Tagarchief: kleinkinderen

Lievelings

Opa en oma maken een vreugdedansje want opeens, na maanden van knuffelonthouding, staan ze voor de Apeldoornse deur: Mama, Papa, Emma (3,5) en Lieke (0,5). De eerste twee worden wuivend  in een verre hoek van de kamer gedropt, de laatste twee mogen, nee moeten, ombeurten op schoot bij hun grootouders.

Even wat drinken. Als ik de aanleng uit de koelkast pak begint Emma te dansen van plezier en roept: ‘Mama, Oma heeft mijn lievelings!!!’ Ze heeft dus supersnel de doos aardbeien zien staan.

Omdat Oma en Opa wel heééél ver weg wonen heeft Emma haar eigen rugtas ingepakt. En volgepakt. Ze valt bijna achterover door het gewicht. De inhoud moet direct getoond worden. Een zilveren ‘poepmunt uit de billen van de Efteling ezel’, diverse Efteling-poppetjes zoals: de boze wolf die niet alleen Roodkapje op at maar ‘ook de reus, kleinduimpje met z’n grote laarzen en de prinses zonder voeten.’ Verder een grote roze toverstaf met lichtjes en sliertjes, daarmee kan ze mij betoveren tot een monster en opa tot een ‘pins’. Er komt nog een knuffel uit de tas, een houten aankleedpop met houten kleertjes, en nog wat broodnodige zaken die oma per sé moet zien. En ondertussen verhalen, verhalen en verhalen.

Ze blijven gezellig lunchen. ‘Ik ga je helpen oma.’

Ik doe de oven vast aan. ‘Gaan we koekjes bakken???’ Nee, broodjes afbakken. ‘Mag ik de blootjes doen?’ Oké, doe jij de afbakbroodjes maar op het rooster dan kunnen ze de oven in. Even later liggen alle blootjes  op een stapeltje op een hoekje van het rooster, kan ook.

Ik geef haar een liter magere melk en een liter karnemelk, zet maar op tafel. ‘Welke is de vieze melk oma, dan zet ik die bij opa.’

Ik ontkroon de zomerkoninkjes, ga jij ze maar wassen. Ze wast van alles en nog wat. Legt er dan drie op een bordje, steekt er één in haar mond, herhaalt dit een paar maal. Hé hé dat is voor op brood! ‘Ja maar oma, het is mijn lievelings!’ en steekt een supergrote aardbei in haar mond. Goed idee als je tegelijkertijd de slappe lach krijgt. Je kwijlt als je zusje.

Leg jij de servetjes maar op tafel op elk bord eentje. Ze vouwt ze voor iedereen alvast helemaal open, kan ook.

Kletsen, spelen, ijsje halen, kijken hoeveel nibbitringetjes er op 1 pepsil passen. Dan moeten ze toch naar huis. Emma gaat voor Lieke staan, pakt haar handje en fleemt: ‘Jij wilt ook niet naar huis hè Lieke? Mama, Lieke wil ook niet naar huis hoor, ze wil hier bij oma blijven.’ Maar ja, fles- en slaapschema zijn de baas.

Ik zwaai ze langdurig uit: mijn lievelings…

 

Beeld van een kleinkind

Het moet en het zal. Op afstand blijven. Maar hoe houden oma’s dat vol? De belangrijkste taak van een oma is immers knuffelen! Dat is je roeping, je doel in het leven, hetgeen waar je voor leeft, het allerleukste wat er is, wat je het liefst zo vaak mogelijk doet, wat moet en zal… Behalve nu. Al weken zonder kleinkindknuffel. Zijn hier zelfhulpboeken voor? ‘Hoe overleef ik corona zonder kleinkindknuffel?’  ‘Knuffeloos leven voor dummies.’ ‘Het moet en het zal.’

En dan is daar het antwoord dat het probleem ietwat verzacht: beeldbellen. Nog best een toer om een beetje charmant in beeld te komen, dus oefen ik eerst met de selfie mogelijkheid. Als ik het midden heb gevonden tussen super grote neusgaten en zeventien onderkinnen durf ik het aan.

Emma (3) zucht een soort verliefderig: ‘Omaaaa!’

Oma (iets ouder) zucht verliefderig: ‘Emmaaaaa!’

We praten wat over koetjes en kalfjes, ze is een dierenpuzzel aan het maken en laat ieder stukje apart zien en maakt daar graag de bijbehorende geluiden bij. Ze laat haar armband zien, die niet over haar hoofd past. Ze laat dansend haar jurk zien zodat ik alleen strepen en vegen zie. Ze laat haar zusje Lieke (4 ½ maand) zien, die overal heen kijkt behalve naar oma, die pruttelt en bellen blaast, die met haar dikke hapwangen een toonbeeld van gezondheid en tevredenheid is. Dan vraag ik Emma mij te helpen met een probleem.

‘Kijk es, oma heeft hier een cadeautje. Dat is voor jou! Leuk hè? Pak het maar!’

Ze kijkt even naar haar moeder en ik zie haar denken ‘wat moet ik hier mee’ maar reageert dan toch zelf.

‘Ik kan dat niet pakken, dit is de telefoon, gekke oma!’

‘O nee, dat gaat niet hè. Maar hoe moet het nu bij jou komen?’

Een diepe nadenkfrons op haar voorhoofd, dan een vinger omhoog.

‘Ik weet het. Als er niet zoveel mensen meer ziek zijn en ik veel nachtjes geslapen heb dan kom ik bij jouw huis!’

‘Dat is een goed idee! Maar het kan wel een poosje duren. Weet je niet een andere manier?’

Ze komt er niet uit. Opa heeft wellicht de oplossing en biedt aan het met de postbode mee te geven.

Ze straalt: ‘Dat is een goed idee!!!’

Met de belofte dat ze zal bellen zodra het pakje gebracht is door de postbode sluiten we het gesprek af, met heel veel zwaaien en heel veel luchtkusjes.

Het is een aftreksel van echt knuffelcontact maar het voldoet voorlopig. Het moet en het zal.

 

 

Saatse

Een kleinkinderendagfragment

Situatie: Mama zit met Lieke (3 maanden) op de bank, opa er naast in de stoel. Emma (3 jaar) springt rond en Oma (iets ouder) kijkt een beetje verliefd toe.

Emma: Oma kom je met mij spelen?

Ik (opspringend): Tuurlijk! Wat gaan we doen?

Emma: ‘Met de bal!’

Ik: ‘Oké’

Emma: ‘Mama, Lieke en Opa, jullie moeten goed kijken! Dit is Oma (wijst op mij en ik maak een diepe buiging), dit is Emma (wijst op zichzelf en buigt ook) en dit is de bal (houdt een half lege opblaasbal omhoog).

Uitermate handig voor het publiek te weten wie wie is. Voor de zekerheid blaast ze de bal nog een keer op. Dit kan ze prima maar tegen de tijd dat het dopje er weer op zit ziet de bal er net zo lek uit als hij is. We gooien een paar maal over en weer totdat ze een ander idee krijgt.

Emma: ‘Saatse! Kom Oma jij moet ook saatse aan angers ga je vallen.’

Er wordt mij een denkbeeldig paar schaatsen aangereikt die ik, op de bank gezeten, denkbeeldig onderbind en begeef me wiebelend buiten het vloerkleed. Al snel heb ik de slag te pakken, schaatsen verleer je nooit. Ik zwier ik met de handen op de rug van keuken, langs eettafel, speelgoedkeuken, roze poppenwagen en schemerlamp, langs tv-kast met aquarium naar tuindeur, een soort elfplekkentocht. Als ik wil uitrijden blijkt de gangdeur dichterbij dan gedacht en ik roep: ‘Help, ik kan niet stoppen!’ Twee kleine handjes houden mij vast en de woorden: ‘Niet bang zijn, ik help je wel oma!’ behoeden mij voor een denkbeeldige ramp. We saatsen nog even verder. Dan wrijft ze met haar handen over haar armen en trekt de schoudertjes hoog op: ‘Koud hè oma?!’ ‘Nnnnou….!’, bibber ik. ‘Kom even zitten,’ zegt de spelleidster en huppelt naar de bank. Als ik naast haar neerplof: ‘Wel je saatsen uit doen oma!’ O ja… ‘Hier heb je wamme sokkolademelk!’ Dat helpt direct. We zitten heerlijk te smullen.

‘O oma kijk! Het water is weg!’

‘O jee, gesmolten?’

‘Nee weg oma!’

‘Dan kun je nu wel zwemmen!’

‘Ja!!!’

Met een ferme plons vanaf de rand van het vloerkleed duikt ze het water in. Ze spettert en spattert dat het een lieve lust is. Opeens gaat ze staan en maakt met haar handjes tegen elkaar een kommetje en zegt op huilende toon:

‘O oma, een kleine visje! Hij is verdrietig.’

‘Ach wat zielig, wat is er aan de hand?’

‘Hij is zijn moeder kwijt!’

‘O jee, en nu?’

Ik zie de tweestrijd in haar hoofd. Gooit ze hem terug met de woorden ‘zoek het zelf maar uit’ of gaat ze hem redden, maar hoe dan en waarmee?

Ze loopt naar haar eigen aquarium, opent het voederklepje en propt het denkbeeldige verweesde vissenkind in de bak.

‘Zo, hij mag bij ons blijven.’

Dit soort avonturen kan ze eindeloos lang volhouden en ik geniet daar zomaar van mee. De tegen de muur opgestapelde berg, vooral roze, speelgoed  lijkt op zulke momenten nutteloos. Ik houd ervan:

Een dag niets verzonnen is immers een dag niet geleefd!

Lekker weg

Lekker een paar dagen weggeweest. Vertoeven aan de kust, de Zeeuwse kust. Een knus huisje op een park. Een park dat merendeels gevuld werd door jonge ouders met kleine kinderen en opa’s en oma’s die dan ook mee ‘mogen’. Aangezien wij de enigen waren zonder kinderen dan wel kleinkinderen bij ons, waren we in de perfecte gelegenheid de anderen eens ongegeneerd te begluren.

Vooral die kinderen… Die zo overprikkeld zijn dat ze helemaal niet gezellig in het o zo gezellige familierestaurant willen eten. Die de ballen uit de ballenbak gooien. Die de lego in de rondte smijten. Die de draaimolen mollen. Die de kleurplaten alleen maar willen krassen. Die ‘daar’ heen gaat als Papa ‘hier’ roept. Die de duikbril perse op willen houden tijdens het eten. Die de fietshelmpjes perse niet op willen tijdens het fietsen. Die steeds over hun eigen voetjes struikelen van moeheid. Die constant natte haren hebben, van het zwembad of van boosheid. Boos omdat ze niet op oma’s nek mogen. Boos omdat ze naar huis gaan. Boos omdat ze nòg niet naar huis gaan. Boos omdat ze nog een ij-hijsje willen. Boos omdat ze niet meer weten wat ze willen.

Vaders die lege buggy’s voor zich uit duwen. Behangen met opblaasfiguren. Met natte handdoeken. Met tassen. Heel veel tassen. En voor de zekerheid ook nog met schepjes, emmertjes en vormpjes voor in de zandbak. Vormpjes waar elk kind mee speelt behalve hun eigen kind. Soms slepen ze moedeloos hele bolderkarren met zich mee. Voor de ene helft gevuld met boodschappen, voor de andere helft met dreinend nageslacht.

Moeders die zuchtend maar consequent de andere kant opkijken met een blik van ‘Hé ik heb óók vakantie!!!’

Opa’s en oma’s die er handenwringend achteraan sjokken. Zich afvragend: ‘Grijpen wij hier in? Nee, het zijn onze kinderen niet!’

Maar ’s avonds… ja dan! Het grut gebruikt na een onvrijwillige douche, na een overgeslagen tandenpoetsbeurt, na een uiteindelijke compromis in alleen de pyjamabroek, na nog één boterham met eigen pindakaas, na nog één glaasje water, na nog één laatste en nog één allerlaatste verhaaltje de slaapkamer toch waar een slaapkamer voor bedoeld is. Een allesoverheersende stilte daalt neer. Het water strijkt glad. De zeemeeuw zwijgt. Opa en Oma zitten innig tevreden met een kopje koffie buiten voor het huisje. Knikkebollend boven hun breiwerkje en de Kampioen.  En de jonge vader en moeder? Die lopen innig verstrengeld met elkaar over het strand om samen te genieten van de romantische zonsondergang. Niet te ver want morgen is er weer een dag.

 

Logeren

Ik zag hem maandag arriveren. Opa en Oma renden enthousiast de tuin in. Oma knielde in het gras, stak haar armen wijd open en riep: “Waar is mijn kleine jongen dan???!”. De kleine jongen zag haar echter wel en denderde zijn grootmoeder bijna ondersteboven. Opa greep hem bij de kladden en slingerde zijn kleinzoon soepeltjes op zijn schouders. Wat hadden ze zin in deze logeerpartij! “Oma, oma, ik heb wat iets voor jou!” De kleine verdween haast achter de grote bos zonnebloemen. Kosten nog moeite waren gespaard om de grootouders in een opperbeste stemming te krijgen en vooral te houden. Een bedankje vooraf kan geen kwaad, dachten de jonge werkende ouders waarschijnlijk. Laatstgenoemden werden hartelijk uitgezwaaid en het drietal huppelde naar binnen. Met de bloemen, de kindertrolley en hoge verwachtingen.

Eerlijk gezegd heb ik ze de rest van de week niet meer gezien. Tot vandaag. Een toevallige blik naar buiten toonde mij in één oogopslag hoe de week verlopen was. Zodra de kleine jongen zijn eigen moeder in de gaten kreeg wierp hij zich snikkend in haar armen, alsof de verlossing eindelijk daar was. Opa sleepte van alles naar buiten richting auto. Het verraadde exact het verloop van de week. In de kleine trolley was onvoldoende ruimte voor de grote pluchen aap (dagje Apenheul), de goudkleurige kartonnen kroon met plakdiamanten (prins(ess)edagje Paleis het Loo), opgerolde poster van Cars (regenachtig dagje Bioscoop) en tenslotte nog een Intertoystasje (gevalletje omkoping denk ik). De kleine werd achterin de auto gezet, wuifde nog wat mat naar zijn grootouders terwijl hij zijn ouders van alles en nog wat vertelde. Opa en oma zwaaiden dapper terug, strompelden naar binnen, vielen op hun relaxstoel binnen twee tellen in slaap. Met een glimlach op de lippen, dat wel.