Gokje (4)

De zon piept door het gordijn in de slaapkamer van ouwe Gerrit. In zijn dromen danst hij een hartstochtelijke tango met buurvrouw Sylvia. Ze hangt aanhalig in zijn armen en kijkt hem bij tijd en wijle zo doordringend aan dat hij bijna uit de maat gaat. Maar hij stapt en springt, recht zijn rug en strekt zijn benen, draait staccato zijn hoofd en stampt met zijn hakken. Vanaf een tafeltje trekt hij een roos uit een vaasje die hij tussen zijn tanden klemt. Sylvia pakt de roos af en kriebelt hem ermee tegen zijn neus. En kriebelt en kriebelt. Als hij de roos wil wegslaan wordt Gerrit wakker en kijkt razendsnel opzij. Au, daar verdraait hij zijn nek toch bijna. Hij ziet op de wekker dat het al even na negen uur is. Hij springt uit bed, even later zit hij aangekleed en wel achter zijn eerste kopje koffie. Hij wrijft zijn grote knuist nog eens over zijn ogen. Die Sylvia, die kon er wat van hoor. Hij schudt zijn hoofd, wat een onzin vannacht.

Op deze waarschijnlijk laatste mooie dag van het seizoen moet hij maar gebruik maken van de situatie want het is de hoogste tijd de goten van de schuur schoon te maken. Gerrit zet de ladder zo stevig mogelijk tegen de muur. Een beetje wiebelig klimt hij naar boven. Bergen vol bladeren en kleine takjes veegt hij met zijn handen over de rand naar beneden. Dat veegt hij straks wel bij elkaar. Nu gebruikt hij de bezem om het deel van de goot schoon te maken dat buiten het bereik van zijn handen ligt. Opeens hoort hij een zacht gepiep. Nee hè, is het weer zover? Die eigenwijze kleine vogeltjes die veel te vroeg het nest verlaten en dan in zijn goot belanden. Daarvan ligt er vast weer eentje bij dat hoopje bladeren. Voorzichtig trekt Gerrit het piepende hoopje naar zich toe en pakt het met één hand vast. Met zijn andere hand aan de ladder klimt hij naar beneden. In de keuken staat nog een doos van zijn nieuwe laarzen en daar legt hij het vogeltje en de bladeren in. Nu eerst de rommel buiten opruimen.

Gerrit staat te vegen als hij zijn naam hoort noemen.’Gerrit! Hé hoor je me niet?’ Als hij verstrooid opkijkt ziet hij buurvrouw Sylvia aankomen. Hij verschiet van kleur en roept: ‘Ik wil niet met je dansen hoor!’ Sylvia schudt haar hoofd: ‘Malle man, ik ga toch zeker niet dansen. Ik vraag alleen maar of je ook een ijsje lust, het is best warm en je bent de hele morgen al zo druk.’ Dan ziet Gerrit dat ze hem een ijshoorntje toesteekt. Hij neemt het aarzelend aan. Vlug herpakt hij zich en vertelt van het vogeltje  in de goot. ‘Een klein vogeltje? Nu? In oktober? Wat raar!’, reageert Sylvia. Gerrit nodigt haar uit in zijn keuken.’Kijk zelf maar!’ Sylvia buigt zich over de doos en port wat in de bladerenhoop. Met een gilletje trekt ze haar hand snel terug. ‘Jij gemenerd! Kun je wel, een weerloze vrouw zo aan het schrikken maken. Ik zal jou nog es een ijsje komen brengen!’ Gerrit begrijpt even niet wat er aan de hand is. ‘Misschien moet jij je bril eens opzetten!’ Gerrit doet het en ziet dan dat er geen vogeltje in de doos zit maar een muis. Hij schaterlacht en pakt Sylvia bij haar middel. ‘Nu zie ik ook wat een mooie buurvrouw ik heb, zullen zij eens samen dansen?’ De muis kijkt over de rand en waagt de sprong. De dansende voeten ontwijkend vlucht hij naar buiten.

 

Gezellig

Het mag weer, gezellig op een terrasje een drankje doen, een lunch bestellen en lekker bijkletsen. Dat hoef je tegen mij maar één keer te zeggen: ik zit! Op een terrasje waar de 1,5 m. afstand goed te doen is weliswaar, anders loop ik door. Maar die afstand kan niet voorkomen dat ik het een en ander opvang van een ander tafeltje…

Er zitten twee vrouwen van rond de veertig. De een heeft een zijwindkapsel, dat wil zeggen dat de ene helft van heur haar langs haar gezicht hangt terwijl de andere helft met gel langs haar hoofd naar achteren is geplakt. Het oogt wat rommelig, wat halfslachtig, half opstandig , half onderdanig. Ze draagt een modieuze wijde broek en een leuke top, maar die passen niet bij elkaar, ook al halfslachtig dus. Alsof ze heel onzeker voor haar kledingkast gestaan heeft vanmorgen. Haar vriendin begon de dag een stuk zekerder met een ferme hoge paardenstaart maar die is ondertussen wat afgezakt, net zoals haar hele lichaam wat afgezakt is. Toch draagt ze de afgeknipte spijkerbroek, het te krappe shirt dat teveel informatie geeft alsof het zo hoort. Ze heeft duidelijk maling aan anderen. Ze heeft sowieso overal een duidelijke mening over, die vooral positief naar haar zelf uitvalt. Als Zijwind achter een kopje thee zit en Paardenstaart achter een halve liter latte macchiato, vraagt Zijwind nogmaals advies.

‘Welke vond jij nou het leukst?’

‘De derde!’

‘De tweede was toch ook leuk?’

‘Allemaal losse plinten!’

‘Dat zie jij dan weer hè.’

‘Ja joh, ik zie alles! Goed dat je mij mee had!’

‘Zeker. Die derde was wel leuk hè?’

‘Die is top! Locatie, ruimte, licht, afwerking en je kan het betalen!’

Op dit moment brengt de ober de bestelling; een salade voor Zijwind en een plateau  met soep, een broodje kroket, een brood gebakken ei en wat chips voor Paardenstaart.

‘Zal ik maar doen dan?’

‘Je moet het doen! Het is dat mijn vent wel oké is… nou ja, ook niet altijd hoor, pfffft!’

‘Hij zal wel opkijken.’

‘Net goed! Iets met eigen schuld!’

‘Zal ik het morgen maar vertellen dan?’

‘Nee, vanavond!’

‘Eh…vanavond al?’

‘Ja duh, morgen neem je dat huis!’

‘O ja. Ik zal maar voorzichtig zeggen dat ik over een eigen huisje nadenk.’

‘Ben je gek! Niks voorzichtig!’

‘Je hebt gelijk, ik zeg dat ik waarschijnlijk een eigen huis heb!’

‘Waarschijnlijk???’

‘Ik heb een eigen huis!’

‘Precies! Hè gezellig dit, nemen we nog wat?’

Ja hoor, het is weer reuze gezellig op het terras 😊

 

 

 

 

(Ik mocht voor Apeldoorn Direct weer een leuk interview afnemen bij gezellige mensen! )

112Toys: Van jongensdroom naar werkelijkheid

Donderdag 18 juni 2020

Door Carla van Vliet

Aan de Deventerstraat 72 bevindt zich de winkel ‘112Toys speelgoed met voorrang’, deze wordt gerund door Jan en Marieke. Rondkijkend in deze winkel is uitsluitend speelgoed te zien met maar 1 thema: de hulpverlening. Van houten knopjespuzzel tot dekbedovertrek, van brandweerkazerne tot badeendje, van verkleedkleren tot schaalmodellen.

Jan vertelt enthousiast dat hij als kind al gecharmeerd was van politie-, brandweer- en ziekenautootjes van het merk Siku. In de loop der jaren viel het hem op dat er minder autootjes te krijgen waren en hij wilde wel eens kijken of hij zelf een speelgoedwinkel in het ‘zwaailichtgebeuren’ kon opzetten. Intussen was hij zelf werkzaam in de hulpverlening en had daardoor toegang tot een groot netwerk. Hij begon in 2014 aarzelend met één doos met 20 ambulances: die waren snel verkocht. Onder de naam U-toys (de U is van Uithoorn, waar het stel destijds woonde) ging het van een doos naar een stellingkast, naar een slaapkamer totdat op een dag het hele huis eigenlijk vol stond. In 2016 vonden ze het pand in Apeldoorn waar ze hun gedroomde winkel goed kunnen scheiden van het woongedeelte. Er is zelfs een etalage. Toch is het vooral een webwinkel maar als Jan en Marieke thuis zijn is de winkel ook open of je kunt een afspraak maken. Speciaal voor de foto’s trekken ze nog snel hun met logo bedrukte bedrijfsshirt aan.

Wie zijn jullie klanten?

 „Het zijn uiteraard kinderen met hun ouders. Ze fietsen langs, zien een mooie brandweerauto in de etalage en halen hun ouders over naar binnen te gaan. Maar even zoveel volwassenen weten onze winkel te vinden en komen graag binnen om naar de schaalmodellen te kijken. We hebben echte verzamelaars als vaste klant. Dat zijn dan verzamelaars van bijvoorbeeld alles van politie of alles van een bepaald merk of van een bepaald type auto. Laatst kwam er een nieuw model uit: de Audi A6 die door de politie gebruikt wordt. Er was direct een run op, ook door politiemensen zelf. Soms verzamelen mensen alleen maar brandweerpoppetjes en willen ze ook de brandweerfiguren uit andere landen waar de outfit uiteraard anders van is en ook de figuren uit andere jaren. Onze branche is een heel specifiek gebeuren. We noemen het zelf wel eens ‘de winkel van de jongensdromen.’ ”

Dan zijn jullie vast heel duur?

 „Nee hoor, vergeleken met de bekende speelgoedwinkels zitten we in dezelfde prijsklasse. Ons goedkoopste artikel is een tekensetje van Paw Patrol van 1 euro en ons duurste is een schaalmodel van 230 euro. En dan hebben we natuurlijk alles daar tussenin. Wij gaan jaarlijks naar een grote speelgoedbeurs in Neurenberg om aan nieuwe spullen te komen. Onze ogen scannen alleen hulpverleningsartikelen en altijd vinden we weer nieuwe items, nieuwe varianten maar ook nieuwe fabrikanten. We verkopen de bekende merken zoals Lego, Playmobil, Bruder, Siku en ook Greenlight. Deze laatste fabrikant levert alles van Amerikaanse hulpdiensten. Heel erg gaaf. We beperken onszelf natuurlijk door vast te houden aan het thema hulpverlening maar door steeds meer in de breedte te gaan met een groter assortiment onderscheiden we ons juist van andere speelgoedwinkels. Ons meest verkochte artikel? De uniformpyjama, ‘Voor stoere dromen!’ .”

Wat vinden jullie belangrijk?

 „Wij zijn graag klantgericht bezig. Ik (Marieke) ben wat minder gaan werken om meer tijd te hebben voor de website die ik aan het vernieuwen ben, door onder meer duidelijkere categorieën aan te brengen. En meer tijd voor de bestellingen. We hebben een gratis inpakservice, dus het pakje komt indien gewenst als kant en klaar cadeautje bij je thuis. En in Apeldoorn bezorgen we gratis. Door ons eigen werk zijn we niet altijd open maar wellicht is het in de toekomst mogelijk 1 à 2 dagen vast per week open te zijn, mits het rendabel genoeg is. Soms krijgen we ook zoekopdrachten, daar zetten we ons graag voor in. Wat we ook heel leuk vinden is de sinterklaascadeautjes te verzorgen voor bedrijven. We krijgen dan een lijst met kindernamen en een budget en dan regelen wij alles: inkopen, inpakken en  voorzien van de juiste namen. Dit is het enige moment in het jaar dat we speelgoed kopen buiten onze branche om.”

Wat zouden jullie nog kunnen betekenen voor de Apeldoorners die nog geen vaderdagcadeau hebben?

 „Voor elke vader is er wel iets te vinden bij ons. Van een doos met 6 mooie schaalmodellen gemaakt ter ere van het 150-jarig bestaan van de Londense brandweer tot stoere gestileerde brandweermannetjes gemaakt van stalen schroeven en moeren van de firma Steelman. Ook voor de aanstaande vader kun je bij ons terecht. Wat te denken van rompertjes van politie en brandweer. Een luiertaart met het hulpverleningsthema is ook een gewild cadeau.”

Hoe zijn jullie te bereiken?

 „Natuurlijk zijn we bereikbaar op ons telefoonnummer 055 – 312 45 88. Daarnaast kan je ons via onze website www.112toys.nl  ook altijd bereiken, op Facebook en Instagram zijn we zeer regelmatig te vinden. Je kunt ons ook gewoon een Whatsapp-berichtje sturen op 06 237 18 837. En natuurlijk in de winkel, als de gordijnen open zijn.”

 

 

Lievelings

Opa en oma maken een vreugdedansje want opeens, na maanden van knuffelonthouding, staan ze voor de Apeldoornse deur: Mama, Papa, Emma (3,5) en Lieke (0,5). De eerste twee worden wuivend  in een verre hoek van de kamer gedropt, de laatste twee mogen, nee moeten, ombeurten op schoot bij hun grootouders.

Even wat drinken. Als ik de aanleng uit de koelkast pak begint Emma te dansen van plezier en roept: ‘Mama, Oma heeft mijn lievelings!!!’ Ze heeft dus supersnel de doos aardbeien zien staan.

Omdat Oma en Opa wel heééél ver weg wonen heeft Emma haar eigen rugtas ingepakt. En volgepakt. Ze valt bijna achterover door het gewicht. De inhoud moet direct getoond worden. Een zilveren ‘poepmunt uit de billen van de Efteling ezel’, diverse Efteling-poppetjes zoals: de boze wolf die niet alleen Roodkapje op at maar ‘ook de reus, kleinduimpje met z’n grote laarzen en de prinses zonder voeten.’ Verder een grote roze toverstaf met lichtjes en sliertjes, daarmee kan ze mij betoveren tot een monster en opa tot een ‘pins’. Er komt nog een knuffel uit de tas, een houten aankleedpop met houten kleertjes, en nog wat broodnodige zaken die oma per sé moet zien. En ondertussen verhalen, verhalen en verhalen.

Ze blijven gezellig lunchen. ‘Ik ga je helpen oma.’

Ik doe de oven vast aan. ‘Gaan we koekjes bakken???’ Nee, broodjes afbakken. ‘Mag ik de blootjes doen?’ Oké, doe jij de afbakbroodjes maar op het rooster dan kunnen ze de oven in. Even later liggen alle blootjes  op een stapeltje op een hoekje van het rooster, kan ook.

Ik geef haar een liter magere melk en een liter karnemelk, zet maar op tafel. ‘Welke is de vieze melk oma, dan zet ik die bij opa.’

Ik ontkroon de zomerkoninkjes, ga jij ze maar wassen. Ze wast van alles en nog wat. Legt er dan drie op een bordje, steekt er één in haar mond, herhaalt dit een paar maal. Hé hé dat is voor op brood! ‘Ja maar oma, het is mijn lievelings!’ en steekt een supergrote aardbei in haar mond. Goed idee als je tegelijkertijd de slappe lach krijgt. Je kwijlt als je zusje.

Leg jij de servetjes maar op tafel op elk bord eentje. Ze vouwt ze voor iedereen alvast helemaal open, kan ook.

Kletsen, spelen, ijsje halen, kijken hoeveel nibbitringetjes er op 1 pepsil passen. Dan moeten ze toch naar huis. Emma gaat voor Lieke staan, pakt haar handje en fleemt: ‘Jij wilt ook niet naar huis hè Lieke? Mama, Lieke wil ook niet naar huis hoor, ze wil hier bij oma blijven.’ Maar ja, fles- en slaapschema zijn de baas.

Ik zwaai ze langdurig uit: mijn lievelings…

 

Bloedlink

(Dit verhaal heb ik geschreven voor de schrijfwedstrijd van uitgeverij LetterRijn, een jaarlijks terugkerende uitdaging waarbij ik twee jaar achtereen een plekje op de longlist wist te bemachtigen. Dit jaar is dit helaas niet gelukt. Het thema was ‘Blind vertrouwen’ en het moest een spannend verhaal worden van 3000 à 4000 woorden. Lees hieronder wat ik er van maakte.)

Bloedlink

Ze staat wijdbeens voor hem. Het verpleegstersuniform kruipt wat omhoog. Haar donkere stem vult de ruimte. ‘Doktertje spelen hè?’ Hij likt zijn droge lippen en verschuift op zijn stoel. Meer bewegen is onmogelijk. Zijn enkels en polsen zijn met drukverband aan de stoel gebonden. Zodra hij aanstalten maakt iets te zeggen grijpt ze hem bij de keel. ‘Geen woord. Dat was de afspraak.’ Snel knikt hij geluidloos. Het spel van vastbinden verdroeg hij amper, nu wil hij meer. Ze komt dichterbij, haar adem raakt zijn gezicht. ‘Ik tel tot 10 en dan … ’ Tergend langzaam begint ze te tellen. Bij 4 begint hij heftig met zijn ogen te knipperen, bij 6 maakt hij schokkende bewegingen met zijn schouders en bij 8 hangt zijn hoofd ontspannen naar voren. Bij 10 duwt ze zijn hoofd naar achter, waar het met een doffe dreun tegen de muur bonst.

***

Ilse opent haar ogen en weet direct dat er iets leuks is vandaag. Ze is jarig. Snel glijdt ze haar bed uit. Zal ze haar mooiste jurk aantrekken? Zal mama daar blij van worden? Gisteren heeft ze zelf van een roze lint, dat ze zomaar op straat gevonden had, een strik gemaakt en met een veiligheidsspeld op de voorkant van haar jurk vastgemaakt. Opeens was het een feestjurk geworden. Even trekt er een schaduw over haar gezichtje. Als mama het maar niet overdreven vindt en boos wordt. Ze schudt haar hoofd. Nee, het is haar verjaardag vandaag en mama zal blij verrast zijn en haar knuffelen omdat ze al zo’n grote meid is geworden. Misschien heeft ze wel aan een cadeautje gedacht en is ze vandaag niet zo moe dat ze de hele dag in bed moet blijven liggen. De enige beweging die mama de laatste tijd maakt is een loopje naar de schuur. Daar bewaart ze haar voorraad medicijndrankjes. Ilse hoeft echt geen groot cadeau maar haar schetsboek van vorig jaar is vol en haar potloden zijn zo kort dat ze bijna niet meer te slijpen zijn. Ze trekt de jurk aan en borstelt haar haren tot ze glanzen. Als ze de trap afhuppelt neuriet ze zachtjes ‘Lang zal ze leven’. In de keuken is het stil. Ilse loopt naar het aanrecht om ontbijt klaar te maken. Ze struikelt bijna over iets dat naast de tafel ligt. Als ze verstoord omkijkt herkent ze de konijnenpantoffel van mama. Ze raapt de pantoffel op en wil hem naar de gang brengen als opeens de buitendeur met een enorme zwaai openvliegt. Ilse doet van schrik een stap naar achter en botst tegen het aanrecht aan waardoor een grote stapel pannen op de grond klettert.

‘Ben je helemaal gek geworden! Wat is dit voor een klereherrie en een puinzooi!’

‘Mama! Ik schrik gewoon. Wat deed jij nou buiten?’

‘Ik hoef jou niks uit te leggen toch zeker!’

‘Nee mama.’

‘Wat zie je er belachelijk uit met die strik!’

‘Maar mama, ik … ’

‘Ik , ik, niet alles draait om jou hè!’

‘Hier is je pantoffel.’

’s Avonds brengt Ilse een stukje zelf gebakken appeltaart bij haar moeder boven op bed.

‘Kijk es mama, voor jou.’

‘Heb ik hierom gevraagd?’

‘Nee, maar ik dacht … eh … omdat ik … eh …’

‘Kind, stotter niet zo irritant en geef hier die taart. Wegwezen jij!’

‘Ja mama.’

***

Rechercheur Koen Verhage weet ternauwernood de tegemoetkomende vuilniswagen te ontwijken. Scheldend draait hij zich om en ziet nog net hoe een vrouw in het zwart, zwaaiend met haar rechterhand en in haar linker een grijze plastic zak, tevergeefs haar best doet om aandacht te trekken van de vuilnismannen. Bij nummer 47 stopt hij en zet de auto langs de kant van het smalle trottoir. Hier is het adres dat hij doorgekregen heeft van het bureau. Zijn collega Philip Hoekstra is vast al aanwezig en hij gaat er vanuit dat de hulptroepen verdekt staan opgesteld. De begane grond van het huis is aan het zicht onttrokken door een hoge haag. Koen duwt het piepende hekje open en loopt naar de voordeur. Zijn hand gaat naar de bel maar dan ziet hij dat de deur op een kier staat. Met zijn knie duwt hij de deur verder open en behoedzaam loopt hij naar binnen. De gang is nogal donker. Er hangen zowel heren-  als damesjassen aan de kapstok. Het ruikt vaag naar kaneel. De donker houten trap is bekleed met een beige loper. Drie deuren komen uit op de gang. Rechts waarschijnlijk het toilet, recht vooruit de keuken en links zal dan de woonkamer zijn. Hij kiest voor de woonkamer. Even schrikt hij van een bewegende gedaante naast hem maar het blijkt zijn eigen spiegelbeeld. Zachtjes opent hij de deur en kijkt onderzoekend rond. Geen verdachte aanwijzingen te zien. Plotseling valt de voordeur met een harde klap in het slot en gebeuren er drie dingen tegelijkertijd. Koen draait zich vliegensvlug om, de in het zwart geklede vrouw die hij buiten zag kijkt hem met grote ogen verschrikt  aan en Philip springt uit de keuken te voorschijn gewapend met een gebakvorkje.

***

Ilse opent haar ogen en weet direct dat er iets is vandaag. Ze is jarig. Meteen voelt ze ook weer de knoop in haar maag die er zit sinds haar moeder opgenomen is. Natuurlijk had ze best door dat haar moeder een alcoholprobleem had maar wat kon ze er aan doen. Ze deed alles wat haar moeder van haar vroeg. Het huishouden en de boodschappen waren het ergste niet, maar het legen van de kotsemmer en het in voortdurende onzekerheid leven kostten haar veel meer energie. Ze werd bedreven in de schijn ophouden voor de buren, ze kende alle supermarkten die haar de drank zonder problemen meegaven, talloze malen tilde ze haar moeder van de grond op de bank. Maar elke keer als ze de sleutel in het slot van de buitendeur stopte huiverde ze even. Hoe zou ze haar moeder aantreffen? Wat als ze een keer te laat was? Een haf jaar geleden gebeurde het onvermijdelijke. Ilse stond hulpeloos naast het bed van haar moeder.

‘Mama, wordt nou wakker.’

‘Laat me met rust!’

‘Het gaat niet goed met je.’

‘Sodemieter op.’

‘Ik ga de dokter bellen.’

‘Nee!!!’

‘Mama, ik wil je alleen maar helpen. Niet gooien, nee niet doen! Kijk uit, je valt! Mama!’

Alert als ze was belde Ilse direct de huisarts en voor ze het wist zat haar moeder in een kliniek en kwam oma voor haar zorgen. Aangezien Ilse al zolang gewend was alles zelf te doen en oma ook niet overliep van zorgkwaliteiten, bestond de zorg de laatste drie maanden uit een dagelijks telefoontje. Met een driftig gebaar veegt de Ilse de opkomende tranen uit haar ogen. Ze moet iets doen om te voorkomen dat ze stikt in haar gevoelens. Ze stapt uit bed en gaat aan haar bureau zitten. Ze pakt een mes en zet de punt op de binnenkant van haar onderarm. Dan haalt ze diep adem en maakt langzaam een streep met het mes. Het rode bloed druppelt op haar witte schetsboek. Snel pakt ze een tissue en probeert de druppels weg te vegen, ze laten een fascinerend patroon achter. Nog een aantal tissues drukt ze tegen de snee. Dan gaat haar telefoon.

‘Oma? … Ja, dank je wel hoor … Veertien … Nee, ik huil niet, niks aan de hand … Ik ga zo met vriendinnen naar de bios … Morgen weer naar mama … Natuurlijk wordt ze beter! … Dag oma.’

Ilse gaat naar beneden en zet in de keuken alle ingrediënten klaar om een heerlijk appeltaart te bakken. Morgen zal ze een stuk meenemen naar haar moeder.

***

 Koen kijkt de dame in het zwart vorsend aan. Hij heeft moeite zich een mening over haar te vormen. Ze ziet er een beetje verdwaasd uit en absoluut niet schuldbewust. Ze glimlacht.

‘Wilt u ook eerst een stukje appeltaart? Ik heb hem vanmorgen gebakken.’

‘Nee dank u wel. Ik wil wel iets anders.’

‘Ik begrijp het, liever koffie zeker?’

‘Nee, ook dat niet. Ik zou graag even in uw huis rond willen kijken.’

‘ Waarom? Wat heeft dat ermee te maken? En kan dat zomaar? Wat zoekt u dan?’

‘Tja, ziet u, dat is een beetje het probleem, maar zodra ik het zie weet ik het.’

‘Wat een raar verhaal, maar vooruit, ga uw gang. Als u maar niets meeneemt hè. Daarna een stukje appeltaart?’

Koen laat het zich geen twee keer zeggen. Hij knikt naar Philip en samen ze doorzoeken ze het huis grondig. Ze zoeken aanwijzingen maar weten absoluut niet hoe die er uit zien. De kamer, de keuken en de voorraadkast leveren niets op. Boven onderwerpen ze de badkamer aan een minutieus onderzoek, zonder enig resultaat. Vervolgens zijn de slaapkamers aan de beurt. Koen neemt de kamer aan de voorkant van het huis. Hij gokt dat dit de kamer van de vrouw beneden is. In de kledingkast is niets bijzonders te zien. Ook in de tassen die onderin de kast staan, vindt hij niets van betekenis. Voor het raam staat een tafeltje. Daarop een zielig plantje in een oranje pot, een doos tissues, drie blikken met potloden, talloze vellen papier met kleine zwart wit tekeningetjes, een fotolijstje met een korrelige foto van een man. Koen trekt het enige laatje open en ziet drie puntenslijpers, een verzameling briefjes met wijze spreuken, paperclips en een rolletje drukverband. Er ligt een sleutel met daaraan een label met een muizentekeningetje. ‘Koen!’, hoort hij Philip opeens roepen. Aan de toon merkt Koen dat het menens is, hij laat de sleutel in zijn jaszak glijden en snelt naar de slaapkamer waar Philip zich bevindt. Op de drempel blijft hij staan. Hij ziet het ook. In het grote bed ligt een oude vrouw. Een dode vrouw.

***

Ilse doet opent haar ogen en wil ze het liefst zo vlug mogelijk weer sluiten. Ze is jarig vandaag maar ook zo oneindig moe. Ze vraagt te veel van zichzelf de laatste tijd. Maar ze moet schilderen anders wordt ze helemaal gek. Zuchtend staat ze op en sloft naar de slaapkamer van haar moeder.

‘Je bent laat! En slof niet zo!’

‘Goedemorgen mama, het spijt me.’

‘Je kunt toch wel klokkijken? Ik moet op tijd mijn medicijnen!’

‘Ja mama, ik haal ze direct.’

‘Neem gelijk die halve fles van gister mee.’

‘Mama!’

‘Zeik niet zo! Van wie jij die stijve burgerlijkheid toch hebt. Niet van mij hoor. En ook niet van je vader trouwens. Dat was nog es een lollige vent.’

‘Zo lollig dat hij ons liet zitten?’

Een klinkende klap op haar wang is de enige reactie.

‘Sorry mama.’

Ilse verlaat de kamer en pakt in de keuken de nodige medicatie. En de half lege fles van gister. In de gang hangt onder haar jas een tas. Snel pakt ze daaruit een elastische band, een spuit met een holle naald en een paar glazen buisjes. Ilse haalt diep adem en laat het zachtjes ontsnappen.

‘Ilse waar blijf je. Wil je me dood hebben?’

‘Nee mama, hier is alles. De dokter heeft trouwens weer gebeld en wil een nieuw  bloedonderzoek doen.’

Voordat haar moeder kan protesteren heeft Ilse de elastische band al om haar bovenarm gedaan en de naald in de holte van haar elleboog gezet. Twee buisjes, meer niet. Snel ruimt ze de spullen op. Haar moeder is al afgeleid door de halve fles.

‘Zal ik je vandaag eens lekker douchen?’

‘Sodemieter op met je douchen. Wat ben je toch een stom wurm. Zet de tv aan en breng me iets lekkers. En koffie. Of liever nog een fles. En kijk niet zo!’

‘Dan moet ik eerst boodschappen doen. Ook voor de appeltaart. Red je het een poosje zonder me?’

‘Ga weg!’

Ilse haast zich naar beneden. De twee buisjes zitten in haar vestzak. Ze pakt een boodschappentas, haar jas, haar sleutels en gooit de deur hard achter zich dicht. Eenmaal buiten loopt ze snel om het huis heen en verdwijnt in de garage. Deze plek heeft ze een aantal jaar geleden zelf omgedoopt tot atelier waarvan zij de enige sleutel heeft. Het is haar domein. Eén wand hangt vol met kleine schilderwerkjes. Stuk voor stuk staan er kinderen op. Jonge vrolijke en aandoenlijke kindjes lijken van het doek af te springen. Tegen de andere muren staan grote doeken met abstracte voorstellingen. Opvallend is het identieke kleurgebruik bij alle schilderijen, het lijkt wat op sepia, roodbruinachtig.  Heel wat anders dan de kleine grijze muisjes die ze vroeger als kind tekende.  Ilse opent een tweedeurskastje en haalt er een potje uit. Ze schroeft de deksel eraf en leegt de twee buisjes in het potje. Dan schroeft ze de deksel er weer op en wrijft over het etiket. ‘Mama’ staat erop. Ze zet het potje tussen de twee andere. Op de linker staat ‘Ilse’ en op de rechter staat ‘Rob’. Het potje van Rob is leeg.

***

Koen buigt zich voor de zekerheid nog over de vrouw maar schudt zijn hoofd naar Philip. Dan snerpt opeens het geluid van de voordeurbel door het huis. Al snel volgen er voetstappen op de trap en staan er twee mannen in het zwart met een brancard op de drempel van de kamer. De vier mannen kijken elkaar verbaasd aan. De vrouw in het zwart dringt zich naar voren. Ze gaat naast het bed staan en plant haar handen stevig in haar zij.

‘En nu graag wat duidelijkheid! Wie zijn jullie?’ Ze wijst naar Koen en Philip.

‘Wij zijn van de politie. Dat weet u toch?’

‘Nee, dat weet ik niet! Hij daar zei zijn naam en dat hij op zijn collega wachtte en u trof ik in mijn woonkamer.’

‘Het spijt me vreselijk voor het misverstand. Maar ik begrijp dat deze heren voor deze mevrouw komen?’

‘Ja, mijn moeder is vanmorgen overleden, of vannacht in haar slaap, dat wist de huisarts niet precies.’

‘Gecondoleerd. Was ze ziek?’

‘Zoiets. Misschien kunnen we deze heren hun werk laten doen en dat u mij in de keuken de werkelijke reden van uw komst uitlegt?’

Koen en Philip knikken tegelijk en gaan met de vrouw naar beneden.

***

Ilse opent haar ogen en weet meteen dat het vandaag weer gaat gebeuren. Gisteren was ze in de zevende hemel toen ze een telefoontje kreeg van Rob. Nadat hij vorig jaar succesvol een aantrekkelijk boek van haar kinderschilderijen had uitgegeven, bleven ze contact houden. Rob was meer in haar geïnteresseerd dan andersom, maar hij hielp haar op weg met werk. Dat ze er leuk aan verdiende speelde misschien ook mee. Geld waarmee ze een mooie warme duster voor haar moeder kon kopen. En zijdezachte lakens, en luxe dikke badhanddoeken. Eén keer nam ze hem mee naar huis, maar meer omdat hij zo aandrong.

‘Mama, dit is Rob.’

‘En Rob is … ?’

‘Rob de Winter, je weet wel, mijn uitgever. Van het kinderboek.’

‘O, dat kinderachtige gepruts!’

‘Mama, hij helpt me toch!’

‘Wat moet hij daarvoor terug? Leer mij ze kenen die mannen die alleen maar willen helpen.’

‘Mama!’

‘Trouwens, daar heb je helemaal geen tijd voor, je moet voor mij zorgen.’

‘Dat doe ik toch?’

‘Ga dan eerst maar eens een fles voor me pakken.’

Ook na deze onbevredigende kennismaking liet Rob haar niet vallen. Vaak spoorde hij haar aan eens wat groter en andersoortig werk te proberen. Op een dag waagde ze zich er gewoon aan. Ze kocht een groot doek, voorzag het van een lichte ondergrond door de verf heel erg te verdunnen. Ze legde het doek plat op de grond en daarna smeet ze met een kwast nieuwe donkere verf op het doek. Het werd een boog van dikke druppels. Toen pakte ze het doek op en hield het verticaal. De druppels leefden een eigen leven en gleden grillig naar beneden. Vlak voor ze over de rand zouden glijden draaide Ilse het doek een kwartslag en de druppels rolden kronkelend de andere kant uit. Het resultaat was verbluffend. Ze probeerde het nog een keer. De ronde bogen en de hoekige lijnen vormden een abstractie waarvan zij niet wist dat ze het in zich had. Aarzelend liet ze het Rob zien. Hij was geraakt door de rauwheid, door de gevarieerdheid binnen zo’n beperkt kleurschema. Hij gebruikte zijn contacten en regelde een serieuze expositie voor haar. Het hield in dat ze minstens veertien werken af moet hebben binnen een half jaar. Veertien! Dat zou wel heel veel verf kosten. Gisteravond belde hij om te vertellen dat er al één doek ongezien verkocht was. Voor een duizelingwekkend bedrag ook nog. Ze zou alles voor mama kunnen kopen. Eigenlijk had ze Rob niet meer nodig. Vanavond zou ze hem verrassen, als traktatie voor haar verjaardag.

***

Zodra ze zeker weet dat hij buitenbewustzijn is doet ze een elastische band om zijn linker bovenarm en speurt zijn armholte af naar een goede ader. Dan zet ze een holle naald in zijn ader. Al snel loopt het bloed door een slangetje naar een zak. De zak ligt op een weegschaal zodat ze de hoeveelheid in de gaten kan houden. Na 12 minuten heeft ze een halve liter. Ze kijkt en denkt na. Het is te weinig, besluit ze, en legt een nieuwe zak aan. Opeens slaat hij zijn ogen open en kijkt haar doordringend aan. Even blijven haar ogen in die van hem haken. Als hij mompelt: ‘Wat doe je?’ duwt ze hem snel een in chloroform gedrenkte doek onder de neus. Zijn hoofd bonst weer tegen de muur en zijn bloed stroomt gestaag in de tweede zak.

***

Ilse doet haar ogen verschrikt open zodra ze haar moeder hoort gillen. Ze haast zich naar de andere slaapkamer. Haar moeder zit rechtop in bed en staart met afschuw naar de tv. Met trillende vinger  wijst ze naar het beeld.

‘Alweer één!’

‘Wat bedoel je mama?’

‘Alweer een dooie! Kijk nou Ilse!’

‘Ik zal de tv uit doen mam, het is hartstikke laat en dan ga je lekker weer slapen.’

‘Kijk nou Ilse, dat is toch die Rob van jou?’

Ilse staart verwilderd naar het beeld en zet de tv snel uit.

‘Ga nou maar lekker slapen, je bent moe en dan zie je dingen die er niet zijn.’

‘Ga jij nou zeggen dat ik gek ben? Ik ken Rob toch zeker wel!’

‘Ja mama, maar…’

‘ En nou is hij ook dood. Net als al die andere kerels die de laatste tijd de pijp uit zijn gegaan.’

‘Wat hebben die er nou mee te maken?’

‘Weet ik veel, zeg jij het maar!’

‘Maar mama, ik doe toch alles voor jou, dat weet je toch?’

 

***

De vrouw in het zwart neemt plaats tegenover Koen. Van haar kordate optreden daarnet boven is opeens niets meer over, het lijkt wel of ze leeggelopen en gekrompen is. Philip leunt tegen het aanrecht en laat Koen het woord doen.

‘Even voor de goede orde, u bent mevrouw Ilse Verduijn?’

‘Dat klopt, maar ik begrijp nog steeds niet wat u hier komt doen.’

‘Het spijt me verschrikkelijk van uw moeder en dat we nu uitgerekend op deze dag langskomen, maar we moeten u het een en ander vragen. Kunt u het aan?’

‘Ze is dood. Het heeft allemaal geen zin meer.’

Ilse pulkt aan een velletje naast haar duimnagel en ziet er totaal verloren uit. Philip haalt achter haar zijn schouders en maakt met zijn hand een wegwerpgebaar. Koen schudt bijna onzichtbaar zijn hoofd. Er klinkt een begripvolle toon in zijn stem.

‘Had u een goede relatie met haar?’

‘Ze is … eh … was niet gemakkelijk, maar het was mijn moeder begrijpt u?’

‘U deed uw best haar te plezieren?’

‘Jazeker!’

‘En dat waardeerde ze ook?’

‘Eh … niet altijd, maar ik heb er altijd het volste vertrouwen in gehad dat er een dag zou komen dat ze me op de juiste waarde zou schatten!’

‘En kwam die dag?’

‘Te laat. Ze is dood.’

‘Het volste vertrouwen hè? U was er zo zeker van, dat het waardeoordeel van uw moeder invloed had op uw leven?’

‘Ja natuurlijk. Maar iedereen wil toch graag de goedkeuring van zijn moeder?’

‘U zou alles voor haar overhebben?’

‘Wat bedoelt u?’

Koen legt iets op tafel. Het is de sleutel met het muizenlabel die hij boven gevonden had.’

‘Herkent u dit?’

‘Ja, die is van mij! Hoe komt u hier aan!’

‘Waar past deze sleutel op?’

‘Die is van mijn atelier. Maar … ’

‘Hoe komt u aan die bijzondere verf die u gebruikt?’

‘Geheim recept.’

‘Dan willen we graag nu even in het atelier kijken.’

‘Waarom? Wat heeft dat met mijn moeder te maken? Ik snap trouwens nog steeds niet wat u hier nou precies doet?’

De telefoon van Philip jengelt ‘We are the Champions’. Hij neemt snel op, luistert en sluit weer af.  Schuift vervolgens wat heen en weer op zijn scherm en laat Koen een foto zien van een verpleegstersuniform, een elastische band, injectienaalden en glazen buisjes. Hij fluistert: ’Vuilniszak.’

Op zijn beurt laat Koen de foto aan Ilse zien.

‘Herkent u dit?’

‘Dat heb ik net allemaal weggegooid.’

‘Mag ik vragen waarom?’

‘Niet meer nodig. Mijn moeder is dood, weet u nog. Het heeft allemaal geen zin meer.’

Koen geeft de telefoon terug aan Philip, speelt wat met de sleutel en schraapt dan zijn keel.

‘Juist ja. Mevrouw Verduijn, we hebben duidelijke aanwijzingen dat u iets te maken heeft met de zes vermoorde mannen van de laatste tijd en met de poging tot moord op Rob de Winter.’

‘Poging? Hij is toch dood?’

‘Nee, hij heeft het op het nippertje overleefd en omdat hij ons veel bruikbare informatie heeft verstrekt, hebben we zijn dood geënsceneerd.’

Even later staat Ilse met de twee politiemensen in haar atelier. Ze heeft haar armen strak om zich heen geslagen alsof ze het ijskoud heeft. Haar gezicht toont geen enkele emotie. Koen bekijkt de indrukwekkende hoeveelheid schilderijen. Ze zijn oplopend in grootte waarbij de verf ook steeds dikker is aangebracht, soms met meerdere lagen zelfs. Hij heeft geen verstand van schilderen maar hij meent er opgekropte woede in te zien. Philip open de houten kast. Hij seint zijn meerdere en samen kijken ze naar de gestickerde potten. Ilse. Mama. Rob. Henk. Martin. Dries. Wim. Joris. Ronald.

‘Nog een laatste vraag: als uw moeder vanmorgen al overleden was waarom bakt u dan een appeltaart?’

‘Ik ben jarig vandaag.’

 

 

 

Pleidooi

Nu de zomervakantie in aantocht is, de eindexamenkandidaten en nog meer scholieren een zee aan vrije tijd voor zich hebben, wil  ik hier graag een lans breken voor de vakantiewerker. De oorzaak van deze behoefte ligt diep, heel diep.

‘Vroeger’ wist ik een vakantiebaantje te bemachtigen bij V&D. Het leek mij geweldig. Ik werd gestationeerd op de stoffenafdeling, men maakte toen nog veel kleding zelf. Op de begane grond, zodat je de hele dag gezellig in de reuring zat. Elke morgen zag ik een hartslagverhogende Italiaan van de tegenoverliggende ijssalon Marinello langskomen om melk te halen. Naast de stoffenafdeling was de herenafdeling en ik mocht op dezelfde tijd lunchen als de ‘stropdassen- en manchetknopenverkoper’. Reuze interessant maar ik was zo bleu dat ik dan weer niks tegen hem durfde te zeggen. Zeker niet met volle mond. Ook de stoffenafdeling viel ietwat tegen. De boel werd geregeerd door een soort Mrs. Slocomb uit de serie Are You Being Served ?, compleet met de rollende ogen. Wist ik veel welke stof geschikt was om een lange broek van te maken, of welke stof in de machine gewassen kon worden. Hoe moest ik weten hoeveel meter je nodig had voor een jurk maat 42 of een driedelig kinderoutfitje (jasje, jurkje en broekje)? Ik kon ook niet liegen als klanten vroegen: ‘Staat deze kleur me niet geweldig?’ Ik werd  drie weken zuchtend gedoogd, ik gedoogde de afkeurende blikken, maar het deed mijn zelfbeeld geen goed.  Af en toe moest ik mij inhouden het pand niet snikkend te verlaten. Maar hé, ik kreeg geld en daar troostte ik me mee.

Het jaar erop wilde ik dezelfde truc uithalen, werd wederom aangenomen maar werd nu op de gordijnenafdeling geplaatst. Ook die werden nog zelf gemaakt. Deze afdeling bleek helemaal een ramp. Op het kantoortje zat een hele boze baas. Of hij nou darmklachten had of ruzie met zijn vrouw, ik weet het niet, maar de man was altijd boos en chagrijnig. Heb je trouwens wel eens een baal extra dik fluweel getild? Of een rol extra stevige stof om stoelen mee te bekleden? Ik sjouwde me een breuk. En als ik dan een klant had die wel alles wilde zien, (mij dus lieflijk een rol uit de schappen liet sjorren, uitrollen, bekijken en niet goed genoeg bevinden en dit maal 23) om uiteindelijk niets te kopen, mij achterlatend met een onoverzichtelijke berg stof, dan… kwam de zuurpruim net  op dat moment uit zijn hok en verweet me hatelijk dat ik er een klerebende van maakte! Het toppunt van mijn gordijnencarrière vond plaats op de dag dat een mevrouw mij vroeg hoeveel stof zij nodig had om de kussens van de caravan opnieuw te bekleden. Het ging om 13 stuks van 5 verschillende afmetingen. Met mijn afwezige rekenknobbel kwam ik uit op een rekening van 290 gulden. Zoveel had zij nog niet voor de hele caravan betaald. Toen werd de baas erbij geroepen. Het wonder geschiedde: hij glimlachte!!! Hij knipte en boog alsof de klant koning was, herberekende het totaal tot een vijfde van mijn prijs en zwaaide de dame uiterst vriendelijk uit. Het bleek een momentopname. Met afhangende schouders en gebogen hoofd nam ik de stortvloed aan verwensingen in ontvangst en ik en mijn gedeukte imago werden overgeplaatst. Het geld was wel heel zuur verdiend dat jaar.

Vakantiewerkers, het zijn ook maar mensen! Wees er lief voor! Ook nu!

Gisterenmorgen vroeg heb ik mij even naar de HEMA gewaagd, het was er heerlijk rustig en mijn hebberige honger naar pennen, papier en mapjes werd daar naar tevredenheid gestild. Toen hoorde ik mijn naam roepen. Ik keek om en liep in de richting vanwaar het geluid kwam. Het bleek van de restaurantafdeling te komen, waar een tompouce een tikkie ordinair lag te schreeuwen: ‘Neem mij!!!’ Ik ben ook de beroerdste niet en wilde hem wel nemen. Bij de ingang werd ik staande gehouden door een puberige vakantiewerker. Keurig volgens protocol liet hij mij binnen: mandje inleveren, handen desinfecteren, dienblad pakken, verpakt eten nemen, contactloos pinnen en alleen aan de vrije tafels zitten (de andere tafels hadden niet eens stoelen maar dit terzijde.) Na mij kwam er nog een meneer met een krantje en toen ging de ingang dicht met een soort spanband. Duidelijk toch? Niet meer dan 30 mensen binnen. De vakantiekracht ging wat tompoucen aanvullen en wat denk je? Er komt een jonge vrouw met een jongetje van een jaar of 7 aan, loopt gewoon ONDER de spanband door, loert in de broodjesvitrine en roept: ‘Waarom heb je dat broodje kip niet meer!!!’  De vakantiekracht werkt zich snel naar voren, duidt op de desinfectiepaal, de mandjes en het dienblad. ‘Ja joh!’ wuift ze hinderlijk weg: ’Hij lust die andere broodjes niet hoor, nou dan neem ik wel alleen een drankje en waar kan ik zitten?’ De jongeman wijst vriendelijk op het doel van de spanband. Gelukkig voor iedereen stapt er een stel dames op en kunnen moeder en kind daar zuchtend neervallen. Hulde voor de jongeman vanwege zijn beleefdheid en geduld! Ik zeg altijd maar: je hebt mensen en fietsbellen, die mevrouw was overduidelijk een fietsbel!

Waarom zo lelijk doen tegen die jongen die alleen maar zijn vakantiewerk doet? #doeslief  Afgesproken? 🙂

Rekenen

Niet gedacht ooit eens over Mark Rutte te schrijven maar vooruit. Het gaat me om zijn laatste uitspraak bij de eerste persco. Wat een vreselijk woord is persco overigens, alsof we geen tijd hebben om het hele woord persconferentie uit te spreken! Maar Mark zei dus op het eind: ‘Ik reken op u!’ En ik bedacht me wat een rare uitdrukking dit eigenlijk is…

Bij rekenen moet ik altijd direct aan mijn vader denken, die een soort van rekenwonder was. Hij kon namelijk vroeger het totaal van onze boodschappen sneller optellen dan de kassa! De caissière kon hem niet betrappen op de kleinste misrekening of een eventuele verrekening. Jammer genoeg heb ik het reken-gen niet geërfd. Ik was een hopeloos geval wat betreft hoofdrekenen en kansberekenen en bleef hoopvol rekenblind. Ik rekende jarenlang tevergeefs op een voldoende, aangezien mijn vader altijd mijn rekenhuiswerk maakte. Op zich was ik goed beschouwd ook een rekenwonder, want er was niemand die het na zoveel uitleg zo slecht begreep… Uiteindelijk kreeg ik toch de rekening gepresenteerd met een 5,1 op het rapport.

In een restaurant kun je ook een rekening krijgen, die kun je maar beter direct betalen. Maar zie je iemand met een pistool op een scooter houd dan rekening met een afrekening. Zodra de scooter omvalt zal er hopelijk snel een inrekening plaatsvinden. De daders kunnen vervolgens in een donkere kerker de hun aangerekende daden nog eens terugrekenen en constateren waar de misrekening precies zat. Ze zullen de politie voorlopig niet tot hun beste vrienden rekenen.

In een winkel wordt voor een net sinaasappels €5 gerekend! Je kunt op je vingers uitrekenen dat ik dat niet ga betalen. Bij nader inzien: er zitten er best wel veel in en als je gaat omrekenen hoeveel ze per stuk kosten…moet je alleen de btw nog even doorberekenen. Op markten worden vaak weer heel andere berekeningen gemaakt, die kooplui rekenen zich op hun eigen manier rijk, maar dat kun je hen eigenlijk niet toerekenen. Reken er maar op dat ze niet buten de waard rekenen.

Ik reken erop dat je na het lezen van dit stukje niet denkt: ‘die is ontoerekeningsvatbaar…’

En wat betreft Mark: reken maar van yes! Ik reken het goed.

Saartje Allegaartje (3)

Τ(De zeven uitverkoren mannen, Ton, Ron, Bob, Rob, Jos, Vos en Boy, zoeken een plaatsje om te gaan zitten in de audiëntiekamer. Ze kunnen kiezen uit een plekje op een verzameling azuurblauwe piano’s, een groepje broodmanden of een aantal tot krukjes getransformeerde trolleys. Saartje zelf neemt plaats op en gouden kinderstoel en kucht een beetje zenuwachtig. ‘Oké heren, jullie willen met mij  trouwen?’ Alle mannen knikken totdat hun hoofd bijna van hun romp afrolt en roepen in koor: ‘Ja dolgraag Saartje!’ ‘Maar waarom zou ik met jullie trouwen? Jullie krijgen allemaal vier en driekwart minuut om dit uit te leggen. Wie wil er beginnen?’)

 

‘Ik!’, roept Ton. Hij is groot, breed en heel gespierd. Als hij lacht verschijnt er een sterretje op zijn tanden. ‘Lieve Saartje, trouw met mij en ik zal je helpen bij al je verzamelingen te dragen.’ Ter demonstratie jongleert hij met een betonnen bloembak, een stalen deur en een loden kogel. Saartje knikt, ja dit komt goed van pas.

‘Nu ik!’, roept Ron. Hij draagt een tuinbroek en een strooien hoed en heeft hand één hand op zijn rug. ‘Lieve Saartje, trouw met mij en ik zal je elke dag een prachtig boeket bloemen geven. Misschien is dit het begin van een nieuwe verzameling…’ Hij haalt een bos roze rozen achter zijn rug vandaan, gecombineerd met gele boterbloempjes en voorzien van een zilverglitterlaagje. Saartje knikt, ja dit wil ze wel.

‘En nu ik!’, fluistert Bob. Hij draagt een zwart/wit gestreept pak met bijpassende pet, op zijn borst staat een vet gedrukt nummer en hij kijkt steeds wat angstig achterom. ‘Hey Saartje, je moet met mij trouwen hoor, want ik weet heel veel adresjes waar je aan leuke spulletjes kan komen, allemaal voor weinig!’ Saartje ruikt direct onraad en wijst hem de deur: ‘Ik wil geen boef trouwen!’

‘Ik dan!’, roept Rob. Hij draagt een deftig pak met een krijtstreepje en houdt een telefoon in zijn hand. ‘Ik ben echt je man Saartje, want kijk met een slimme app op deze telefoon kan ik al je verzamelingen in kaart brengen, fotograferen, opslaan, bijhouden, omzetten in vrolijke animaties, zodat je ook zittend op je gouden stoel van je spulletjes kunt genieten!’ Tjonge, denkt Saartje, dat is gaaf!

‘Nu ik!’, roept Jos. Hij draagt een legergroen soldatenpak, op de borst gedecoreerd met roze, gele en mintgroene broches, en in zijn hand een geweer. ‘Allerliefste Saartje, ik weet dat je niet van geweld houdt maar mijn medailles heb ik behaald door goede daden te doen en mijn geweer schiet alleen maar zoete chocoladebonbons. Zo kan ik je beschermen en helpen tegelijkertijd.’ Verdraaid handig, denkt Saartje.

‘Mijn beurt!’, roept Vos. Hij draagt een streepjesbroek, een jacquetjasje en smetteloos witte handschoenen. Hij klinkt zijn hakken tegen elkaar en zegt: ‘Geachte Saar, ik wil gaarne je butler worden zodat ik orde kan aanbrengen in deze … eh … chaos van verzamelingen, ik kan je leren hoe het heurt.’ Saartje zit te stuiteren van ergernis en roept: ‘Jij begrijpt er niets van. Tot ziens!’

‘Hè hè, nu ben ik!’, roept Boy. Hij draagt een donkerblauwe spijkerbroek en een lichtblauw T-shirt, zijn haar valt als een waterval over zijn schouders en hij heeft een gitaar vast. Hij tokkelt wat en zet dan met een zwoele stem een lied in: ‘Allerliefste Saartje, wanneer vormen wij een paartje? Ik zal altijd van je houwen, daarom wil ik je graag trouwen. Ik beloof je elke dag een nieuw lied, dus waarom kies je mij niet?’ Saartje pinkt een traantje weg van ontroering.

‘Dank jullie wel allemaal,’ zegt Saartje, ‘Ik moet hier even ernstig over nadenken hoor.’ Ze trekt zich terug op de zolder en loopt vijftien rondjes met haar handen op haar rug. Het helpt niet veel. Ze vraagt een papegaai om raad, maar die roept alleen maar: ‘Leuke mannen, leuke mannen!’ Ze kijkt naar buiten en ziet vijf wolken in de lucht. Ze gooit een kaartspel omhoog en vijf kaarten liggen met de afbeelding naar boven. Ze pakt vijf dobbelstenen en gooit vijf keer, alle keren liggen er vijf ogen boven. Dan neemt ze een kloek besluit.

Vijf dagen later…

Saartje draagt een witte jurk. Eigenlijk zijn het twee jurken over elkaar heen want ze kon niet echt kiezen welke ze het mooist vond. Ze heeft de jurken versierd met witte strikken en witte linten. Alleen haar hoedje is natuurlijk knalroze. De buurman is voor gelegenheid verkleed als een ambtenaar van de burgerlijke stand. De tuin is ook versierd met witte strikken en witte linten. In een van de negen kruiwagens staat een levensgrote taart van 25 witte en roze lagen cake. De ambtenaar test nog eenmaal de microfoon en roept dan: ‘Saartje Allegaartje neem je tot je wettige echtgenoot Ton, Ron, Rob, Jos en Boy?’ ’Jaaaa, ik wil de héle verzameling!’ roept Saartje vergenoegd. Tijdens de receptie, waarvoor het hele dorp is uitgelopen, laat Saartje vol trots haar rechterhand zien waar aan elke vinger een glinsterende ring zit. Eindelijk is ze niet meer alleen en zeer waarschijnlijk leven ze nog lang en gelukkig.

 

Saartje Allegaartje (2)

Je kent Saartje toch nog wel? Saartje, die in het allergrootste huis van het dorp woont zodat al haar verzamelingen een plekje kunnen krijgen en dat ze daarom Saartje Allegaartje wordt genoemd. Dan weet je vast ook nog dat iedere bezoeker een potje zonnestralen mee naar huis kreeg. Wat je niet weet is wat daarna gebeurde…

Saartje zwaait haar laatste visite uit en loopt haar huis weer in. Midden in de grote hal, waar een verzameling broodroosters nog een vleugje brandlucht afgeven, staat ze stil. Ze kijkt omhoog naar de zes roze kroonluchters en zucht. Dan haalt ze haar schouders op en loopt naar de badkamer. Daar laat ze het grote bad op duizendpoten vollopen, gooit er een bruisbal en een bouillonblokje in. In een paarse mand verzamelt ze alle afwas die door het hele huis verspreid ligt en smijt alles in het bad. Smijt ja, want opeens is Saartje moe! Nee, niet moe maar boos! Nee, niet boos maar verdrietig! Zo verdrietig dat de tranen over haar wangen in het bad lopen. Ze huilt en huilt totdat het bad begint over te lopen. Dan stopt ze abrupt, snuit haar neus flink in een olifantenoor en spreekt zichzelf toe: ‘Als jij je zo alleen voelt Saartje, dan moet je er iets aan doen!’

Twee weken later weet Saartje niet wat ze ziet als ze ‘s morgens de gordijnen opent. Haar hele tuin en de hele straat staat vol met mannen. Kennelijk hebben die allemaal gereageerd op haar oproep in de krant: ‘Welke man wil er met me trouwen?’ Van schrik sluit ze de gordijnen weer en denkt hevig na. Wat moet ze met al die mannen? Dan krijgt ze een ontzettend goed idee. Ze rent naar zolder en opent daar het raam van waaruit ze alle mannen kan overzien. Zodra ze haar in de gaten hebben beginnen de mannen te springen, te roepen, te gillen, te zingen, te juichen, te joelen en te zwaaien. Saartje pakt een honkbalknuppel en slaat daarmee hard op een grote pan. De mannen zijn direct stil. ‘Ahum’, schraapt Saartje haar keel, ‘Wat fijn dat jullie allemaal gekomen zijn maar ik hoef maar 1 man!’ De mannen steken allemaal een hand op en roepen in koor: ‘Ik ben je man!’ Saartje slaat weer hard op de pan en roept naar beneden: ‘Ik weet het goed gemaakt, ik wil een man met een voornaam van drie letters! De rest wordt vriendelijk bedankt en mag naar huis.’ Mopperend en mompelend vertrekt een flink deel van de mannen. Ongeveer de heft blijft staan. Dit vind Saartje nog veel te veel. ‘En de middelste letter van je naam moet een o zijn!’, roept ze daarom. Er blijven zeven mannen staan.

De zeven uitverkoren mannen, Ton, Ron, Bob, Rob, Jos, Vos en Boy, zoeken een plaatsje om te gaan zitten in de audiëntiekamer. Ze kunnen kiezen uit een plekje op een verzameling azuurblauwe piano’s, een groepje broodmanden of een aantal tot krukjes getransformeerde trolleys. Saartje zelf neemt plaats op en gouden kinderstoel en kucht een beetje zenuwachtig. ‘Oké heren, jullie willen met mij  trouwen?’ Alle mannen knikken totdat hun hoofd bijna van hun romp afrolt en roepen in koor: ‘Ja dolgraag Saartje!’ ‘Maar waarom zou ik met jullie trouwen? Jullie krijgen allemaal vier en driekwart minuut om dit uit te leggen. Wie wil er beginnen?’

 

Buiten komt binnen

De deur valt achter Niels dicht. Hij knijpt zijn ogen wat toe voor de sterke zonnestralen. Hij kijkt links en rechts. Slingert dan zijn weekendtas over zijn schouder en loopt naar rechts. ‘We willen je hier niet meer zien!’, waren de laatste woorden die hij hoorde. Pffff, alsof hij hier ooit nog een stap naar binnen zou willen zetten. Nee, hij ging het allemaal anders doen. Hij had intussen een goed vak geleerd, met zijn handen maakte hij de mooiste meubels. Hier zou hij in verder gaan, hoe dan ook. Maar eerst gaat hij naar Astrid en zijn kleine prinsesje Zoë. Zodra hij aan de kleine meid denkt versnelt hij zijn pas. Hopelijk kent ze hem nog. En voor Astrid heeft hij wel wat vragen.

Hij blijft een paar tellen buiten voor het raam staan. Hij ziet haar in de keuken staan, ze snijdt iets, gooit het in een pan en roert erin. Het zal haar wondersoep zijn. Hij grijnst, wat houdt hij van die vrouw! Alsof ze voelt dat er naar haar gekeken wordt, draait ze haar hoofd opeens richting hem. Ze laat de lepel vallen en haar mond zakt open van verbazing. Hij hoort haar niet maar weet zeker dat ze een kreet slaakt. Aarzelend steekt hij een hand op en loopt de tuin in naar de voordeur. Met zijn sleutel opent hij de voordeur. Ten minste, dat probeert hij. Dan vliegt de deur open.

‘Wat doe jij hier nou?’, roept Astrid hijgerig.

‘Heb je nou de sloten veranderd?’, vraagt Niels, ‘Waarom?’

Als vreemden staan ze tegenover elkaar. Dan doet Astrid een stap naar achter om hem binnen te laten.

Niels kijkt de kamer rond. Veel dingen zijn vertrouwd, andere niet.

‘Koffie?’

‘Ik ben na drie jaar thuis en jij vraagt of ik koffie wil?’

‘Tja, ik vind dit een beetje lastig…’

‘Weet je wat ik lastig vind? Ik vind het heel lastig te begrijpen dat jij het laatste jaar niet één keertje langs bent geweest. En ik vind het lastig om al die doorzichtige smoesjes te moeten geloven. Maar ik vond het lastig het via de telefoon te zeggen. En wat ik superlastig vind is om Zoë zolang niet te zien. Waar is ze eigenlijk?’

‘Buitenspelen.’

‘Je wist toch dat ik zou komen? Ik had een iets uitbundiger onthaal verwacht eerlijk gezegd.’

‘O, dus jij wilt dat we allemaal door het dolle zijn dat jij je straf erop hebt zitten? Dat jij ons voor schut hebt gezet met je capriolen, dat jij zo nodig geld moest verduisteren van de zaak, dat wij daarna juist financieel op een houtje moesten bijten, dat wij nagewezen worden als de vrouw en dochter van een crimineel, zullen we dat ook meteen maar vieren dan? Wat denk jij nou?!’

Niels staart haar verwonderd aan en weet even niets uit te brengen. Dan vliegt de achterdeur open en stormt Zoë de kamer binnen. Even stokt ze haar activiteiten, bekijkt Niels goed en vliegt hem dan spontaan om de hals.

‘Papa!!! Je bent klaar met het in buitenland werken? Ik heb je zo gemist! Blijf je nou hier? En heb je mijn nieuwe zusje al gezien?’