Tagarchief: angst

Honds

Ik geef het toe: ik heb het niet zo op honden. Hoewel ik de laatste jaren wel trucjes heb geleerd er mee om te gaan. Als ik buiten op straat loop en ik kom zo’n setje baas-hond tegen probeer ik meestal eerst naar het gezicht van het baasje te kijken. Dat geeft vaak de doorslag of ik direct oversteek dan wel rechtsomkeert maak, of dat ik er langs durf. Met samengeknepen billen, dat dan weer wel. Maar sinds ik van dichtbij (mijn dochter is best wel heel dichtbij…!) het opgroeien van zo’n wezen meemaak gaat het een stuk beter. Toen de puppy nog in één hand paste durfde ik het zowaar te aaien. Overwinning! Nu durf ik deze schattige maar volgroeide Amerikaanse Akita zelfs opzij te duwen als ze weer eens met haar grote lijf in de weg loopt. We hebben het hier wel over een hondje met een draaicirkel van 1,50 meter hè! Als je haar op sepia zou kunnen zetten is het net Hatchi van de gelijknamige film met Richard Gere. Dit alles heeft ertoe geleid dat ik zelfs alert ben op dingen die ik om me heen zie aangaande honden. Wat dacht je hiervan:

Vroeger zou ik hier smakelijk om gelachen hebben … zo’n bak met aanlokkelijke teksten voor lekkere natuurlijke hapjes. Kijk toch eens wat een blij hondje er boven staat afgebeeld! Hahaha, alle bakken leeg, de hond in de pot vinden. Nu vind ik het zielig dat alle bakken leeg zijn! Triest toch. Tenzij… de hond op dieet moet, in januari, na de feestdagen. Een heel andere invulling van het bordje ‘Honden aan de lijn’ zie ik hier opeens. Misschien een idee voor het chocoladeschap in de supermarkt? Niet aanbieden is niet eten! Ik zeg: gat in de afvalmarkt!

Over afval gesproken: laatst zag ik dat dit een Honden-halte is. Hoewel ik denk dat er geen hond is die hier halt houdt… De tekst ‘Voor De Hond’ vind ik een beetje vreemd. Waarom al die hoofdletters? Wordt hier gedoeld op De hond, de enige echte hond. Dat zou niet eerlijk zijn want elke hond heeft recht op zo’n zakje en lokt onnodig uit tot een zoveelste petitie. Of bedoelt de bedenker dat de opruimzakjes alleen en uitsluitend voor de hond zijn en niet voor het tussendemiddagbroodje of het waarlaatikditzosnel van de mens? Je weet het niet hè. Fascinerend!

 

Wat zo’n familielid toch teweeg kan brengen! 😉

Advertenties

Verhalenslang 23/25

(De eerste zin van dit verhaal is de laatste zin van het vorige verhaal. Beide verhalen hebben niets met elkaar te maken.

De pijn in zijn ogen is bijna tastbaar. Zodra het kleine ventje zijn mond opendoet ziet ze direct de boosdoener. Ze draait het riedeltje af van gaatjesmonsters die ze gaat vangen en dat hij mee kan helpen door heel stil te zijn en niet te bewegen. Nog even kijkt hij haar peilend aan, zoekend naar een blijk van vertrouwen. Maar zodra zijn moeder ook bemoedigend knikt besluit hij zich over te geven. Tien minuten later staat hij met moeder, nieuwe tandenborstel, gevulde kies, een kleurplaat en zonder pijn weer buiten. Opgelucht halen ze adem. ‘Mag ik nu snoep?’

Even later zitten moeder en zoon genoeglijk tegenover elkaar in een koffiehoek van een groot warenhuis, tevreden snoepend van een kleurrijk taartje. ‘Ik ben zo trots op je!’, zegt moeder. Zoonlief gaat wat meer rechtop zitten en deelt mee: ‘Ik heb niks niet gehuild hè!’. ‘Nee hoor, en je weet wat de tandarts gezegd heeft hè!’.  ‘Ja mam, heel goed poetsen zodat alle gaatjesmonsters bang van me worden!’ Om zijn woorden kracht bij te zetten gromt hij maar eens vervaarlijk en zwaait zijn gebalde vuistjes door de lucht. Moeder haalt glimlachend een hand door zijn haar.

Zodra het gebakje op is, lurkt hij aan het rietje van zijn drankje. Intussen kijkt hij om zich heen. Hij heeft vooral interesse voor het tafeltje schuin voor hem. Daar zit een ouder echtpaar zich tegoed te doen aan een broodje. Een gezond broodje met veel zaden en pitten. Ze genieten er zichtbaar van. Opeens worden de ogen van de jongen zo groot dat zijn moeder ervan schrikt. ‘Wat is er?!’, vraagt ze, ‘Heb je weer pijn?’ De jongen kan niets zeggen maar wijst voorzichtig naar het tafeltje tegenover hem. Moeder draait zich om en dan ziet ze het ook. De oudere man heeft zijn kunstgebit uit zijn mond gehaald en pikt er alle pitjes vanaf.

‘Kunnen mijn tanden er ook uit mam!’ ‘Nee lieverd, die meneer heeft neppe tanden.’ ‘Waar zijn z’n echte tanden dan?’ ‘Eh…’ En dan valt het kwartje. Voor zijn moeder er erg in heeft glijdt hij van zijn stoel en loopt naar de andere tafel. Hij kijkt de meneer streng aan. Hij heft zelfs een wijsvingertje op. ‘U heeft niet goed gepoetst meneer, nu hebben de gaatjesmonsters alles opgegeten! Maar ik ga wel goed poetsen en dan blijven mijn tanden in mijn mond en niet in mijn hand!’ Hij gromt nogmaals met gebalde vuistjes. ‘Grrrrrr!!!’

Moeder neemt verontschuldigend het jongetje bij de hand. ‘Kom dan gaan we nog wat boodschappen doen. Wat moesten we ook alweer hebben?’ ‘Hele vieze tandpasta, dat lusten de gaatjesmonsters niet! En mam, mag vanavond het kleine lampje weer aan? Monsters houden niet van licht. En als jij gaat slapen kom je dan nog bij mij kijken, of mijn mond wel dicht is?’ Opeens begint hij te huilen. ‘Ik wil geen tanden in mijn hand…’ Pas als moeder belooft alle monsters tegen te houden en buiten te zetten bedaart de kleine weer wat. ‘Mam?’’Ja lieverd?’’Mag ik nu nog die Lego?’ Ze zwicht, natuurlijk.

 

 

Verhalenslang 7/25

(De eerste zin van dit verhaal is de laatste van het vorige verhaal. Beiden verhalen hebben niets met elkaar te maken.)

Te laat. De armen net nog zwaaiend boven zijn hoofd hangen nu nutteloos langs zijn lichaam. Verslagen ziet hij de achterlichten van de laatste bus in het donker verdwijnen. Wat nu?  Hij vertikt het om Lara te bellen met de vraag hem te komen halen. Hij gunt haar de macht die ze daarmee over hem heeft niet. De ‘zoveelste’ belofte die hij niet nakomt. Lopen. Er zit niets anders op. Hij heeft het koud en had dat laatste drankje niet moeten nemen.

Er komt een auto aan! Is liften een optie? De auto mindert vaart maar stopt niet. De auto rijdt zo langzaam naast hem dat hij de chauffeur duidelijk ziet zitten.  Een vrouw, zwart haar en glimmende paarse lippenstift. Het meest opvallend zijn haar bijna lichtgevende ogen. Ze kijkt hem doordringend aan. Aarzelend steekt hij een hand op. Dan trekt ze snel op en verdwijnt uit zijn gezichtsveld.

Hij kijkt op zijn horloge en schat dat hij ongeveer op de helft moet zijn. Hij nadert de scherpe bocht met de drie lantarentjes in de berm. Wie steekt die toch iedere avond aan? Even staat hij stil om een verregend beertje wat meer in het licht te leggen. Dan springt er opeens iets boven op hem. Iets zwaars en harigs en het stoot afschuwelijke kreten uit. Hij duikt ineen. Een klap op zijn schouder doet hem schreeuwen van de pijn. Een haakachtig iets trekt zijn voeten onderuit. Zijn gezicht wordt hardhandig de modder ingeduwd. Zo snel als de aanval begon is die ook weer voorbij. Bewegingsloos blijft hij een poos liggen. Klaar om de volgende klappen op te vangen. Klappen die niet komen.

Onhandig strompelt hij naar binnen. Tegelijkertijd gaan er zowel  een zucht van verlichting als een siddering van angst door hem heen. Zo zacht mogelijk probeert hij zich wat te fatsoeneren in de witte keuken. Telkens luisterend naar een eventueel geluid van boven. Misschien heeft hij geluk en is ze in een diepe slaap. De pijn verbijtend hijst hij zich de trap op naar zijn eigen slaapkamer. Ondanks de schrijnende  steken in zijn schouder lukt het hem zich uit te kleden. Voorzichtig glijdt hij tussen de koele lakens.

De deur vliegt open en knalt tegen de kast. Lara staat in de opening. Door het licht op de gang achter haar ziet hij alleen haar silhouet. “Ben je daar, schatje?” Het venijn scheurt door de kamer. Hij krijgt het benauwd als ze de kamer in komt. “Ben jij braaf geweest dan?”, klinkt het flemend. Niet nu, denkt hij, ik heb al pijn genoeg. “Ik heb zo’n geweldig plan voor carnaval schat! Als jij nu eens als sukkel gaat, dat scheelt een pak! En dan ga ik zo!” Opeens baadt de kamer in licht. Hij ziet Lara. Met een zwarte pruik. Paarse lippen. En lichtgevende ogen. Hij slikt moeizaam.