Tagarchief: fantasie

Saatse

Een kleinkinderendagfragment

Situatie: Mama zit met Lieke (3 maanden) op de bank, opa er naast in de stoel. Emma (3 jaar) springt rond en Oma (iets ouder) kijkt een beetje verliefd toe.

Emma: Oma kom je met mij spelen?

Ik (opspringend): Tuurlijk! Wat gaan we doen?

Emma: ‘Met de bal!’

Ik: ‘Oké’

Emma: ‘Mama, Lieke en Opa, jullie moeten goed kijken! Dit is Oma (wijst op mij en ik maak een diepe buiging), dit is Emma (wijst op zichzelf en buigt ook) en dit is de bal (houdt een half lege opblaasbal omhoog).

Uitermate handig voor het publiek te weten wie wie is. Voor de zekerheid blaast ze de bal nog een keer op. Dit kan ze prima maar tegen de tijd dat het dopje er weer op zit ziet de bal er net zo lek uit als hij is. We gooien een paar maal over en weer totdat ze een ander idee krijgt.

Emma: ‘Saatse! Kom Oma jij moet ook saatse aan angers ga je vallen.’

Er wordt mij een denkbeeldig paar schaatsen aangereikt die ik, op de bank gezeten, denkbeeldig onderbind en begeef me wiebelend buiten het vloerkleed. Al snel heb ik de slag te pakken, schaatsen verleer je nooit. Ik zwier ik met de handen op de rug van keuken, langs eettafel, speelgoedkeuken, roze poppenwagen en schemerlamp, langs tv-kast met aquarium naar tuindeur, een soort elfplekkentocht. Als ik wil uitrijden blijkt de gangdeur dichterbij dan gedacht en ik roep: ‘Help, ik kan niet stoppen!’ Twee kleine handjes houden mij vast en de woorden: ‘Niet bang zijn, ik help je wel oma!’ behoeden mij voor een denkbeeldige ramp. We saatsen nog even verder. Dan wrijft ze met haar handen over haar armen en trekt de schoudertjes hoog op: ‘Koud hè oma?!’ ‘Nnnnou….!’, bibber ik. ‘Kom even zitten,’ zegt de spelleidster en huppelt naar de bank. Als ik naast haar neerplof: ‘Wel je saatsen uit doen oma!’ O ja… ‘Hier heb je wamme sokkolademelk!’ Dat helpt direct. We zitten heerlijk te smullen.

‘O oma kijk! Het water is weg!’

‘O jee, gesmolten?’

‘Nee weg oma!’

‘Dan kun je nu wel zwemmen!’

‘Ja!!!’

Met een ferme plons vanaf de rand van het vloerkleed duikt ze het water in. Ze spettert en spattert dat het een lieve lust is. Opeens gaat ze staan en maakt met haar handjes tegen elkaar een kommetje en zegt op huilende toon:

‘O oma, een kleine visje! Hij is verdrietig.’

‘Ach wat zielig, wat is er aan de hand?’

‘Hij is zijn moeder kwijt!’

‘O jee, en nu?’

Ik zie de tweestrijd in haar hoofd. Gooit ze hem terug met de woorden ‘zoek het zelf maar uit’ of gaat ze hem redden, maar hoe dan en waarmee?

Ze loopt naar haar eigen aquarium, opent het voederklepje en propt het denkbeeldige verweesde vissenkind in de bak.

‘Zo, hij mag bij ons blijven.’

Dit soort avonturen kan ze eindeloos lang volhouden en ik geniet daar zomaar van mee. De tegen de muur opgestapelde berg, vooral roze, speelgoed  lijkt op zulke momenten nutteloos. Ik houd ervan:

Een dag niets verzonnen is immers een dag niet geleefd!

Oppasdagfragment

Ik lig op mijn rug. In een knalgeel kinderbadje. Zonder water. Niet erg comfortabel. Maar de kleine dame naast me heeft me zover gekregen.

‘Oma, kom je met me spelen?’ ‘Tuurlijk, wat gaan we doen?’

Ze sjouwt kussentjes van de tuinbank en dekentjes uit de poppenwagen in het gele badje. ‘Kom Oma, we gaan slapen!’ Een van mijn lievelingsspelletjes. Dus ik vlei mij gracieus in het bedachte bed. Nou dat vleien moet je ook maar bedenken… Na veel gekreun en gesteun lig ik met mijn hoofd op een kussentje. Mijn voeten steken ver buiten het badbed. Ik wil een dutje doen. Maar dat gaat zomaar niet!

‘Oma, je moet wel onder de deken!’ ‘O ja, natuurlijk!’

Ik trek het kleinood naar me toe en weet ternauwernood mijn schouders te bedekken. Naast mij hoor ik tevreden snurkgeluidjes. Dit hou ik wel een poosje vol.

‘Oma, je moet wel je lampje uit doen!’ ‘O ja natuurlijk!’

En ik druk met een vinger op de rand van het badbed. We snurken samen om het hardst tot we de slappe lach krijgen.

‘Oma, kijk jij eens buiten of het nog onweer is!’ ‘Tuurlijk, doe ik, nee het onweer is afgelopen.’

Ik denk rustig door te kunnen tukken maar kennelijk is het weer dusdanig goedgekeurd, dat andere activiteiten gedaan kunnen worden. Zo zit ik even later op de rand van het gras met een stokpaardje tussen de benen. Let wel: met de kop van het paard tussen de benen en de stok vooruit. We zijn aan het vissen! Ze bijten niet erg vandaag dus het spel is snel afgelopen. Mijn speelmaatje loopt wat heen en weer en slaakt opeens een afgrijselijke gil!

‘Oma!!! Help!!!’

Ik smijt de hengel aan de kant en snel naar haar toe. Met één handje voor de mond wijst ze met haar andere handje naar een pop die op de tuintegels ligt.

‘Poppie ligt in de modder! Jij moet helpen. Poppie wil eruit!’ ‘Tuurlijk! Snel!’

We pakken allebei een arm van Poppie en trekken haar langzaam los uit de diepe modderlaag. Het valt nog niet mee maar gelukkig, het lukt ons. Om het te vieren gaan we op zoek naar wat lekkers. We eindigen met een beker vol pepsils. Ze deelt makkelijk, samen knabbelen we vergenoegd. Opeens krijgt ze weer een nieuw idee. Ze pakt drie pepsils waarvan ze er eentje tot de helft opeet.

‘Kijk Oma, dit is Papa, dit is Mama en dit is Emma.’ ‘Goed van jou zeg! En waar is Oma?’

Toch wat beducht dat ze mij al opgegeten heeft, of dat ik geen slanke pepsil ben maar een stuk worst, of dat ze me niet lust, pakt ze een nieuwe uit haar beker.

‘Hier ben je, Oma!’ ‘Ja, Oma is hier!’

Wat een heerlijke, oneindige, ik-hou-d’r-zo-van, fantasie…

 

 

Verhalenslang 18/25

(De eerste zin van dit verhaal is de laatste van het vorige verhaal. Beide verhalen hebben niets met elkaar te maken.)

We zorgen graag een beetje voor jou”, lispelde het groene mannetje met de drie ogen. Het meisje met de slobkousen was echter niet gerustgesteld. Zo goed werd er helemaal niet voor haar gezorgd. Elke morgen kreeg ze als ontbijt een hard broodje met zachte spinnenkoppen maar dan nota bene zònder boter. Tussen de middag kreeg ze regionale schoenzolensoep waar af en toe nog een pittig hakje in ronddobberde, terwijl ze aangegeven had nìet van pittig te houden. En als diner kreeg ze te vaak gebakken soldatenbroeken met harde goudkleurige gespen, die regelmatig in haar keel bleven steken. Ze vond het een hotel van niks. Maar ja, het was een cadeau van haar grootmoeder en dat kon ze natuurlijk niet weigeren.

“Vollugt u mij maar niet”, lispelde het groene mannetje met de drie ogen weer. Zuchtend stond het meisje met de slobkousen op en volgde het mannetje onopvallend. Ze moest nog twee excursies afleggen en dan kreeg ze haar Diploma van Onbetrouwbaarheid. Wie wil dat nou niet?! Het mannetje was razend vlug en rende een lange gang door. Om de vijf meter gooide hij een tussendeur dicht met steeds een andere methode. Het meisje moest de deuren zo snel mogelijk open krijgen. Wat hij niet wist was dat de slobkousen van het meisje gevuld waren met hamers, beitels, zagen en pleisters, waardoor het haar wonderwel snel lukte de deuren te openen. Vandaag zelfs zonder de pleisters nodig te hebben. De tweede excursie was ook een makkie voor haar: ze moest zelf haar avondeten maken. Stiekem stopte ze de gespen in haar slobkousen en daardoor was ze als eerste klaar.

“Ik ben blij dat je het vreselijk gehad hebt kind!”, mekkerde grootmoeder verheugd toen het meisje met de slobkousen haar kwam bedanken.  Op het station had het meisje met de slobkousen nog een doos bedorven chocolade gekocht die grootmoeder nu met veel gesmak zat weg te werken. Toen de doos bijna leeg was begon grootmoeder te hoesten. Te hoesten en nog eens te hoesten. Ze hoestte zo vreselijk dat eerst haar gebit naar buiten vloog en daarna een klein goudkleurig gespje. Ze werd roder en roder. Het meisje met de slobkousen stond er bij te kijken. Ze lachte bijna.

 

 

Heb meelij

Je gelooft het misschien niet maar er zijn mensen die jaloers zijn op mijn fantasie. Maar weet je dat dit ook gigantisch tegen me kan keren, dat ik er soms niet los van kan komen, dat mijn fantasie maar door en doorgaat.

Afgelopen week een paar dagen in Duitsland doorgebracht. Lekker in een hotelletje. Met meerdere mensen. Mijn fantasie maakte al overuren zodra het ontbijtbuffet begon. Maar daar heb ik eerder eens over geschreven. Ik wil je graag op iets anders wijzen.

Ik rijd mee dus heb alle tijd en gelegenheid om naar buiten te kijken. En me te verwonderen over wat ik daar allemaal zie. Moeite heb ik altijd met die bordjes ‘Ausfahrt’. Het heeft iets verdrietigs. Evenals het bordje ‘Rastplaz’. Het heeft iets eindigs, toch?

Maar heb je wel eens op de namen van die parkeerplaatsen gelet? Ze hebben sowieso allemaal een WC en een bordje ‘Bitte sauber halten’. Goede combinatie lijkt me dat, hoewel ik er nooit veel vertrouwen in heb.

De eerste die ik tegenkom heet Rehweg. Ik denk nog logisch, langs de rijweg.

De tweede heet Helderloh. Meteen denk ik aan schoon en aan het Engelse loo maar dan op z’n Duits.

De derde heet Mäusegatt. Tja, misschien een klein plekje of alleen voor kleine boodschappen?

De vierde heet Schwiendahl. Nou, die komt op mij niet erg sauber over, wat een zwijnenstal?

De vijfde heet Schwarzheide. Als je denkt dat het niet erger en smeriger kan moet je hier eens kijken/ruiken?

De zesde heet Hunscheid. Ja, dat zou ik ook doen: nooit zeggen dat het van jou is, altijd van hun!

De zevende heet Drögenputt. Stink er niet in (of juist wel) want je gelooft toch niet dat het daar een droge put is?

Intussen ben ik een appelflauwte nabij op de bijrijdersstoel. De chauffeur vraagt waar ik last van heb.  Teveel fantasie, zielig hè.