Tagarchief: griep

Pssssst

Het stelde helemaal niet zoveel voor. Maar soms wordt ongewild iets kleins zo opgeblazen!!! Dat je uiteindelijk denkt ‘waar gaat het over???’

Ik had gewoon de griep. Een snertgriep weliswaar, maar toch gewoon de griep. Met alles drop-en-dran. De ramen rammelden vervaarlijk in de sponningen als ik hoestte, zo angstaanjagend rammelden ook mijn longen. Liters hoestdrank later en misselijk van alle keelsnoepjes, was de conclusie: ‘Ik kom er niet vanaf!’ Ik sleepte mij naar de huisarts en trakteerde haar op een blafconcert. Om mij er wel vanaf te laten geraken adviseerde zij een antibioticakuurtje. Prima. Alles prima. Whatever. Direct langs de apotheek, kuurtje ophalen en aangepast vliegensvlug terug naar het warme bed. Dacht ik.

Ho, ho, ho! Dat gaat zomaar niet! Het ging faliekant mis bij de apotheek. De bestelling doorgeven ging nog goed. ‘Gaat u maar even zitten, dan maak ik het voor u klaar’, kwam reuze goed uit voor mijn eigenwijs zwabberende benen. De pillen werden handmatig gedraaid denk ik, want ik doezelde even weg. Eventjes maar. Een nieuw fris en fruitig meisje riep mijn naam en ik snelde (bij wijze van spreken) naar de balie. Ik wilde het doosje uit haar handen grissen en maken dat ik in mijn dekbedholletje terecht kwam. Echter…zij hield het andere eind van het doosje stevig vast. Ik rukte nog iets maar ze liet niet los en bleef naar me glimlachen. ‘Het is wel een kuurtje hoor, dat betekent dat u dat helemaal moet afmaken. Ook al voelt u zich beter.’ Ik trok mijn wenkbrauwen wat op. Tenslotte heb ik al vele malen vaker kuurtjes geslikt dan dat zij het woord antibiotica uitgesproken heeft. Ze vatte het verkeerd op en gaf nog meer uitleg. Ik had geen puf me te verzetten en knikte  en probeerde terug te glimlachen. ‘Het zijn dispergeerbare tabletten, dit betekent dat u ze in water kunt oplossen.’ Als ik iets smerig vind…maar ik knikte.  Ze was een aanstormend talent in de apothersscene en vastbesloten alles (nog) volgens het boekje te doen. ‘U moet ze met een tussentijd van 8 uur innemen, dit betekent als u nu om half 12 begint dan…eh…om half 8 en dan…eh…nou dat rekent u zelf maar uit.’ Ik knikte, wist zeker dat ik niet midden in de nacht om half 4 zou opstaan en trok zachtjes aan het doosje. Ze trok ook en trok mij zelfs naar haar toe. Ze fluisterde: ‘O ja, er kunnen wat bijwerkingen optreden…’ ‘En dat betekent…???’, vroeg ik gemaakt geduldig, er vanuit gaande dat zij ze één voor één ging opnoemen. ‘Darmen…’ , fluisterde ze nog zachter. Mijn snotvolle oren verstonden het gefluister niet helemaal: ‘Wat gebeurt er met mijn armen?’ Ze zette nog net niet haar hand voor haar mond en tegen mijn oor, maar boog zich zo mogelijk nog dieper naar me toe, keek schielijk om zich heen en mompelde de alarmerende code: ‘Diarree….!’ Ze wilde mij waarschijnlijk niet in verlegenheid brengen door luidkeels over darmproblemen te oreren aan zo’n openbare balie, maar het feit dat we beiden geheimzinnig in elkaars oor stonden te fluisteren leek volgens mij heel veel vreemder.

Eindelijk liet ze los. Ik voelde me direct opknappen. Ze komt er wel.

Advertenties

Verhalenslang 9/25

(De eerste zin van dit verhaal is de laatste zin van het vorige verhaal. Beide verhalen hebben niets met elkaar te maken)

“Ik ga nu de dokter bellen!” Hij schudt zijn hoofd over zoveel hysterie van zijn zus. Ze staan ieder aan een andere kant van het grote bed waarin hun moeder steeds kleiner lijkt. Ze ligt opgerold op haar rechterzij. Het oude mensje ziet er beroerd uit en kreunt zachtjes. Maar wie heeft er op dit moment geen griep? Het heerst overal! Maar nee, zijn zus gelooft er niets van. Ze belde hem, net op het moment dat hij met een collega naar een cliënt zou gaan. Deed het voorkomen alsof moeder nog maar een paar minuten te leven had. En tja, wat doe je dan?

“Waarom probeer je niet eerst wat paracetamol?” oppert hij. Ze kijkt hem vernietigend aan maar gaat toch een glas water halen. Ze schudt twee tabletten op haar hand en laat die in het water vallen. Dan probeert ze haar moeders hoofd wat op te tillen. Hij schiet haar te hulp en houdt zijn moeder zo goed als het kan rechtop. Ze kreunt harder, houdt haar ogen gesloten maar slikt toch gretig het water door. Langzaam laten ze haar weer in de kussens zakken. Ze lijkt wat rustiger. Dit is echter van korte duur want opeens schiet ze overeind en spuugt al het water en nog veel meer over het dekbed. Hij springt verschrikt achteruit: “Getver!”

Later ligt moeder fris gewassen in het verschoonde bed. De wasmachine draait. Op haar verzoek zijn de gordijnen gesloten. Hij kijkt nogmaals naar zijn geruïneerde schoenen. Zijn zus probeerde nog wat weg te poetsen, de vlekken lijken nu groter. Hij weet niet goed wat te doen. Moet hij zich zorgen maken, laat hij zich opjagen door de wilde fantasieën van zijn zus of gaat hij sussend tegen haar in met het risico dat hij iets over het hoofd ziet. Koorts heeft moeder niet maar het emmertje naast haar bed moest tot drie keer toe geleegd worden. Hij heeft frisse lucht nodig en loopt het kleine maar keurig verzorgde achtertuintje in.

Al snel heeft hij daar spijt van. De buurvrouw van links komt op hem af. ‘Hoe gaat het met Grietje?’ vraagt ze. Even flitst door zijn hoofd: hoe weet zij dat Grietje in bed ligt? Hij besluit dit over te slaan en vertelt hoe zijn moeder erbij ligt. Van het spugen en de hoofdpijn. Dat zijn zus en hij zich toch wel zorgen maken. De buurvrouw knikt zwijgend. Ze kucht wat. Draait haar hoofd van hem af en bijt op haar lip. Hij voelt iets. Er klopt iets niet. De buurvrouw die altijd meelevend is en als eerste hulp aanbiedt blijft nu angstvallig stil. “Is er iets wat ik moet weten?” vraagt hij. Ze kijkt hem schichtig aan. Peilt hem. En zegt dan: “Je hebt het niet van mij hoor! Maar je moeder had gisteravond visite van mevrouw de Koning. Nou dan weet je het wel!” Ze perst haar lippen afkeurend op elkaar en draait zich om. Hem verbluft achterlatend.

“Mevrouw de Koning???” Zijn zus haalt vertwijfeld haar schouders op. Dan loopt ze vastberaden naar de woonkamer. Daar rommelt ze wat in het laatje van het kleine kastje en houdt dan triomfantelijk een rood boekje omhoog. Ze bladert er in en slaat dan een hand voor haar mond. Zonder woorden laat ze het boekje aan mij zien. Ik ken het wel, heb het zelf voor haar gekocht. Het idee was dat moeder daar namen in kon schrijven van vriendinnen en meteen wat achtergrondinformatie omdat ze de laatste tijd wat vergeetachtig begon te worden. Het leek mij een goed idee. Nu lees ik: ‘Antoinet de Koning, man is slijter, drie kinderen, twee kleinkinderen, één kind in Nieuw Zeeland, altijd dezelfde fles wijn cadeau, komt elke derde donderdag van de maand’. Ik kijk op mijn horloge. Het is vrijdag.

Verhalenslang 8/25

(De eerste zin van dit verhaal was de laatste van het vorige verhaal. Beide verhalen hebben niets met elkaar te maken)

Hij slikt moeizaam. Hij probeert iets te zeggen maar die poging eindigt in een jammerlijke  hoestbui. Ze helpt hem wat rechtop te zitten en schudt zijn kussen op. Na een slokje water wordt hij weer wat rustiger. Ze legt haar hand onderzoekend op zijn gloeiende voorhoofd en zegt: “Ik ga eerst de jongens uit school halen, ben zo terug. Blijf liggen waar je ligt hè!” Hij wil nog protesteren maar ze is al naar beneden. Hij draait zich kreunend om.

Tussen de linnenkast en het zijraam staat een man naar hem te zwaaien. Een man met wijde kleren, een hoofdband en een zwarte lap voor zijn rechteroog. Een piraat? Wat doet die nou hier? Hé joh, ga weg! De piraat lacht naar hem en wenkt hem te volgen. Op zijn zwabberbenen gaat hij mee. O wacht! Ze zitten natuurlijk op een schip, vandaar die golvende bewegingen. De piraat slaat een hoek om. Hij volgt braaf. Maar om de hoek zijn drie deuren en geen  piraat meer te zien.

Voorzichtig opent hij de eerste deur. Hij staat buiten, waar het direct flink begint te waaien. Hij voelt de wind langs zijn lichaam strijken. Er vliegen vogels vlak langs zijn gezicht. Witte vogels. Grote witte vogels. Groot en toch zacht. Hij kan ze zomaar uit de lucht plukken. Ze wegen niets en hij verfrommelt ze tot een prop.

Achter zich ziet hij de tweede deur. Snel trekt hij hem open alsof hij dat wat zich er achter bevindt  wil laten schrikken. Maar de enige die schrikt is hijzelf. De grond is bezaaid met gele ballen maar als hij er overheen loopt springen ze open en laten een spoor van bijtende vloeistof achter zich. En koud zijn ze ook. Zo koud. De kou trekt door zijn hele lichaam. Hij wil zijn handen in zijn zakken doen maar kan de zakken niet vinden. Hij wil haar bellen om te vragen waar de handschoenen liggen maar is haar naam vergeten. Achteruit lopend verlaat hij de kamer.

Bibberend duwt hij de derde deur open. Dit is beter. Lekker warm hier. Er staan zes tafels en op elke tafel staan 20 kopjes dampende thee. En kaarsen. Overal brandende kaarsen. Met flikkerende vlammetjes die er voor zorgen dat alles om hem heen beweegt. Zijn kleren van gisteren, de gordijnen, de linnenkast waar zijn ochtendjas aan hangt. Kijk uit met die wapperende gordijnen! Het wordt nu wel erg warm. Moet er niet een raam open. Hij stikt! Het zweet gutst van hem af. Hij wil gillen maar zijn stem doet het nog steeds niet.

Opeens staan er twee kleine mannen naast hem. Wat willen ze van hem? Ze willen hem pakken! Ontvoeren misschien wel! Ga weg! Zijn kleine mannen niet veel gevaarlijker dan grote?! Weg! Weg!!

Dan voelt hij weer haar koele hand op zijn voorhoofd. “Wat doe je toch allemaal? Er liggen overal zakdoekjes, je ligt met je voeten buiten je dekbed, te transpireren als een gek en je doet lelijk tegen de jongens! Ik ga nu de dokter bellen!”