Tagarchief: moord

Boemerang

Was ik een aantal weken terug nog zeer in mijn nopjes dat ik op de longlist van uitgeverij LetterRijn terecht gekomen was…vorig weekend bereikte mij het bericht dat de shortlist een stap te ver voor me was. Jammer, een mens blijft toch hopen 😉 Drie jaar geleden haalde ik de deadline van hun jaarlijkse schrijfwedstrijd niet eens, twee jaar terug haalde ik  de deadline wel het maar daar bleef het bij, vorig jaar haalde ik de longlist, net als dit jaar. Er zit dus duidelijk progressie in! Laten we het daar op houden.

Het thema dit jaar was ‘Met de beste bedoelingen’. Iemand doet zijn uiterste best om iets goeds te doen maar de ondernomen actie pakt echter volledig verkeerd uit en het tegenovergestelde wordt bereikt. Om het spannend te houden moet er minstens één personage sterven binnen 3000 tot 4000 woorden.

Dit heb ik er van gemaakt.

Boemerang 

Ray van Vuuren zag het voor zijn ogen gebeuren.

Om inspiratie op te doen ging hij wel vaker een flink eind lopen in de stad. Bij voorkeur naar druk bezochte plekken waar hij mensen onopvallend kon bestuderen, om eventuele kenmerken te gebruiken voor personages in zijn boek. Sinds hij vorig jaar, tot zijn eigen verbazing, een bestseller had geschreven, had hij, tot nog grotere verbazing eigenlijk, ook een eigen literair agent aangenomen. Moniek, ‘zeg maar Moon’, bood zich destijds  spontaan aan voor deze functie, waar hij in eerste instantie nogal wat schamper tegenaan keek. Maar al snel had zij zich op diverse vlakken onmisbaar gemaakt. Hij was er van overtuigd dat vooral door haar toedoen Moordcollege al weken op de eerste plaats van de boekentop 10 stond. Zij had hem zelfs aangespoord zijn haar te laten groeien, wat hem een stoerder en daardoor aantrekkelijker imago zou verschaffen. Ze zorgde goed voor hem, wist wat hij nodig had, maar soms werd hij gek van haar gedram. Dan begreep ze niet dat hij eerst moest lopen, dat ze hem beter met rust kon laten als hij aan het lopen was. Ze belde hem nu al dagen achter elkaar om hem te herinneren aan de deadline van zijn tweede boek. ´Hoe ver ben je? Kan ik al wat lezen? Denk je wel aan de deadline?’

Hij volgde al een tijdje een slungelig meisje op het volle trottoir richting het station. Haar shirt was te groot, had geel en zwarte strepen en het lange haar hing nat op haar rug. Had zij laat gedoucht? Waarom? Opeens, zonder enige waarschuwing, zakte zij in elkaar. Omstanders weken uiteen, sommigen liepen haastig door, anderen bleven vertwijfeld staan. Ray aarzelde geen moment en knielde bij het meisje neer. Hij keek in een grijsgrauw gezicht dat van pijn vertrokken was, vochtig van transpiratie, de mond zoekend naar adem. Hij zag ook een baard, het lange haar had hem op het verkeerde been gezet. Haastig probeerde hij een oorzaak vast te stellen, het leek verdraaid veel op een hartaanval. Wat had hij daarover ook alweer geleerd? De ademhaling van het slachtoffer stokte. ‘Bel 112! Snel!’, riep hij tegen een vrouw met blauw haar, die toch al met haar telefoon in haar hand stond. Naarstig zocht hij zijn geheugen af naar het hoofdstuk reanimeren. Een luikje ging open en hij wist feilloos wat hij moest doen. Bij de mond-op-mondbeademing moest hij wel even iets overwinnen want het ringbaardje van de man die op de grond lag zag er nu niet bepaald aantrekkelijk uit. Er hing sowieso een penetrante geur om hem heen. Iets chemisch dat Ray zo snel niet kon thuisbrengen. Even verwenste hij Moon toen zijn halflange haar hem steeds in de weg hing. Maar een zwakke hartslag kwam terug. Voor hij er erg in had arriveerde er een ambulance en nam het personeel de patiënt over. De chauffeur sloeg hem nog op de schouder met de woorden: ’Bedankt man, je hebt hem waarschijnlijk gered!’ En net zo snel als de ambulance verschenen was verdween hij ook weer. Iedereen snelde weer door alsof er niets gebeurd was. Toen zag Ray een tas liggen. Een plastic boodschappentas waarvan hij zeker wist dat die van het slachtoffer was. Hij hield hem nog even omhoog wat natuurlijk geen enkele zin had. Hij besloot de tas mee te nemen en bij het ziekenhuis af te geven. Een kleine moeite.

Nee Moon, nog niet! Gegroet!’ Nog met zijn hoofd bij het voorval botst hij in de hal van het station tegen iemand op. Als hij opkijkt gebeuren er twee dingen tegelijk. Drie eigenlijk. De man waar hij tegenaan botst wil hem een flinke duw teruggeven en tegelijkertijd trekt er een andere man aan de gevonden tas.  Maar als plotseling links van de duwende man Rob en Els opduiken, die zijn naam luidkeels roepen, verdwijnen de twee mannen razend vlug in de menigte. ‘Hé Ray, hoe gaat het man, goed jou weer eens te zien.’ Rob slaat hem uitbundig op de schouder. Als Els hem kust en hem direct uitnodigt een hapje met hen te gaan eten, besluit hij de twee mannen te vergeten. Tijdens het nuttigen van een bord verantwoorde pasta wordt er gesproken over werk, deadlines, vakanties, huizen en heel voorzichtig over relaties. Ray stelt hen gerust door te vertellen dat hij nu echt de vrouw van zijn leven heeft gevonden in Juliette. De volgende afspraak moet beslist met z’n vieren. Het valt hem op dat Els regelmatig kucht. Als hij er naar vraagt bloost ze een beetje. ‘Sorry, keelirritatie, gevoelig voor luchtjes, ligt aan mij hoor!’, ze glimlacht verontschuldigend. Beschaamd haalt hij de gevonden boodschappentas onder tafel vandaan. ‘Waarschijnlijk ruik je dit!’, zegt hij. Als Els harder gaat hoesten is het bewijs geleverd. Ray stopt de tas snel weg en vertelt over de herkomst ervan. ‘Je hebt iemands leven gered!’, dweept Els. Zij overhandigt hem een ingewikkeld opgevouwen kunststof tas met een bont bloemenpatroon.‘Stop hem hier maar in, ik heb er toch zes van. Deze tas kun je afsluiten!’ Dankbaar maakt hij gebruik van haar aanbod en ritst de tas dicht.

Hij had er rekening mee moeten houden dat de late treinen niet zo vaak rijden, het is nu een stuk later geworden dan hij wilde. Maar hij moet ook toegeven dat het weer als vanouds gezellig was. Nadat hij Moon drie keer had weggedrukt had hij zijn telefoon helemaal uitgezet. Het is flink wat kouder geworden, huiverend zet hij de kraag van zijn jas op. Omdat het al zo laat is loopt hij alleen op straat, en hoort zo overduidelijk zijn eigen voetstappen dat het lijkt alsof er iemand achter hem loopt. Dat is natuurlijk niet het geval. Voor de zekerheid kijkt hij toch om. Tot zijn schrik ziet hij twee mensen zo’n twintig meter achter hem lopen. Hij kan niet veel meer zien dan een groot verschil in lengte. Zijn het de mannen van het station? Hij versnelt zijn pas en na een poosje kijkt hij nogmaals om. Niemand. Verbeeldde hij zich nou maar wat? De gebruikelijke route naar zijn huis via het park laat hij nu achterwege, liever blijf hij in het licht van de straatlantaarns. Vijf minuten later staat hij bij zijn voordeur. Man, wat is het hier donker, morgen gaat hij eerst de buitenlamp vervangen, en dan zal hij… Een hand op zijn mond beneemt hem bijna de adem. Een andere hand drukt hem hard tegen zijn eigen voordeur. Zijn rechterwang schuurt langs het hout. Zijn hart slaat sneller dan goed voor hem is. ‘Waar is het!’ hoort hij iemand sissen. De hand voor zijn mond verplaatst zich naar zijn nek. ‘Waar is wat?’, vraagt Ray stotterend. Hij probeert zijn hoofd te draaien maar wordt hardhandig tegengewerkt. ‘De tas, die je van straat hebt geraapt, die is van ons ja!’ Zijn brein maakt overuren terwijl zijn linkerhand de bedoelde tas omklemt. ‘De supermarkttas bedoel je?’, vraagt hij tijdrekkend. Met een smak wordt hij omgedraaid en zijn achterhoofd knalt tegen de deur. ‘Ja! Geef op!’ Een mes klikt open en de punt daarvan zwaait gevaarlijk dicht langs zijn keel. Zijn ogen vliegen angstig heen en weer tussen de twee mannen die hij nu herkent van het station. Wat moet hij doen? De tas geven of niet? Hij beslist in een seconde: ‘Die heb ik niet meer. Aan een verkoper van de  daklozenkrant gegeven. Die met die rode baard, die altijd voor het station staat!’ De twee mannen kijken elkaar snel aan. De kleinste maakt een hoofdbeweging en de ander klikt het mes dicht. Langzaam blaast Ray wat lucht uit en net als hij denkt hier goed weg te komen geeft de langste hem een ongenadig harde stomp in zijn maagstreek. Ray klapt dubbel en voelt dan de knie van de kleinste tegen zijn neus rammen. Zijn aanvallers laten hem liggen en maken zich uit de voeten met de woorden: ‘Als je liegt komen we terug!’ Zijn telefoon geeft 12 gemiste oproepjes van Moon aan.

‘Hey Juul lieverd, je moet vandaag maar niet komen hoor. Ik ben ziek.’ Ray probeert de pijn te verbijten.’Nee schatje, ik hoef geen verzorging of boodschappen. Blijf jij nou maar daar, ik wil niet dat jij ook buikloop krijgt. Dag, ik moet rennen.’ Hij laat zich op zijn bed terugvallen. Zijn hele hoofd bonkt en zijn neus in het bijzonder. De pijnstillers in combinatie met de genuttigde alcohol kregen hem toch in slaap vannacht. Nu probeert hij uit alle macht helder te krijgen wat er nu eigenlijk gebeurd was. De jongen met de hartaanval, de gevonden tas, de twee mannen, de klappen die hij kreeg. De tas! Waarom waren die mannen zo kien op die tas? Hij krijgt het gevoel dat daar wel eens een antwoord in kan zitten of anders wellicht een aanwijzing. Hij sleept zich naar de gang waar de tas nog ligt en neemt hem mee naar de keuken. Als hij de gebloemde tas opent ruikt hij onmiddellijk  de scherpe lucht weer. Chloor, weet hij opeens, het ruikt naar chloor. Hij opent de supermarkttas en haalt de inhoud tevoorschijn. Een opgerold, nog vochtig badlaken, een zwembroek en een blauw plastic hoesje met een rits. Als zijn gekneusde lijf niet zo´n pijn deed zou hij hard lachen. Is dit waar die twee op uit waren? Heeft hij deze rommel met gevaar voor eigen leven verdedigd? Hij pakt het badlaken beet met de bedoeling het weer terug te stoppen in de tas als er iets uitrolt en op de grond valt. Een pistool. Een zwart pistool in zijn keuken! Even kijkt hij of hij water ziet branden. Dan pakt hij het op en is verbaasd door het gewicht. Met zijn hand om de kolf, zijn vinger op de trekker, richt hij op de koelkast en zegt zachtjes: ‘Pang!’ Als hij het ding weer vlug in het badlaken wil rollen ziet hij twee gaten in de dikke stof. Kogelgaten? Nog sneller stopt hij het terug in de tas. De zwembroek schudt hij voor de zekerheid ook maar uit alsof er in dat kleine kledingstuk een doos patronen verstopt zou zitten. Dan ritst hij het blauwe hoesje open. Hij ziet geld, veel geld en een stukje wit  papier. Na telling blijkt het om €5000 te gaan en op het witte papiertje staat: Fahrenheitstraat 46. Waar is hij in vredesnaam in terecht gekomen? Hij haalt vertwijfeld zijn hand door zijn lange haar. ‘Ja Moon, ik heb inspiratie voor tien vandaag! Als jij me nou niet steeds belt kan ik meters maken! Ophouden nu!’

Na een flinke dosis cafeïne concludeert Ray dat hij drie opties heeft. Of hij gaat rechtstreeks naar de politie en laat hen het uitzoeken, òf hij gaat naar het ziekenhuis en dropt daar de tas zo snel mogelijk bij de eigenaar òf hij gaat kijken wat er zich op het adres van het witte papiertje bevindt. En dan nog iets: dat geld. Opperde Juliette laatst niet een reisje naar Bali? Zijn badkamer is dringend aan vervanging toe. Maar hoe zit het met zijn twee achtervolgers? Die hebben dus duidelijk een idee van wat er in de tas zit. Zullen ze echt terugkomen? Om het geld of om het wapen? Opeens krijgt hij haast en hij neemt een besluit. Hij zal via de Fahrenheitstraat naar het ziekenhuis gaan. Zijn nieuwsgierigheid wint het. De plastic tas stopt hij wederom in de gebloemde tas, die truc werkt prima. Zijn blik speurt de straat af en als hij niets verdachts ziet snelt hij naar zijn auto. Tijdens het rijden houdt hij zijn achteruitkijkspiegel in de gaten. Even later draait hij de Fahrenheitstraat in. Aha! Op nummer 46 bevindt zich het zwembad ‘De spetter’. De chloorlucht is hiermee verklaard. Ray stapt toch uit en loopt de hal van het zwembad binnen. Het bevreemdt hem dat hij de enige bezoeker is. Het hokje waar een kassamedewerker hoort te zitten is leeg. Ray loopt verder, zijn voetstap weerklinkt op de harde tegels en hij houdt stil voor een grote glazen ruit. Vandaar ziet hij dat de baden leeg zijn. De zon schijnt door de hoge ramen en geeft bizarre weerspiegelingen in het water dat zachtjes beweegt. ‘Kan ik u helpen?’, hoort hij opeens achter zich. Hij draait zich zo snel om dat een kleine duizeling hem overvalt. Een stevige dame op gifgroene slippers, gewapend met een dweil op een stok, staart hem aan. ‘We zijn gesloten hoor’, vervolgt de vrouw iets minder argwanend. Ray laat zich op een stoel zakken en veegt zijn haar achter zijn oren. ‘Hoe dat zo?’ De vrouw heeft weinig aansporing nodig. ‘Ja, we moesten zoveel opruimen. Geeft een hoop smurrie hoor als ze iemand overhoop schieten. Weet u hoe rap dat bad leeg was gister? En een gegil joh! Van de dader geen enkel spoor natuurlijk. Ik zei gisteravond nog tegen Henk, mijn man, op zich best slim eigenlijk om het in een zwembad te doen, want het is hier altijd zo’n gekrioel dat je hartstikke snel weg bent. Nee, geloof mij, die gaan we niet meer vinden. Voor het slachtoffer evenzogoed zielig want die kan niks meer navertellen. U heeft trouwens ook wat meegemaakt?’ Ray verschuift ongemakkelijk op zijn stoel. ‘Die neus van u!’, ze wijst met de stok. ‘O dat! Ongelukje. Ik ga maar weer eens. Tot ziens.’ Meer struikelend dan lopend verlaat hij het zwembad. De vrouw schudt haar hoofd en dweilt verder.

In zijn auto wrijft Ray over zijn ogen en haalt een paar maal diep adem. Zijn neus doet zeer en de spanning beheerst zijn al zijn spieren. In het handschoenenvakje moeten nog wat pijnstillers liggen. Hij buigt kermend naar voren en steekt zijn hand diep in het vakje. Dan geeft hij een schreeuw als er een flinke dreun op zijn auto wordt gegeven. In een deel van een seconde flitst het door zijn hoofd dat de mannen terug zijn. Het portier wordt opengerukt en Ray doet zijn armen in een reflex beschermend over zijn hoofd. ‘Rustig maar hoor,’ klinkt een bekende stem,’Je bent je tas vergeten!’ De vrouw met de groene slippers gooit de tas rakelings voor zijn gezicht langs op de bijrijderstoel.

Bij het ziekenhuis valt het niet mee een parkeerplek te vinden. Ray gaat brutaal op een artsenplaats staan. Hij staat verbaasd van zichzelf, is hij nu ook al asociaal? Maar hij moet van die tas af en snel ook en dan alles snel vergeten, gewoon weer zijn oude leventje oppakken. ‘Waar ben je, sta voor je deur. Bel me terug!!! Moon.’ Bij de balie wordt hij direct al tegengewerkt. Nee, hij weet geen naam, en nee, hij is geen familie. ‘Dan kan ik niks voor u doen meneer.’ zegt het meisje resoluut. Ray draait zich om en loopt vastberaden richting de koffiehoek. Vlak daarvoor schiet hij naar rechts een gang in. Gelukkig hangen overal plattegronden van het immense ziekenhuis en al snel weet hij waar de Spoedeisende Hulp zich bevindt. Daar treft hij een oververmoeide dame die hem klakkeloos de informatie verschaft die hij hebben moet, nadat hij verklaard heeft familie te zijn. ‘Ach, voor ik het vergeet,’ zegt Ray,’mijn neef denkt vaak dat hij grappig is en geeft dan een andere naam op, welke gebruikt hij nu?’ Met de juiste naam begeeft hij zich naar de hartafdeling. Alsof hij precies weet wat hij doet loopt hij de gangen door, intussen spiedend op elk naambordje naast de deur van elke kamer. Bij de juiste naam kijkt hij nog eens links en rechts de gang in en drukt dan de deurkruk naar beneden. In het bed herkent hij de jongeman, die er roerloos bij ligt. Aan een haakje hangt het shirt met gele en zwarte strepen. De machines boven hem piepen met een zekere regelmaat. Wat nu? De tas hier laten? Hem wakker maken? Voordat Ray met een idee komt zwaait de deur open en een vlotte verpleegster stapt naar binnen. Ze draait zich om en zegt tegen iemand op de gang: ‘O, ik zie dat er al bezoek is!’ Dan draait ze zich naar Ray. ‘U bent ook familie? Er staan hier twee neven die ook even willen kijken. Zou u zo vriendelijk willen zijn…?’ ‘Natuurlijk!’, zegt Ray vlug en haast zich de kamer uit. Daar botst hij tegen zijn twee belagers aan. Even zijn ze alle drie met stomheid geslagen. De kleinste herpakt zich het snelst. Vlug pakt hij Ray bij de arm en roept: ‘Hey neef! Zullen wij anders eerst even koffie drinken?’ Met een hoofdbeweging naar de kamer: ‘Die slaapt toch nog een tijdje.’ De lange heeft het spel door en pakt Ray bij de andere arm, slaat hem uitbundig op de schouder en zegt: ‘Hoe gaat het nou gozer?’ Ze sleuren hem zowat de gang door. Bij de eerste de beste bocht gaat er ergens een alarm af en in mum van tijd is de gang vol met rennend verplegend personeel. Een grote donkere vrouw duwt een crashcar voor zich uit. Ray maakt gebruik van de verwarring die ontstaat, wringt zich los en begint te rennen alsof zijn leven er van afhangt. Wat waarschijnlijk ook zo is. Hij weet zelfs ongezien in het trappenhuis te komen. Hijgend en met pijn in zijn zij moet hij snel beslissen, naar boven of naar beneden?

Bizar hoe snel een mens in tijd van stress toch een keuze weet te maken. Door met drie treden tegelijk naar beneden te vliegen lukt het Ray te ontsnappen aan zijn achtervolgers. Hij springt in zijn auto. De parkeerboete laat hij verfrommeld achter. Als een bezetene rijdt hij naar zijn huis. Er vanuit gaande dat de twee mannen hem nog zoeken, propt hij binnen wat kleding in een sporttas, hier kan hij niet meer blijven. Koortsachtig probeert hij te bedenken waar hij naar toe moet gaan. Peter! Wellicht kan hij daar een tijdje blijven. Net als hij het nummer van Peter wil intoetsen belt Moon hem. Hij wil ook geen argwaan wekken dus neemt hij op. ‘Waar ben je!!! Ik probeer je al de hele dag te bereiken man! Ik moet je dringend spreken. Kom nu naar mijn kantoor! Nu!!!’ Hij bedenkt dat een bezoekje aan haar de verhitte gemoederen wat kan bedaren en belooft er binnen tien minuten te zijn. ‘Hè, hè!’, klaagt Moniek en trekt hem naar binnen, ‘Zitten jij! Jeetje Ray, wat zie jij eruit! Nou, dat verklaar je straks maar. Eerst vertel je me luid en duidelijk wat je allemaal gedaan hebt gisteren!’ Ray zucht: ‘Weet ik veel, niets bijzonder waarschijnlijk. Luister Moon, ik doe mijn uiterste best maar als jij zo aan mij twijfelt werkt dat averechts natuurlijk. Mag ik nu weg ik heb een afspraak met…’ ‘Noem het maar niets bijzonders!’, valt ze hem lachend in de reden. Moniek die lacht? Wat is hier aan de hand? Ze smijt hem een krant voor zijn neus en dan ziet hij zichzelf gebogen over een figuur met een geel en zwart gestreept shirt. ‘Geen mis- maar goede daad’ staat er boven. Slechte kop, denkt Ray nog. ‘Blijf zitten!’, gebiedt ze als de bel gaat, om even later te roepen, ‘Hier is hij!’ Ray draait zich om en kijkt recht in het gezicht van een politieagent. Het zweet breekt hem aan alle kanten uit. Zijn keel voelt gortdroog aan. Zijn linkerknie trilt. Zijn hartslag resoneert in zijn oren. ‘Luister goed sukkel!’, zegt Moniek en ze gaat met een scheve glimlach op haar bureau zitten. ‘Tja, eh…’, de agent schraapt zijn keel, ‘Meneer van Vuuren, ik kom u bedanken! U heeft ons namelijk een grote eer bewezen gister. U heeft het leven gered van Benny de Booij. Wij waren al een flinke tijd op zoek naar dit fraaie heerschap als ontbrekende schakel in een groter misdaadnetwerk. ’ Hij steekt zijn rechterhand uit naar Ray.

Gebeurt dit echt? Hij krijgt een compliment van een politieagent terwijl hij met een pistool op schoot zit. En waarschijnlijk ook nog met de gage van een huurmoordenaar. Hij probeert nog: ’Het leven van wie? En hoe weet u dit allemaal?’, dan op de krant wijzend, ‘En hoe kan dit dan?’ ‘Tja, na Moordcollege zijn er meer mensen die u kennen dan andersom waarschijnlijk. Een vrouwelijke fan heeft u herkend, u sommeerde haar 112 te bellen.’ Helder ziet Ray de vrouw met het blauwe haar voor zich en realiseert zich nu dat ze aan het filmen was. Moniek is door het dolle, ziet dit als een geweldige publiciteitstunt. De agent vervolgt: ‘We zijn er zeker van dat hij met de zwembadmoord te maken heeft die gisteren plaatsvond, maar krijgen het bewijs nog niet helemaal rond.’ Er giert een korte maar hevige wervelwind in het brein van Ray, maar dan zegt hij: ‘Misschien kan ik u hierbij van dienst zijn. Hier is de tas die het slachtoffer achterliet. Ik weet niet wat er in zit en u moet me geloven dat ik van plan was deze af te leveren bij het bureau.’ Moniek gilt bijna: ‘Ray! Wat heb je allemaal uitgevreten! Het wordt steeds mooier! Ik ga Matthijs even bellen voor vanavond, dan kun je daarna door naar Eva!’ De houding van de agent is opeens veranderd. Hij kijkt Ray strak aan: ‘Heeft u de inhoud bekeken?’ ‘Vluchtig, het …eh…stonk nogal!’ De agent neemt de tas over en verlaat het kantoor met de woorden: ‘Ik verzoek u met niemand over deze tas te praten!’ Ray knikt, steekt twee vingers op en zegt: ‘Erewoord.’ Hij zakt, opeens doodmoe, achterover in de stoel. Moniek laat energiek allerlei plannen op hem los maar hij hoort het niet. Hij kan alleen maar denken. Dit was het? Afgelopen nu? Was het de juiste beslissing? Hij heeft toch zeker nergens mee te maken? Wie zal er kraaien naar die duizend euro?

Drie maanden later staat er een opmerkelijk bericht inde krant:

Schrijver Ray van Vuuren is vanmorgen in voorlopige hechtenis genomen door de politie. Hem wordt betrokkenheid verweten bij de zwembadmoord vorige maand in zwembad de Spetter. Verschillende getuigen zijn gehoord. Een aldaar werkende schoonmaakster heeft verdachte daags na de moord verward aangetroffen in het afgesloten gebouw. Verplegend personeel in het plaatselijke ziekenhuis bevestigen valse voorwendselen omtrent familiebanden. Maar overduidelijk waren de vingerafdrukken op het wapen en op de drieduizend euro in de tas,  die in het bezit was van verdachte. De rol van zijn literair agent M. ten Haaften zal hangende het vervolgonderzoek duidelijkheid verschaffen. Deel 2 van Moordcollege wordt voorlopig uitgesteld.

 

 

 

 

 

 

 

 

Advertenties

Uiteinde

uiteinde

Ik ga je wat bekennen. Dat kan ik nu wel vertellen twee dagen voor het eind van het jaar. Ik kan in elk geval zeggen dat ik de fout dit jaar nóóóóóit meer zal doen en mijn leven volgend jaar zal beteren. Dit gaat over je mee laten sleuren en er depri van worden. En vertrouw me: dat moet je niet doen!

Een wat uit de gratie geraakte wens is ‘Fijne kerstdagen en een zalig uiteinde!’. In mijn onnozelheid heb ik jarenlang niet anders gedacht dan dat dit een hele logische wens is. Je eet je ten slotte een slag in de rondte met Kerst en wat is er dan zaliger dan dat die overdadige diners je lichaam via het daarvoor bestemde uiteinde verlaten. Veel later begreep ik het pas. Het uiteinde in de zin van het laatste stukje van het jaar. Het eind, het slot, het over en uit.

Het heeft toch iets triestigs. Zo definitief, zo onomkeerbaar, zo uitzichtloos. Verdorie, weer een jaar om en ik wou nog zo graag dit en dat en zus en zo. Zo had ik het jaar niet bedoeld. Ik kan me bijna inleven dat iemand daar depri van wordt.

Uiteinde is dus het uiterste punt van iets. Het uiteinde van de draad die je door de naald moet steken. Het uiteinde van mijn geduld na zevenentwintig keer te worden doorverbonden. Steek het uiteinde van de weet ik veel wat voor kabel in de weet ik veel wat voor ingang. Sluit maar aan bij het uiteinde van de rij wachtende bij de kassa. Grrr!

Uiteinde blijkt ook een gehucht te zijn. Daar wonen werkelijk mensen. De Uiteinders.  Aan de Uiteinderseweg  naast de Uiteinderseplas. Een dorp met uiteinderse gezelligheid. Het ligt in Groningen en valt onder gemeente Delfzijl. Ik kan me ook voorstellen dat je dáár depri van wordt.

Tot overmaat is er een schrijfwedstrijd uitgezet met als thema ‘Pleeg een moord in 25 woorden’. Het stond zomaar op internet. Deadline 31 december. Hoe verzinnen ze het. In deze trieste tijd. Een verhaal met een lijk. In het uiteinde van het jaar. Wat op zich uiteindelijk een uiteindelijk oplevert… Nu ik toch in de stemming ben heb ik maar meegedaan. Een moord in 25 woorden, excl. de titel.

 

Sporen

Het ging zo makkelijk.

Omstanders zagen dat ik je tegenhield.

Zo leek het. In werkelijkheid duwde ik.

De intercity Den Haag-Enschede deed de rest.

 

Getsie, luguber hè! Negatief en depri! Vind er niks aan! Don’t try this at home hoor! Maar ik snap het ook wel weer. Het komt allemaal door die rare uitdrukking ‘Zalig uiteinde’. Het zuigt je mee in een negatieve spiraal en dat wil ik niet meer! Jij toch ook niet?

We moeten dat omdraaien naar iets positiefs. Wat dacht je van deze wens: ‘Een stikgoeie start!’, ‘Een bereboeiend begin!’ of  ‘Een aantrekkelijke aanvang!’. Maar ja, je moet met zo’n wens wel een heel jaar doen. Dus beter is misschien: ‘Daverende dagen, wonderschone weken, memorabele maanden en een joppie jaar!!!’.

Nou ja, het doet er ook niet toe. Als je me maar belooft volgend jaar vooral te gaan genieten van alle positieve dingen in het leven!!!

 

Drie om één

(Dit verhaal heb ik ingestuurd voor de schrijfwedstrijd georganiseerd door uitgeverij LetterRijn. Het thema was ‘Nordic Noir’, doelend op de ijzingwekkende thrillers uit Scandinavië, met ruime aandacht voor de psychologie en couleur locale.  Het is me niet gelukt om op de longlist te komen, ook niet om echt ijzingwekkend te schrijven maar wel met 2.628 woorden aan de verplichting van 2.500-4.500 woorden voldaan. Nog nooit zo’n lang verhaal geschreven… Dus toch wat geleerd .)

Voorzichtig tilt ze het kussen van zijn gezicht. Was het lang genoeg? Ze buigt wat voorover. Hoort ze nog iets? Beweegt zijn borstkas? Net als zij met haar hand boven zijn hartstreek is slaat hij zijn ogen op. Hij kijk haar vertwijfeld aan en stoot hijgend een paar schorre klanken uit. De deur van de kamer vliegt open en een struise verpleegster stapt naar binnen: ‘Meneer van Boven, u heeft gebeld?’ Josefien doet snel een stap achteruit en verklaart het kussen in haar handen: ‘Hij wilde wat hoger liggen.’ De verpleegster kijkt bevreemd, haalt haar schouders op en draait zich om. Op de drempel blijft ze even staan en zegt; ‘O ja, het gesprek dat u vanmiddag met dokter de Groot heeft, wordt een uurtje eerder. Ik neem aan dat u hierover zelf even contact opneemt met uw dochter.’

Zodra de deur weer gesloten is legt Josefien het gelige zijden kussen terug in de stoel. Ze loopt naar het bed en rukt de dekens van hem af. Ze ziet de alarmknop in de hand van haar man. Ze grist het verraderlijke ding weg en legt het net buiten zijn bereik. ‘Moet je me nu echt in alles dwarszitten,’ snauwt ze terwijl ze de dekens teruggooit. Ze haat die man. Ze haat de kamer waarin hij ligt. Met het vale bruine behang, de stoffige bruine gordijnen, de donkerblauwe deur in de bruine posten. Zijn meegebrachte rundleren oorfauteuil neemt nutteloos ruimte in. Het kleine raam biedt uitzicht op een troosteloze binnenplaats. Een zestal vaalgroene houten bankjes staat gegroepeerd om een verwaarloosd konijnenhok. Ze walgt van deze omgeving. Ze walgt van haar eigen man. Deze keer mislukte het, de volgende keer zal raak zijn. Ze pakt haar dikke jas met een pied-de-poules print en slaat hem om haar smalle schouders. In combinatie met de zwarte pantalon en witte blouse levert dit de chique uitstraling op die ze wil bereiken. Met haar rechterhand tast ze naar de strakke haarwrong in haar nek, met haar linkerhand pakt zij haar designertas. Zonder iets te zeggen verlaat zij de benauwde kamer. Nog op de drempel wordt zij overvallen door een kleine gestalte, gehuld in een paarse ochtendjas en rode chinees geborduurde slippers. Een oude vrouw met een naargeestig gezicht drukt zich tegen Josefien aan en raspt: ‘Hoe is het met mijn man?’. Josefien deinst achteruit van de penetrante geur die de vrouw verspreidt. Ze duwt de vrouw opzij en beent de lange gang door. Het tikken van haar hakken klinkt venijnig door de betegelde gang. Zodra ze bij het met steenstrips beplakte hokje van de verpleging komt tikt ze driftig op het raam. ‘Ik zou het op prijs stellen als jullie eens wat beter op Mevrouw Tiggelaar letten.’ roept ze naar binnen zonder op antwoord te wachten. De verpleegster kijkt haar hoofdschuddend na.

Sacha is nu al heel wat jaren verpleegster in deze zorginstelling maar nog steeds treft het haar dat ze meer werk heeft aan de familie dan aan de patiënten zelf. Elke keer als Mevrouw van Boven is geweest staat haar een flinke dosis kritiek te wachten. Het bed is te zacht, de lakens te hard, de dokter te vroeg en het douchen te laat. Zuchtend staat Sacha op. Ze gaat even bij hem kijken. Zodra ze de kamer binnenkomt ziet ze de paniek al in zijn ogen. ‘Rustig maar,’ sust ze, ‘Er is niets aan de hand. Gaat u maar lekker slapen.’ Hij probeert te praten maar het is niet meer dan wat onverstaanbare keelklanken. ‘Aha, ik begrijp het,’ zegt Sacha, ‘U wilt nog zo’n lekker pilletje van mij!’ Uit de broekzak van haar vormeloze uniform haalt ze een wit zakje en vist er een klein roze tabletje uit. Hij schudt zijn hoofd en zijn ogen schieten bang heen en weer. Bedaard stopt Sacha het tabletje in zijn keel en spuit er wat water achteraan. Hij kan niet ander doen dan slikken. Ze glimlacht. Zo moet het gaan. Zij is de baas. Over leven en dood. Haar hele jeugd heeft ze zich laten koeioneren door haar moeder, die haar leven dicteerde, die haar ongewild afhankelijk maakte. Elke vorm van verzet werd gewelddadig de kop ingedrukt. Dat ze uiteindelijk verpleegster is geworden was de zoveelste eis van haar moeder. Zo  verzekerde zij zichzelf van gratis zorg door haar eigen dochter op haar oude dag. En daar maakte de moeder een fout want opeens was zij afhankelijk van Sacha, haar dikke domme mislukte dochter. Hoe makkelijk bleek het te zijn om door enkel wat te schuiven met medicijnen de rollen volledig om te draaien. Dat haar moeder plotseling overleed heeft niemand ooit begrepen. Als de uitwerking van het roze pilletje bij meneer van Boven aanslaat bekijkt ze genietend zijn gevecht op het randje van leven en gaan. Ze weet precies waar de grens ligt. Hij zal nog niet gaan. Dat bepaalt zij wel. Terug op de gang ziet ze niet hoe een paarse wolk zich terugtrekt in een nis.

Madelon van Boven is boos. Meer dan boos. Ze heeft zich vanmiddag gehaast om op tijd bij het gesprek met dokter de Groot te zijn maar toen ze aankwam bleek het onderhoud al voorbij. Een persoonlijk gesprek met de arts van haar vader zat er ook niet meer in. Alles was al met haar moeder besproken. Volgens Sacha was haar moeder wel op tijd verschenen. Zij suggereerde dat Josefien het wellicht ontschoten was om haar in te lichten. Ontschoten? Ze heeft het natuurlijk expres gedaan. Al tijden probeert zij haar bij haar vader weg te houden. Hij zou de opwinding niet aankunnen of iets dergelijks. Maar telkens als Madelon de kamer binnenkomt lichten de ogen van haar vader wat op. Hij probeert haar altijd iets duidelijk te maken. Tevergeefs. Ze kan geen wijs worden uit zijn signalen. Soms denkt ze terug aan de tijd dat de ziekte net gediagnosticeerd was en hij nog helder kon denken. Toen heeft hij haar eens gevraagd hem bij te staan op het moment dat hij niet meer zelfstandig kon functioneren. Om hem te helpen. Ze wuifde toen alles weg en overtuigde hem er van dat hij er weer bovenop zou komen. Nu zou ze er heel wat voor over hebben om te weten welke hulp hij precies bedoelde destijds. Wat ze wel weet is dat hij niet gelukkig is. Nu zit ze stilletjes naast zijn bed, hij lijkt erg diep te slapen. Moet ze haar probleem aankaarten bij de dokter? Of zal ze toch nog maar eens proberen een goed gesprek met haar moeder te hebben. Dat wil zeggen haar stiefmoeder. Ze was destijds blij voor haar vader dat hij weer een vrouw vond maar Madelon had geen enkele affiniteit met haar. Ze voelde de afstandelijkheid als een persoonlijke aanval. Josefien liet al heel snel doorschemeren dat ze tegengas slecht duldde, haar wil was wet. Maar haar vader is het gesprek wel degelijk waard. Ze zal eerst Tim bellen. Een goede vriend van haar, afgestudeerd arts en hij heeft ongetwijfeld kennis van de meest verantwoorde manier om haar vader uit zijn lijden te verlossen. Tevreden nu ze een omlijnd plan heeft, staat ze op en verlaat de kamer. Op de gang knikt ze afwezig naar een dame op rode pantoffels. ‘Mijn man is heel erg ziek!’ roept de vrouw.

Zodra Josefien thuis is gaat ze direct door naar de serre. Vijf jaar geleden is deze extreem grote serre achter aan hun huis gebouwd. Volgens haar man met het idee er later, als ze oud zouden zijn, te gaan slapen. Tot die tijd mocht zij er mee doen wat ze wilde. Ze richtte het in met klassieke meubelen, waaronder een donkerrode fluwelen chaise lounge en een echt kristallen kroonluchter. De eikenhouten vloer en zware gordijnen in een donkergroene kleur gaven de glazen ruimte warmte. Als finishing touch zette ze er een paar zelfgemaakt schilderijen in en tenslotte organiseerde zij een feestje. Het bleek een succes, drie van haar schilderijen waren zelfs verkocht. Een van haar vriendinnen kwam de dag na het feest met een aantal zeer bijzondere sieraden, gemaakt door haar zoon. Niet geheel onverdienstelijk. Of Josefien er iets mee kon. Toen ontstond het idee in de serre jonge talenten ruimte tot exposeren te geven. Zij bepaalde wat er kwam te hangen of te staan. Het werd zo’n succes dat de serre al snel veel te klein was. Op een gewilde locatie, midden in de stad, opende Josefien drie maanden later haar eigen galerie. De laatste jaren uitgegroeid tot een goed bezochte plaats in de kunstwereld. Zij genoot van het artistieke leven en alles wat er mee samenhangt. Toen haar man plotseling ziek werd viel het grote leeftijdsverschil meer op dan anders. Hij was heel snel een oude zieke man geworden terwijl zij juist wilde leven, bruisen en sprankelen. Plaatsing in een verpleeghuis leek een oplossing. Knarsetandend herinnert ze zich het gesprek met dokter de Groot vanmiddag. Hij dacht toch niet dat zij dit allemaal gaat opgeven om haar man weer in huis te nemen. Ze snapt ook wel dat ze niets meer voor hem kunnen doen. En dat hij daarom niet meer daar kan blijven. Volgens dokter de Groot zal het niet langer dan een half jaar duren. Een half jaar. En al die tijd zou haar leven hier stilstaan. Ze wil dit niet, heeft er absoluut geen zin in. Het enige wat hij hoeft te doen is doodgaan. Morgen zal ze hem daarbij een handje helpen. Alleen maar helpen.

Sacha begint aan haar laatste ronde. Nog even en ze kan naar huis. Hopelijk heeft Paulo boodschappen gedaan. Ze hoopt dat hij niet weer zo´n rotzooi gemaakt heeft als gisteren. Door het hele appartement lagen kleiresten, spatels en schrapers. Hij maakt het ene werk na het andere, zijn werkdrift is eindeloos. Maar zelden is hij tevreden. En als hij iets moois heeft gecreëerd, iets waar hij volledig achterstaat, raakt hij het aan de straatstenen niet kwijt. Hij leurt bij boetiekjes, markten en plaatselijke exposities maar zijn werk wordt niet begrepen en zo dringt hij ook niet door tot de kunstwereld. Sacha ziet ook niet altijd wat hij bedoelt maar ze houdt van hem. Ze grinnikt. Ze is trots op zichzelf dat ze een plan heeft gevonden om hem een kans te geven. Wat zou het heerlijk zijn als hij naam gaat maken, als zijn geploeter eindelijk resultaat boekt. Eerlijk gezegd zal ze ook blij zijn als er van zijn kant ook eens geld binnenkomt. En zij minder tijd bij die stinkende bejaarden hoeft door te brengen. Zodra ze thuiskomt verruilt ze het gehate witte uniform voor een uitdagend rode jumpsuit. Opeens is haar prachtige gevulde figuur voluit te zien. Paulo is in opperste concentratie bezig. Zo ziet ze hem het liefst. Zijn grote handen die gracieuze fijne beeldjes maken. Op de eettafel ziet ze een nieuwe serie staan. Het beneemt haar bijna de adem. Zo mooi, fragiel en toch krachtig. Dan merkt hij haar op en ziet haar kijken naar de tafel. ´Nou?’ vraagt hij. Ze vliegt hem om de hals en noemt de serie de beste die hij ooit gemaakt heeft. ‘Ik ga je helpen’ zegt ze gesmoord in zijn nek. Zoveel talent mag toch niet verloren gaan. Morgen gaat ze het mes op de keel zetten bij Josefien. Een vaste plek in de galerie voor haar vriend ruilen tegen de dood van haar man. Ze wil alleen maar helpen.

Madelon heeft een ernstig maar verhelderend gesprek gevoerd met Tim. Hij heeft haar de juiste raad gegeven. Ze moeten echter heel omzichtig te werk gaan. Dit wil ze het liefst vandaag nog met Josefien bespreken. In haar kleine auto komt ze voor haar ouderlijk huis tot stilstand. Boven en beneden brandt licht. Ze opent met haar eigen sleutel de voordeur. Er heerst een merkwaardige stilte. ‘Hallo?’ roept ze onderaan de brede wenteltrap. Stilte. In de modern ingerichte woonkamer ziet ze tussen de strakke witte bank en de glazen salontafel rode druppels op het witte vloerkleed. Daarnaast een omgevallen glas. Rode wijn. Nogmaals loopt ze naar de trap. Behoedzaam volgt ze de treden. Op de overloop komen vijf deuren uit. Een voor een doet zij ze open. Alle slaapkamers en badkamers zien er ongebruikt uit. Halverwege de trap naar beneden hoort ze opeens een geluid. Brekend glas. Daarna ingehouden gelach. Het lijkt van de achterkant van het huis te komen. Behoedzaam sluipt Madelon naar de serre, haar telefoon inmiddels in haar hand geklemd, klaar om hulp in te schakelen. Langzaam duwt ze de deur een stukje open en dan ziet ze het. Haar naakte stiefmoeder ligt zich met een eveneens naakte jonge man te amuseren op de chaise lounge. Nadat ze haar weerzin heeft onderdrukt stapt ze naar binnen.  ‘Fijn Josefien, dat jij je ook zo’n zorgen maakt om papa. Ik ga nu naar hem toe om hem te helpen.’ Verschrikt vliegt Josefien overeind, probeert met het gebloemde overhemd van de jongeman haar lichaam tevergeefs te bedekken. ‘ O nee,’ zegt ze, ’niet vanavond! Natuurlijk maar ik me ook zorgen. Wat denk jij nou. Ik mag toch wel even ontspannen. Maar ga niet vanavond naar hem toe. Ga naar huis en ga slapen. Morgen ga ik met je mee. Dan gaan we samen, om te helpen.’ Madelon draait zich op haar hakken om en verlaat met opgeheven hoofd het huis.

De volgende morgen staat Josefien al vroeg in het verpleeghuis op de lift te wachten. Een keurige dame, slank en opvallend verzorgd gekleed. Beheerst maar toch is de strijdlust in haar ogen te lezen. Madelon staat opeens naast haar. Net iets te zwaar en slordig gekleed in onbestemde tinten. ‘Wat ben jij vroeg.’ zegt Josefien lichtelijk verschrikt. ‘Je hebt je kleren weer kunnen vinden zie ik.’ reageert Madelon. Dan sluit ook Sacha zich bij de wachtende vrouwen aan. Ze trekt even haar wenkbrauwen op maar zegt niets. Ze slaat haar brede armen over elkaar en straalt meteen een onverzettelijkheid uit. Gedrieën stappen ze op dezelfde verdieping uit en lopen naar de kamer van meneer van Boven. Dokter de Groot staat over het bed heen gebogen en richt zich snel op als hij de drie vrouwen in het oog krijgt. ‘Nou,’ begint hij ‘dit is wel heel toevallig, ik wilde u net bellen. Het spijt me vreselijk u te moeten meedelen maar meneer van Boven is vannacht overleden. Gecondoleerd. Eerlijk gezegd is de doodsoorzaak nog niet precies vastgesteld, maar dit zal ongetwijfeld in de loop van de dag helder worden. Ik laat u nu even alleen met uw man, uw vader en jouw vaste cliënt. Nogmaals gecondoleerd. Dit hadden wij niet voorzien, anders hadden wij u natuurlijk tijdig opgeroepen.’ Nadat hij de kamer verlaten heeft kijken de drie vrouwen als gehypnotiseerd naar het bed. Dood is hij. Morsdood. Definitief. Ze staren alle drie bewegingsloos. Josefien is de eerste die zich herpakt. Ze knijpt haar ogen tot spleetjes en kijkt naar Sacha. ‘Heb jij wel de juiste medicijnen gegeven?’ bijt ze haar toe. Sacha laat een schamper lachje horen en zegt: ‘Ik had tenminste geen kussen bij me.’ Madelon kijkt vragend van de een naar de ander en zegt: ‘Medicijnen? Kussen? Wat bedoelen jullie?’ Josefien snauwt naar haar stiefdochter: ‘We bedoelen dat het vreemd is dat er geen doodsoorzaak is. Heel erg vreemd. Wacht eens, wat heb jij gisteravond eigenlijk gedaan? Heb jij je vader net zo onverwachts bezocht als mij? Ben jij werkelijk wel naar huis gegaan?’ Madelon hapt naar adem, slikt en reageert dan verontwaardigt: ‘Je zult het nooit weten hè.’ De drie vrouwen vallen in een ongemakkelijke stilte. Ieder met haar eigen gedachten. Af en toe wordt er een schuwe blik naar een ander geworpen. Gesproken wordt er niet meer. En niemand die het ziet. Geen van drieën. De Filippijnse schoonmaakster ziet het de volgende dag wel. Een rode chinees geborduurde slipper. Onder het bed.