Tagarchief: longlist

Boemerang

Was ik een aantal weken terug nog zeer in mijn nopjes dat ik op de longlist van uitgeverij LetterRijn terecht gekomen was…vorig weekend bereikte mij het bericht dat de shortlist een stap te ver voor me was. Jammer, een mens blijft toch hopen 😉 Drie jaar geleden haalde ik de deadline van hun jaarlijkse schrijfwedstrijd niet eens, twee jaar terug haalde ik  de deadline wel het maar daar bleef het bij, vorig jaar haalde ik de longlist, net als dit jaar. Er zit dus duidelijk progressie in! Laten we het daar op houden.

Het thema dit jaar was ‘Met de beste bedoelingen’. Iemand doet zijn uiterste best om iets goeds te doen maar de ondernomen actie pakt echter volledig verkeerd uit en het tegenovergestelde wordt bereikt. Om het spannend te houden moet er minstens één personage sterven binnen 3000 tot 4000 woorden.

Dit heb ik er van gemaakt.

Boemerang 

Ray van Vuuren zag het voor zijn ogen gebeuren.

Om inspiratie op te doen ging hij wel vaker een flink eind lopen in de stad. Bij voorkeur naar druk bezochte plekken waar hij mensen onopvallend kon bestuderen, om eventuele kenmerken te gebruiken voor personages in zijn boek. Sinds hij vorig jaar, tot zijn eigen verbazing, een bestseller had geschreven, had hij, tot nog grotere verbazing eigenlijk, ook een eigen literair agent aangenomen. Moniek, ‘zeg maar Moon’, bood zich destijds  spontaan aan voor deze functie, waar hij in eerste instantie nogal wat schamper tegenaan keek. Maar al snel had zij zich op diverse vlakken onmisbaar gemaakt. Hij was er van overtuigd dat vooral door haar toedoen Moordcollege al weken op de eerste plaats van de boekentop 10 stond. Zij had hem zelfs aangespoord zijn haar te laten groeien, wat hem een stoerder en daardoor aantrekkelijker imago zou verschaffen. Ze zorgde goed voor hem, wist wat hij nodig had, maar soms werd hij gek van haar gedram. Dan begreep ze niet dat hij eerst moest lopen, dat ze hem beter met rust kon laten als hij aan het lopen was. Ze belde hem nu al dagen achter elkaar om hem te herinneren aan de deadline van zijn tweede boek. ´Hoe ver ben je? Kan ik al wat lezen? Denk je wel aan de deadline?’

Hij volgde al een tijdje een slungelig meisje op het volle trottoir richting het station. Haar shirt was te groot, had geel en zwarte strepen en het lange haar hing nat op haar rug. Had zij laat gedoucht? Waarom? Opeens, zonder enige waarschuwing, zakte zij in elkaar. Omstanders weken uiteen, sommigen liepen haastig door, anderen bleven vertwijfeld staan. Ray aarzelde geen moment en knielde bij het meisje neer. Hij keek in een grijsgrauw gezicht dat van pijn vertrokken was, vochtig van transpiratie, de mond zoekend naar adem. Hij zag ook een baard, het lange haar had hem op het verkeerde been gezet. Haastig probeerde hij een oorzaak vast te stellen, het leek verdraaid veel op een hartaanval. Wat had hij daarover ook alweer geleerd? De ademhaling van het slachtoffer stokte. ‘Bel 112! Snel!’, riep hij tegen een vrouw met blauw haar, die toch al met haar telefoon in haar hand stond. Naarstig zocht hij zijn geheugen af naar het hoofdstuk reanimeren. Een luikje ging open en hij wist feilloos wat hij moest doen. Bij de mond-op-mondbeademing moest hij wel even iets overwinnen want het ringbaardje van de man die op de grond lag zag er nu niet bepaald aantrekkelijk uit. Er hing sowieso een penetrante geur om hem heen. Iets chemisch dat Ray zo snel niet kon thuisbrengen. Even verwenste hij Moon toen zijn halflange haar hem steeds in de weg hing. Maar een zwakke hartslag kwam terug. Voor hij er erg in had arriveerde er een ambulance en nam het personeel de patiënt over. De chauffeur sloeg hem nog op de schouder met de woorden: ’Bedankt man, je hebt hem waarschijnlijk gered!’ En net zo snel als de ambulance verschenen was verdween hij ook weer. Iedereen snelde weer door alsof er niets gebeurd was. Toen zag Ray een tas liggen. Een plastic boodschappentas waarvan hij zeker wist dat die van het slachtoffer was. Hij hield hem nog even omhoog wat natuurlijk geen enkele zin had. Hij besloot de tas mee te nemen en bij het ziekenhuis af te geven. Een kleine moeite.

Nee Moon, nog niet! Gegroet!’ Nog met zijn hoofd bij het voorval botst hij in de hal van het station tegen iemand op. Als hij opkijkt gebeuren er twee dingen tegelijk. Drie eigenlijk. De man waar hij tegenaan botst wil hem een flinke duw teruggeven en tegelijkertijd trekt er een andere man aan de gevonden tas.  Maar als plotseling links van de duwende man Rob en Els opduiken, die zijn naam luidkeels roepen, verdwijnen de twee mannen razend vlug in de menigte. ‘Hé Ray, hoe gaat het man, goed jou weer eens te zien.’ Rob slaat hem uitbundig op de schouder. Als Els hem kust en hem direct uitnodigt een hapje met hen te gaan eten, besluit hij de twee mannen te vergeten. Tijdens het nuttigen van een bord verantwoorde pasta wordt er gesproken over werk, deadlines, vakanties, huizen en heel voorzichtig over relaties. Ray stelt hen gerust door te vertellen dat hij nu echt de vrouw van zijn leven heeft gevonden in Juliette. De volgende afspraak moet beslist met z’n vieren. Het valt hem op dat Els regelmatig kucht. Als hij er naar vraagt bloost ze een beetje. ‘Sorry, keelirritatie, gevoelig voor luchtjes, ligt aan mij hoor!’, ze glimlacht verontschuldigend. Beschaamd haalt hij de gevonden boodschappentas onder tafel vandaan. ‘Waarschijnlijk ruik je dit!’, zegt hij. Als Els harder gaat hoesten is het bewijs geleverd. Ray stopt de tas snel weg en vertelt over de herkomst ervan. ‘Je hebt iemands leven gered!’, dweept Els. Zij overhandigt hem een ingewikkeld opgevouwen kunststof tas met een bont bloemenpatroon.‘Stop hem hier maar in, ik heb er toch zes van. Deze tas kun je afsluiten!’ Dankbaar maakt hij gebruik van haar aanbod en ritst de tas dicht.

Hij had er rekening mee moeten houden dat de late treinen niet zo vaak rijden, het is nu een stuk later geworden dan hij wilde. Maar hij moet ook toegeven dat het weer als vanouds gezellig was. Nadat hij Moon drie keer had weggedrukt had hij zijn telefoon helemaal uitgezet. Het is flink wat kouder geworden, huiverend zet hij de kraag van zijn jas op. Omdat het al zo laat is loopt hij alleen op straat, en hoort zo overduidelijk zijn eigen voetstappen dat het lijkt alsof er iemand achter hem loopt. Dat is natuurlijk niet het geval. Voor de zekerheid kijkt hij toch om. Tot zijn schrik ziet hij twee mensen zo’n twintig meter achter hem lopen. Hij kan niet veel meer zien dan een groot verschil in lengte. Zijn het de mannen van het station? Hij versnelt zijn pas en na een poosje kijkt hij nogmaals om. Niemand. Verbeeldde hij zich nou maar wat? De gebruikelijke route naar zijn huis via het park laat hij nu achterwege, liever blijf hij in het licht van de straatlantaarns. Vijf minuten later staat hij bij zijn voordeur. Man, wat is het hier donker, morgen gaat hij eerst de buitenlamp vervangen, en dan zal hij… Een hand op zijn mond beneemt hem bijna de adem. Een andere hand drukt hem hard tegen zijn eigen voordeur. Zijn rechterwang schuurt langs het hout. Zijn hart slaat sneller dan goed voor hem is. ‘Waar is het!’ hoort hij iemand sissen. De hand voor zijn mond verplaatst zich naar zijn nek. ‘Waar is wat?’, vraagt Ray stotterend. Hij probeert zijn hoofd te draaien maar wordt hardhandig tegengewerkt. ‘De tas, die je van straat hebt geraapt, die is van ons ja!’ Zijn brein maakt overuren terwijl zijn linkerhand de bedoelde tas omklemt. ‘De supermarkttas bedoel je?’, vraagt hij tijdrekkend. Met een smak wordt hij omgedraaid en zijn achterhoofd knalt tegen de deur. ‘Ja! Geef op!’ Een mes klikt open en de punt daarvan zwaait gevaarlijk dicht langs zijn keel. Zijn ogen vliegen angstig heen en weer tussen de twee mannen die hij nu herkent van het station. Wat moet hij doen? De tas geven of niet? Hij beslist in een seconde: ‘Die heb ik niet meer. Aan een verkoper van de  daklozenkrant gegeven. Die met die rode baard, die altijd voor het station staat!’ De twee mannen kijken elkaar snel aan. De kleinste maakt een hoofdbeweging en de ander klikt het mes dicht. Langzaam blaast Ray wat lucht uit en net als hij denkt hier goed weg te komen geeft de langste hem een ongenadig harde stomp in zijn maagstreek. Ray klapt dubbel en voelt dan de knie van de kleinste tegen zijn neus rammen. Zijn aanvallers laten hem liggen en maken zich uit de voeten met de woorden: ‘Als je liegt komen we terug!’ Zijn telefoon geeft 12 gemiste oproepjes van Moon aan.

‘Hey Juul lieverd, je moet vandaag maar niet komen hoor. Ik ben ziek.’ Ray probeert de pijn te verbijten.’Nee schatje, ik hoef geen verzorging of boodschappen. Blijf jij nou maar daar, ik wil niet dat jij ook buikloop krijgt. Dag, ik moet rennen.’ Hij laat zich op zijn bed terugvallen. Zijn hele hoofd bonkt en zijn neus in het bijzonder. De pijnstillers in combinatie met de genuttigde alcohol kregen hem toch in slaap vannacht. Nu probeert hij uit alle macht helder te krijgen wat er nu eigenlijk gebeurd was. De jongen met de hartaanval, de gevonden tas, de twee mannen, de klappen die hij kreeg. De tas! Waarom waren die mannen zo kien op die tas? Hij krijgt het gevoel dat daar wel eens een antwoord in kan zitten of anders wellicht een aanwijzing. Hij sleept zich naar de gang waar de tas nog ligt en neemt hem mee naar de keuken. Als hij de gebloemde tas opent ruikt hij onmiddellijk  de scherpe lucht weer. Chloor, weet hij opeens, het ruikt naar chloor. Hij opent de supermarkttas en haalt de inhoud tevoorschijn. Een opgerold, nog vochtig badlaken, een zwembroek en een blauw plastic hoesje met een rits. Als zijn gekneusde lijf niet zo´n pijn deed zou hij hard lachen. Is dit waar die twee op uit waren? Heeft hij deze rommel met gevaar voor eigen leven verdedigd? Hij pakt het badlaken beet met de bedoeling het weer terug te stoppen in de tas als er iets uitrolt en op de grond valt. Een pistool. Een zwart pistool in zijn keuken! Even kijkt hij of hij water ziet branden. Dan pakt hij het op en is verbaasd door het gewicht. Met zijn hand om de kolf, zijn vinger op de trekker, richt hij op de koelkast en zegt zachtjes: ‘Pang!’ Als hij het ding weer vlug in het badlaken wil rollen ziet hij twee gaten in de dikke stof. Kogelgaten? Nog sneller stopt hij het terug in de tas. De zwembroek schudt hij voor de zekerheid ook maar uit alsof er in dat kleine kledingstuk een doos patronen verstopt zou zitten. Dan ritst hij het blauwe hoesje open. Hij ziet geld, veel geld en een stukje wit  papier. Na telling blijkt het om €5000 te gaan en op het witte papiertje staat: Fahrenheitstraat 46. Waar is hij in vredesnaam in terecht gekomen? Hij haalt vertwijfeld zijn hand door zijn lange haar. ‘Ja Moon, ik heb inspiratie voor tien vandaag! Als jij me nou niet steeds belt kan ik meters maken! Ophouden nu!’

Na een flinke dosis cafeïne concludeert Ray dat hij drie opties heeft. Of hij gaat rechtstreeks naar de politie en laat hen het uitzoeken, òf hij gaat naar het ziekenhuis en dropt daar de tas zo snel mogelijk bij de eigenaar òf hij gaat kijken wat er zich op het adres van het witte papiertje bevindt. En dan nog iets: dat geld. Opperde Juliette laatst niet een reisje naar Bali? Zijn badkamer is dringend aan vervanging toe. Maar hoe zit het met zijn twee achtervolgers? Die hebben dus duidelijk een idee van wat er in de tas zit. Zullen ze echt terugkomen? Om het geld of om het wapen? Opeens krijgt hij haast en hij neemt een besluit. Hij zal via de Fahrenheitstraat naar het ziekenhuis gaan. Zijn nieuwsgierigheid wint het. De plastic tas stopt hij wederom in de gebloemde tas, die truc werkt prima. Zijn blik speurt de straat af en als hij niets verdachts ziet snelt hij naar zijn auto. Tijdens het rijden houdt hij zijn achteruitkijkspiegel in de gaten. Even later draait hij de Fahrenheitstraat in. Aha! Op nummer 46 bevindt zich het zwembad ‘De spetter’. De chloorlucht is hiermee verklaard. Ray stapt toch uit en loopt de hal van het zwembad binnen. Het bevreemdt hem dat hij de enige bezoeker is. Het hokje waar een kassamedewerker hoort te zitten is leeg. Ray loopt verder, zijn voetstap weerklinkt op de harde tegels en hij houdt stil voor een grote glazen ruit. Vandaar ziet hij dat de baden leeg zijn. De zon schijnt door de hoge ramen en geeft bizarre weerspiegelingen in het water dat zachtjes beweegt. ‘Kan ik u helpen?’, hoort hij opeens achter zich. Hij draait zich zo snel om dat een kleine duizeling hem overvalt. Een stevige dame op gifgroene slippers, gewapend met een dweil op een stok, staart hem aan. ‘We zijn gesloten hoor’, vervolgt de vrouw iets minder argwanend. Ray laat zich op een stoel zakken en veegt zijn haar achter zijn oren. ‘Hoe dat zo?’ De vrouw heeft weinig aansporing nodig. ‘Ja, we moesten zoveel opruimen. Geeft een hoop smurrie hoor als ze iemand overhoop schieten. Weet u hoe rap dat bad leeg was gister? En een gegil joh! Van de dader geen enkel spoor natuurlijk. Ik zei gisteravond nog tegen Henk, mijn man, op zich best slim eigenlijk om het in een zwembad te doen, want het is hier altijd zo’n gekrioel dat je hartstikke snel weg bent. Nee, geloof mij, die gaan we niet meer vinden. Voor het slachtoffer evenzogoed zielig want die kan niks meer navertellen. U heeft trouwens ook wat meegemaakt?’ Ray verschuift ongemakkelijk op zijn stoel. ‘Die neus van u!’, ze wijst met de stok. ‘O dat! Ongelukje. Ik ga maar weer eens. Tot ziens.’ Meer struikelend dan lopend verlaat hij het zwembad. De vrouw schudt haar hoofd en dweilt verder.

In zijn auto wrijft Ray over zijn ogen en haalt een paar maal diep adem. Zijn neus doet zeer en de spanning beheerst zijn al zijn spieren. In het handschoenenvakje moeten nog wat pijnstillers liggen. Hij buigt kermend naar voren en steekt zijn hand diep in het vakje. Dan geeft hij een schreeuw als er een flinke dreun op zijn auto wordt gegeven. In een deel van een seconde flitst het door zijn hoofd dat de mannen terug zijn. Het portier wordt opengerukt en Ray doet zijn armen in een reflex beschermend over zijn hoofd. ‘Rustig maar hoor,’ klinkt een bekende stem,’Je bent je tas vergeten!’ De vrouw met de groene slippers gooit de tas rakelings voor zijn gezicht langs op de bijrijderstoel.

Bij het ziekenhuis valt het niet mee een parkeerplek te vinden. Ray gaat brutaal op een artsenplaats staan. Hij staat verbaasd van zichzelf, is hij nu ook al asociaal? Maar hij moet van die tas af en snel ook en dan alles snel vergeten, gewoon weer zijn oude leventje oppakken. ‘Waar ben je, sta voor je deur. Bel me terug!!! Moon.’ Bij de balie wordt hij direct al tegengewerkt. Nee, hij weet geen naam, en nee, hij is geen familie. ‘Dan kan ik niks voor u doen meneer.’ zegt het meisje resoluut. Ray draait zich om en loopt vastberaden richting de koffiehoek. Vlak daarvoor schiet hij naar rechts een gang in. Gelukkig hangen overal plattegronden van het immense ziekenhuis en al snel weet hij waar de Spoedeisende Hulp zich bevindt. Daar treft hij een oververmoeide dame die hem klakkeloos de informatie verschaft die hij hebben moet, nadat hij verklaard heeft familie te zijn. ‘Ach, voor ik het vergeet,’ zegt Ray,’mijn neef denkt vaak dat hij grappig is en geeft dan een andere naam op, welke gebruikt hij nu?’ Met de juiste naam begeeft hij zich naar de hartafdeling. Alsof hij precies weet wat hij doet loopt hij de gangen door, intussen spiedend op elk naambordje naast de deur van elke kamer. Bij de juiste naam kijkt hij nog eens links en rechts de gang in en drukt dan de deurkruk naar beneden. In het bed herkent hij de jongeman, die er roerloos bij ligt. Aan een haakje hangt het shirt met gele en zwarte strepen. De machines boven hem piepen met een zekere regelmaat. Wat nu? De tas hier laten? Hem wakker maken? Voordat Ray met een idee komt zwaait de deur open en een vlotte verpleegster stapt naar binnen. Ze draait zich om en zegt tegen iemand op de gang: ‘O, ik zie dat er al bezoek is!’ Dan draait ze zich naar Ray. ‘U bent ook familie? Er staan hier twee neven die ook even willen kijken. Zou u zo vriendelijk willen zijn…?’ ‘Natuurlijk!’, zegt Ray vlug en haast zich de kamer uit. Daar botst hij tegen zijn twee belagers aan. Even zijn ze alle drie met stomheid geslagen. De kleinste herpakt zich het snelst. Vlug pakt hij Ray bij de arm en roept: ‘Hey neef! Zullen wij anders eerst even koffie drinken?’ Met een hoofdbeweging naar de kamer: ‘Die slaapt toch nog een tijdje.’ De lange heeft het spel door en pakt Ray bij de andere arm, slaat hem uitbundig op de schouder en zegt: ‘Hoe gaat het nou gozer?’ Ze sleuren hem zowat de gang door. Bij de eerste de beste bocht gaat er ergens een alarm af en in mum van tijd is de gang vol met rennend verplegend personeel. Een grote donkere vrouw duwt een crashcar voor zich uit. Ray maakt gebruik van de verwarring die ontstaat, wringt zich los en begint te rennen alsof zijn leven er van afhangt. Wat waarschijnlijk ook zo is. Hij weet zelfs ongezien in het trappenhuis te komen. Hijgend en met pijn in zijn zij moet hij snel beslissen, naar boven of naar beneden?

Bizar hoe snel een mens in tijd van stress toch een keuze weet te maken. Door met drie treden tegelijk naar beneden te vliegen lukt het Ray te ontsnappen aan zijn achtervolgers. Hij springt in zijn auto. De parkeerboete laat hij verfrommeld achter. Als een bezetene rijdt hij naar zijn huis. Er vanuit gaande dat de twee mannen hem nog zoeken, propt hij binnen wat kleding in een sporttas, hier kan hij niet meer blijven. Koortsachtig probeert hij te bedenken waar hij naar toe moet gaan. Peter! Wellicht kan hij daar een tijdje blijven. Net als hij het nummer van Peter wil intoetsen belt Moon hem. Hij wil ook geen argwaan wekken dus neemt hij op. ‘Waar ben je!!! Ik probeer je al de hele dag te bereiken man! Ik moet je dringend spreken. Kom nu naar mijn kantoor! Nu!!!’ Hij bedenkt dat een bezoekje aan haar de verhitte gemoederen wat kan bedaren en belooft er binnen tien minuten te zijn. ‘Hè, hè!’, klaagt Moniek en trekt hem naar binnen, ‘Zitten jij! Jeetje Ray, wat zie jij eruit! Nou, dat verklaar je straks maar. Eerst vertel je me luid en duidelijk wat je allemaal gedaan hebt gisteren!’ Ray zucht: ‘Weet ik veel, niets bijzonder waarschijnlijk. Luister Moon, ik doe mijn uiterste best maar als jij zo aan mij twijfelt werkt dat averechts natuurlijk. Mag ik nu weg ik heb een afspraak met…’ ‘Noem het maar niets bijzonders!’, valt ze hem lachend in de reden. Moniek die lacht? Wat is hier aan de hand? Ze smijt hem een krant voor zijn neus en dan ziet hij zichzelf gebogen over een figuur met een geel en zwart gestreept shirt. ‘Geen mis- maar goede daad’ staat er boven. Slechte kop, denkt Ray nog. ‘Blijf zitten!’, gebiedt ze als de bel gaat, om even later te roepen, ‘Hier is hij!’ Ray draait zich om en kijkt recht in het gezicht van een politieagent. Het zweet breekt hem aan alle kanten uit. Zijn keel voelt gortdroog aan. Zijn linkerknie trilt. Zijn hartslag resoneert in zijn oren. ‘Luister goed sukkel!’, zegt Moniek en ze gaat met een scheve glimlach op haar bureau zitten. ‘Tja, eh…’, de agent schraapt zijn keel, ‘Meneer van Vuuren, ik kom u bedanken! U heeft ons namelijk een grote eer bewezen gister. U heeft het leven gered van Benny de Booij. Wij waren al een flinke tijd op zoek naar dit fraaie heerschap als ontbrekende schakel in een groter misdaadnetwerk. ’ Hij steekt zijn rechterhand uit naar Ray.

Gebeurt dit echt? Hij krijgt een compliment van een politieagent terwijl hij met een pistool op schoot zit. En waarschijnlijk ook nog met de gage van een huurmoordenaar. Hij probeert nog: ’Het leven van wie? En hoe weet u dit allemaal?’, dan op de krant wijzend, ‘En hoe kan dit dan?’ ‘Tja, na Moordcollege zijn er meer mensen die u kennen dan andersom waarschijnlijk. Een vrouwelijke fan heeft u herkend, u sommeerde haar 112 te bellen.’ Helder ziet Ray de vrouw met het blauwe haar voor zich en realiseert zich nu dat ze aan het filmen was. Moniek is door het dolle, ziet dit als een geweldige publiciteitstunt. De agent vervolgt: ‘We zijn er zeker van dat hij met de zwembadmoord te maken heeft die gisteren plaatsvond, maar krijgen het bewijs nog niet helemaal rond.’ Er giert een korte maar hevige wervelwind in het brein van Ray, maar dan zegt hij: ‘Misschien kan ik u hierbij van dienst zijn. Hier is de tas die het slachtoffer achterliet. Ik weet niet wat er in zit en u moet me geloven dat ik van plan was deze af te leveren bij het bureau.’ Moniek gilt bijna: ‘Ray! Wat heb je allemaal uitgevreten! Het wordt steeds mooier! Ik ga Matthijs even bellen voor vanavond, dan kun je daarna door naar Eva!’ De houding van de agent is opeens veranderd. Hij kijkt Ray strak aan: ‘Heeft u de inhoud bekeken?’ ‘Vluchtig, het …eh…stonk nogal!’ De agent neemt de tas over en verlaat het kantoor met de woorden: ‘Ik verzoek u met niemand over deze tas te praten!’ Ray knikt, steekt twee vingers op en zegt: ‘Erewoord.’ Hij zakt, opeens doodmoe, achterover in de stoel. Moniek laat energiek allerlei plannen op hem los maar hij hoort het niet. Hij kan alleen maar denken. Dit was het? Afgelopen nu? Was het de juiste beslissing? Hij heeft toch zeker nergens mee te maken? Wie zal er kraaien naar die duizend euro?

Drie maanden later staat er een opmerkelijk bericht inde krant:

Schrijver Ray van Vuuren is vanmorgen in voorlopige hechtenis genomen door de politie. Hem wordt betrokkenheid verweten bij de zwembadmoord vorige maand in zwembad de Spetter. Verschillende getuigen zijn gehoord. Een aldaar werkende schoonmaakster heeft verdachte daags na de moord verward aangetroffen in het afgesloten gebouw. Verplegend personeel in het plaatselijke ziekenhuis bevestigen valse voorwendselen omtrent familiebanden. Maar overduidelijk waren de vingerafdrukken op het wapen en op de drieduizend euro in de tas,  die in het bezit was van verdachte. De rol van zijn literair agent M. ten Haaften zal hangende het vervolgonderzoek duidelijkheid verschaffen. Deel 2 van Moordcollege wordt voorlopig uitgesteld.

 

 

 

 

 

 

 

 

Advertenties

Brons!!!

Men (wie dan ook) vraagt mij wel eens: ‘Hoe werkt zo’n schrijfwedstrijd dan?’ Ik geef je graag een kijkje.

Op 23 maart verscheen deze oproep op facebook bij uitgeverij Ambilicious.

En dan vraag ik mezelf af: vind ik dit leuk? Is het een uitdaging? Kan ik dit? Zal ik meedoen? En als ik minstens drie keer ‘ja’ denk, ga ik broeden. Er verschijnt vervolgens een idee in mijn hoofd. Ik schrijf dit op. Tenzij mijn hoofd opeens een andere kant uitgaat dan schrijf ik iets anders op… Als ik tevreden ben stuur ik het in en wacht duimendraaiend op de uitslag. Als deze op zich laat wachten ga ik enorm twijfelen. Had ik niet beter zus of zo? Snappen ze het wel? Is het niet een heel erg stom verhaal? Te kinderachtig? Te moeilijk? Zal ik eens mailen hoever ze zijn met de jurering?

Op 17 mei verscheen de shortlist.

En dan heb ik al een feestje! Hoezee, ik sta op de shortlist! Maar tevreden ho maar, nu wil ik winnen ook! Nog wachten tot de 25ste… Aangezien ik verhinderd ben de uitslag bij te wonen moet ik ook nog eens tot de volgende dag wachten: vandaag. En dan zie ik op facebook:

Ambilicious

4 uur · 

Tijdens de feestelijke lancering van ‘Toen was je weg’ van Anya Schrijfthebben we de winnaars bekendgemaakt.

  1. Sam Janssen met ‘Zijwieltjes’
    2. Aaltje van Wieringen met ‘Toen was je weg’
    3. Carla van Vliet met ‘einde verslaving’

Van harte gefeliciteerd.

Met de winnaars wordt contact opgenomen.
De overige inzendingen ontvangen feedback op de ingezonden verhalen.

Dit kan nog even duren, gezien de drukte aan deze zijde.

Liefs
Ambi

En dan heb ik weer feest! Het winnende verhaal mag ik nog niet publiceren, dat wil de uitgever liever eerst zelf doen. Dus dat krijg je een andere keer te lezen. Maar zo werkt een schrijfwedstrijd ongeveer… 🙂

 

Hartstreek

(Dit verhaal heb ik ingestuurd voor de jaarlijkse schrijfwedstrijd van uitgeverij LetterRijn. Het thema was ‘Deadline’ en er moest in ieder geval 1 lijk in voor komen. Het aantal woorden moest tussen de 2500 en 4500 tellen en daar lag de uitdaging voor mij. Zo’n lang verhaal heb ik nog nooit geschreven! Op 16 juni behaalde ik een plek op de longlist, waar ik reuze trots op ben. Maar de shortlist…was uiteindelijk toch te hoog gegrepen. Daarom niet in een bundel maar gewoon hier te lezen.)

Ik werd pas serieus bang toen ik in mijn eigen tuin over een lijk struikelde. Ik zag een laars op het pad liggen, ter hoogte van de roze rododendron, en toen ik die laars wilde wegschoppen bleek er een heel lichaam aan vast te zitten. Even vergat ik adem te halen. Doorlopen was geen optie. Het bevond zich immers in mijn tuin. Ik bukte voorzichtig richting het lichaam. Langzaam stak ik mijn hand uit om de overhangende bloemen uit het gezicht te vegen toen het lichaam opeens bewoog. Ik sprong overeind, smoorde mijn gegil door mijn hand tegen mijn mond te drukken. Het lichaam bleek dus geen lijk te zijn en rolde kreunend onder de struik vandaan. Toen zag ik het. Het was Ed, mijn ex-man. Een snee boven zijn rechter wenkbrauw zorgde voor een stroom bloed over de helft van zijn gezicht. Zijn onderlip was gezwollen en zijn handen vertoonden schaafwonden. Ik knielde bij hem neer, ondersteunde zijn hoofd en vroeg wat er gebeurd was. Uit zijn keel kwamen niet meer dan wat rochelende geluiden. Opeens greep hij mijn bovenarm wonderbaarlijk ferm vast, sperde zijn ogen wijd open en zei voordat hij het bewustzijn verloor: ‘Pas op, Liz!’

Een paar uur later in het ziekenhuis zit ik naast zijn bed nog steeds te trillen. Ed is direct geopereerd aan verschillende inwendige verwondingen en wordt nu in diepe slaap gehouden. De politie die mij allerlei vragen stelde is weer verdwenen. Nee, natuurlijk weet ik niet wat er gebeurd is. Nee, ik heb niets gezien, hij lag daar opeens. En ja, ik ken hem wel. Drie jaar ben ik met die lieverd getrouwd geweest. Daarna moest ik wel van hem scheiden omdat ik Rozemarijn tegenkwam. Toen wist ik direct wat er ontbrak aan mijn huwelijk. Bij Rozemarijn voelde ik eindelijk waar het om gaat in het leven. Alles viel op zijn plaats. Bijna een jaar wonen we nu samen. Een zilveren hanger in de vorm van een roos ligt in cadeauverpakking verstopt tussen mijn sportkleren. Ik denk er hard over haar ten huwelijk te vragen bij het overhandigen van het sieraad. Plotseling realiseer ik me dat er een arts naast het bed staat. Ik moet weggedoezeld zijn. Hij adviseert me naar huis te gaan omdat de patiënt voorlopig niet wakker zal worden. Nadat hij me ervan verzekerd heeft dat de situatie niet levensbedreigend is en belooft direct te zullen bellen bij verandering in de situatie, verlaat ik het ziekenhuis.

Het is 5.00 uur als ik bij mijn auto aankom. Ik wil niet bang zijn maar toch huiver ik als ik het gekraste hart in het voorportier zie. Snel open ik de auto en spring er in. Op een bepaalde manier voel ik  me hier binnen veilig. Ik stuur Roos een geruststellend appje dat ik er over een half uur ben.  Autorijden kost mij niet veel moeite en geeft me daardoor tijd en ruimte om na te denken. Nu ik zo terugdenk begon het eigenlijk allemaal al veel eerder.

Eerst had ik het niet eens in de gaten. Een mailtje gevuld met hartjes. Hartjes waar een mes in stak zodat het bloed eruit druppelde. Ik dacht deze actie toe aan de tijdelijke stagiaire die steeds rood werd als ik haar goedemorgen wenste. Een week later deed een hart van rode verfspetters op mijn vaste parkeerplaats mijn collega’s schunnige insinuaties maken. Daarna begonnen de telefoontjes. Zodra ik opnam hoorde ik steeds weer dezelfde muziek. Orkestrale muziek die lieflijk en romantisch begon om al snel te veranderen in angstaanjagend gesnerp .  Een afzender was nooit te traceren. Toen er op een dag een grillige hartvorm met een groot kruis er doorheen in het linkerportier van mijn auto was gekrast bekroop mij een akelig gevoel. Ik keek schichtig om mij heen. Wie doet dit? En waarom bij mij? Wat wil diegene van mij? Is er iemand verliefd op me? Of juist niet? Vrijwel direct na deze ontdekking kreeg ik een bericht op mijn telefoon: ‘Wil je dat dit ophoudt, ontmoet mij dan vanavond bij club Bubbels.’ Ik kende de club wel. Bubbels was één van de zaken die volgens een project de binnenstad wat meer aantrekkingskracht moest gaan geven. De prestigieuze opzet was echter tot mislukken gedoemd en het eindigde in een verloederd stadsdeel. Ik besloot niet toe te geven aan dit merkwaardige verzoek. Negeren leek mij beter.

Toch hield ik de volgende dag, voor de zekerheid, mijn telefoon voortdurend in de gaten. Had het gewerkt? Was het de ander duidelijk dat ik niet zou zwichten? Eenmaal thuis vroeg ik geforceerd vrolijk of er nog iets bijzonders gebeurd was. Rozemarijn keek me doordringend aan. ‘Iets bijzonders?’, vroeg ze liefjes. Ze liep naar de keuken en kwam met een platte doos terug die ze mij overhandigde. Ik pakte de doos aarzelend aan, zag mijn naam er met grote letters op staan en opende hem voorzichtig. De hartvorm van verdorde rozen en de rottingslucht die daarbij vrij kwam deed me terugdeinzen. ‘Bijzonder genoeg?’, vroeg ze, ‘Heeft ze ook een naam?’  Moest ik nu zeggen: ‘Het is niet wat je denkt!’ of  ‘Schat ik weet van niks!’ Beide antwoorden zouden haar evenveel van streek maken, zeker nu ze weer in een labiele fase was. De tweede miskraam had haar tot een depressie gedreven. Vraag me niet hoe maar ik wist haar ervan te overtuigen dat dit bloemstuk voor haar bestemd was omdat ik zoveel van haar houd. Dat de rozen verdord waren zou ik morgen verhalen bij de bloemist.  Ze verweet me op het laatst alleen nog de kitscherigheid van mijn keuze.

Die avond tijdens het laatste rondje met Boris, onze boxer, ging mijn telefoon. Ik treuzelde met opnemen maar deed het toch. Een hese stem: ‘Vond je de bloemen mooi? Zo jammer dat ik je gemist heb in Bubbels. Ik denk dat jij niet precies begrijpt wat ik bedoel. Volgens afspraak heb je nog 24 uur de tijd om er te komen. Anders kom ik wel naar jou. Afspraak is afspraak. En onthoud dit goed, ik krijg altijd wat ik wil, niets of niemand houdt me tegen!’ Nog voor ik enige vorm van reactie kon geven was de verbinding verbroken. Daarna volgde een constante stroom van berichtjes met alleen maar hartjes afgewisseld met doodskoppen. Voor ik mijn telefoon rigoureus uitzette keek ik naar de tijd: 23.55 uur. Toen ik thuis kwam zag ik die laars op het tuinpad.

Volgens afspraak? Welke afspraak? Dus ik heb nu nog negentien uur de tijd. Voor wat eigenlijk? En wie bepaalt dit? En heeft dit iets met Ed te maken? Zo ja, wat dan? Zo nee, waar slaat dit op dan? Ik rijd de auto de garage in waar de elektrische deur zich direct achter me sluit. Ik pak mijn tas en aarzel nog even met uitstappen. Alsof ik moed moet verzamelen. Dan stap ik uit en verlaat de garage. Nog zeven meter eer ik bij de achterdeur ben. Ik hoor geritsel,  vliegensvlug draai ik me om. Niets te zien. Waarschijnlijk gewoon een nachtdier. Als ik bijna bij de deur ben voel ik eerder dan dat ik het hoor iets vlak langs mijn hoofd suizen. Pal voor me slaat een bloempot tegen de muur in scherven. Ik draai me snel om en zie nog net iemand onze tuin uitrennen. Ik haast me de deur te openen, zenuwachtig laat ik mijn sleutels vallen, raap ze vlug op en stap naar binnen. Veilig. Ik doe de deur op slot en blijf even met mijn rug tegen de deur aan geleund staan. Ik sluit mijn ogen en haal diep adem. Mijn hart bonkt in mijn keel. Dan adem ik langzaam uit en loop door naar de keuken. Ik weet zo snel niet wat maar er klopt iets niet. Behoedzaam sluip ik verder tot ik mijn teen stoot tegen de hondenmand. Tegelijk dringt tot me door wat er niet klopt. Ik laat me op mijn knieën vallen en voel het harde koude lichaam van Boris. Snel doe ik het licht aan en onderzoek Boris aan alle kanten. Ik kan geen enkele verwonding vinden. Hij is gewoon dood.

Hoe ga ik dit aan Roos vertellen. Kan ze dit aan? Boris heeft haar de laatste tijd zoveel troost gegeven. Meer dan ik, bedenk ik me. De kinderwens is bij Roos nu eenmaal veel groter dan bij mij. En beide keren werd de vreugde in de kiem gesmoord. Ik ben onhandig in dit soort situaties, wil alleen maar dat zij gelukkig is. Moe ben ik opeens, zo moe. Eerst Ed en nu Boris. Als door een wesp gestoken spring ik overeind. Roos! Ik vlieg de trap op naar onze slaapkamer, ondertussen steeds harder haar naam roepend en gooi de deur open. Roos! Dan blijf ik stokstijf staan. Het bed is leeg. Onbeslapen zelfs. Wild draai ik om mijn as alsof ik haar achter me verwacht. Roos! Ik haast me naar de badkamer. Ook leeg! En net op dat moment gaat mijn telefoon. Ik talm een aantal seconden, ervan overtuigd dat die hese stem mij gaat vertellen wat er met Roos gebeurd is. Maar dan hoor ik de allerliefste stem van de wereld: ‘Liz! Hè hè, eindelijk neem je op. Ik ben bij mijn ouders hoor. Ik was zo bang na dat gedoe met Ed. Mijn vader heeft me opgehaald. Kom je ook hier heen? Huil je nou?’  ‘Nee schat, ik huil niet, ik kom er aan.’ ‘Oké, en Liz, en wil je meteen Boris meenemen? Anders schrikt hij zo als ik er morgenochtend niet ben.’

Het is 7.30 uur als ik Roos alles verteld heb. Ze ziet er intens verslagen uit, ze huilt geluidloos. Ik voel me hulpeloos. Bij het verliezen van de baby’s krijste ze tenminste, kon ik haar in mijn armen nemen. Nu is ze zo in zichzelf gekeerd dat ze iedere poging tot toenadering met een zwak handopsteken afweert. Ik laat haar en loop rond in de tuin van mijn schoonouders. Een tuin die niet zou misstaan in een magazine. Nadenken moet ik. Overzicht krijgen. Nog zestien en een half uur. Volgens de hese stem. Ik doe mijn best de stem te herkennen maar ik weet niet eens of het een man of een vrouw is. Iemand wil mij pijn doen, dat is tot zover duidelijk. Maar wie en waarom. En waar komt die deadline opeens vandaan. Ik herinner me niets van een afspraak maken die klokslag middernacht zal verlopen. Gespannen laat ik mij op een bankje zakken. Uit de schuur komt Jaap, mijn schoonvader, hij gaat naast me zitten. Hij kijkt me niet aan, is een man van weinig woorden maar vraagt toch: ‘Wat gebeurt er bij jullie? Ed, Boris, problemen?’ Ik overweeg hem in vertrouwen te nemen. Het welzijn van zijn dochter gaat hem boven alles, mij ook. Toch wil ik hem geen angst aanjagen. Daarom voel ik me verplicht het een en ander te vertellen maar het feit van de deadline houd ik voor me. ‘Het lijkt er op dat iemand een hekel aan je heeft. Ruzie gemaakt?’ ‘Niet dat ik weet.’, antwoord ik. In gedachten ga ik al mijn collega’s langs, mijn vriendkring en mijn hardloopgroepje, maar ik kom er niet uit. Hoofdschuddend sta ik op en loop wat heen en weer. Dan blijft ik abrupt staan en fluister: ‘Jean-Jacques!’

Maar eerst moet ik naar het ziekenhuis. Ik ben er van overtuigd dat de antwoorden bij Ed liggen. Degene die hem in elkaar geslagen heeft is de figuur met de hese stem. Is degene die mij probeert klein te krijgen. Zodra ik Ed’s  kamer binnenkom zie ik dat de toestand onveranderd is. Hooguit zijn de blauwe plekken in zijn gezicht dikker en donkerder. Een verpleegkundige staat met haar rug naar mij toe en doet iets met het ventiel van het infuus. Als ik met mijn tas per ongeluk tegen de deur stoot draait ze zich snel om. Kijkt ze nu verschrikt, betrapt of bang? Even weten we allebei niet hoe te reageren. Ik herpak me als eerste en vraag hoe het met de patiënt gaat. Met de woorden: ‘Geen verandering en de rest kunt u aan de dokter vragen.’, verlaat ze de kamer. Ik bekijk Ed nog eens goed. Ik strijk hem zacht over de wang en fluister: ‘Ed lieverd, hoor je me?’ Even maakt hij een kreunend geluid. Dan schudt ik hem zachtjes aan zijn schouder en vraag: “Wie heeft dit met je gedaan Ed? Geef me een naam. Alsjeblieft! Ed?’ Uiterst langzaam gaan zijn ogen een stukje open en draaien ze verwonderd van links naar rechts en terug. Als hij mij in beeld heeft vormen zijn gebarsten lippen een grimas en probeert hij iets te zeggen. Om hem te kunnen verstaan moet ik me diep voorover buigen. Zijn adem strijkt langs mijn wang als ik hem ‘Auw’ hoor prevelen. Aan de dokter die binnenkomt, verzoek ik dringend de pijnmedicatie te verhogen.

Ik zet mijn auto met twee wielen op de stoep en ren de delicatessenwinkel in. Een jonge vrouw duw ik opzij.  Jean-Jacques komt op mij af. Hij steekt zijn armen uit alsof hij me gaat omhelzen. Ik sla ze weg en roep boos: ‘Wat wil je van me?’ Hij steekt zijn handen in de lucht alsof hij zich bedreigd voelt. ‘Zeg het! Zeg dat jij die mailtjes hebt verstuurd! En dat je mijn auto beschadigd hebt! En mijn ex in elkaar geslagen hebt!’ ‘Hoe… wat…ik…’, probeert Jean-Jacques, terwijl hij hulpeloos zijn schouders ophaalt. Ik schreeuw intussen: ‘Stop hier onmiddellijk mee! Ik weet toch dat je me al maanden probeert te versieren. Ik zie het toch! En nu wil ik weten waarom! En wat is dat met een deadline!’ Hij laat vertwijfeld zijn handen zakken en kijkt me verbaasd aan. Dan roept hij opeens keihard: ‘Maria!’. Uit de keuken komt een bezwete maar elegante vrouw met een geruit schort. Hij slaat zijn arm om haar schouders en vraagt zonder zijn ogen van mij af te wenden: ‘Maria, schat, vertel jij deze dame eens hoelang wij al bij elkaar zijn. Hoe gelukkig wij zijn met ons gezinnetje. Dat deze dame het vreselijk mis heeft te denken dat ik iets met haar zou willen en dat flirten mijn tweede natuur is zonder dat ik er iets mee bedoel.’ De jonge vrouw, die ik eerder opzij duwde, loopt op mij af: ‘Stel je niet zo aan mens, hij flirt ook met mij, daarom komen we hier toch zo graag?’ Huilend zak ik in elkaar. Het is 11.45 uur.

‘Ga wat slapen!’, dringt Roos bij me aan. Maar dat ga ik niet eens proberen. Nog geen twaalf uur meer en dan… Ja, wat dan? ‘Eet dan alsjeblieft wat.’ Zonder iets te proeven lepel ik de soep die ze me voor zet op. Mijn hersenen maken overuren zonder enig bruikbaar resultaat. Ik breng de kom naar de keuken en spoel hem om onder de kraan alvorens hem in de afwasmachine te zetten. ‘Zeg Roos, je wilde toch nog je föhn hebben van thuis? Die ga ik wel even halen.’ Blij dat ik iets kan doen. ‘Ik ga mee.’, zegt Roos. Ze kijkt me zo doordringend aan dat ik niet eens waag haar op andere gedachten te brengen. Zo staan we even later weer voor onze eigen voordeur. Ik open hem met mijn sleutel en samen staan we in de gang met ingehouden adem te luisteren. ‘Geen onraad.’, grap ik. Roos rent naar boven: ‘Ben zo terug.’  Ik raap wat post op en loop er mee naar de woonkamer. Dan hoor ik Roos gillen. Niet zomaar gillen maar hartverscheurend gillen. Ik neem de trap met twee treden tegelijk en zie Roos middenin de babykamer staan, haar armen kruislings over haar buik. ‘Nee!’, schreeuwt ze, ‘Niet aan mijn kindjes komen!’ Ik neem haar in mijn armen en kijk verbluft de kamer rond. Het meubilair is kapot geslagen, niets is nog heel. Alle kleertjes, zo liefdevol en zorgvuldig uitgekozen, liggen verscheurd tussen de kastresten. Heel zachtjes klinkt vanonder het matrasje ‘Somewhere over the Rainbow’. Roos wil het muziekdoosje pakken maar ik weet haar op tijd weg te trekken. ‘Niet aankomen! Ik ga de politie bellen.’ Nog negen uur.

Roos en ik zitten op het bankje in haar vaders tuin. Haar ogen zijn gezwollen van het huilen. Beiden zijn we doodmoe van alle vragen van de politie. We zitten dicht tegen elkaar aan en toch hangt er iets tussen ons in. ‘Ga je me nog vertellen wat er aan de hand is Liz?’ Wat kent ze me goed, ik heb inderdaad informatie achter gehouden tegenover de politie maar wat vertel ik haar? Sleep ik haar mee in dat hele deadlineverhaal, die over vijf uur afloopt, of blijf ik haar beschermen. Alsof ze mijn gedachten leest zegt ze: ‘Je hoeft me niet altijd te beschermen!’ Ik pak haar hand en besluit voor een middenweg te kiezen.  Haar de halve waarheid vertellen is nog altijd beter dan niets, verdedig ik mezelf. Ik houd het luchtig en vertel dat dit allemaal waarschijnlijk een samenloop van omstandigheden is, dat het één vast niets met het ander te maken heeft. Ik haal zelfs de wet van Murphy erbij. En probeer haar hoop te geven door mijn vertrouwen in de politie uit te spreken. Tenslotte vertel ik haar zo nonchalant mogelijk dat ik vanavond nog even weg moet. ‘Waar moet je naar toe dan? Wat ga je doen? Waarom zeg je dat niet tegen de politie dan? Liz,wat gebeurt er met ons?’

Als ik ’s avonds in de auto het adres van Bubbels ingevoerd heb en de radio aan wil zetten,  klinkt er een harde klop op mijn raampje. Van schrik raakt mijn hand de volumeknop en de bassen dreunen door de kleine ruimte. Snel draai ik de knop weer terug en zie Roos naast de auto staan. Ze trekt de deur open en vraagt gejaagd: ‘Kun je nog even binnenkomen om het alarm uit te leggen? Mijn vader is de code vergeten.’ Ik zucht, maar geef gehoor aan haar verzoek. Eenmaal binnen kijkt Jaap wat bevreemd als ik hem om de code vraag, die hij moeiteloos opzegt. Als Roos binnenkomt giechelt ze een beetje: ‘O, ik dacht…’ Ik haal mijn schouders op en verdwijn.

Minder zelfverzekerd dan ik wil loop ik Bubbels binnen. Aan de bar hangen drie mannen die mij suf aankijken. Vermoedelijk zitten ze hier al een tijdje. Achter de bar staat een slonzige vrouw al rokend te bladeren in een roddelblad. Ik knik naar hen en vraag me af, terwijl mijn benen opeens van rubber lijken, waarom ik eigenlijk geen plan van aanpak heb gemaakt. Ik ben altijd zo precies en hier stap ik zomaar onvoorbereid in. Hoe naïef ben ik eigenlijk. Is het angst die mij zo roekeloos maakt? Of is het woede. Of pure nieuwsgierigheid om degene te ontmoeten die mijn leven de laatste tweeëntwintig  uur tot een hel heeft gemaakt. Bevend neem ik plaats op een stoel. Wat nu? Een grote man stapt op mij af en gebaart me met een enkele hoofdbeweging hem te volgen. Zijn lengte van bijna twee meter en zijn gewicht van ruim 160 kilo doen me beseffen dat tegenstribbelen geen enkele zin heeft. Ik aarzel toch even maar loop ik hem dan gedwee achterna. In een schemerige gang opent hij de derde deur en laat me voorgaan. Hij duwt mij op een stoel tegenover een soort bureau en gaat achter me staan. Ik kijk de kamer rond en weet niet wat ik moet voelen. Mijn hart bonkt in mijn keel en zelfs mijn handen zweten.

De deur achter het bureau gaat plots open. Ik spring overeind als er een figuur met een zwart kraaienmasker op verschijnt. De grote man duwt me weer op mijn stoel en de kraai gaat ook zitten. ‘Fijn dat je gekomen bent.’ klinkt het hees, ‘En keurig op tijd. Ik wist wel dat je eieren voor je geld zou kiezen. Nu kunnen wij eens fijn praten.’ Ik houd het niet meer uit, sta op en schreeuw: ‘Wie ben je en wat wil je van me! Waarom doe je dit! Nog laf ook met zo’n masker!’ Ik word teruggeduwd op mijn stoel. De kraai slaat met zijn vuist op tafel en zegt: ‘Niemand noemt mij laf! Ik houd mij alleen maar aan de afspraak. Die afspraak verloopt over een uur!’ De adrenaline neemt de overhand, opnieuw spring ik overeind: ‘Man, ik weet niet eens waar je het over hebt. Welke afspraak? Ik ken je niet eens!’ De kraai gebaart naar de grote man die mij nu met tiewraps aan de stoel vastmaakt. De kraai gaat voor me staan en schuift tergend langzaam zijn masker omhoog. Paul staat daar! Paul Vogel, de ex van Roos. Hij buigt zich naar mij toe en spuugt de woorden bijna in mijn gezicht: ‘Ja, ik ben het. Stom van je dat je dat niet doorhad. Jij bent sowieso een stom wijf!’ Paul zet zijn woorden kracht bij door me een klap te geven. Mijn hoofd tolt ervan. ‘Jij hebt mijn leven zo ontzettend verziekt door Roos van mij af te pakken. Het liefste wat ik ooit bezat. Ik kon haar alles geven. Ik was zielsgelukkig met haar totdat jij kwam en haar die onzin in haar hoofd praatte.’ Een tweede klap volgt, harder. Ik proef bloed. ‘Twee vrouwen. Pffff, wat een bizarre situatie. Waarom was ik niet goed genoeg? Door jou! Snap je. Door jou! Jij hebt alles verpest!’ De grote man moet mijn stoel nu vasthouden zo hard als Paul mij slaat. Door mijn linkeroog zie ik niets meer. ‘En ik heb je gezegd toen jullie vorig jaar gingen samenwonen: ‘Je krijgt één jaar de tijd en dan wil ik haar terug!’, en dat is nu.’ Hij trapt de stoel omver en ik val met mijn hoofd langs de muur. Ik blijf stil liggen en probeer me de afspraak te herinneren. Het enige wat ik nog weet is dat hij dit lachend vertelde, daarbij Ed op de schouders slaand. Iedereen  het idee gevend vrede met de situatie te hebben. Hij schopt tegen de stoel zodat mijn hoofd tegen de muur knalt. ‘Nou, weet je het weer? Je eigen Edje was erbij. Edje die bijna alles verpestte door met jou te willen gaan praten. Ik kon hem op tijd stoppen. Net als Boris, dat stomme beest. Voordat hij me kon verraden heb ik hem een heerlijk stukje vlees gegeven. De schrokop vrat zichzelf dood. Hahaha. En dacht je nu echt dat ik kon toestaan dat jullie baby’s maakten? Als Roos een kind krijgt is dat van mij hoor je. Van mij!’ Opeens gebeurt er van alles tegelijk.

De deur achter Paul vliegt open en slaat met een klap tegen de muur. Twee gewapende politieagenten stormen binnen. Er is veel gegil en geschreeuw. Roos wurmt zich langs een van de agenten en knielt bij me neer en zegt snel: ‘Ik zag op je navigatie waar je naartoe ging. Alles komt goed!’ De grote man haalt een pistool uit zijn binnenzak en er klinkt een oorverdovend schot. Alles is even stil. Dan zie ik als in slowmotion de mond van Roos ‘Nee!’ schreeuwen. Ik zie de grote man vallen. Steeds dichterbij komt zijn enorme lijf. De stoelpoten versplinteren onder zijn gewicht of zijn het mijn heupen? Als hij bovenop mij valt wordt alle lucht uit mijn longen geperst.