Tagarchief: mantelzorg

Op straat (3)

Dit vond ik.

Dit ging er aan vooraf….

 

Ik snuit luidruchtig mijn neus, mijn broer veegt een traan van zijn wang. ‘Nou, kom op!’ zeg ik en sta resoluut op. Mijn broer blijft zitten en schraapt zijn keel. ‘Eh…Els, als het jou hetzelfde is wacht ik liever nog even op Simone.’  Ik trek mijn wenkbrauwen op, slik een bitse opmerking in en knik dan instemmend.  Ik heb het niet zo op mijn schoonzus. Simone met haar altijd onberispelijke kapsel, haar immer keurige kleding met nauwkeurig bijpassende accessoires, haar eeuwig afkeurende blik richting mij. Om me een houding te geven trek ik me terug in het kleine keukentje van ons ouderlijk huis. Ik open en sluit doelloos wat deurtjes. Mijn ogen glijden liefkozend over de oude theepot met het dikwijls gelijmde oor. Van een nieuwe wilde moeder niet weten. Ik zie een stapeltje keurig gestreken en gevouwen theedoeken. ‘Altijd de hoekjes naar binnen doen hè, zo hou je de kast netjes!’, hoor ik haar nog zeggen. Een foto van vader staat tussen de pannen. Zoals in elke kamer van het huis een foto van hem te vinden is. Dat vond moeder gezellig.

‘Hoi, laten we maar snel beginnen. Ik kan het overleg van 15.00 uur niet missen!’, stormt Simone de woonkamer binnen. Ik kijk op mijn horloge en reken snel uit dat het in tijd van  een half uur moet gebeuren. ‘Ik stel voor’, zegt ze, ‘dat Els de hele inboedel neemt, ik de sieraden, dat zal qua waarde elkaar niet veel ontlopen en samen delen we de opbrengst van het huis. Ik ben voor!’ En ze steekt daarbij haar hand op. Ik kijk naar mijn broer en zie dat hij mijn blik ontwijkt. Daaruit maak ik op dat ze dit thuis al besproken hebben. ‘En wat doen we met de verzameling?’, vraag ik. Simone werpt een giftige blik op mijn broer, ze was het duidelijk vergeten, en reageert snel: ‘Die hoort bij de sieraden!’ Ik haal diep adem, mijn hoofd is wollig, mijn hart verdrietig, ik ben zo eindeloos moe. ‘Prima’, hoor ik mezelf zeggen, ’Zal ik het voor jullie opzoeken en inpakken, dan kun je het morgen ophalen?’ Simone kijkt op haar horloge, staat op en roept gehaast: ‘Top, tot morgen!’ Mijn broer staat één seconde in tweestrijd maar kiest het hazenpad en stapt even later bij zijn vrouw in de auto.

Dan ben ik alleen in het huis. Het huis waar we zijn opgegroeid en waar ik jarenlang mantelzorg verleend heb . Eerst bij mijn vader, later ook bij mijn moeder. Jarenlang heb ik boodschappen gesjouwd, doktersafspraken geregeld, ziekenhuisbezoeken afgelegd, bedden verschoond, kleding gewassen en gestreken en de altijd beschikbare chauffeur gespeeld. Met liefde overigens, maar het was zoveel fijner geweest dit te kunnen delen met mijn broer en schoonzusje. Maar ze waren altijd ‘druk’ en konden ‘onmogelijk’ tijd vrijmaken. En nu wil Simone dus de sieraden en de verzameling. Oké, prima! Ik loop naar de slaapkamer om het sieradendoosje te halen en daarna naar zolder om de dozen te pakken. Elk jaar kreeg ze van vader op hun huwelijksdag een antieke kerstbal, met een indrukwekkende verzameling van 44 stuks als resultaat.

De volgende dag staat Simone op tijd voor de deur. Ik overhandig haar een plastic tas. ‘O ja Simone, ik kon niet alle sieraden vinden. Ik denk dat moeder ze verloren heeft of zo, ze was zoveel kwijt de laatste tijd. Misschien heeft ze ze wel weggegeven, kan ook nog. Maar wat ik nog vond zit er in hoor. En wat betreft de verzameling, ik heb er nog wat plastic balletjes bijgedaan die ze altijd in de kerststukjes deed, dan heb je het compleet, oké?’ Simone kijkt me bedenkelijk aan maar besluit er niet op in te gaan en grist de tas uit mijn handen. Ik loop de woonkamer in en ga voor het raam staan. Dan zie ik het gebeuren! Een handvat van de tas breekt af en de kostbare ballen vallen in scherven op de stoep. Hoe kan dat nou? Een plastic zilverkleurig balletje weet te ontsnappen en rolt vrolijk over de stoep.

Advertenties

Verhalenslang 17/25

(De eerste zin van dit verhaal is de laatste van het vorige verhaal. Beide verhalen hebben niets met elkaar te maken.)

Het valt in duizend scherven. Hij draait door en er vallen weer duizend andere scherven. Ze kijkt naar hem. Dat hij genieten kan van een simpele caleidoscoop blijft voor haar een raadsel. Zij wordt er horendol van. Het liefst zou ze het onding uit zijn handen rukken en er mee op zijn hoofd slaan. Heel hard slaan, net zolang tot hij… verschrikt houdt ze haar adem in. Wat zijn dit voor rare gedachten. Ze loopt naar de bank waar hij op ligt en omarmt hem. Haar lippen dwalen door zijn haar waar ze gesmoord “Sorry” in zegt.

Hij kijkt haar vragend aan. Ze schudt resoluut haar hoofd en glimlacht. Ze tilt zijn linkerbeen op en duwt zijn knie richting zijn neus. Na vijftien keer doet ze hetzelfde met zijn rechterbeen. Al die tijd ligt hij in de caleidoscoop te kijken. Wat er in hem omgaat weet ze niet. Hij ligt daar maar. Emotieloos, met een zeer beperkte vorm van contact. De sporadische momenten van opleving zijn haar te weinig. Het duurt al zo lang. En hoelang moet het nog duren. “Au, au!” Ze schrikt op uit haar overpeinzing en merkt dat ze zijn been veel te ver doorbuigt. Ze doet hem pijn. Abrupt houdt ze ermee op. Ze legt de zelfgebreide deken over zijn benen en loopt met tranen op haar wangen snel naar de keuken.

Met gesloten ogen leunt ze tegen een keukenkastje. Ze kan niet meer. Ze wil ook helemaal niet meer. Het is te zwaar. Hoe komt ze hier ooit uit. Gewoon weglopen? Hem aan zijn lot overlaten? Dat nooit! Hem een handje helpen? Kan ze daarmee leven? Waarschijnlijk niet. Was er maar iemand waarmee ze kon praten. Dan schrikt ze op van getik tegen het raam. Nee hè, de nieuwe achterburen. Mensen die ze niet goed kent en waar ze dus geen trek in heeft. Maar ze hebben haar al gezien. Met tegenzin opent ze de deur.

Nog geen half uur later is ze met Els, haar nieuwe achterbuurvrouw, in de sportschool voor een workshop boksen. De mannen blijven samen in haar huis. Gebeurt dit echt? Laat ze hem zomaar achter bij een vreemde? Maar zo voelt het niet. Het voelt alsof ze elkaar al jaren kennen. Els nam vastberaden de beslissing voor haar. Dat ze er eens moest, dat een potje boksen heel bevrijdend werkt. Ze slaat links, ze slaat rechts, eerst zachtjes en voorzichtig, uiteindelijk beukt ze er stevig op los. Links tegen de ziekte, rechts tegen de situatie, links tegen de onmacht, rechts tegen het verdriet. Tranen stromen over haar wangen. Ze wordt moe maar verbijt dat en vecht krampachtig door. Tot Els roept: “Stop maar! En meekomen!” Even later laat ze haar bezwete en vermoeide lichaam in het warme zachte water zakken. Ze doet haar ogen dicht en zucht tevreden.

“Hartstikke bedankt!”, zegt ze nogmaals tegen Els en Maarten als die door de achterdeur het huis weer verlaten. “Geen moeite”, wuiven ze haar woorden weg.  ”Jij bent een goeie mantelzorger voor je man. Wij zorgen graag een beetje voor jou!”