Tagarchief: bundel

55 woorden

Schrijverspunt heeft weer een schrijfwedstrijd georganiseerd: schrijf een verhaal van 55 woorden. Van 14 t/m 21 februari werd de Week van het Korte Verhaal hiermee gevierd. Makkie, denk je dan. Lekker weinig woorden, snel klaar. Je hoeft je ook maar aan twee spelregels te houden:

  1. Alleen fictie komt in aanmerking, dus echte afgeronde prozaverhalen, met een begin, een midden en het liefst een verrassend eind. Gedichten, filosofische overpeinzingen en beschouwingen van natuur en persoonlijk leed, hoe mooi ook opgeschreven, worden onverbiddelijk en meedogenloos terzijde gelegd en doen niet mee aan de wedstrijd.

Oké, denk ik dan, dat klinkt een stuk strenger. Hogere eisen dan ik aanvankelijk dacht. Weinig woorden voor een afgerond verhaal. Wat kun je vertellen? Het moet wel ergens over gaan.

  1. Het verhaal moet in precies 55 woorden, inclusief de titel worden verteld!

Wat?! Inclusief de titel? Tjonge, dat wordt een errug kort verhaaltje. Ik heb toch een idee en begin gewoon enthousiast te schrijven. Klaar. Even tellen: oeps, 257 woorden… Ik heb ooit eens een boekje gelezen: ‘Schrijven en schrappen’ en dat breng ik nu maar al te graag in de praktijk. Dan ga ik van 257 naar 163 naar 53. Dit zijn er te weinig! Dan heb ik er eindelijk precies 55! Maar o jee, de titel vergeten. Opnieuw schuiven en schrappen totdat er een heel verhaal inclusief titel van 55 woorden staat. Snel insturen en dat deden 699(!) mensen met mij. Na een best wel korte tijd (het waren natuurlijk ook maar korte verhaaltjes…) kwam de uitslag al en konden  55 schrijvers zich verheugen op een plek in de bundel en ik zit daarbij. Jippie!

Eén verhaal wordt als winnend verhaal uitgekozen en vooraan in de bundel gezet. Deze keer is het van Lilian Steenvoorden en het gaat zo:

Overstekend groot wild

‘Weet je het zeker, er is zoveel lawaai hier en ik zie almaar van die lichten.’ De groep herten kwam behoedzaam uit het kreupelhout tevoorschijn. ‘Ja, kijk maar.’ Het oudste hert knikte in de richting van de rood-witte driehoek op een dunne paal. ‘Dat zijn wij toch? We mogen hier zelfs springen.’

Ik vind ‘m grappig en leuk gevonden.  Mijn verhaal gaat zo:

Verrassing

Op Jacqueline’s Nieuwjaarsfeestje in augustus kijk ik zoekend rond. Ik heb haar twee jaar niet gezien. Ik zie een man, in zijn gezicht trekken van Jacqueline. Nooit geweten dat zij een broer had. Hij kust me en zegt met de stem van Jacqueline: ‘Proost op mijn nieuwe jaar lieverd. Het nieuwe jaar van Jacques.’

Wil je de andere 53 verhaaltjes ook lezen moet je de bundel maar kopen. Het is de vierde keer op rij dat deze jaarlijkse wedstrijd georganiseerd wordt met als vaste sponsor Stichting Biblionef. Deze stichting stelt zich ten doel om kinderen overal ter wereld de kans te geven om te lezen. Hoe mooi is dat! Zo kun je lekker lezen en tegelijkertijd kinderen helpen! 👍😍

 

Advertenties

Droomvakantie

(Dit verhaal heb ik ingezonden voor de schrijfwedstrijd van Uitgeverij Adoremi en heb hiermee een plaats in de bundel verworven! Hoera! Er staan nog veel meer mooie verhalen in die allemaal aan het thema ‘Dromen’ voldoen. De bundel ‘Geen droom te ver’ is te koop bij http://www.adoremi-moments.nl/winkel, bij de boekhandel en bij bol.com. Laat je meevoeren in de variatie van emoties: een lach, een traan, een verrassend plot of een verborgen boodschap)

Zeg nou niet dat jij er nog nooit van gedroomd hebt! Iedereen droomt toch van een langdurig verblijf op een tropisch eiland? Met palmbomen, witte stranden, lekker zonnetje en een hele leuke meneer die je rug insmeert en je drankjes brengt. Oppervlakkig? Dacht ik eigenlijk diep van binnen ook wel eens. Maar hé, nu heb ik het nergens meer over want ik heb namelijk zo’n vakantie gewonnen! Het reisbureau in ons dorp organiseerde een vakantieverhalenwedstrijd om hun 15 jarig bestaan te vieren en daarmee heb ik gewoon de hoofdprijs binnengesleept.

Zo hard als Anton me uitlachte toen hij mijn inzending las, zo hard lach ik nu. Het is een reis voor twee personen maar hij stond er op dat ik met mijn beste vriendin Bets zou gaan. Het enige nadeel was dat zij niet eerder vrij kon krijgen, dus ze komt een dag later. Nu lig ik hier in mijn eentje gelukzalig te genieten van die palmbomen, het witte strand en -echt waar- een prachtige meneer die me drankjes brengt. Straks even vragen of hij m’n rug wil insmeren. Soms komen dromen echt uit, dat zie je maar weer.

Ik sluit mijn ogen, laat de zon mijn lichaam ongegeneerd strelen en slaak een diepe zucht van tevredenheid. Loom veeg ik een kriebelend beestje van mijn been. Van mijn buik. Van mijn gezicht. Ik voel de zon verdwijnen en open verbaasd mijn ogen. De prachtige meneer zit geknield naast mijn ligstoel en kietelt me plagend met het vlaggetje uit mijn cocktail. Hij staat op en strekt zijn hand naar me uit. Ik grijp hem en laat me gewillig meevoeren. We zeggen allebei geen woord. Is niet nodig. Ik weet wat hij wil. En ik wil het ook. Hij voert me naar een boot. Een luxe jacht eigenlijk. Ik kijk nog vragend naar hem om als hij me voor laat gaan het trapje af naar beneden maar hij knikt geruststellend en veelbelovend.

Benedendeks is het niet helemaal wat je van een jacht zou verwachten. De wanden zijn bedekt met donkere kleden. In het midden zit aan een kleine ronde tafel een dame gehuld in een donker gewaad. Ze wenkt me naderbij te komen en wijst naar een stoeltje bij de tafel. Ik ga zitten. Als ik omkijk is mijn begeleider verdwenen. Maar zodra ik op wil staan dwingt de vrouw me met haar ogen te blijven zitten. Wat is dit? De vrouw schudt een stel kaarten en houdt ze uitnodigend voor me. Ik denk dat ik er eentje moet pakken en dat doe ik ook. Het is een kaart met een groot rood hart. De vrouw glimlacht ondeugend. Ja, die snap ik wel. Denk ik. Ze houdt me nog een stapel voor en ik pak er nog eentje uit. Hierop staan een zwarte spin. Ze schrikt en deinst achteruit. Ze gilt en haar handen gebaren dat ik weg moet. Eerlijk gezegd doe ik niets liever. Het begint me allemaal een beetje te onheilspellend  te worden. Ik ren naar buiten en sluit direct mijn ogen voor het felle zonlicht. Dan hoor ik een aanhoudend gezoem. Ik open mijn ogen. En constateer dat ik nog op mijn ligbed lig en mijn  telefoon overgaat.

Bets stuurt me het bericht binnen een halve dag hier te zijn. Het is haar zeker toch gelukt zich eerder vrij te maken. Ik sta op en ga naar mijn kamer. Ik neem een verfrissende douche en ga beneden alvast een dinertafel voor twee reserveren. In de bar dood ik de tijd. Net als ik een vierde (of was het een vijfde) drankje aan wil pakken tikt er iemand op mijn schouder. “Hoi hoi, verrassing! Hier ben ik al! Meid wat een reis, maar wat is het hier mooi! Ik vind het echt zo tof van je dat ik met je mee mocht! Weet je zeker dat Anton niet pissig was? Nou ja, daar is het nu te laat voor want ik ben hier! Wat gaan we doen? Eerst drinken, eten of kunnen we nog naar het strand. Ik heb zo’n beeldige bikini gekocht! Ja, op Schiphol nog hoor want thuis had ik er geen tijd voor en die van vorig jaar kon echt niet meer. Hé, wat is er? Wat kijk je raar?” Ik kijk, ik luister, maar ik herken haar niet. Wie is deze dame?

‘Bets?’, stamel ik nog. Ik doe een halfslachtige poging elegant van de barkruk te stappen maar dat valt niet mee. Ik laat me omhelzen en probeer uit alle macht te bedenken wat ik zeggen moet. En omdat ik zwijg en omdat Bets van ons tweeën altijd het meest voortvarend is, bevinden we ons al snel op onze kamer. De vrouw ratelt aan één stuk door terwijl ze haar koffer uitpakt. Ik moet even alleen zijn en weet me te verschansen op het toilet. Wat gebeurt hier? Ik schud mijn  hoofd heen en weer om een helder beeld te krijgen. Ik kijk in de spiegel of ik mezelf nog wel herken. Een harde klap op de deur doet me opveren. “Alles goed meid? Kom je? Ik heb dorst en trek in een leuke barman, hahaha. Kom!” Als ik uit de badkamer kom drukt ze me een glas in de hand. “In één keer hè!”, roept ze. Ik doe wat ze zegt en word direct overvallen door een intens gevoel van moeheid. Ik wil alleen maar liggen. Met mijn ogen dicht.

Wat een gebonk! Wie is er zo aan het timmeren? Als ik onder de deken vandaan kruip realiseer ik me dat er iemand op de deur klopt. Mijn horloge geeft dat het al bijna lunchtijd is. Daarna kijk ik snel om mij heen naar mijn kamergenote. Het tweede bed is echter onaangeroerd. En als ik goed kijk zie ik ook geen koffer of andere spullen meer. Het gebonk op de deur houdt aan en ik besluit toch maar open te doen. En dan vliegt Bets me in de armen! De echte Bets welteverstaan. “Wacht even!”, roep ik en doe twee stappen achteruit. “Waar kom jij vandaan? Hoe kom je hier? Heb je een bikini bij je? Was jij hier gisteren ook?” Ik struikel bijna over mijn eigen woorden en de ogen van Bets lijken groter te worden. “Gaat het wel goed met je?”, vraagt Bets bezorgd. Ik weet het niet, niet zeker in ieder geval.

Later zitten we samen in de eetzaal, als de leuke drankjesman recht op ons af komt. Onze stemming is enigszins bedrukt door wat mij overkomen is en we prikken doelloos in onze salade. “Hé, heb je nu weer een andere vriendin bij je? Maakt niet uit hoor. Maar Juan van het zwembad en ik vroegen ons af of jullie zin hebben met ons iets te drinken vanavond bij de Copacobana-bar hier verderop in de straat.” “Nou…eh….”, stamel ik. Bets schopt me onder tafel en roept enthousiast: “Graag wij kunnen wel wat afleiding gebruiken!” “Fijn!”, zegt hij, “Dan zie ik jullie rond negen uur!” Bets springt op en trekt me mee van tafel. Ze loodst me langs allerlei winkeltjes in het hotel, die gelukkig tot middernacht geopend zijn, om even later met twee volle tassen op de kamer aan te komen. Intussen heb ik ook de smaak te pakken, hijs me in een nauwsluitend jurkje en ga me uitgebreid opmaken. Weg met die muizenissen. Leven zullen we!

De mannen fluiten goedkeurend en Bets en ik doen hetzelfde. Wat een hunks hebben we bij ons. Het belooft een geweldige avond te worden. We kletsen, lachen, flirten en drinken.  Eerst met z’n vieren maar al snel geeft Juan Bets meer aandacht. De drankjesman, die bij nadere kennismaking -hoe voorspelbaar wil je het hebben- Romeo blijkt te heten, blijft in mijn buurt. Het is vol en warm. Ik zie Bets met Juan dansen, ze zwaait. Ik steek mijn duim omhoog en omhels Romeo veelbelovend. We dansen steeds wilder en later ook intiemer.  Anton is ver weg, heel ver weg.  Het bedienend personeel zwiert regelmatig door de zaal met bladen vol gekleurde cocktails die gretig aftrek vinden. Romeo overhandigt me een glas met zachtgele inhoud. Hmmm, lekker zoet. Waar smaakt dit naar? O nee, nee, toch niet naar… Mijn lippen zwellen op maar ook mijn keel! Ik krijg het vreselijk benauwd! Ik denk nog: ‘Wat een genante vertoning!’, voordat ik op de grond val. Romeo schreeuwt. Bets duwt iedereen opzij die in de weg staat en knielt naast me neer. Het enig wat ik nog kan uitbrengen voordat alles zwart wordt is: “A-na-nas…”

Anton staat al te zwaaien bij de aankomsthal. Even later drukt hij me tegen zich aan. “En, heb je het leuk gehad?”  Wat zal ik zeggen. Hoe leg ik uit dat ik in tijd van een paar dagen bij een enge waarzegster ben geweest, dat ik een nep-Bets op bezoek heb gehad, dat ik wel dood had kunnen zijn als de echte Bets mij niet op het nippertje had gered van de ananasallergie door de EpiPen uit mijn tas te vissen en te gebruiken, dat ik nog een dag in een vreemd ziekenhuis moest blijven en dat ik van Romeo een ring heb gekregen met een zwarte spin om het kwaad te bezweren.  Ik antwoord: “Ja hoor schat, het was meer dan leuk, echt wat je noemt een droomvakantie!”

 

 

Schrijven en lezen

Al eerder heb ik eens vermeld dat er een wereld van verschil is tussen schrijven en lezen. De schrijver schrijft en de lezer leest. De schrijver schrijft een verhaal met een bedoeling, intentie, probeert sfeer en indruk over te brengen. Als de lezer leest wat de schrijver geschreven heeft kan de lezer het toch heel anders interpreteren dan de schrijver bedoeld heeft. De lezer leest er iets anders in.

Zo heb ik meegedaan aan een gedichtenwedstrijd. Voor de verandering. Meestal kom ik niet verder dan een fikse 5 decemberrijm maar om dat nou onder de categorie gedichten te plaatsen gaat wat ver (veel te ver). Waarom nu wel dan…omdat de opdracht mij aansprak. Het moest namelijk een beeldspraak zijn, een gedicht over een ding. Dus niet over duistere sferen, zweverige gevoelens, onduidelijke metaforen of andere vage dingen. Gewoon over een ding.

Ik deed mijn best, perste er twee uit mijn letterkast en stuurde ze beiden in. Eentje heeft er gewonnen en komt in een bundel. Welke denk jij?

Deze:

Elke dag, als ’t even kan

(soms zelfs vaker, dat ligt er maar net an)

houd ik je liefdevol vast.

Terwijl ik je gepast betast

raak ik bijna buiten zinnen,

wil meteen met je beginnen.

Samen nieuwe verhalen maken.

Voelen, doen, niet verzaken.

Ik stuur je gretig waarheen ik wil,

jij volgt volgzaam elke gril.

Dan weer grijp jij de macht,

handelt onverwacht.

Wie stuurt wie, ’t is om het even

zolang we allebei maar alles geven.

Op de top van de wereld beland

staan we gelukzalig hand in hand.

Elkaar gevonden.

Samen zen.

Ik

en mijn schrijvende pen.

Of deze:

Twee pootjes

Twee vleugels

En een brug.

Zonder jou

Bots ik gauw

Geef mijn bril terug!