Tja toch gauw zo’n halve vierkante meter natuurschoon nodeloos verwoest. De deurbel. ‘Goedemiddag mevrouwtje’, twee priemende ogen onder een politiepet richten zich op mij. ‘Wilt u hier eens naar kijken:

cover

Deze foto is twee weken geleden gemaakt en we zijn op zoek naar wie dit op zijn of haar geweten heeft. Weet u hier iets van?!’.