Tagarchief: oppassen

Gokje (1)

(In deze bizarre tijd moet je geen gokje nemen, niet denken: ‘Ik gok dat het mij niet overkomt.’ Toch ga ik wel gokken. Met dobbelstenen dan. Ik had een lichte vlaag van opruimwoede, een super klein vlaagje eigenlijk hoor, maak je geen zorgen, en vond deze dobbelstenen. Dobbelstenen met plaatjes in plaats van stippen. Deze fantasiestenen heb ik ooit eens aangeschaft als speels onderdeel van taalonderwijs aan immigranten. Meestal kwamen we niet verder dan gooien met twee dobbelstenen, dan konden ze er wel een verhaaltje (lees: zin) mee maken,  maar alle zes was teveel gevraagd. Nu ga ik gokken een verhaaltje van de zes dobbelstenen te kunnen maken. Je moet me maar vertrouwen dat ze zo vielen zoals ze op de foto nu liggen. Volgende week liggen ze vast anders.)

 Mijn hemel wat kan dat kind janken, het houdt maar niet op. Hoe houd ik dit oppassen vol? De moeder zou hoogstens een uurtje weg zijn maar het wordt wel een eindeloos uur als het zo blijft. ‘Nee joh, ze slaapt rustig door hoor’, zei ze nog. Ik installeerde mij op de bank met Lucinda Riley en een doosje chocolade in mijn tas, mocht ik honger krijgen. Goed voorbereid zou je denken.

Halverwege bladzijde vijf hoor ik wat gepruttel door de babyfoon. ‘Ah.. wat schattig’, denk ik nog. Het gepruttel wordt echter binnen de minuut omgezet qua volume in een kruising tussen een overspannen kat en een sirene! Wat moet ik doen? Laten huilen zodat de longetjes sterk worden (heb ik es ergens gelezen) of naar boven vliegen en haar troostend aan mijn wild kloppende hart drukken? Na drie minuten houd ik het niet meer uit en ga naar boven. Het rode bundeltje kijkt me boos aan en ik zie haar huigje trillen van verontwaardiging. ‘Oké, rustig blijven, dat voelen ze’, spreek ik mezelf toe. Ik haal diep adem en pak het gierende kind uit het snoezige bedje. Uiterst voorzichtig houd ik het tegen mij aan en wrijf zachtjes over het piepkleine ruggetje. ‘Hee eh…eh…’ Gut hoe heet dit kind ook alweer. Dan zie ik gelukkig een geboortekaartje staan op de plank boven de commode.  ‘Joepie wat zijn we blij, want onze eerste dochter Laoise is erbij.’ Ik krijg spontaan kramp van die tekst maar ook van de naam. Hoe spreek ik die in vredesnaam uit? ‘Hee Laa-oise…’ probeer is sussend. Tevergeefs. ‘Hee Lao-ise…’ Ook geen reactie. Ik geef het op en houd het op: ‘Hee meisje…heb jij honger dan? Wil je wat eten? Ik heb heerlijke chocolade!’ Ik besluit haar mee te nemen naar de bank. Het ongecontroleerde snikken neemt af. En ik merk dat ik haar aandacht heb zolang ik maar praat. Mijn horloge vertelt dat ik dit nog 50 minuten moet volhouden. Ik lees haar een stukje voor uit ‘De zeven zusters’ en tevreden sluit ze haar oogjes. Maar zodra ik stop weet ik dat het een schijnbeweging van haar was en ga snel over op iets anders. Ik open de doos chocolade, pak er eentje en maak het geluid van een auto. ‘Kijk, daar komt een auto aan, toet toet, en die gaat zo in…mijn mondje! Mnomnomnom! Jaaaa!’ Ze vindt het prachtig en dat betekent : herhalen voor zolang ze het pikt.

Na een half uur ben ik misselijk en schor en heb een lamme arm. Ik leg haar in de box en schud al het speelgoed voor haar oogjes heen en weer. En dan moet ik toegeven aan een eerdere gedachte: een kleine of erger nog, een grote boodschap. Met afschuw zoek ik tussen drukkertjes en plakkertjes en doe een klein vreugdedansje als ik zie dat daar de kust veilig is. Ik zing nog maar wat (wat deden die twee beren ook alweer) en lees nog een stukje voor uit mijn agenda die ik even checken wil. Dan laat ik haar grappige youtube filmpjes zien op mijn telefoon waar ze geen spier bij verrekt, maar wel een trillend onderlipje laat zien. En dan, eindelijk, gaat de voordeur open en vliegt de moeder naar binnen. Ze grist haar nageslacht uit de box en overstelpt het met kusjes. ‘Waarom lig jij niet in je bedje dan? Heb je mama zo gemist dan? Zal mama je even lekker bovenbrengen dan?’ en voegt de daad bij het woord.  Ik hoor door de babyfoon: ‘Zo, nu even je luchtballon aanzetten, tot straks liefje.’ Er klinkt niets anders dan een lieflijk dromerig slaapliedje door de kamer. En ik? Ik stort ter plekke in.

Logeren

Ik zag hem maandag arriveren. Opa en Oma renden enthousiast de tuin in. Oma knielde in het gras, stak haar armen wijd open en riep: “Waar is mijn kleine jongen dan???!”. De kleine jongen zag haar echter wel en denderde zijn grootmoeder bijna ondersteboven. Opa greep hem bij de kladden en slingerde zijn kleinzoon soepeltjes op zijn schouders. Wat hadden ze zin in deze logeerpartij! “Oma, oma, ik heb wat iets voor jou!” De kleine verdween haast achter de grote bos zonnebloemen. Kosten nog moeite waren gespaard om de grootouders in een opperbeste stemming te krijgen en vooral te houden. Een bedankje vooraf kan geen kwaad, dachten de jonge werkende ouders waarschijnlijk. Laatstgenoemden werden hartelijk uitgezwaaid en het drietal huppelde naar binnen. Met de bloemen, de kindertrolley en hoge verwachtingen.

Eerlijk gezegd heb ik ze de rest van de week niet meer gezien. Tot vandaag. Een toevallige blik naar buiten toonde mij in één oogopslag hoe de week verlopen was. Zodra de kleine jongen zijn eigen moeder in de gaten kreeg wierp hij zich snikkend in haar armen, alsof de verlossing eindelijk daar was. Opa sleepte van alles naar buiten richting auto. Het verraadde exact het verloop van de week. In de kleine trolley was onvoldoende ruimte voor de grote pluchen aap (dagje Apenheul), de goudkleurige kartonnen kroon met plakdiamanten (prins(ess)edagje Paleis het Loo), opgerolde poster van Cars (regenachtig dagje Bioscoop) en tenslotte nog een Intertoystasje (gevalletje omkoping denk ik). De kleine werd achterin de auto gezet, wuifde nog wat mat naar zijn grootouders terwijl hij zijn ouders van alles en nog wat vertelde. Opa en oma zwaaiden dapper terug, strompelden naar binnen, vielen op hun relaxstoel binnen twee tellen in slaap. Met een glimlach op de lippen, dat wel.