Tagarchief: bang

Verhalenslang 1/25

Nog 30 meter, dan is Maja bij haar auto. In de donkere parkeergarage weergalmt het staccato geluid van haar hakken. Wat een filmisch decor. Slechts de enge man ontbreekt. Nog 15 meter. Ze rilt. Van de kou? Ze is toch zeker niet bang?

Opeens duiken er twee donkere gestalten op. Figuren met de capuchon tot over de ogen, hun gezicht is niet te zien. Van schrik zwikt ze door haar linkerenkel. Die rothakken ook. De kleinste van de twee gaat voor haar staan, steekt zijn gehandschoende hand uit en beveelt: “Geef op!” Snel doet ze twee stappen opzij. Niet snel genoeg. De grootste staat nu voor haar. Breed. Dreigend. Hij haalt snuivend door zijn neus adem en snauwt: “Je hebt het gehoord, geef op!” Hoorde ze dit nu goed? Die lange had een hele hoge piepstem. Schichtig kijkt ze van de een naar de ander. Wat moet ze doen? Wat willen die gasten? Waarom zeggen ze niets meer?

Dan begint de kleine zachtjes te grinniken. De lange stoot hem eerst nog waarschuwend aan maar schiet dan ook in een onbedaarlijke schaterlach. Tegen elkaar aan vallend van de lach glijden de capuchons af .

“Eef en Sas! Zijn jullie helemaal gek geworden! Ik schrik me helemaal een ongeluk!”

“Sorry,” zegt kleine Evelien, “maar je zat ook zo op te scheppen vanavond dat jij nergens bang voor was.”

“Precies,” vervolgt Saskia, “en dat wilden wij wel eens testen. Maar je bent geslaagd. Kom wij trakteren op een borrel, voor de schrik, bij de Brakke Hut.”

Al giechelend stappen de meiden in Maja’s auto en rijden de parkeergarage uit. Niemand ziet de Aziatische man achter de pilaar.

Advertenties

Bassertief

Ik weet niet of je de oudejaarsconference van Claudia de Breij hebt gezien? Het viel haar op dat mensen tegenwoordig zo boos zijn en dat dit best wel wat minder kan. Een stuk minder zelfs. Ik was het met haar eens en ben het nog. Een aantal oudejaarsoverdenkingen terug ging het over het hebben van korte lontjes, eigenlijk hetzelfde. Is er dan niets veranderd?

Heel erg aangesproken voelde ik me overigens niet want hé, als die grote meneer liever vòòr mij in de rij bij de kassa dringt doe ik zelfs een stapje naar achter. Zo ben ik.

Als ik in een restaurant als bijgerecht gebakken aardappeltjes krijg in plaats van de beloofde huisgemaakte frieten denk ik ‘ach, het is allemaal aardappel’.

Als iemand zijn auto in het gaatje wurmt waar ik voor sta te wachten rijd ik geduldig nog een rondje over het overvolle parkeerterrein.

Als er iemand tegen mij aanbotst zodat het bovenste bolletje van mijn hoorntje met drie bolletjes malaga-ijs op de grond valt denk ik ‘dat ging vast per ongeluk’.

Als ik nog meer voorbeelden ga geven hoor ik je denken ‘wat een suffe! Dit heeft niets meer te maken met niet boos worden maar met angst!’. Tja, dat klopt dan ook wel een beetje. Boosheid is soms angstaanjagend. Ik voel me er niet prettig bij. Heb gewoon geen zin in gescheld van een ander. Vind het ook de moeite niet waard. Ontwijkend gedrag dus. Herkenbaar? Of ben ik de enige?

Op zijn tijd ben ik heus wel assertief hoor en kom ik voor me zelf op of voor iemand anders. Maar de scheidslijn tussen assertief en boos is ragdun. Ik bevind me dan in een bassertief moment. Zo bestelde ik laatst een sesambroodje. Hmm lekker! En ik kreeg dit…

sesambroodje

Het is ontegenzeglijk een sesambroodje maar bedoelde ik deze? Word ik nu boos? Geef ik die sesambakker een pak verbale rammel? Ga ik verhaal halen en meer zaadjes eisen? Zoveel zaadjes als waar ik voor betaald heb?

Of maak ik er heel bassertief een foto en een smeuïg blogje van? Meteen maar even doorsturen naar Claudia 😉

Vertalen

vertalen

Je hebt het vast ook wel eens meegemaakt, dat je een winkel binnenstapt tegelijk met iemand anders. En omdat je de winkelroute aanhoudt kom je die persoon steeds tegen. Je haalt hem in en vervolgens passeert hij jou weer. Als het dan ook nog eens meerdere personen zijn, een stel of een gezin, krijg je gratis een inkijkje in hun leven. ‘Niet te zwaar eten want we moeten nog sporten’. ‘ Iets extra’s voor bij de koffie want oma komt morgen’. ‘ Neem je nu alweer wijn?’.

Van de week liep ik gelijk op met een ouder echtpaar. Meneer was een statige verschijning, oogde een beetje moe maar duwde dapper de rolstoel van zijn vrouw. Een allerliefst dametje met glimmende oogjes en haar sjaaltje een beetje scheef. Plots sprong zij uit de rolstoel en pakte gretig het eerste artikel binnen haar bereik. Ze bekeek het van alle kanten, legde het terug, pakte het volgende artikel, draaide het om en zette het weer terug. Zo schuifelde zij het hele gangpad door. Eén gangpad lang hield hij zijn mond en volgde gedwee met de rolstoel. Toen hield hij het niet meer uit.

  • Kom je weer zitten?
  • Nee!
  • Kom nou?!
  • Nee, zeg ik toch!
  • Kom zitten!
  • Nee, even kijken hier.
  • Je weet niet eens wat je moet hebben…
  • Als ik het zie weet ik het!
  • Kom nou zitten dan rijd ik je erlangs.
  • Nee!!
  • Kom zitten! Nu!!
  • Nou zeg, blaf niet zo.
  • O, wil je het op een clash laten aankomen?!
  • Op een wat? Praat toch gewoon man.
  • Kom zitten! Wil je weer naar de cardioloog?!
  • Hij ziet het toch niet…ik ben bijna klaar!

Zo ging het nog wel even door. Na het afrekenen bij de kassa zag ik hen weer. Zij zat weer in de stoel. Met een verbeten trekje om haar mond hield ze het tasje tegen zich aangeklampt. Hij sjokte er achter. Nog vermoeider dan eerst. Ze zeiden niets meer. Hopelijk kunnen ze elkaar vertalen. Naar ‘Ik word de hele dag geleefd mag ik alsjeblieft even zelf een boodschapje uitzoeken?!’ en naar ‘Kom nou zitten lieverd, want ik ben zo bang dat je weer ziek wordt en ik kan je niet missen!’.

 

Nr. 285

(Dit verhaal heb ik ingestuurd voor een schrijfwedstrijd van Kelly Meulenberg. De opdracht was de woorden ‘Ik ben niet bang’ ergens in het verhaal te gebruiken maar niet in de titel. Geen prijs maar wel een ervaring rijker.)

nummertje trekken

Als ik nietsvermoedend de wachtkamer van het priklab binnen loop voel ik onmiddellijk een sterke drang snel rechtsomkeert te maken. Wat een drukte. Deze ruimte is al niet mijn eerste keus en de lange wachttijd werkt niet bevorderend voor mijn humeur. Niemands humeur, als ik zo om mij heen kijk. Zuchtend trek ik een verplicht volgnummertje. De machine bedeelt mij nummer 258 toe. Het elektronische scherm boven de deur geeft aan dat er nog tien wachtenden voor me zijn.

‘Mam, ik ben een beetje bang’ fluistert een kleine jongen bibberig. Zijn moeder slaat liefdevol een arm om haar zoon en belooft hem troostend van alles en nog wat. Je ziet hem denken ‘Jij hebt makkelijk praten!’. Dan besluit hij het uit te buiten en schroeft de beloning wat op. Moeder is kennelijk bang voor drama en stemt haastig in.

‘Zal ik zo met je meelopen, ik ben bang dat je de zuster niet goed verstaat.’ vraagt een oudere meneer aan zijn dame. Zij wijst het aanbod vriendelijk doch beslist af. Waarschijnlijk heeft zij in dat huwelijk vaker haar eigen boontjes gedopt dan hij weet.

Nummer 255. Nog drie. Het gedrag in een wachtkamer bevreemdt mij telkens weer. Zoveel mensen bij elkaar op een kluitje die niets tegen elkaar zeggen. Hooguit een binnensmonds ‘Mogge’. Is iedereen bezig met eigen angsten? Waarom moet ik bloed laten prikken? Wat zal de uitslag zijn?

Een dame van middelbare leeftijd roept net iets te hard in haar telefoon ‘Hoi met mij. Hé luister es, ik ben bang dat ik het niet ga redden hoor! Gekkenhuis hiero! Nee joh, gaan jullie maar vast dan kom ik gewoon wat later. Hou wel een plekkie vrij hè? Ja, haha! Okido! Doei! Ja doe ik! Doei! Tot straks! Hoi!’. De neiging om ook heel hard ‘Doei ook van mij!!’ te gaan roepen weet ik met grote inspanning te onderdrukken. Of probeert zij haar angst te overschreeuwen?

Twee bijna identieke dames verschijnen met een rollend serveerwagentje ten tonele. Op hun linkerborst prijkt een grote button met de tekst ‘Ik ben vrijwilliger’. Om misverstanden te voorkomen. Zij voorzien liefhebbers van een drankje en serveren dit met een bijna identieke glimlach. Als de kleine jongen om cola vraagt doen ze eerst nog alsof ze zoeken tussen de melkcupjes en de zoetjes en verklaren dan gelijktijdig ‘Ik ben bang dat we dat niet hebben jongeman’. Nog geen drie tellen later druipt de moeder af naar het ziekenhuisrestaurant.

Nummer 257. Nog eentje. Is het hier nou de hele tijd al zo warm? Ik heb gewoon klamme handen. Is er nog tijd om naar het toilet te gaan? Hoe groot zijn die naalden eigenlijk? Wat nou als ik flauwval? Of erger, wat als ik gênant ga gillen? Of huilen? Ik moet echt heel nodig!

Nummer 258. Ben ik nou bang? Gedurende de tien meter lang die ik van de martelkamer verwijderd ben ontwikkel ik een mantra. Ik ben niet. Ik ben niet bang. Ik ben niet bang. Ik ben NIET bang.