Tagarchief: bladluis

Verhalenslang 16/25

(De eerste zin van dit verhaal is de laatste van het vorige verhaal. Beide verhalen hebben niets met elkaar te maken.)

Een paar grote blauwe kinderogen kijken me aan. Zucht! Te laat. Ik ben ontdekt! Altijd hetzelfde liedje: een kindermens dat me gevonden heeft. Ik verstop me steeds zo goed mogelijk in de struiken maar ze vinden me altijd. Oké, soms let ik niet goed op en wil ik wel eens open en vrij op een tafelblad lopen. Kijk, dan is het mijn eigen schuld dat ze me vinden. Maar nu zat ik op een tak. O nee hè, daar komt weer zo’n vingertje. De kleine poert  net zo lang tegen mijn pootjes dat ik wel op die vinger moet springen. En zodra ik eraf wil rennen komt er weer een andere vinger tevoorschijn. En nog een, en nog een. Gek word ik er van! Alsmaar op zoek naar het hoogste punt om vanaf te vliegen. Help!

Het wordt nog erger: het glazen huis! Mijn moeder waarschuwt me er elke avond voor. Regelmatig wordt het trieste relaas van oom Piet aangehaald. Ik moet er altijd om lachen. Moeders zijn zo overbezorgd dat ze de meest enge verhalen ophangen om hun kroost maar wat angst in te boezemen. Om hen te ‘beschermen’ noemen zij dat. Het zal allemaal wel. Ik laat me toch zeker niet vangen en opsluiten. Maar nu voel ik toch een zekere mate van paniek opkomen als ik een glazen huisje op tafel zie staan. Het blonde mensenkind roept iets en er verschijnt een roodharig mensenkind, die haalt het dak van het glazen huis. Ik stribbel zoveel mogelijk tegen maar ren uiteindelijk alleen maar rondjes. De hand beweegt op en neer en dan vlieg ik zomaar door de ruimte. Ik ben zowel stuur- als gewichtsloos en eindig met een zacht plofje in het glazen huis.

De blaadjes op de bodem breken mijn val. De dak wordt vliegensvlug gesloten. En daar zit ik dan. De blauwe en groene ogen komen angstaanjagend dichtbij. De open monden vormen diepe spelonken. Ik houd me stil. Ga op mijn rug liggen en trek al mijn zes pootjes in.  Misschien vergeten ze me dan en leggen zij hun aandacht op iets of iemand anders. Dat had ik beter niet kunnen doen. Een hand, ik meen van de rode, klemt zich om het huisje en dan wordt ik ongenadig door elkaar geschud. De blaadjes vliegen door de ruimte en vallen op mijn hoofd. Met veel moeite kruip ik er onder vandaan en een gejuich klinkt vervormd van buiten.

Ik krijg het benauwd. Echt benauwd. Frisse lucht zou welkom zijn. Ik ga me steeds trager bewegen. De kindermensen schudden het huis nog eens door elkaar maar ik kan echt niet meer. Waarschijnlijk hebben ze het in de gaten want opeens gaat het dak eraf, een stuk papier moet het vervangen. Buiten het huisje klinkt getimmer en dan komt het dak er weer op. Er zitten nu gaten in waar de zo gewenste frisse lucht door heen komt. Een paar maal haal ik heel diep adem en voel me direct opleven. Ik heb er honger van gekregen maar onder de blaadjes is geen enkele luis te vinden. De kindermensen zijn kennelijk tevreden met mijn gescharrel en verdwijnen op twee wielen. Eten, hoe kom ik aan eten? Dan kijk ik omhoog en zie de blauwe hemel door de gaten van het dak heen. Zal ik? Ik doe het en vlieg omhoog naar wat mij het grootste gat lijkt. Nee! Ik pas er niet door! Ik zit klem! Ik wrik en wurm me een ongeluk en opeens schiet ik los. Auw! Een stukje rode vleugel hangt nog aan de opening. Gelukkig kan ik nog vliegen. En ik vlieg, ik vlieg en ik vlieg…

Hoog boven op een struik zie ik hoe een windvlaag het glazen huisje van de tafel doet rollen. Het valt in duizend scherven.