Tagarchief: hond

Gokje (2)

(In deze bizarre tijd moet je geen gokje nemen, niet denken: ‘Ik gok dat het mij niet overkomt.’ Toch ga ik wel gokken. Met dobbelstenen dan. Ik had een lichte vlaag van opruimwoede, een super klein vlaagje eigenlijk hoor, maak je geen zorgen, en vond deze dobbelstenen. Fantasiestenen met plaatjes in plaats van stippen. Nu ga ik gokken een verhaaltje van de zes dobbelstenen te kunnen maken. Je moet me maar vertrouwen dat ze zo vielen zoals ze op de foto nu liggen. Volgende week liggen ze vast anders.)

Met een knal gooit hij de deur achter zich dicht. Hij weet dat ze nu zielig gaat zitten huilen, maar ze bekijkt het maar. Tegenwoordig is ze overal boos om. Bij het minste of geringste lijkt ze uit haar vel te springen. Hij zoekt zijn heil wel weer ergens anders. Poeh, wat is het warm buiten, die zon schijnt weer onbarmhartig. Ha, daar komt Daan aangefietst. Aan zijn rode kop te zien heeft hij het ook warm. ‘Hee Tom, ga je mee een ijsje halen?’, roept Daan. Ze moeten er wat voor over hebben want in de ijssalon staat een rij van hier tot gunder. Natuurlijk staat er net een vrouw voor hen die niet kan kiezen uit de tweeëntwintig verschillende smaken. Uiteindelijk hebben ze wat ze willen en smullen ervan in de schaduw van een grote boom. ‘Zullen we gaan zwemmen?’, stelt Daan daarna voor. Tom schudt zijn hoofd: ‘Geen zwembroek bij me.’ ‘Dan gaan we die toch even halen?’ ‘Nee, vandaag maar niet.’ Daan is enigszins op de hoogte van Tom zijn thuissituatie en dringt niet verder aan. ‘Oké, niet zwemmen. Ga dan mee naar mijn huis, ik moet nog iets doen en daar kun jij me mooi bij helpen!’ ‘Wat dan?’ ‘Kom nou maar, wedden dat je het gaaf vindt?’ Tom haalt zijn schouders op en fietst met Daan mee.

Bij het huis van Daan lopen ze direct om naar de achterzijde. Het is een gezellige drukte in de tuin. De kleinere broertjes en zusjes van Daan hebben tenten opgezet en spelen dat ze op een camping zijn. Tussen de tenten staan gevulde opblaaszwembadjes van diverse afmetingen. De kleintjes spetteren en rennen en gillen van de lach. De moeder van Daan komt net naar buiten met een grote kan limonade en een stapel bekertjes. ‘Ha jongens,’ roept ze zodra ze Tom en Daan in het vizier krijgt,’Gezellig dat jullie er ook zijn. Ook iets drinken? En willen jullie straks ook een hamburger? Ik ga ze zo bakken. Jij komt zeker naar onze nieuwste gezinsuitbreiding kijken, hè Tom?’ Tom weet even niet hoe hij kijken moet. Is hij nou echt vergeten dat Daan nog een broertje of zusje heeft gekregen? Daan stompt hem lachend in zijn zij en gebaart hem te volgen. In de grote woonkeuken loopt Daan direct op een grote mand af en als Tom ziet wat er in de mand ligt houdt hij even zijn adem in. Ach, wat is dat een mooi gezicht. Goldie, de labrador van de familie ligt in het midden van de mand en er liggen drie piepkleine ‘goldies’ tussen haar poten.

Tom krijgt de middelste in zijn armen gedrukt en daar wordt hij helemaal warm van. Wat een lief diertje. Zo zacht. Zo aaibaar. Zo om te knuffelen. Zachtjes drukt hij een kus op het hondenhoofdje. Hij zou het kleintje wel voor altijd willen vasthouden. Voor eeuwig willen aaien. Daan smoest wat met zijn moeder en zegt dan: ‘Jij mag deze hebben! Bedenk maar een  goeie naam voor hem. Volgende week mogen ze bij de moeder weg en dan kun je hem komen halen. Nou, wat zeg je ervan?! Hee, wat doe je nou? Huil je?’ Daan kijkt verschrikt naar de traan die opeens over zijn wang van zijn vriend rolt. ‘Hier,’ zegt Tom gesmoord, ‘Ik hoef hem niet. We hebben er geen plaats voor. En geen geld. En mijn moeder houdt niet van honden. En al helemaal niet aan vuile hondenpoten.’ De moeder van Daan snuit snel haar neus en komt dan naast Tom zitten. Ze legt een arm om zijn schouders en zegt: ‘Wat zou je er van vinden als dit toch jouw hond wordt, maar dat hij hier blijft wonen. Je kunt hem dan opzoeken wanneer je wilt en wij kunnen makkelijk nog een extra hondenmond voeden hoor.’ Tom moet weer huilen maar nu van blijdschap.’Echt?’, vraagt hij nog met een bibberstemmetje. ‘Echt!’, zegt de moeder van Daan.

Tom is op tijd voor het avondeten thuis. Hij vertelt niet van de heerlijke hamburger en helemaal niet van de hond. Zijn hond. Hij doet die avond braaf alles wat zijn moeder van hem vraagt. Ze kijkt hem wel even onderzoekend aan maar vraagt niets en geeft hem een volgende taak. ‘s Avonds kan Tom van de opwinding moeilijk in slaap komen. Hij heeft een hond! Waar hij elke dag naartoe kan. En als hij groter is en op zichzelf gaat wonen gaat hij de hond ophalen. En dan blijven ze altijd samen. Nu nog een passende naam bedenken voor zijn mooie nieuwe aaibare vriend . Het wordt zo laat dat zelfs hij de maan en de sterren door zijn zolderraampje ziet. Opeens weet hij het! Dan kan hij eindelijk gaan slapen en met een gelukzalige glimlach op zijn mond murmelt hij: ‘Welterusten lieve Aibo!’

Honds

Ik geef het toe: ik heb het niet zo op honden. Hoewel ik de laatste jaren wel trucjes heb geleerd er mee om te gaan. Als ik buiten op straat loop en ik kom zo’n setje baas-hond tegen probeer ik meestal eerst naar het gezicht van het baasje te kijken. Dat geeft vaak de doorslag of ik direct oversteek dan wel rechtsomkeert maak, of dat ik er langs durf. Met samengeknepen billen, dat dan weer wel. Maar sinds ik van dichtbij (mijn dochter is best wel heel dichtbij…!) het opgroeien van zo’n wezen meemaak gaat het een stuk beter. Toen de puppy nog in één hand paste durfde ik het zowaar te aaien. Overwinning! Nu durf ik deze schattige maar volgroeide Amerikaanse Akita zelfs opzij te duwen als ze weer eens met haar grote lijf in de weg loopt. We hebben het hier wel over een hondje met een draaicirkel van 1,50 meter hè! Als je haar op sepia zou kunnen zetten is het net Hatchi van de gelijknamige film met Richard Gere. Dit alles heeft ertoe geleid dat ik zelfs alert ben op dingen die ik om me heen zie aangaande honden. Wat dacht je hiervan:

Vroeger zou ik hier smakelijk om gelachen hebben … zo’n bak met aanlokkelijke teksten voor lekkere natuurlijke hapjes. Kijk toch eens wat een blij hondje er boven staat afgebeeld! Hahaha, alle bakken leeg, de hond in de pot vinden. Nu vind ik het zielig dat alle bakken leeg zijn! Triest toch. Tenzij… de hond op dieet moet, in januari, na de feestdagen. Een heel andere invulling van het bordje ‘Honden aan de lijn’ zie ik hier opeens. Misschien een idee voor het chocoladeschap in de supermarkt? Niet aanbieden is niet eten! Ik zeg: gat in de afvalmarkt!

Over afval gesproken: laatst zag ik dat dit een Honden-halte is. Hoewel ik denk dat er geen hond is die hier halt houdt… De tekst ‘Voor De Hond’ vind ik een beetje vreemd. Waarom al die hoofdletters? Wordt hier gedoeld op De hond, de enige echte hond. Dat zou niet eerlijk zijn want elke hond heeft recht op zo’n zakje en lokt onnodig uit tot een zoveelste petitie. Of bedoelt de bedenker dat de opruimzakjes alleen en uitsluitend voor de hond zijn en niet voor het tussendemiddagbroodje of het waarlaatikditzosnel van de mens? Je weet het niet hè. Fascinerend!

 

Wat zo’n familielid toch teweeg kan brengen! 😉

Ladyviller

(Dit verhaal heb ik ingestuurd voor een schrijfwedstrijd van Editio, het moest een begin zijn van een eng/spannend verhaal, niet meer dan 400 woorden bevatten en er moest een onbekende telefoon in voor komen… Leuke uitdaging om te doen! Echter het systeem van ‘het verhaal met de meeste publieksstemmen heeft gewonnen’ staat mij tegen, daarom niet eerder geplaatst dan de dag van de uitslag.)

Hij knikt goedkeurend als hij zijn werk van een afstandje bekijkt. De vleeskleurige lampenkap met het bloedrode hart in het midden komt goed tot zijn recht naast de pot met rode ogen. Liefkozend raakt hij de kleine vlinders aan die er boven hangen. “Sukkels zijn het allemaal, wie laat zoveel moois nu onder grond stoppen!”, mompelt hij. Glimlachend kijkt hij naar de in gouden lijstjes gevatte rozen uitgestald op het kastje van ellepijpen. Hij neemt zijn werk in het mortuarium maar al te graag mee naar huis. Abrupt wordt zijn aandacht naar het raam getrokken. Een jonge vrouw komt zijn tuinpad op. Dagelijkse liet ze haar hondje hier uit. In zijn bos. Hij haat haar.

Ze zit op zijn bank en kijkt rond. Heen en weer geslingerd tussen bewondering en afschuw, zoals iedere bezoeker. Ze staat op,  loopt met een boog om de met diverse ledematen gevulde potten heen, naar de vlindercollectie. “Bijzonder, het lijken wel tatoeages!” zegt ze. Ze trekt haar linkermouw iets omhoog en toont hem de roos op haar pols. Er schiet een vlammende steek door zijn lijf. Zijn hartslag versnelt een fractie. “Dus je bent je hond kwijt?”, stuurt hij haar. Ze knikt en vraagt: “Heeft u haar misschien gezien? Middengroot, wit met kleine krulletjes.” Hij biedt haar iets te drinken aan. Al snel ligt ze verdoofd op de bank.

Zodra ze bijkomt ziet ze als eerste het dikke pak verband rond haar linkerpols. Hij reikt haar een wit doosje aan zonder enig opschrift.“ Je bent in glas gevallen. Driemaal daags innemen, tot ze op zijn.” Opeens golft de angst door haar heen. Ze snakt naar adem. Ze wil slikken maar kan niet. Ze wil schreeuwen, het lukt niet. Te snel staat ze op en beweegt zich duizelig naar de deur. “Wacht! Je vergeet je hond…” Hij houdt haar een tas voor. Aarzelend rukt ze de tas uit zijn handen en rent zijn huis uit. Zijn bos uit.

In een café bestelt ze whisky. Dan heeft ze de moed om in de tas te kijken. Er zit een hartvormig kussen in. Van zachte witte krulletjes. Net op tijd haalt ze het toilet en leegt haar maag. In het hokje naast haar gaat een telefoon over. Eindeloos over. Voorzichtig duwt ze deur open. Op de deksel van het toilet ligt een mobiel. Ze pakt de telefoon op. Een rasperige stem klinkt: “Ik… heb… alles… gezien!”

 

Oeps!

oeps 1

Ja, ik had vandaag een oepsmomentje. Geen oepsmomentje zoals in de reclame, waar een Française (waarom een Française???) opschept: ‘iek trek et moi niet aan!’.  Een gewoon oepsmomentje zal ik maar zeggen…

Ik zie in de verte een mevrouw lopen. Een meter of drie van haar vandaan ligt een klein wit hondje. Ze loopt er naar toe en geeft er opeens een ferme schop tegen, echt zo eentje met een uithaal. Het rolt als een bolletje verder. Ontsteld houd ik mijn adem in. Wat moet ik doen? Politie? Brandweer? Dierenambulance? Zelf op de vuist? In totale ontreddering ben ik. Totdat er een jongetje aan komt rennen. Hij pakt het bolletje op en tilt het boven zijn hoofd. Triomfantelijk roept hij: ‘Nou heb ik de bal, Oma!’. Oeps…