Tagarchief: auto-ongeluk

Verhalenslang 25/25

(De eerste zin van dit verhaal is de laatste zin van het vorige verhaal. Beide verhalen hebben niets met elkaar te maken. De oplettende lezer ziet dat dit het laatste verhaal is van deze serie en dat de laatste zin van dit verhaal de eerste zin is van het eerste verhaal…volg je het nog 😉 De slang is daardoor rond, er is geen begin en geen einde.)

Hij is al drie straten verder als hij merkt dat zijn moeder niet meer naast hem loopt. Verbaasd kijkt hij achter zich. Roept nog eens vragend: ‘Mama?’ Dan draait hij om zijn as, zijn grote ogen wijd opengesperd. Een lange slanke meneer knielt bij hem neer. ‘Zo ventje, ben jij je moeder kwijt?’ De kleine knikt. ‘Zeg, weet je wel dat je hele mooie ogen hebt… Maar zal ik je bij je Mama brengen? Zullen we samen zoeken?’ De man pakt het handje van de kleuter en leidt hem richting parkeerterrein. ‘Weet je wat? We gaan met de auto zoeken, dat gaat veel sneller!’ De kleine stapt in, op weg naar zijn verdwijning.

Maya ploft op de bank tussen haar studiegenoten. ‘Kijk jongens, ik heb de foto’s van de vakantie gehaald! Hier was het strand, dit was een heerlijk barretje, waar Jolijn helemaal niet teveel gedronken had, hahaha. Dit was de leukste duikinstructeur ever, dit was het uitzicht tijdens die hike waar ik van vertelde en dit zijn wat plaatjes van de markt. Is het niet geweldig allemaal?! O, ik zou zo wel terug willen naar Italië. Weet je wat, ik ga pizza halen en we houden een lekker Italiaans avondje!’ En weg is ze. Joep kijkt nog een keer op zijn gemak de foto’s na. Hij grinnikt om de gekke gezichten die Maya steeds trekt. Opeens komt hij met een ruk overeind. Jolijn schrikt ervan en vraagt: ‘Gaat het? Wat heb jij nou! Je ziet zo wit als een lijk joh!’ ‘Niks!’, snauwt hij. Hij loopt naar zijn eigen kamer en niemand ziet dat hij een foto van de markt meeneemt.

Als hij niet verschijnt na het herhaaldelijk gebrul van Maya dat de pizza er is, komt ze naar zijn kamer. ‘Sinds wanneer sla jij een pizza af? Wat is er aan de hand?’, vraagt ze. Hij reageert niet en zit met gebogen hoofd op zijn bed. Dan gaat ze naast hem zitten en heft zijn gezicht naar haar toe.’Wat heb je toch een mooie ogen…’ Hij slaat haar hand weg en staat snel op. ‘Ik ga weg, naar Italië!’, zegt hij. ‘Eh… leuk’, reageert ze aarzelend, ’maar zullen we dat na onze tentamens bespreken?’ ‘Nee! Ik ga morgen. Alleen!’ ‘Wat doe je vreemd schatje.’ ‘Ik doe niet vreemd!’, schreeuwt hij bijna. Maya kijkt de kamer rond of ze wellicht een aanwijzing ziet voor zijn gedrag. Haar oog valt op haar foto. ‘Hee, wat doet die nou hier?’ Hij kucht wat en geeft de foto terug. ‘O, die had ik nog in mijn hand, neem maar meteen mee hoor. Ik moet nu pakken.’ Met deze woorden dirigeert hij haar de kamer uit.

Maya maakt zich zorgen. Ze bekijkt de foto van alle kanten, denkend dat hier de oplossing ligt voor het vreemde gedrag van Joep. Er staat een aantal mensen op de foto. Maya en Jolijn vooraan en op de achtergrond nog wat mensen op het terras. Mensen die ze niet kent. Ook niet als ze goed kijkt. Een ouder echtpaar, nippend aan een wijntje. Een jong stel samen aan één sorbet. Een lange slanke opa met zijn kleinzoon. O shit, wacht! Misschien doet dat beeld Joep wel aan vroeger denken. Alleen aan haar heeft hij toevertrouwd dat hij vroeger drie weken verdwenen is geweest, meegenomen door een lange slanke man. Resoluut opent ze haar laptop en zoekt naar krantenkoppen uit die tijd. Naar aanleiding van de beweringen van de kleine Joep is er destijds een compositietekening gemaakt. Wacht, hier heeft ze hem. Dan kijkt ze van de foto naar de tekening en terug en terug en hapt naar adem.

Maya rent naar de kamer van Joep. Leeg. Ze heeft hem niet weg horen gaan. Ze ziet dat zijn tas weg is en als ze zijn kast opent mist ze zijn spijkerbroek en favoriete t-shirt. Hij is weg! Op weg waarheen? Om wat te doen? Nooit heeft hij kunnen praten over die drie weken en altijd voelde ze een bepaalde reserve. Alsof ze nooit helemaal tot hem doordrong, of hij een schild om zich heen had opgetrokken, een schild dat aan hem vast zat en niet verwijderd kon worden. Maar hoe toevallig is het dat de dader waarschijnlijk op haar vakantiefoto staat. Kan een klein kind dat wel onthouden? Ze moet hem stoppen! Voor hij iets onherroepelijks gaat doen. Of juist niet? Moet ze hem met zichzelf en het verleden in het reine laten komen? Alleen? Nee, ze wil hem helpen! De enige mogelijkheid hem te spreken is  vermoedelijk nog op Schiphol. Ze staat op, grist haar jas van de bank en zoekt in haar tas de sleutels van haar rode autootje. Dan hoort ze een vreselijke klap. Ze vliegt naar het raam. Daar, aan het eind van de straat ligt een berg verkreukeld rood staal tegen een vrachtwagen aan. De vrachtwagenchauffeur loopt paniekerig heen en weer, druk gebarend met de telefoon aan zijn  oor. Ze rukt zich los van het raam en roffelt de trap af. In de verte klinken sirenes die dichterbij komen. Joep! Waar is Joep?! Nog 30 meter, dan is Maya bij haar auto.

Welk kind?

(Mijn bijdrage voor de Editio schrijfwedstrijd! Stemmen mag 🙂 op http://www.editio.nl )

roze stof 2

 

‘Luister goed, alle engeltjes gaan links staan en alle herders rechts. Nee, de andere kant is links Anna! En Joery, blijf bij Peter staan! Nienke kijk uit voor de kribbe! Heb je nu je pop meegenomen?’

Uiterlijk zie je niets aan haar maar wat is ze het zat. Spuugzat! Ieder jaar weer hetzelfde toneelstukje. Ieder jaar weer hetzelfde gedoe. Nerveuze kinderen die zo nodig iets moeten opvoeren voor de ouders en grootouders. Nou ja, niet moeten maar mogen natuurlijk. Altijd is er wel een kind dat op het laatste moment nog eens moet plassen. Altijd zijn er rekwisieten kwijt. Altijd gaan er wel een stuk of drie toneelspelertjes huilen en altijd scheurt er een engelenvleugeltje. Tel daarbij op dat zij elk jaar de klos is dit te organiseren omdat ze het ‘zo enig doet’ en dat collega’s Ben en Susan altijd te beroerd zijn om ook maar een vinger uit te steken. Genoeg redenen om het beu te zijn.

Als ze heel eerlijk is moet ze toegeven dat vooral het hele verhaal haar gewoon tegenstaat. Ze zou er aardig wat voor over hebben om in een armzalige stal te bevallen. Om sowieso een eigen kind te krijgen. En nu haar eigen leeftijd vordert lijkt het Kerstverhaal elk jaar pijnlijker. Waarom heeft zij niet een eigen kind? Waarom moet zij altijd voor andermans kinderen zorgen? Waarom heeft Kees haar laten zitten in haar meest vruchtbare periode? Vanavond als ze om acht uur klaar is met deze verplichting gaat ze er meteen vandoor. De directeur kan de boom in met zijn Kerstborrel. Ze heeft haar tas niet voor niets vanmorgen vroeg al meegenomen in haar auto. Met een beetje geluk is ze om tien uur in het huisje van tante Toos. Natuurlijk vond haar moeder het vreselijk dat ze niet thuis komt met Kerst, omdat ze zogenaamd gaat skiën met een stel vrienden. Maar twee dagen vol geforceerde gezelligheid, ze moet er niet aan denken. Nu even diep ademhalen en het laatste uurtje doorstaan.

‘I’m driving home voor Christmas’ schalt Chris Rea in haar autootje. Nog harder schalt zij er boven uit. Hoewel de tekst nergens op slaat is het een heerlijke meezinger. Tjonge wat was Ruud gepikeerd toen ze meldde iets eerder te willen vertrekken. Hij kan haar tot veel dwingen maar een nutteloos samenzijn met aandacht vragende ouders en zeurende collega’s kon ze echt niet meer opbrengen. Nog even door dit onverlichte stuk en dan is ze al snel bij haar tweede huisje. Nog steeds kan ze er breeduit om grijnzen dat ze zo slim is geweest niemand te vertellen van deze plek. Niemand weet dat tante Toos haar dit poppenhuisje drie jaar geleden heeft nagelaten. Een plek voor haarzelf, een plek om helemaal tot rust te komen. De ouderwetse inrichting van haar tante heeft ze zoveel  mogelijk intact gelaten. Af en toe heerlijk weg van haar overbezorgde ouders.  ‘Weet je dat Robert, de zoon van buurvrouw Annie weer vrijgezel is? Dat hebben we nou altijd echt zo’n leuke jongen gevonden! Wanneer kom je weer eens? Had ik al verteld dat Margreet alweer oma is geworden…?’ Alsof zij niets liever zou willen dan trouwen en baren.

Opeens staat ze bovenop de rem! Dat scheelde maar een haartje of ze was tegen een stilstaande auto gebotst. Wat is dit nu weer? Ze stapt uit en loopt voorzichtig naar de dwars op de weg staande wagen. Doodstil is het. Langzaam nadert ze het voorportier. Dan ziet ze een bos lange rode haren geklemd tussen de stoel en de airbag. Er beweegt niets. Zal ze? Behoedzaam opent ze het portier en ziet de rest van de vrouwelijke chauffeur. Ze kijkt om zich heen voor hulp maar er is niemand anders. Uiterst voorzichtig steekt ze haar hand uit naar de vrouw en probeert in haar hals een hartslag te vinden. Met een ruk slaat de roodharige opeens haar ogen op en fluistert met haar laatste krachten: ‘Neem…hem…mee…’. Haar hoofd met de gebroken ogen rolt opzij. Op de achterbank zit een in roze gehulde baby. Grote donkere ogen in een vlekkerig gezichtje kijken haar nietszeggend  aan. Het kind maakt kleine geluidjes en zwaait wat lusteloos een roze badstof olifantje  heen en weer. Naast het stoeltje staat een grote geruite tas waar een flesje uitsteekt. En dan, als in een droom gespt ze het kind los, pakt de tas en brengt alles over in haar eigen auto. Nog een keer kijkt ze om zich heen maar ze is nog steeds alleen. Met de kostbare lading rijdt ze nu in een ruk naar het huisje.

Bij het ontwaken vindt zij zichzelf in de grote oorfauteuil. Met een schok zit ze rechtop. De baby! Ze vliegt naar het geïmproviseerde bedje in de enige slaapkamer die dit huisje rijk is en blijft dan een moment vertederd kijken. Dit is het dus. Zo voelt het dus. Een baby van haar alleen. Een wezentje dat van haar afhankelijk is. Iemand die haar echt nodig heeft. Ze tilt het kind op en loopt er mee naar de keuken waar ze de goedgevulde tas vijf dagen geleden heeft neer gezet. Wat was ze blij met het extra pak luiers. De lucht was niet te harden toen ze thuis kwamen. Verbaasd was ze wel dat er onder al die roze laagjes een jongetje bleek te zitten. Een jongetje. Een zoon. Neuriënd maakt ze een flesje klaar. En dan komt haar favoriete moment. Samen in de grote stoel, oog in oog, lijf tegen lijfje, warmte uitwisselend, samen. De roze olifant onafscheidelijk in zijn vuistje geklemd. De lichtjes van de kleine kerstboom weerspiegelen in zijn oogjes. Lieflijke kerstliedjes klinken op de achtergrond. Eigenlijk zou het nu nog moeten gaan sneeuwen, denkt ze grinnikend.

De baby slaapt. Uit die vijf dagen ervaring weet ze nu dat het voor een paar uurtjes is. Snel gaat ze met de auto even naar het dorp. De geruite tas is bijna leeg. Ergens ver in haar achterhoofd knaagt er natuurlijk wel iets. Wie ben je? Waar kom je vandaan? Wat betekenen al die roze kleertjes? Was dit je echte moeder? Waarom moest ik je meenemen? En waarom komt niemand je ophalen? Al die dagen heeft ze het nieuws nauwgezet gevolgd. Ook internet speurt ze dagelijks af. Ze heeft zelfs onder een andere naam gebeld naar ziekenhuizen in de omgeving. Maar nergens wordt melding gemaakt van het ongeluk. Koppig drukt ze de vragen die in haar hoofd ronddraaien weg. Ze zorgt toch goed voor hem? En als niemand het kind mist is het stukken beter af bij haar. Voor haarzelf koopt ze een feestelijk taartje met een rode marsepeinen strik en voor de baby een rood fluweel pakje met de woorden ‘Ho, ho, ho!’ er heel fijntjes op geborduurd. Verder schaft ze nog speeltjes, een boekje en sokjes aan die ze allemaal apart als kerstcadeautje laat inpakken. Op de vragende blik van de verkoopster antwoordt ze vaag ‘Schoonzusje…’.

Sneller dan toegestaan rijdt ze naar huis. Van uit het niets overvalt haar opeens een gevoel van onrust. Met alle tassen in haar ene hand opent ze de voordeur met de sleutel in haar andere hand. In de smalle gang blijft ze even staan. Het is stil. Eigenlijk wel erg stil. Zo stil dat ze automatisch haar adem inhoudt. Dan laat zij de tassen op de grond vallen en snelt naar de slaapkamer. Haar bed is strak opgemaakt zoals ze het zelf graag heeft. Het met badlakens gemaakte bedje van haar zoon is verdwenen. Snel trekt ze de laden van de lage kast open. Onderin liggen de keurig opgevouwen badlakens, net als altijd en bovenin haar ondergoed. Verwilderd kijkt ze om zich heen. De luieremmer. Weg? De roze kleertjes. Weg! Ze stuift de badkamer in. Roze handdoeken. Weg! Ze rent naar de keuken. De geruite tas. Weg! In de woonkamer dan? De grote stoel staat uitnodigend op zijn eigen plaats. Alles staat op zijn gewone plaats. Precies zoals tante Toos dit jaren geleden heeft ingericht. Ze begrijpt er helemaal niets meer van. In het hele huis is niets maar dan ook helemaal niets meer te vinden dat wijst op de aanwezigheid van een baby. Haar baby.

Als verdoofd zit ze aan de keukentafel als politiewagens met gillende sirenes voor haar huisje stoppen. Ze beweegt niet. Twee agenten staan opeens in haar keuken. Versuft kijkt ze op.

‘Wat is er?’

‘Mevrouw, wij willen even in uw huis rondkijken.’

 ‘Waarom?’

 ‘Wij hebben redenen om aan te nemen dat u een baby heeft ontvoerd!’

Ze schudt haar hoofd ‘Baby? Ik kan hem niet vinden….’

In een mum van tijd is het poppenhuisje gevuld met veel te grote agenten.

‘Mevrouw we moeten u verzoeken mee te gaan naar het bureau.’

 ‘Maar ik heb geen baby….’

Dan ziet ze in de hand van de langste agent een roze badstof olifantje.