Tagarchief: op straat

Op straat (6)

Dit vond ik…

En dit ging er aan vooraf…

‘Ik wil scheiden’, sprak ze op een avond. Ik zat voetbal te kijken, luisterde liever naar de presentator. ‘We scheiden toch al voldoende schat!’, gokte ik. Want ik ben wel degene die met al die losse troep naar de verschillende bakken loop elke week. ‘Dit bedoel ik dus’, zuchtte ze. Ik zag een gevaarlijk één-tweetje aankomen, hield de adem in, mis! Poeh, gelukkig, daar kwamen ze goed mee weg. Ik keek opzij en vroeg: ‘Wat zei je?’ ‘Ik wil scheiden, van jou!’ Ze zei het zo rustig alsof ze meedeelde dat ze alvast naar boven ging. Hetgeen me reuze goed zou uitkomen want dat geklets tijdens een wedstrijd is meer dan hinderlijk. Automatisch antwoordde ik : ‘Is goed schat’. Toen stond ze op en vroeg: ’Luister je eigenlijk wel? Ik wil van je scheiden. Ik wil dat jij weggaat. Ik kan er niet meer tegen. Ik blijf hier met de kinderen. Hoor je me?’ Ik hoorde haar wel maar kon het niet geloven. Naarstig bedacht ik wat er gebeurd kon zijn vandaag dat deze reactie uitgelokt had. Is ze moe, was er iets op haar werk, gaven de jongens problemen, was ze ziek? Uit alle macht probeerde ik me te herinneren wat ze tijdens het eten allemaal verteld had. Ik wist eigenlijk niets meer. Niet dat ik dat ging toegeven natuurlijk. De blik in haar ogen was wel bloedserieus. Wel verdraaide lastig nu net met deze wedstrijd. Ik stond ook op en sloeg mijn armen om haar heen. Tenminste…dat probeerde ik. Ze weerde me af en deed een stap naar achter.’Het is te laat Arthur, veel te laat. Ik heb alles al geregeld met een advocaat, volgende week ben jij hier weg. O ja, en vannacht slaap je op de logeerkamer.’

Overdonderd was ik. En eigenlijk nog steeds. Ik heb een kleine etage gevonden in een buurt waar ik helemaal niet wil wonen maar het kan niet anders. Ik betaal braaf alimentatie en heb een uitgebreid abonnement genomen op een sportkanaal. Natuurlijk mis ik de kinderen alhoewel ik het idee heb dat het andersom een stuk minder is. Laatst vroeg ik de oudste wat hij nou van de hele situatie vond en of zijn moeder het een beetje redden kon. Hij antwoordde doodleuk: ‘Mama is geweldig! En wat bedoel je precies met redden? Ze deed toch altijd al alles?’ Ik wilde mijn wekelijkse gang naar de afvalcontainers ter sprake brengen maar hield toch maar wijselijk mijn mond. Ja, nu ik er eens goed over nadenk deed ze inderdaad altijd alles. Het huishouden, haar baan, de jongens, de financiën, de sociale contacten, de zorg voor wederzijdse ouders. En dan overvalt me opeens een gevoel van schaamte. Maar ook van gemis. Verdorie, ik mis haar! Als ik haar terug wil zal ik het anders moeten aanpakken. Weet je wat? Ik ga mijn leven beteren en meer aandacht geven aan haar en de jongens. Dat ga ik doen! Mijn telefoon gaat: ‘Bedankt hoor, dat je de verjaardag van je eigen zoon gemist hebt! We zijn de boel al aan het opruimen dus je hoeft niet meer te komen.’

 

Advertenties

Op straat (5)

Dit vond ik,

en dit ging er aan vooraf.

Sinds de buurman van drie huizen verder de voetbal van onze Bram zachtjes heeft laten leeglopen botert het niet zo goed meer tussen hem en mij. Bram had die voetbal zelf gekocht van zelf gespaard geld. Van mij kreeg hij ze niet meer want ik kon wel aan de gang blijven. Dan lag er weer eentje op het dak van de schuur, dan weer in de sloot, dan kwam er een per omgeluk onder een vachtwagen of een ander kind ging er mee vandoor. Mijn vrouw en ik hebben nog meer kinderen die ook elke week wel iets nieuws willen. In overleg besloten we daarom dat Bram voortaan best zelfvoorzienend kon zijn wat betreft de voetballen. We vonden dit ook opvoedkundig verantwoord want wat bleek de jongen trots en blij en voorzichtig met zijn nieuwe voetbal. Hij haalde er zelfs een doekje over voordat de bal ’s avonds in de schuur verdween. Het maakte ons ook trots dat ons kind opeens een stuk bewuster met zijn speelgoed omging. Des te groter was de teleurstelling dat een volwassen man een voetbal van een kind afpakt en dan met een grijns op zijn gezicht die bal lek gaat steken. Dit is voor mij een stap te ver. Samen met Bram ging ik verhaal halen maar kwam niet verder dan moeten aanhoren dat ‘die rotjongens altijd zijn dure plantjes knakten met die rotvoetballen!’ Hij was niet voor rede vatbaar, wilde van geen excuus van Bram horen en, eerlijk is eerlijk, daarbij nog eens twee koppen groter dan ik. We keerden onverrichter zaken huiswaarts. We besloten dat we ons best gedaan hadden en het hierbij te laten.

Maar dan had ik buiten het geweten van Bram om gerekend. Het was altijd al een kind dat doordacht, een kind dat onrecht slecht kon behappen. Zeker een maand na het ongelukkige voorval kwam hij naar me toe met de vraag of ik met hem naar het tuincentrum wilde. Hij zou van zijn eigen geld een plantje kopen voor de buurman om hem in een beter humeur te krijgen. Ik vond niet dat de buurman dit verdiende maar wilde de vredespoging van Bram ook niet in de weg staan. Een dag later stonden we weer in de tuin van de buurman. Bram, met een in doorzichtige folie ingepakt plantje. Hoe vaak we ook op de bel drukten, de deur werd niet geopend. Wel zag ik een stukje vitrage bewegen. Bram stond even in tweestrijd. Uiteindelijk zette hij het plantje bij de voordeur en liep beteuterd het tuinpad af naar ons eigen huis. Ik wist even niets te doen en volgde Bram. Nog één keer keek ik om en meende beweging achter de vitrage te zien.

De volgende dag sprong ik op uit mijn stoel toen ik een schreeuw hoorde. Bram kwam opgewonden de kamer binnen rennen met in zijn handen een pakje. Het pakje was kogelrond en was ingepakt met herkenbaar papier van de speelgoedwinkel. Pas ’s middags zag hij het kaartje liggen. Hierop de woorden ‘Voor’ en ‘Van’ …

Op straat (4)

Dit vond ik…

En dit ging er aan vooraf…

Bertram Wilhelmus Joep  van den Berg was altijd al een bijzonder kind. Door een lichte oogafwijking had hij op jonge leeftijd een brilletje, hetgeen hem al op zijn vijfde het uiterlijk van een professor gaf. Niet alleen zijn uiterlijk, vooral zijn uitgebreide woordenschat en de toepassing daarvan deden regelmatig menig wenkbrauw fronsen. Hij ging elke twee weken met een kruiwagen naar de bibliotheek om een nieuwe lading boeken te halen. Alle informatie dronk hij gulzig in en sloeg het vervolgens, om nooit meer te vergeten, op in zijn interne geheugen. Studenten waren graag bevriend met hem in tijden van examens en het schijnt dat hij onder de naam A.L. Weter in de mobiel van de minister president stond. Niemand keek er dan ook echt van op dat hij uitvinder werd toen hij groot was. Hij vond de meest wonderlijke dingen uit. Dingen waarvan zelfs niemand wist waar het voor diende! Niemand deed hem dat na. En laat ik nu zo’n DING gevonden hebben?!Het lag zomaar midden op de stoep. Ik liep langs en dacht: ‘Hè, een ding..’ Toen ik nog eens keek dacht ik: ‘Hè dit lijkt wel een Bertram-Wilhelmus-Joep-van-den-Berg-ding!!!’ Je ziet dat het met liefde en aandacht gemaakt is, zonder dat je het doel herkent. Het is niet helemaal mijn ding zo’n ding, het lijkt me ook geen echt hebbeding, maar daar ga ik geen ding van maken natuurlijk. ’t Is natuurlijk wel een dingetje wat je met dat ding moet, ik zou het onder geen beding een onding willen noemen, maar hé, ieder zijn ding hè. Zoals Bertram zijn ding deed!

 

Op straat (3)

Dit vond ik.

Dit ging er aan vooraf….

 

Ik snuit luidruchtig mijn neus, mijn broer veegt een traan van zijn wang. ‘Nou, kom op!’ zeg ik en sta resoluut op. Mijn broer blijft zitten en schraapt zijn keel. ‘Eh…Els, als het jou hetzelfde is wacht ik liever nog even op Simone.’  Ik trek mijn wenkbrauwen op, slik een bitse opmerking in en knik dan instemmend.  Ik heb het niet zo op mijn schoonzus. Simone met haar altijd onberispelijke kapsel, haar immer keurige kleding met nauwkeurig bijpassende accessoires, haar eeuwig afkeurende blik richting mij. Om me een houding te geven trek ik me terug in het kleine keukentje van ons ouderlijk huis. Ik open en sluit doelloos wat deurtjes. Mijn ogen glijden liefkozend over de oude theepot met het dikwijls gelijmde oor. Van een nieuwe wilde moeder niet weten. Ik zie een stapeltje keurig gestreken en gevouwen theedoeken. ‘Altijd de hoekjes naar binnen doen hè, zo hou je de kast netjes!’, hoor ik haar nog zeggen. Een foto van vader staat tussen de pannen. Zoals in elke kamer van het huis een foto van hem te vinden is. Dat vond moeder gezellig.

‘Hoi, laten we maar snel beginnen. Ik kan het overleg van 15.00 uur niet missen!’, stormt Simone de woonkamer binnen. Ik kijk op mijn horloge en reken snel uit dat het in tijd van  een half uur moet gebeuren. ‘Ik stel voor’, zegt ze, ‘dat Els de hele inboedel neemt, ik de sieraden, dat zal qua waarde elkaar niet veel ontlopen en samen delen we de opbrengst van het huis. Ik ben voor!’ En ze steekt daarbij haar hand op. Ik kijk naar mijn broer en zie dat hij mijn blik ontwijkt. Daaruit maak ik op dat ze dit thuis al besproken hebben. ‘En wat doen we met de verzameling?’, vraag ik. Simone werpt een giftige blik op mijn broer, ze was het duidelijk vergeten, en reageert snel: ‘Die hoort bij de sieraden!’ Ik haal diep adem, mijn hoofd is wollig, mijn hart verdrietig, ik ben zo eindeloos moe. ‘Prima’, hoor ik mezelf zeggen, ’Zal ik het voor jullie opzoeken en inpakken, dan kun je het morgen ophalen?’ Simone kijkt op haar horloge, staat op en roept gehaast: ‘Top, tot morgen!’ Mijn broer staat één seconde in tweestrijd maar kiest het hazenpad en stapt even later bij zijn vrouw in de auto.

Dan ben ik alleen in het huis. Het huis waar we zijn opgegroeid en waar ik jarenlang mantelzorg verleend heb . Eerst bij mijn vader, later ook bij mijn moeder. Jarenlang heb ik boodschappen gesjouwd, doktersafspraken geregeld, ziekenhuisbezoeken afgelegd, bedden verschoond, kleding gewassen en gestreken en de altijd beschikbare chauffeur gespeeld. Met liefde overigens, maar het was zoveel fijner geweest dit te kunnen delen met mijn broer en schoonzusje. Maar ze waren altijd ‘druk’ en konden ‘onmogelijk’ tijd vrijmaken. En nu wil Simone dus de sieraden en de verzameling. Oké, prima! Ik loop naar de slaapkamer om het sieradendoosje te halen en daarna naar zolder om de dozen te pakken. Elk jaar kreeg ze van vader op hun huwelijksdag een antieke kerstbal, met een indrukwekkende verzameling van 44 stuks als resultaat.

De volgende dag staat Simone op tijd voor de deur. Ik overhandig haar een plastic tas. ‘O ja Simone, ik kon niet alle sieraden vinden. Ik denk dat moeder ze verloren heeft of zo, ze was zoveel kwijt de laatste tijd. Misschien heeft ze ze wel weggegeven, kan ook nog. Maar wat ik nog vond zit er in hoor. En wat betreft de verzameling, ik heb er nog wat plastic balletjes bijgedaan die ze altijd in de kerststukjes deed, dan heb je het compleet, oké?’ Simone kijkt me bedenkelijk aan maar besluit er niet op in te gaan en grist de tas uit mijn handen. Ik loop de woonkamer in en ga voor het raam staan. Dan zie ik het gebeuren! Een handvat van de tas breekt af en de kostbare ballen vallen in scherven op de stoep. Hoe kan dat nou? Een plastic zilverkleurig balletje weet te ontsnappen en rolt vrolijk over de stoep.

Op straat (2)

Dit vond ik:

En dit ging er aan vooraf:

‘Je moet ook eens op Tinder gaan joh!’, giert mijn vriendin. ‘O nee!’, weer ik beslist af, ‘Dat is niks voor mij!’ Ik omhels haar nog een keer stevig en spring de wachtende trein in. We zwaaien tot we elkaar niet meer zien. Opgelucht zak ik wat achterover, voor zover dat kan in een trein. Een beste meid die Annelies, een vriendin uit duizenden maar soms heeft ze wel erg wilde ideeën hoor. Net terug van een schildersvakantie in de Provence heeft ze meer verhalen over Jean-Pierre, dan over het schilderen. Ik hoor alles maar glimlachend aan, ze brengt wat leven in mijn kleurloze bestaan. Ze geeft me vaak wel het idee dat ik de saaiste persoon op aarde ben maar ik ben nou eenmaal zo. Wonderlijk dat wij zo goed met elkaar kunnen opschieten. Maar wat ze nu zei over dat Tinderen is toch een stap te ver hoor. Ik pak mijn  telefoon en kijk eerst om me heen. Ervan overtuigd dat ik alleen in deze coupé zit, zoek ik schoorvoetend de betreffende app op. Voor ik het weet heb ik een profiel aangemaakt en zit ik te swipen als een malle. Wat een leuke mannen  komen hier voorbij zeg! Zomaar voor het grijpen, hoef ik ook geen enge kroegen in. Ojee! Wat doe ik nu! In mijn argeloosheid heb ik contact gemaakt met ene Bernd. Keurig type zo te zien en hij vindt me leuk. Ik bloos ervan! Gelukkig moet ik uitstappen en stop de telefoon diep weg.

’s Avonds laat Bernd weer van zich horen en wil een ontmoeting met me. Met rode wangen en een verhoogde hartslag spreek ik af vrijdagavond met hem iets te gaan eten bij de Blauwe Markies. Een doorsnee restaurant, echt iets voor mij dus. Op de afgesproken tijd sta ik aan de overkant van het restaurant. Ik heb besloten dat ik eerst wil zien of hij wel komt. Straks zit ik daar voor gek binnen te wachten. Ik controleer nog even of mijn kousen niet gedraaid zitten, dan mijn telefoon of hij niet afgezegd heeft en dan in mijn spiegeltje of mijn mascara niet is uitgelopen. Huh?! Er zit iets heel smerigs tussen mijn meest linkse tand en hoektand! Snel peuter ik met mijn pinknagel. Het zit er nog! Waarom heb ik uitgerekend nu mijn allerkleinste handtas mee? Met de telefoon onder mijn kin geklemd, in mijn linkerhand een pakje zakdoekjes, lipgloss, het spiegeltje, een pakje kauwgom en de sleutelbos, wurm ik met mijn rechterhand in het steeds kleiner wordende tasje. Intussen houd ik de ingang van het restaurant nauwlettend in de gaten. Ja, hebbes! Een flosdingetje! Ik klem het tussen mijn lippen. Zo snel als het kan prop ik alles weer in het tasje en net als ik de rits gesloten heb voel ik een hand op mijn arm: ‘Ben jij het, Michelle? Had jij ook het idee eerst aan de overkant te wachten?’ Van schrik open ik mijn mond en het flosdingetje valt op de grond.

 

Op straat (1)

Een nieuwe categorie in een nieuw jaar.

Hoe vaak hoor je niet: ‘Humor ligt op straat’? Hoe vaak denk ik niet: ‘Verhalen liggen op straat!’, zomaar voor het oprapen. Afgelopen zomer las ik een boek van Ruth Hogan ‘De bewaarder van gevonden voorwerpen’, over een man die voorwerpen op straat vindt, ze mee naar huis neemt, ze in een kast plaatst en uiteindelijk bij elk voorwerp een verhaal bedenkt. Dit is wel een bijna letterlijke uitvoering van ‘Verhalen liggen op straat’.

Ik vond dit zo’n mooi idee en het past wonderwel goed bij mijn letterkast, ‘zie het ongewone van het gewone’, dat ik besloot het idee over te nemen. Ik neem echter niets mee naar huis maar maak er een foto van, zoals ik het aantref, en probeer dan te achterhalen (lees: verzinnen) wat eraan voorafgegaan is. Ik noem het liever ‘Verloren voorwerpen’, wie heeft het verloren en hoe kwam dat zo op straat?

Vandaag deel 1, met deze verloren voorwerpen, en wat eraan voorafging…

Hij parkeert de auto in de garage en laat zijn handen nog op het stuur rusten. Hij haalt diep adem en blaast die langzaam uit. Dan schudt hij zijn hoofd alsof hij iets van hem af probeert te schudden. Eenmaal binnen treft hij zijn vrouw zoals gewoonlijk op dit tijdstip in de keuken. De kinderen zitten al aan tafel, alle drie turend naar hun telefoonscherm. ‘Je bent laat!’, bijt ze hem toe. Hij verontschuldigt zich, mompelt iets over files en laat de kus die hij haar wil geven achterwege. ‘Je bent toch niet vergeten dat we vanavond naar school moeten hè? We moeten dat juffie van Nederlands eens hartig spreken over dat laatste tentamen van Jens!’, moppert ze. Jens, de oudste , kijkt schichtig heen en weer tussen zijn moeder en vader. De verholen knipoog van zijn vader stelt hem niet echt gerust. De pannen worden kletterend op tafel gezet. ‘Telefoons weg of inleveren!’ Even later zit het vijftal zwijgend te eten. Het zal vast reuze verantwoord zijn, maar waarom alles zo smerig moet smaken is hem een raadsel. Door snel een hoestaanval te suggereren probeert hij het kokhalzend geluid dat dochter Katinka maakt te verdoezelen en daarmee is een woede-uitbarsting voorkomen. ‘Vertel jij je vader maar eens wat je geflikt heb!’, snauwt ze met een blik op de jongste. De kleine jongen kijkt hem met grote ogen aan, verzet zich zichtbaar tegen een huilbui. ‘Nou!?’, spoort ze hem aan. ‘Ik…ik…ik…’ hakkelt het kind. ‘Zit niet zo stom te stotteren!’, reageert ze fel, ‘Zeg maar gewoon dat jij nu al in je nieuwe broek een gat gemaakt hebt! En dat het je niks kan schelen hoeveel geld die broek gekost heeft!’ Dan rolt er toch een traan over de wang van de kleinste. Even heft de jongen zijn hoofd op om zijn vader smekend aan te kijken. Maar zijn vader tuurt naar zijn bord waar hij doelloos de onherkenbare wortels om de ongare aardappels heen schuift. Vader heeft het koud. Koud van de verziekte sfeer in zijn huis en in zijn gezin. Hoe anders was het tussen de middag toen hij in het warme zonnetje met zijn warme secretaresse een heerlijk warm patatje at. Galant bood hij aan de lege bakjes in de vuilnisbak te gooien. Dat de vorkjes eruit vielen zag hij niet. Hij had oog voor hele andere dingen.