Tagarchief: lachen

Slingers (4)

Intussen ben ik er achter gekomen dat ik er in het woon-zorg-centrum niet alleen en uitsluitend voor het versieren ben.  Thuis bereid ik doorgaans het e.e.a. voor maar zet ter plekke alles in elkaar. Denk hierbij aan hele sterke lijm die ik gebruik, zo wil ik voorkomen dat de week erop de tafelstukjes geplunderd zijn of boven op de ’eigen kamers’ zijn terug te vinden…

Ik kan de klok er op gelijk zetten, binnen 10 minuten staat de eerste dame al bij mijn tafel. “Wat moet het worden?” Een tweede dame volgt:“ Wat stelt dit nu weer voor?” Dame 3 voegt zich erbij: “Hoe doet u dat?” Ik leg graag uit en krijg dan wisselend commentaar van ietwat schamper: “O, maar dat heb ik vroeger ook gedaan!”, tot berustend: “Ik wou dat ik dat ook nog kon…”,  tot het bemoedigende: “Knap hoor van u, dat heeft u leuk bedacht!”

Voor het winterthema had ik sneeuwpoppen gemaakt van piepschuimballen met zelf gebreide mutsjes en sjaaltjes. Als grapje had ik er een bordje met de tekst ‘Koud hè!’ bij gezet.

Mevrouw 1 duwde haar gezicht dichtbij het bordje en schoot toen in de lach: “Koud hè!”.      Mevrouw 2 : “Wat zeg je? Het is hier helemaal niet koud!”                                                                      Mevrouw 1: “Dat staat daar!”                                                                                                              Mevrouw 1 en 3: “Hahaha, koud hè!”                                                                                                         Meneer 1: “Koud? Vroeger was het pas koud!”

Er ontspon zich een geanimeerd gesprek over kou en over sneeuw en ijs, over schaatsen, natuurlijk de Elfstedentocht, over doorlopers, tot kussens onder je billen binden, en heerlijke koek en zopie. De verhalen vlogen over tafel. Dit alles naar aanleiding van een bordje…

Een week later kwam ik een ouderwets grijs-gewolkt-emaille pannetje brengen, ik had er een gezellig sjaaltje bij gebreid en twee sneeuwpoppen bij gezet.

Bewoners vroegen zich verwonderd af wat het voorstelde. Ik opperde dat het gewoon een pannetje warme soep was. Ik werd wantrouwend bekeken. “Zeker erwtensoep.”, grijnsde mevrouw A. “Misschien moet u er even inkijken”, zei ik. Voorzichtig tilde meneer B. het deksel op, keek er in en trok de wenkbrauwen zo mogelijk nog verder op. Toen wilde iedereen kijken! Sommigen voelden zich een beetje bij de neus genomen en wisten niet goed te reageren, anderen moesten er direct hardop om lachen. Hoe dan ook, het hield hen de rest van de ochtend bezig. Telkens als er een nieuwe bewoner binnenkwam riepen ze om het hardst: “Wil je ook soep? Moet je in de pan kijken!” Ze hadden er reuze schik om, alsof ze het zelf bedacht hadden… 😉

Grappig hè, dat een paar simpele versieringen stof tot uitgebreide en vooral spontane communicatie kunnen leiden.

 

 

 

Advertenties

Zevelientje

Dit verhaal heb ik ingestuurd voor de schrijfwedstrijd van Schrijverspunt: schrijf een sprookje. Het moet leuk en grappig zijn voor kinderen van 5 tot 10 jaar en het moet voorgelezen kunnen worden en mag dus niet meer dan 750 woorden bevatten. Persoonlijk vind ik de leeftijdsgroep wat aan de grote kant…maar de uitdaging is leuk!)

Er was eens een klein meisje. Zij woonde in een paars huisje achter de derde heuvel buiten het dorp. Omdat zeven haar lievelingsgetal was noemde zij zichzelf Zevelientje. Ze had prachtig lang haar waarvan ze elke morgen zeven dikke vlechten maakte. Daarna kookte ze zeven eitjes die ze met een klein beetje suiker in zeven happen opat. Daarna deed ze haar jas met zeven knopen aan en huppelde naar het dorp. Misschien konden de mensen haar hulp vandaag wel gebruiken, want mensen helpen deed ze het liefst.

Onderweg kwam Zevelientje een oud mannetje tegen, die tien zware boodschappentassen tegelijk probeerde te dragen, maar telkens liet hij er drie vallen. Zevelientje droeg de drie tassen helemaal naar zijn huis. Een jongen met een geruite pet op riep: “Help!”, want zijn fiets ging alleen maar achteruit. Zevelientje zette de jongen achterstevoren op zijn fiets en hup, hij ging weer vooruit. Ze hielp ook nog een hond met buikpijn, een meisje met te kleine schoenen en een dakloze slak. En zo hielp Zevelientje zeven keer per dag.

Op een dag was het heel druk in het dorp. Alle mensen stonden op straat met elkaar te praten. Ze keken bang. Zevelientje vroeg wat er aan de hand was. “Er is een reus in het bos! En die reus is heel erg hebberig. Hij wil het hele bos voor zichzelf hebben en nu moeten wij verhuizen of anders…” “Of anders wat?”, vroeg Zevelientje. “Anders gaat hij op onze huizen staan! En waar moeten we dan wonen?” “Zal ik helpen?”, vroeg Zevelientje. “Nee, hier ben jij veel te klein voor!”, zeiden de grote mensen. Ze gingen in een kring staan om een plan te maken. Maar dat was nog niet zo makkelijk. Wat doe je tegen een reus? Zevelientje probeerde nog eens: “Zal ik helpen? Ik weet zeven toverspreuken!” De dorpsbewoners wisten het ook niet meer, haalden hun schouders op en zeiden: “Vooruit, probeer jij het maar.”

Toen de reus die middag dichtbij het dorp kwam riep Zevelientje :

“Toverspreuk 1: stoot je teen!”

Het werkte! Hij  jammerde van de pijn: “Au, au, au!” De reus stond op één voet rond te hupsen terwijl hij zijn andere voet met twee handen vasthield. De dorpsbewoners glimlachten voorzichtig. Totdat de pijn weer over was en de reus dichterbij kwam. Snel sprak Zevelientje nog een spreuk.

“Toverspreuk 2: val in de puree!”

Het werkte! De reus leek opeens wel dronken; hij wiebelde en waggelde en viel met een harde gil languit achterover in een grote bak puree! De dorpsbewoners lachten zachtjes toen de reus de puree uitspuugde en zijn ogen uitwreef. Totdat hij weer opgekrabbeld was en dichterbij kwam.

“Toverspreuk 3: krijg een kromme knie!”

Het werkte! De reus kwam hard stampend aanrennen en opeens stond zijn rechterknie helemaal krom en kon hij niet meer lopen. Hij viel zo met zijn neus op het natte mos. De dorpsbewoners lachten hardop. Maar hij stond weer op.

“Toverspreuk 4: verander in een piepklein dier!”

De reus hikte even en veranderde plotseling in een mier. Zevelientje liep dreigend op hem af en de mier maakte dat hij wegkwam. De dorpsbewoners lachten zich slap. Totdat ze zagen dat deze spreuk maar vijf minuten werkte. De mier werd weer een reus.

“Toverspreuk 5: jeuk op je hele lijf!”

Het werkte alweer! De reus krabbelde aan zijn kin, achter zijn oor, aan zijn rug, zijn knieën, zijn haar, zijn voeten, zijn buik, overal had hij de kriebels. Ten slotte rende hij gillend het bos weer in. De dorpsbewoners rolden over de grond van het lachen. Totdat hij terugkwam.

“Toverspreuk 6: eet een giftige bes!”

Nu werd het spannend. De reus lachte heel hard: “Er zijn geen giftige bessen in mijn bos, hahaha!” En hij nam een handvol tegelijk. En? Hij viel langzaam op de grond en daar bleef hij liggen.  Zevelientje wist het zeker: “Ik heb een reus verslagen! Het gevaar voor het dorp is voorbij!” De mensen wachtten nog vijf minuten, voor de zekerheid. Toen juichte en klapte iedereen en ze riepen “Hoera!” Ze droegen Zevelientje op hun schouders. Iedereen was aardig  en blij. Ze mocht snoepen en drinken wat ze wilde en kreeg allemaal lieve cadeautjes. De burgemeester gaf haar zelfs een medaille en zei: “Lieve Zevelientje, dank je wel voor wat je voor ons dorp gedaan hebt! We zijn zo blij dat de reus weg is! Ik heb nog wel één vraag: je had toch zéven toverspreuken?” Zevelientje knikte en riep heel hard:

“Toverspreuk 7: lang en gelukkig zullen we leven!”

Vakantie – Onderweg

Je wilt graag met vakantie en dat betekent vaak verder dan de hoek van de straat. Anders kun je net zo goed thuisblijven. Je bent echter niet de enige. Er zijn meer vakantiegangers. Heel veel meer zelfs! Is dit nou heel veel meer vervelend of juist niet? Tijdens ons autoritje naar Noord-Frankrijk heb ik het een en ander voor je uitgezocht.

Natuurlijk ga ik bij een file ook eerst de opstandige fase in: zuchten en blazen en geïrriteerd op mijn horloge kijken en denken: ‘Als die voorste nou eens gewoon doorrijdt hebben we er allemaal wat aan…!’ Dan komt de berustende fase: tja, er valt niets aan te doen en dan komen we maar wat later aan. En ten slotte de creatieve fase: wat zal ik eens gaan doen?

Naar buiten kijken is een makkelijke optie en als je even oplet zie je hoe een file verbroedert. Je rijdt namelijk steeds met dezelfde mensen mee op.

Links naast ons rijdt een man alleen, met een fiets achterop en een schoon overhemd aan een haakje. Een kantoormeneer die de laatste kilometer op de fiets gaat? Maar waarom is zijn overhemd een houthakkershemd? Leidt hij een dubbelleven? Achter deze man rijdt een jong meisje dat zich uitsluitend bemoeit met haar telefoon. Wat is er zo belangrijk? Of appt ze haar vriendje dat ze in de ###file staat en daardoor wat later komt? Zal ik eens heel hard ‘Boe!!!’ roepen? Toch maar niet straks botst ze van schrik tegen ons aan… Achter haar een hooggeblondeerde dame met heel veel rinkelende gouden armbanden. Heeft ze veel viermomenten meegemaakt of heeft ze die zelf gecreëerd? Of heeft ze vrouwelijke eksterhormonen?

Rechts van ons rijdt een man in een rode auto met uitsluitend witte knuffels, op het dashboard, op de hoedenplank en aan de achteruitkijkspiegel. Moet die man eens met iemand gaan praten of is het de auto van zijn dochter? Heeft die dochter smetvrees of houdt ze gewoon van poetsen? Daarachter rijdt een vrachtwagen.De chauffeur heeft zijn raampje open en er bungelt een arm met sigaret uit. Met zijn andere hand trommelt hij het ritme mee van een of ander levenslied. Weinig vlam in de pijp deze keer. Het valt me trouwens op dat de meeste vrachtwagens uit CZ, LIT, BG, EST, E, LV of PL komen. Wat hebben ze daar toch wat wij niet hebben? Daar achter rijdt een echtpaar met een caravan. Hun eigen kleine huisje van geluk op wielen. Zij voert hem stukjes appel. Hij checkt de spiegels, ten overvloede. Daarachter een oudere dame met wel hele korte armen. Ze zit bijna met haar neus op de claxon. Heeft misschien ook voordelen?

Wij passeren elkaar gedurende uren, links en rechts, inhalen en ingehaald worden, alles met een slakkengangetje. Hé, er komt een nieuw iemand tussen. Even kijken. Voor het achterraampje verschijnt een rond chinees jongensgezichtje. Hij kijkt naar me. Hij kijkt nog eens goed. Hij wijst naar me en schiet dan in de lach. Hij draait zich om naar andere inzittenden en roept iets, ondertussen steevast naar mij wijzend. Wij kunnen doorrijden en verliezen hen uit het oog. Maar niet voor lang. Intussen zijn er twee kindergezichtjes en één moedergezicht voor het raampje verschenen en zodra ze mij zien krijgen beginnen ze keihard te lachen. Het gaat over in de slappe lach, hikkend vallen ze tegen elkaar. Ik vraag mijn chauffeur of er iets op mijn neus zit. “Je klep”, is het enige antwoord.

Ik laat mijn klep een paar keer heen en weer bewegen en oogst applaus! Aha!

Het leed dat file heet, gelukkig valt er nog genoeg te lachen, als je maar kijkt!

Apelstaartje

Dat is toch helemaal niet gek gedacht: je woont in Apeldoorn en daar hebben ze apelstaartjes…

apestaartje

De verwondering blijft. Tijdens mijn taallessen aan migrantenvrouwen, over hoe vreemd onze taal toch is. Waarom zeggen wij wel schoonmoeder, schoonvader, schoonzus maar niet schoonbroer? Ik kon het niet uitleggen.

Waar maken wij van die vreemde samentrekkingen? Neem nu het woord ouderwets. Ze weten feilloos wat ouder is maar wat is wets? Of piepklein. Klein kennen ze wel maar piep? Of antikraak…antiek watte?

Als je de woorden niet kent zeg dan gewoon wat je ziet: lepels hang je aan een lepelhang, een hoogslaper is gewoon een tweede etagebed en teentjes noem je vingers aan de voet.

Vanmorgen werd weer eens pijnlijk duidelijk dat wij Nederlanders ook maar slordig praten hoor. Als wij aan iemand vragen ‘Hoe is het?’ hoor je eigenlijk niet meer dan ‘Hoezit?’. De dame aan wie de vraag gesteld werd sprong meteen van haar stoel en zei ‘Goed! Zit goed!’… Zo vroeg een jongeman vorig jaar in mijn groep in Zoetermeer ‘Wat is kozentijd?’. Na veel zeggen en nazeggen begreep ik hem, ja na het niezen roepen wij ‘Gezondheid!’.

Een andere dame vertelde haar blunder ook maar meteen. Zij stond in een winkel voor woninginrichting en vroeg de behulpzame verkoper om ‘een stapel kusjes’. Met rode konen stond de goede man handenwringend om zich heen te kijken totdat hij begreep dat het slechts om kussentjes ging. Ze gierde het uit vanmorgen en riep; ‘Ja, ik goed bezig!’. En dat was ze!

 

Taalpraatje 4

lach en traan

Huilen en lachen. Huilen van het lachen. Lachen omdat je moet huilen. Het ligt zo dicht bij elkaar.

Een Afghaanse dame kwam vanmorgen redelijk overstuur binnen: er was een familielid van haar overleden vorige week. Zij deed niets anders dan de familie helpen, ‘koekie maken’, troosten omdat iedereen ‘veel huilen’. Het ergst was dat zij of haar man niet naar Afghanistan kunnen voor de begrafenis…’ is gevaarlijk van Taliban’ .

Toch lesgegeven, gesproken over ontbijt, lunch en diner. De anderstaligen verbazen zich over de enorme hoeveelheid brood in Nederland en ook nog eens zoveel soorten. Ik verbaas me over sjero en insjera, traditionele gerechten uit Eritrea die zo gekruid zijn dat de tranen in je ogen springen en die de lunch vormen. Daarna mochten zij vertellen wat ze lekker vonden en wat vies.

  • Ik vind vlees lekker en groenten ook
  • En vies?
  • Ook lekker, hmmm viesje!

Om de taalles zijn naam eer aan te doen een fikse taaloefening voorbereid: maak de omdat-zinnen af.

  • Ik ga naar de kapper omdat… wat is een kapper?                                                                              In Afrika, zo leerde ik,  heb je een barbier voor de mannen en een beautysalon voor de vrouwen en natuurlijk niet 1 gezamenlijke kapper.
  • Zij doet wanten aan omdat…want???                                                                                                   Om het nog moeilijker te maken : handschoen en want…wat een rare woorden eigenlijk!
  • Ik doe een bril op omdat…voor wind op fiets?…voor zon?….oogjes niet goed!                    Drie kansen!
  • Hij stuurt een kaartje omdat…ik niet zelf kopen bij trein.                                                                Is een optie, wie heeft het hier over verjaardagen of zo?
  • Hij doet de tv uit omdat…electri  weer uitgevallen.                                                                        Het is maar wat je gewend bent…

Ik vroeg heel belangstellend aan een jonge vrouw van 28 jaar waarvan ik wist dat ze een tienjarig kind heeft, of de herfstvakantie goed geweest was, lekker vrij en zo. Vertelt ze mij dat haar kind in Etiopië zit en haar man in Soedan…

In tijd van twee uurtjes liggen we soms dubbel van de lach en soms knipperen we met onze ogen om niet te gaan huilen.