Categorie archief: Wedstrijd

Moeders

(De moeder, de vrouw is het thema van de Boekenweek die gisteren begonnen is. Er zijn tal van boeken, verhalen en gedichten geschreven over moeders. Iedereen heeft er tenslotte eentje. Soms is dat heerlijk, soms pakt dat minder goed uit. Er zijn ook zoveel soorten moeders. Lieve moeders, ontaarde moeders, toegewijde en egoïstische moeders, carrière gerichte en luizenmoeders, bonus- en stiefmoeders, pleeg- en knuffelmoeders, noem maar op. De afdeling Schrijven van De VAK, centrum voor kunsten in Delft, heeft een schrijfwedstrijd uitgeschreven: schrijf een tekst in maximaal 250 woorden waarin een moeder het onderwerp is. Dit is mijn, overigens niet autobiografische en niet gewonnen, bijdrage.)

Moeder 2.0

Vandaag ben je nog in elke vezel bij me. Ik kijk naar je zoals je daar ligt. Naar je weerbarstige krullen. Je hebt mijn kind er ook mee opgezadeld. Soms vind ik dat fijn maar meestal verwens ik het onderhoud.  Ik kijk naar je licht gebogen neus. Jouw fijne neus voor stemmingen, maar wat stak je diezelfde neus toch dikwijls en ongevraagd in mijn zaken. Ik kijk naar je oren, altijd luisterend, maar te vaak Oost-Indisch doof. Ik kijk naar je ogen, nu gesloten, maar ik weet hoe liefdevol ze kunnen kijken. Ook hoe doordringend of verwijtend ze kunnen staan. Ik kijk naar je mond, die zowel kan spreken als zwijgen. Je stem die regelmatig grote wijsheden en liefdesuitingen verkondigde maar misschien nog wel vaker met flinke verheffing klonk. Ik kijk naar je handen, wat hebben ze hard gewerkt. Gestreeld, maar ook geslagen. Teder toegedekt en ingestopt maar ook hardhandig wakker geschud. Ik kijk naar je voeten, die me de weg zijn voorgegaan maar die me dikwijls op hinderlijke wijze in de weg liepen. Ik kijk naar je lijf, vaak gestrekt in afweer, niet om tegen aan te schurken, niet  om je geborgen bij te voelen. Je wist niet hoe dat moest. Toch een lichaam waar ik van houd omdat het (van) jou is.

Morgen zul je slechts een herinnering zijn. Hoewel ik ‘de kouwe kant’ ben zul je voor mij een warme herinnering zijn, zeker weten. Want jij was mijn schoonmoeder. Mijn warme schoonmoeder.

Advertenties

55 woorden

Schrijverspunt heeft weer een schrijfwedstrijd georganiseerd: schrijf een verhaal van 55 woorden. Van 14 t/m 21 februari werd de Week van het Korte Verhaal hiermee gevierd. Makkie, denk je dan. Lekker weinig woorden, snel klaar. Je hoeft je ook maar aan twee spelregels te houden:

  1. Alleen fictie komt in aanmerking, dus echte afgeronde prozaverhalen, met een begin, een midden en het liefst een verrassend eind. Gedichten, filosofische overpeinzingen en beschouwingen van natuur en persoonlijk leed, hoe mooi ook opgeschreven, worden onverbiddelijk en meedogenloos terzijde gelegd en doen niet mee aan de wedstrijd.

Oké, denk ik dan, dat klinkt een stuk strenger. Hogere eisen dan ik aanvankelijk dacht. Weinig woorden voor een afgerond verhaal. Wat kun je vertellen? Het moet wel ergens over gaan.

  1. Het verhaal moet in precies 55 woorden, inclusief de titel worden verteld!

Wat?! Inclusief de titel? Tjonge, dat wordt een errug kort verhaaltje. Ik heb toch een idee en begin gewoon enthousiast te schrijven. Klaar. Even tellen: oeps, 257 woorden… Ik heb ooit eens een boekje gelezen: ‘Schrijven en schrappen’ en dat breng ik nu maar al te graag in de praktijk. Dan ga ik van 257 naar 163 naar 53. Dit zijn er te weinig! Dan heb ik er eindelijk precies 55! Maar o jee, de titel vergeten. Opnieuw schuiven en schrappen totdat er een heel verhaal inclusief titel van 55 woorden staat. Snel insturen en dat deden 699(!) mensen met mij. Na een best wel korte tijd (het waren natuurlijk ook maar korte verhaaltjes…) kwam de uitslag al en konden  55 schrijvers zich verheugen op een plek in de bundel en ik zit daarbij. Jippie!

Eén verhaal wordt als winnend verhaal uitgekozen en vooraan in de bundel gezet. Deze keer is het van Lilian Steenvoorden en het gaat zo:

Overstekend groot wild

‘Weet je het zeker, er is zoveel lawaai hier en ik zie almaar van die lichten.’ De groep herten kwam behoedzaam uit het kreupelhout tevoorschijn. ‘Ja, kijk maar.’ Het oudste hert knikte in de richting van de rood-witte driehoek op een dunne paal. ‘Dat zijn wij toch? We mogen hier zelfs springen.’

Ik vind ‘m grappig en leuk gevonden.  Mijn verhaal gaat zo:

Verrassing

Op Jacqueline’s Nieuwjaarsfeestje in augustus kijk ik zoekend rond. Ik heb haar twee jaar niet gezien. Ik zie een man, in zijn gezicht trekken van Jacqueline. Nooit geweten dat zij een broer had. Hij kust me en zegt met de stem van Jacqueline: ‘Proost op mijn nieuwe jaar lieverd. Het nieuwe jaar van Jacques.’

Wil je de andere 53 verhaaltjes ook lezen moet je de bundel maar kopen. Het is de vierde keer op rij dat deze jaarlijkse wedstrijd georganiseerd wordt met als vaste sponsor Stichting Biblionef. Deze stichting stelt zich ten doel om kinderen overal ter wereld de kans te geven om te lezen. Hoe mooi is dat! Zo kun je lekker lezen en tegelijkertijd kinderen helpen! 👍😍

 

Dialoog

Hoezee, de eerste van dit jaar! 

Een dialogenschrijfwedstrijd georganiseerd door uitgeverij Ambilicious mondde uit in een plekje in deze bundel. De opdracht was een dialoog te schrijven van maximaal 233 woorden, inclusief de titel en 75% van de tekst dient gesproken tekst te zijn. Het eindigde in heel veel schrappen, 233 woorden is echt niet veel. Met dit resultaat. Bedenk dat de laatste twee zinnen op een volgende bladzijde staan…mooi effect 😉

Dialoog

Een waterig zonnetje breekt door. Bezoekers nemen plaats op houten bankjes. Anderen blijven staan, drinken iets uit een plastic bekertje. Kinderen rennen rond en vergapen zich aan de grote trofeeën. Vrolijke muziek klinkt krakend uit de luidsprekers.

‘Hoi.’

‘Goedenavond.’

‘Druk hè.’

‘Zeker.’

‘Ken jij iedereen?’

‘Nee, u wel?’

‘Nee joh, maar die daar heeft wel twee hele grote zeg!’

‘Enorm.’

‘Zou dat echt zijn?’

‘Waarom niet.’

‘Zo groot?’

‘Nou, u ziet het.’

‘Heb ik thuis niet hoor.’

‘Ligt waarschijnlijk aan de voeding.’

‘Denk je?’

‘Vroeger zag je ze niet zo.’

‘Misschien een stukje revolutie.’

‘Evolutie bedoelt u.’

‘Ja natuurlijk. Ik ga het gewoon vragen.’

‘Ho, ho, dat mag niet hè.’

‘Hoezo niet?’

‘Voorkennis van de jury.’

‘Nou ja zeg, een praatje mag toch wel?’

‘Natuurlijk, maar dan wordt u gediskwalificeerd.’

‘Dan loop ik die poen ook mis zeker. Oké, ik blijf wel zitten.’

‘Verstandig. Let op, daar begint de eerste ronde.’

‘Kijk nou, ze loopt voorop! Wat een joekels zeg.’

Beide heren kennen de dame met de grote Newfoundlanders hoge punten toe. Uiteindelijk zal ze de eerste prijs winnen op de jaarlijkse hondententoonstelling.

 

Tot de dood

(Mijn bijdrage aan de schrijfwedstrijd van Schrijven online kan ik gerust hier plaatsen want ik zit niet bij de winnende verhalen. De opdracht was een verhaal van maximaal 500 woorden  te schrijven over een bruiloft. Het mocht alle kanten opgaan en gevraagd werd vooral alle clichés vermijden. Ik dacht een originele invalshoek te hebben gevonden…)

Tot de dood

´Je bent echt prachtig!´, zei ik. Ik ging achter de bruid staan en samen keken we naar het spiegelbeeld. De jonge vrouw in het glanzende wit en ik, de oude vrouw, in het matte zwart. Een grotere tegenstelling was niet denkbaar. ´Zul je goed voor mijn zoon zijn Colette?’, vroeg ik. De bruid knikte en in haar stralende ogen lag een belofte. ‘Hij is alles wat ik heb…’, zuchtte ik. Colette draaide zich om en omhelsde me. Ik maakte me los en keek haar  aan. ‘Ik heb nog iets voor je, het enige dat nog ontbreekt deze dag.’ Colette trok haar wenkbrauwen op. Ik haalde uit mijn zwarte handtas een donkerrood doosje. Toen ik het opende hield Colette haar adem in en haar ogen vlogen heen en weer tussen mij en de inhoud van het doosje. Op de crèmekleurige zijde lag een druppelvormige smaragd aan een ragfijn gouden kettinkje. Hij was zo geslepen dat het licht aan alle kanten weerkaatste. Ik zei: ‘Nu jij lid wordt van onze familie heb je ook recht op onze familiejuwelen. Ik zou het een eer vinden als je deze zou willen dragen vandaag.’ Colette knikte heftig en draaide haar rug naar me toe. Ik legde mijn handen om haar slanke nek en liet ze daar even rusten. Ik sloot voor een moment mijn ogen, slikte mijn woede weg en maakte de ketting vast. ‘Je bent echt prachtig!’, zei ik nogmaals.

Ik liet haar achter in de logeerkamer en ging op zoek naar mijn zoon. Hij is mijn alles, mijn reden tot opstaan elke dag. Ik weet exact wat hij nodig heeft, ik ken hem immers zijn hele leven. Ik weet wat hij wil en kan. Waar hij vrolijk van wordt of verdrietig.  Dit laatste zie ik niet graag en daar bescherm ik hem voor. Zoals ik hem bescherm tegen dat onaangename wicht , Colette. Zij probeert hem voor zich te winnen met haar berekende houding. Ze geeft hem het idee dat hij haar wereld is maar ze bedoelt zijn geld. Van ons familiekapitaal zal binnen afzienbare tijd weinig tot niets meer overblijven. Hij ziet het niet. Maar ik zal hem helpen, heel subtiel, zodat hij weer huilend op zoek naar bescherming in mijn armen valt.

Alles is anders gelopen. Nadat hij haar dood had aangetroffen in de logeerkamer en ik hem in mijn armen wilde nemen om hem te troosten wees hij me ruw af. ‘Wat heb je gedaan!’, siste hij woedend tegen me. Hij hield de smaragd voor mijn ogen. ‘Jij hebt haar de Traan gegeven terwijl je weet dat hij ongeluk brengt. Nadat tante Odile was overleden zou niemand hem ooit nog dragen en jij geeft hem aan de vrouw waar ik zielsveel van houd! Welke moeder doet zoiets. Jij bent geen moeder! Maar je hebt je zin, de bruiloft gaat niet door. Ga jij het maar eens haarfijn uitleggen aan alle gasten. Ik wacht beneden op je. Maar eerst dit.’ Hij deed me de ketting om.

( Als algemene feedback kregen de deelnemers van de schrijfwedstrijd te horen dat er een overvloed aan dode bruidjes was… 🤣  Zo origineel was ik dus helemaal niet!)

 

Feest

Een nieuwe schrijfwedstrijd. Deze keer georganiseerd door schrijfcoach Kelly Meulenberg. De bedoeling was een verhaal te schrijven bij de door Kelly aangeboden foto, en daarbij niet meer dan 400 woorden te gebruiken. Ik waagde een poging maar zat niet bij de winnaars. Wel kreeg ik een gratis coachsessie aangeboden, die nog moet plaatsvinden. Erg benieuwd wat het me brengt. Hier de foto en mijn verhaal.

Niet één, niet twee maar drie redenen waren een goeie aanleiding voor een uitgebreid feest. Ten eerste mijn verjaardag, ten tweede mijn nieuwe baan en ten derde het feit dat ik hier alweer vijf jaar woon. Ik heb besloten deze keer eens flink uit te pakken en alle naaste collega’s tegelijkertijd met wat beste buren en een stel favoriete vrienden en vriendinnen uit te nodigen. Familie, nee liever niet. Dat is te ingewikkeld.

Henk van de administratie, een nogal gesloten figuur met een vervelende vrouw thuis, maar met een hart van goud, gaat naast mijn kwebbelende zwemvriendin Thea zitten en binnen de kortste keren praten ze honderduit over hun lievelingsschrijvers. Ruud van de boekhouding, waarvan iedereen weet dat hij er in zijn vrije tijd met de racefiets op uittrekt heeft het uitstekend naar zijn zin met mijn fietsende buurvrouw Nadine. Globetrotter Niels raakt niet uitgepraat met Johan zodra het over Thailand, Australië of Nieuw Zeeland gaat. Buurvrouw Gerda zit zelfs kleinkindfoto’s uit te wisselen met mijn oudste vriendin Vera. Mooi om te zien dat ‘mijn’ mensen uit verschillende kringen, op andere vlakken overeenkomsten hebben. Ze raken elkaar zonder hier op uit te zijn. Het ontstaat zomaar op mijn feest.

Ik heb de tafel in de tuin gedekt, dat kan best met dit weer en nu komt die grote tuintafel toch nog eens van pas. Bloemen uit mijn eigen tuin schik ik in een vaasje en zet ze samen met wat waxinelichtjes op tafel. Uit de keuken komen heerlijke geuren. Ik kijk op mijn horloge, trek mijn nieuwe lichte spijkerjasje aan en besluit wat amuses op kleine bordjes te doen. Dan snijd ik het stokbrood. Nogmaals kijk ik hoe laat het is. Wat zijn ze laat. Ik steek de lichtjes vast aan. Ze zullen zo wel komen. Toch? Dan schenk ik de champagne vast in, zo lekker die bubbels. En het staat zo gezellig. Ik neem vast een slokje. En nog één. Waar blijven ze nou? Zelfs Jacqueline is er nog niet, die is altijd te vroeg. Anderhalf uur later heb ik alle glazen leeggedronken, in mijn eentje. Niemand! Niemand is komen opdagen! En zelfs niet het fatsoen hebben om netjes af te bellen. Gloeiende gloeiende! Ik zal nog eens wat organiseren! Ben niet gek! ‘Hey buuf!’, klinkt het grinnikend aan de andere kant van de schutting, ‘Niet alles opdrinken hè, anders hebben wij  morgen niets, hahaha!’ Morgen? Morgen? Morgen!!!

Hartstreek

(Dit verhaal heb ik ingestuurd voor de jaarlijkse schrijfwedstrijd van uitgeverij LetterRijn. Het thema was ‘Deadline’ en er moest in ieder geval 1 lijk in voor komen. Het aantal woorden moest tussen de 2500 en 4500 tellen en daar lag de uitdaging voor mij. Zo’n lang verhaal heb ik nog nooit geschreven! Op 16 juni behaalde ik een plek op de longlist, waar ik reuze trots op ben. Maar de shortlist…was uiteindelijk toch te hoog gegrepen. Daarom niet in een bundel maar gewoon hier te lezen.)

Ik werd pas serieus bang toen ik in mijn eigen tuin over een lijk struikelde. Ik zag een laars op het pad liggen, ter hoogte van de roze rododendron, en toen ik die laars wilde wegschoppen bleek er een heel lichaam aan vast te zitten. Even vergat ik adem te halen. Doorlopen was geen optie. Het bevond zich immers in mijn tuin. Ik bukte voorzichtig richting het lichaam. Langzaam stak ik mijn hand uit om de overhangende bloemen uit het gezicht te vegen toen het lichaam opeens bewoog. Ik sprong overeind, smoorde mijn gegil door mijn hand tegen mijn mond te drukken. Het lichaam bleek dus geen lijk te zijn en rolde kreunend onder de struik vandaan. Toen zag ik het. Het was Ed, mijn ex-man. Een snee boven zijn rechter wenkbrauw zorgde voor een stroom bloed over de helft van zijn gezicht. Zijn onderlip was gezwollen en zijn handen vertoonden schaafwonden. Ik knielde bij hem neer, ondersteunde zijn hoofd en vroeg wat er gebeurd was. Uit zijn keel kwamen niet meer dan wat rochelende geluiden. Opeens greep hij mijn bovenarm wonderbaarlijk ferm vast, sperde zijn ogen wijd open en zei voordat hij het bewustzijn verloor: ‘Pas op, Liz!’

Een paar uur later in het ziekenhuis zit ik naast zijn bed nog steeds te trillen. Ed is direct geopereerd aan verschillende inwendige verwondingen en wordt nu in diepe slaap gehouden. De politie die mij allerlei vragen stelde is weer verdwenen. Nee, natuurlijk weet ik niet wat er gebeurd is. Nee, ik heb niets gezien, hij lag daar opeens. En ja, ik ken hem wel. Drie jaar ben ik met die lieverd getrouwd geweest. Daarna moest ik wel van hem scheiden omdat ik Rozemarijn tegenkwam. Toen wist ik direct wat er ontbrak aan mijn huwelijk. Bij Rozemarijn voelde ik eindelijk waar het om gaat in het leven. Alles viel op zijn plaats. Bijna een jaar wonen we nu samen. Een zilveren hanger in de vorm van een roos ligt in cadeauverpakking verstopt tussen mijn sportkleren. Ik denk er hard over haar ten huwelijk te vragen bij het overhandigen van het sieraad. Plotseling realiseer ik me dat er een arts naast het bed staat. Ik moet weggedoezeld zijn. Hij adviseert me naar huis te gaan omdat de patiënt voorlopig niet wakker zal worden. Nadat hij me ervan verzekerd heeft dat de situatie niet levensbedreigend is en belooft direct te zullen bellen bij verandering in de situatie, verlaat ik het ziekenhuis.

Het is 5.00 uur als ik bij mijn auto aankom. Ik wil niet bang zijn maar toch huiver ik als ik het gekraste hart in het voorportier zie. Snel open ik de auto en spring er in. Op een bepaalde manier voel ik  me hier binnen veilig. Ik stuur Roos een geruststellend appje dat ik er over een half uur ben.  Autorijden kost mij niet veel moeite en geeft me daardoor tijd en ruimte om na te denken. Nu ik zo terugdenk begon het eigenlijk allemaal al veel eerder.

Eerst had ik het niet eens in de gaten. Een mailtje gevuld met hartjes. Hartjes waar een mes in stak zodat het bloed eruit druppelde. Ik dacht deze actie toe aan de tijdelijke stagiaire die steeds rood werd als ik haar goedemorgen wenste. Een week later deed een hart van rode verfspetters op mijn vaste parkeerplaats mijn collega’s schunnige insinuaties maken. Daarna begonnen de telefoontjes. Zodra ik opnam hoorde ik steeds weer dezelfde muziek. Orkestrale muziek die lieflijk en romantisch begon om al snel te veranderen in angstaanjagend gesnerp .  Een afzender was nooit te traceren. Toen er op een dag een grillige hartvorm met een groot kruis er doorheen in het linkerportier van mijn auto was gekrast bekroop mij een akelig gevoel. Ik keek schichtig om mij heen. Wie doet dit? En waarom bij mij? Wat wil diegene van mij? Is er iemand verliefd op me? Of juist niet? Vrijwel direct na deze ontdekking kreeg ik een bericht op mijn telefoon: ‘Wil je dat dit ophoudt, ontmoet mij dan vanavond bij club Bubbels.’ Ik kende de club wel. Bubbels was één van de zaken die volgens een project de binnenstad wat meer aantrekkingskracht moest gaan geven. De prestigieuze opzet was echter tot mislukken gedoemd en het eindigde in een verloederd stadsdeel. Ik besloot niet toe te geven aan dit merkwaardige verzoek. Negeren leek mij beter.

Toch hield ik de volgende dag, voor de zekerheid, mijn telefoon voortdurend in de gaten. Had het gewerkt? Was het de ander duidelijk dat ik niet zou zwichten? Eenmaal thuis vroeg ik geforceerd vrolijk of er nog iets bijzonders gebeurd was. Rozemarijn keek me doordringend aan. ‘Iets bijzonders?’, vroeg ze liefjes. Ze liep naar de keuken en kwam met een platte doos terug die ze mij overhandigde. Ik pakte de doos aarzelend aan, zag mijn naam er met grote letters op staan en opende hem voorzichtig. De hartvorm van verdorde rozen en de rottingslucht die daarbij vrij kwam deed me terugdeinzen. ‘Bijzonder genoeg?’, vroeg ze, ‘Heeft ze ook een naam?’  Moest ik nu zeggen: ‘Het is niet wat je denkt!’ of  ‘Schat ik weet van niks!’ Beide antwoorden zouden haar evenveel van streek maken, zeker nu ze weer in een labiele fase was. De tweede miskraam had haar tot een depressie gedreven. Vraag me niet hoe maar ik wist haar ervan te overtuigen dat dit bloemstuk voor haar bestemd was omdat ik zoveel van haar houd. Dat de rozen verdord waren zou ik morgen verhalen bij de bloemist.  Ze verweet me op het laatst alleen nog de kitscherigheid van mijn keuze.

Die avond tijdens het laatste rondje met Boris, onze boxer, ging mijn telefoon. Ik treuzelde met opnemen maar deed het toch. Een hese stem: ‘Vond je de bloemen mooi? Zo jammer dat ik je gemist heb in Bubbels. Ik denk dat jij niet precies begrijpt wat ik bedoel. Volgens afspraak heb je nog 24 uur de tijd om er te komen. Anders kom ik wel naar jou. Afspraak is afspraak. En onthoud dit goed, ik krijg altijd wat ik wil, niets of niemand houdt me tegen!’ Nog voor ik enige vorm van reactie kon geven was de verbinding verbroken. Daarna volgde een constante stroom van berichtjes met alleen maar hartjes afgewisseld met doodskoppen. Voor ik mijn telefoon rigoureus uitzette keek ik naar de tijd: 23.55 uur. Toen ik thuis kwam zag ik die laars op het tuinpad.

Volgens afspraak? Welke afspraak? Dus ik heb nu nog negentien uur de tijd. Voor wat eigenlijk? En wie bepaalt dit? En heeft dit iets met Ed te maken? Zo ja, wat dan? Zo nee, waar slaat dit op dan? Ik rijd de auto de garage in waar de elektrische deur zich direct achter me sluit. Ik pak mijn tas en aarzel nog even met uitstappen. Alsof ik moed moet verzamelen. Dan stap ik uit en verlaat de garage. Nog zeven meter eer ik bij de achterdeur ben. Ik hoor geritsel,  vliegensvlug draai ik me om. Niets te zien. Waarschijnlijk gewoon een nachtdier. Als ik bijna bij de deur ben voel ik eerder dan dat ik het hoor iets vlak langs mijn hoofd suizen. Pal voor me slaat een bloempot tegen de muur in scherven. Ik draai me snel om en zie nog net iemand onze tuin uitrennen. Ik haast me de deur te openen, zenuwachtig laat ik mijn sleutels vallen, raap ze vlug op en stap naar binnen. Veilig. Ik doe de deur op slot en blijf even met mijn rug tegen de deur aan geleund staan. Ik sluit mijn ogen en haal diep adem. Mijn hart bonkt in mijn keel. Dan adem ik langzaam uit en loop door naar de keuken. Ik weet zo snel niet wat maar er klopt iets niet. Behoedzaam sluip ik verder tot ik mijn teen stoot tegen de hondenmand. Tegelijk dringt tot me door wat er niet klopt. Ik laat me op mijn knieën vallen en voel het harde koude lichaam van Boris. Snel doe ik het licht aan en onderzoek Boris aan alle kanten. Ik kan geen enkele verwonding vinden. Hij is gewoon dood.

Hoe ga ik dit aan Roos vertellen. Kan ze dit aan? Boris heeft haar de laatste tijd zoveel troost gegeven. Meer dan ik, bedenk ik me. De kinderwens is bij Roos nu eenmaal veel groter dan bij mij. En beide keren werd de vreugde in de kiem gesmoord. Ik ben onhandig in dit soort situaties, wil alleen maar dat zij gelukkig is. Moe ben ik opeens, zo moe. Eerst Ed en nu Boris. Als door een wesp gestoken spring ik overeind. Roos! Ik vlieg de trap op naar onze slaapkamer, ondertussen steeds harder haar naam roepend en gooi de deur open. Roos! Dan blijf ik stokstijf staan. Het bed is leeg. Onbeslapen zelfs. Wild draai ik om mijn as alsof ik haar achter me verwacht. Roos! Ik haast me naar de badkamer. Ook leeg! En net op dat moment gaat mijn telefoon. Ik talm een aantal seconden, ervan overtuigd dat die hese stem mij gaat vertellen wat er met Roos gebeurd is. Maar dan hoor ik de allerliefste stem van de wereld: ‘Liz! Hè hè, eindelijk neem je op. Ik ben bij mijn ouders hoor. Ik was zo bang na dat gedoe met Ed. Mijn vader heeft me opgehaald. Kom je ook hier heen? Huil je nou?’  ‘Nee schat, ik huil niet, ik kom er aan.’ ‘Oké, en Liz, en wil je meteen Boris meenemen? Anders schrikt hij zo als ik er morgenochtend niet ben.’

Het is 7.30 uur als ik Roos alles verteld heb. Ze ziet er intens verslagen uit, ze huilt geluidloos. Ik voel me hulpeloos. Bij het verliezen van de baby’s krijste ze tenminste, kon ik haar in mijn armen nemen. Nu is ze zo in zichzelf gekeerd dat ze iedere poging tot toenadering met een zwak handopsteken afweert. Ik laat haar en loop rond in de tuin van mijn schoonouders. Een tuin die niet zou misstaan in een magazine. Nadenken moet ik. Overzicht krijgen. Nog zestien en een half uur. Volgens de hese stem. Ik doe mijn best de stem te herkennen maar ik weet niet eens of het een man of een vrouw is. Iemand wil mij pijn doen, dat is tot zover duidelijk. Maar wie en waarom. En waar komt die deadline opeens vandaan. Ik herinner me niets van een afspraak maken die klokslag middernacht zal verlopen. Gespannen laat ik mij op een bankje zakken. Uit de schuur komt Jaap, mijn schoonvader, hij gaat naast me zitten. Hij kijkt me niet aan, is een man van weinig woorden maar vraagt toch: ‘Wat gebeurt er bij jullie? Ed, Boris, problemen?’ Ik overweeg hem in vertrouwen te nemen. Het welzijn van zijn dochter gaat hem boven alles, mij ook. Toch wil ik hem geen angst aanjagen. Daarom voel ik me verplicht het een en ander te vertellen maar het feit van de deadline houd ik voor me. ‘Het lijkt er op dat iemand een hekel aan je heeft. Ruzie gemaakt?’ ‘Niet dat ik weet.’, antwoord ik. In gedachten ga ik al mijn collega’s langs, mijn vriendkring en mijn hardloopgroepje, maar ik kom er niet uit. Hoofdschuddend sta ik op en loop wat heen en weer. Dan blijft ik abrupt staan en fluister: ‘Jean-Jacques!’

Maar eerst moet ik naar het ziekenhuis. Ik ben er van overtuigd dat de antwoorden bij Ed liggen. Degene die hem in elkaar geslagen heeft is de figuur met de hese stem. Is degene die mij probeert klein te krijgen. Zodra ik Ed’s  kamer binnenkom zie ik dat de toestand onveranderd is. Hooguit zijn de blauwe plekken in zijn gezicht dikker en donkerder. Een verpleegkundige staat met haar rug naar mij toe en doet iets met het ventiel van het infuus. Als ik met mijn tas per ongeluk tegen de deur stoot draait ze zich snel om. Kijkt ze nu verschrikt, betrapt of bang? Even weten we allebei niet hoe te reageren. Ik herpak me als eerste en vraag hoe het met de patiënt gaat. Met de woorden: ‘Geen verandering en de rest kunt u aan de dokter vragen.’, verlaat ze de kamer. Ik bekijk Ed nog eens goed. Ik strijk hem zacht over de wang en fluister: ‘Ed lieverd, hoor je me?’ Even maakt hij een kreunend geluid. Dan schudt ik hem zachtjes aan zijn schouder en vraag: “Wie heeft dit met je gedaan Ed? Geef me een naam. Alsjeblieft! Ed?’ Uiterst langzaam gaan zijn ogen een stukje open en draaien ze verwonderd van links naar rechts en terug. Als hij mij in beeld heeft vormen zijn gebarsten lippen een grimas en probeert hij iets te zeggen. Om hem te kunnen verstaan moet ik me diep voorover buigen. Zijn adem strijkt langs mijn wang als ik hem ‘Auw’ hoor prevelen. Aan de dokter die binnenkomt, verzoek ik dringend de pijnmedicatie te verhogen.

Ik zet mijn auto met twee wielen op de stoep en ren de delicatessenwinkel in. Een jonge vrouw duw ik opzij.  Jean-Jacques komt op mij af. Hij steekt zijn armen uit alsof hij me gaat omhelzen. Ik sla ze weg en roep boos: ‘Wat wil je van me?’ Hij steekt zijn handen in de lucht alsof hij zich bedreigd voelt. ‘Zeg het! Zeg dat jij die mailtjes hebt verstuurd! En dat je mijn auto beschadigd hebt! En mijn ex in elkaar geslagen hebt!’ ‘Hoe… wat…ik…’, probeert Jean-Jacques, terwijl hij hulpeloos zijn schouders ophaalt. Ik schreeuw intussen: ‘Stop hier onmiddellijk mee! Ik weet toch dat je me al maanden probeert te versieren. Ik zie het toch! En nu wil ik weten waarom! En wat is dat met een deadline!’ Hij laat vertwijfeld zijn handen zakken en kijkt me verbaasd aan. Dan roept hij opeens keihard: ‘Maria!’. Uit de keuken komt een bezwete maar elegante vrouw met een geruit schort. Hij slaat zijn arm om haar schouders en vraagt zonder zijn ogen van mij af te wenden: ‘Maria, schat, vertel jij deze dame eens hoelang wij al bij elkaar zijn. Hoe gelukkig wij zijn met ons gezinnetje. Dat deze dame het vreselijk mis heeft te denken dat ik iets met haar zou willen en dat flirten mijn tweede natuur is zonder dat ik er iets mee bedoel.’ De jonge vrouw, die ik eerder opzij duwde, loopt op mij af: ‘Stel je niet zo aan mens, hij flirt ook met mij, daarom komen we hier toch zo graag?’ Huilend zak ik in elkaar. Het is 11.45 uur.

‘Ga wat slapen!’, dringt Roos bij me aan. Maar dat ga ik niet eens proberen. Nog geen twaalf uur meer en dan… Ja, wat dan? ‘Eet dan alsjeblieft wat.’ Zonder iets te proeven lepel ik de soep die ze me voor zet op. Mijn hersenen maken overuren zonder enig bruikbaar resultaat. Ik breng de kom naar de keuken en spoel hem om onder de kraan alvorens hem in de afwasmachine te zetten. ‘Zeg Roos, je wilde toch nog je föhn hebben van thuis? Die ga ik wel even halen.’ Blij dat ik iets kan doen. ‘Ik ga mee.’, zegt Roos. Ze kijkt me zo doordringend aan dat ik niet eens waag haar op andere gedachten te brengen. Zo staan we even later weer voor onze eigen voordeur. Ik open hem met mijn sleutel en samen staan we in de gang met ingehouden adem te luisteren. ‘Geen onraad.’, grap ik. Roos rent naar boven: ‘Ben zo terug.’  Ik raap wat post op en loop er mee naar de woonkamer. Dan hoor ik Roos gillen. Niet zomaar gillen maar hartverscheurend gillen. Ik neem de trap met twee treden tegelijk en zie Roos middenin de babykamer staan, haar armen kruislings over haar buik. ‘Nee!’, schreeuwt ze, ‘Niet aan mijn kindjes komen!’ Ik neem haar in mijn armen en kijk verbluft de kamer rond. Het meubilair is kapot geslagen, niets is nog heel. Alle kleertjes, zo liefdevol en zorgvuldig uitgekozen, liggen verscheurd tussen de kastresten. Heel zachtjes klinkt vanonder het matrasje ‘Somewhere over the Rainbow’. Roos wil het muziekdoosje pakken maar ik weet haar op tijd weg te trekken. ‘Niet aankomen! Ik ga de politie bellen.’ Nog negen uur.

Roos en ik zitten op het bankje in haar vaders tuin. Haar ogen zijn gezwollen van het huilen. Beiden zijn we doodmoe van alle vragen van de politie. We zitten dicht tegen elkaar aan en toch hangt er iets tussen ons in. ‘Ga je me nog vertellen wat er aan de hand is Liz?’ Wat kent ze me goed, ik heb inderdaad informatie achter gehouden tegenover de politie maar wat vertel ik haar? Sleep ik haar mee in dat hele deadlineverhaal, die over vijf uur afloopt, of blijf ik haar beschermen. Alsof ze mijn gedachten leest zegt ze: ‘Je hoeft me niet altijd te beschermen!’ Ik pak haar hand en besluit voor een middenweg te kiezen.  Haar de halve waarheid vertellen is nog altijd beter dan niets, verdedig ik mezelf. Ik houd het luchtig en vertel dat dit allemaal waarschijnlijk een samenloop van omstandigheden is, dat het één vast niets met het ander te maken heeft. Ik haal zelfs de wet van Murphy erbij. En probeer haar hoop te geven door mijn vertrouwen in de politie uit te spreken. Tenslotte vertel ik haar zo nonchalant mogelijk dat ik vanavond nog even weg moet. ‘Waar moet je naar toe dan? Wat ga je doen? Waarom zeg je dat niet tegen de politie dan? Liz,wat gebeurt er met ons?’

Als ik ’s avonds in de auto het adres van Bubbels ingevoerd heb en de radio aan wil zetten,  klinkt er een harde klop op mijn raampje. Van schrik raakt mijn hand de volumeknop en de bassen dreunen door de kleine ruimte. Snel draai ik de knop weer terug en zie Roos naast de auto staan. Ze trekt de deur open en vraagt gejaagd: ‘Kun je nog even binnenkomen om het alarm uit te leggen? Mijn vader is de code vergeten.’ Ik zucht, maar geef gehoor aan haar verzoek. Eenmaal binnen kijkt Jaap wat bevreemd als ik hem om de code vraag, die hij moeiteloos opzegt. Als Roos binnenkomt giechelt ze een beetje: ‘O, ik dacht…’ Ik haal mijn schouders op en verdwijn.

Minder zelfverzekerd dan ik wil loop ik Bubbels binnen. Aan de bar hangen drie mannen die mij suf aankijken. Vermoedelijk zitten ze hier al een tijdje. Achter de bar staat een slonzige vrouw al rokend te bladeren in een roddelblad. Ik knik naar hen en vraag me af, terwijl mijn benen opeens van rubber lijken, waarom ik eigenlijk geen plan van aanpak heb gemaakt. Ik ben altijd zo precies en hier stap ik zomaar onvoorbereid in. Hoe naïef ben ik eigenlijk. Is het angst die mij zo roekeloos maakt? Of is het woede. Of pure nieuwsgierigheid om degene te ontmoeten die mijn leven de laatste tweeëntwintig  uur tot een hel heeft gemaakt. Bevend neem ik plaats op een stoel. Wat nu? Een grote man stapt op mij af en gebaart me met een enkele hoofdbeweging hem te volgen. Zijn lengte van bijna twee meter en zijn gewicht van ruim 160 kilo doen me beseffen dat tegenstribbelen geen enkele zin heeft. Ik aarzel toch even maar loop ik hem dan gedwee achterna. In een schemerige gang opent hij de derde deur en laat me voorgaan. Hij duwt mij op een stoel tegenover een soort bureau en gaat achter me staan. Ik kijk de kamer rond en weet niet wat ik moet voelen. Mijn hart bonkt in mijn keel en zelfs mijn handen zweten.

De deur achter het bureau gaat plots open. Ik spring overeind als er een figuur met een zwart kraaienmasker op verschijnt. De grote man duwt me weer op mijn stoel en de kraai gaat ook zitten. ‘Fijn dat je gekomen bent.’ klinkt het hees, ‘En keurig op tijd. Ik wist wel dat je eieren voor je geld zou kiezen. Nu kunnen wij eens fijn praten.’ Ik houd het niet meer uit, sta op en schreeuw: ‘Wie ben je en wat wil je van me! Waarom doe je dit! Nog laf ook met zo’n masker!’ Ik word teruggeduwd op mijn stoel. De kraai slaat met zijn vuist op tafel en zegt: ‘Niemand noemt mij laf! Ik houd mij alleen maar aan de afspraak. Die afspraak verloopt over een uur!’ De adrenaline neemt de overhand, opnieuw spring ik overeind: ‘Man, ik weet niet eens waar je het over hebt. Welke afspraak? Ik ken je niet eens!’ De kraai gebaart naar de grote man die mij nu met tiewraps aan de stoel vastmaakt. De kraai gaat voor me staan en schuift tergend langzaam zijn masker omhoog. Paul staat daar! Paul Vogel, de ex van Roos. Hij buigt zich naar mij toe en spuugt de woorden bijna in mijn gezicht: ‘Ja, ik ben het. Stom van je dat je dat niet doorhad. Jij bent sowieso een stom wijf!’ Paul zet zijn woorden kracht bij door me een klap te geven. Mijn hoofd tolt ervan. ‘Jij hebt mijn leven zo ontzettend verziekt door Roos van mij af te pakken. Het liefste wat ik ooit bezat. Ik kon haar alles geven. Ik was zielsgelukkig met haar totdat jij kwam en haar die onzin in haar hoofd praatte.’ Een tweede klap volgt, harder. Ik proef bloed. ‘Twee vrouwen. Pffff, wat een bizarre situatie. Waarom was ik niet goed genoeg? Door jou! Snap je. Door jou! Jij hebt alles verpest!’ De grote man moet mijn stoel nu vasthouden zo hard als Paul mij slaat. Door mijn linkeroog zie ik niets meer. ‘En ik heb je gezegd toen jullie vorig jaar gingen samenwonen: ‘Je krijgt één jaar de tijd en dan wil ik haar terug!’, en dat is nu.’ Hij trapt de stoel omver en ik val met mijn hoofd langs de muur. Ik blijf stil liggen en probeer me de afspraak te herinneren. Het enige wat ik nog weet is dat hij dit lachend vertelde, daarbij Ed op de schouders slaand. Iedereen  het idee gevend vrede met de situatie te hebben. Hij schopt tegen de stoel zodat mijn hoofd tegen de muur knalt. ‘Nou, weet je het weer? Je eigen Edje was erbij. Edje die bijna alles verpestte door met jou te willen gaan praten. Ik kon hem op tijd stoppen. Net als Boris, dat stomme beest. Voordat hij me kon verraden heb ik hem een heerlijk stukje vlees gegeven. De schrokop vrat zichzelf dood. Hahaha. En dacht je nu echt dat ik kon toestaan dat jullie baby’s maakten? Als Roos een kind krijgt is dat van mij hoor je. Van mij!’ Opeens gebeurt er van alles tegelijk.

De deur achter Paul vliegt open en slaat met een klap tegen de muur. Twee gewapende politieagenten stormen binnen. Er is veel gegil en geschreeuw. Roos wurmt zich langs een van de agenten en knielt bij me neer en zegt snel: ‘Ik zag op je navigatie waar je naartoe ging. Alles komt goed!’ De grote man haalt een pistool uit zijn binnenzak en er klinkt een oorverdovend schot. Alles is even stil. Dan zie ik als in slowmotion de mond van Roos ‘Nee!’ schreeuwen. Ik zie de grote man vallen. Steeds dichterbij komt zijn enorme lijf. De stoelpoten versplinteren onder zijn gewicht of zijn het mijn heupen? Als hij bovenop mij valt wordt alle lucht uit mijn longen geperst.

 

 

 

 

Winnend verhaal Jessica

(Dit verhaal heb ik ingestuurd voor de schrijfwedstrijd van Schrijverspunt. Het thema was ‘De zwarte agenda’, het maakte niet uit wat je deed met die agenda, als die er maar in het verhaal te vinden was. Het geheel mocht maximaal 1250 woorden lang zijn en voor de rest was alles vrij. Vandaag gehoord dat de jury/redactie het goed genoeg vond om in een bundel te plaatsen! Hoezee! )

Jessica

Ze wilde het helemaal niet doen maar opeens ligt de zwarte agenda in haar handen. Op dat moment heeft ze nog de keuze het boekje terug te stoppen waar ze het vandaan heeft. De laptoptas met zijn initialen gedrukt op de voorkant, een cadeau van haar voor zijn vijftigste verjaardag, staat nog open. Hoewel meneer alles zo graag digitaal wilde doen, hij blijft vasthouden aan een papieren agenda, die hij consequent in zijn laptoptas bewaart. Nog nooit heeft ze zich om dat ding bekommerd, waarom zou ze. Haar nieuwsgierigheid wint het deze keer. Haastig bladert ze naar 15 juli. Leeg. Niets.

Een raar gevoel van spijt overvalt haar. Nu weet ze het zeker. Hij zal niets bijzonders gaan doen op 15 juli, de dag dat ze vijfentwintig jaar getrouwd zijn. Tot vijf minuten geleden had ze nog hoop dat hij zou toegeven aan haar vurigste wens, een reisje naar Argentinië. Er staat zelfs geen kruisje of iets ter herinnering aan deze speciale dag. Lusteloos bladert ze nog wat in het boekje. Tandarts, Ma jarig, huisje Scheveningen, voetbal Martijn, overwerken, het staat er allemaal in. Garage, ouderavond Roos, open dag tennis, Jessica. Jessica? Wie is Jessica? En waarom staat zij in de agenda van haar man?

Als ze de naam Jessica verschillende keren tegenkomt gaat ze rechtop zitten. Wat is hier aan de hand? En waarom staat er AT achter haar naam? De ontmoetingen met deze onbekende vinden om de twee weken plaats. En elke keer op een donderdag, behalve op 24 april. De verjaardag van Martijn. Wacht eens, hij zou toch een cursus timemanagement gaan volgen op donderdag? Een cursus van drie maanden, om de week. Dat was het natuurlijk. Hij heeft alleen nooit verteld dat het door een Jessica gegeven werd. Maar AT dan? Ze haalt haar schouders op. Het zal wel. Het doet er ook niet toe. De aanwijzingen die ze zocht heeft ze in ieder geval niet gevonden. De agenda verdwijnt weer in de tas.

‘Hoe gaat het eigenlijk met je cursus timemanagement?’ Kijkt hij nou geschrokken? Hij hoest eens en slaat een bladzijde van de krant om alvorens haar aan te kijken. ‘Tja, wat zal ik ervan zeggen, wel interessant.’ ‘Doet die Jessica het een beetje leuk?’ Nog eens hoesten, dan wordt de krant omslachtig opgevouwen en hij mompelt: ‘Ja, wel aardig hoor. Zal ik wat inschenken?’ ‘Wat doe je nou raar. Ik vraag toch gewoon belangstellend naar je werk? Geef maar een wit wijntje, want we moeten het eens ergens over hebben.’ ‘Jeetje, maak er geen drama van hè!’ ‘Waarvan? Van onze trouwdag? Op 15 juli vijfentwintig jaar geleden. Toen deed je heel anders tegen me. Gaan we nog iets doen die dag?’ ‘O bedoel je dat. Iets doen? Nou, ik denk dat ik jou eens lekker mee uit eten neem naar…’ ‘…de Witte Haan zeker. Maar schat, dat doen we ieder jaar. Dit is een kroonjaar hè, onze zilveren bruiloft!’ Hij zucht hoorbaar: ‘Oké, ik bedenk wel iets.’

Op 15 juli is ze al vroeg wakker. Ze heeft een onbestemd gevoel. Ze wil helemaal niet jaloers zijn, maar toch. Sinds ze de naam Jessica gevonden heeft, houdt ze hem op die bewuste donderdagen nauwlettend in de gaten. Steeds wanneer hij thuis kwam zag ze iets aan hem, zonder te kunnen zeggen wat dat iets inhield. Het leek ook wel of hij de laatste tijd wat afgevallen was, hetgeen hem overigens niet misstond. Een keer kwam hij licht hinkend thuis en bij navraag gaf hij niet meer dan een vaag ‘verstapt’ als reden. Over de bruiloft heeft hij met geen woord meer gerept. Dan zwaait de deur open en komt hij de slaapkamer binnen met een dienblad vol lekkere ontbijthapjes. Ze moet lachen als ze de roos tussen zijn tanden ziet. Met een zwierige zwaai zet hij het blad op het bed, de roos in een vaasje en kust hij haar. ‘Goedemorgen mijn allerliefste en allermooiste. Mag ik je uitnodigen voor een nieuwe mooiste dag van je leven? Eet, drink, doe je rode lange jurk aan en houd je haar los. Ik kom je over een uur halen.’ En weg is hij.

Het kost haar moeite Jessica uit haar hoofd te zetten terwijl ze zich aankleed. Ze wil zo graag van deze dag genieten. Een uur later verrast hij haar door te verschijnen met een oude schoolbus inclusief chauffeur. Hij heeft een nieuw pak aan. Nadat hij haar ervan verzekerd heeft dat ze het mooiste wezen op aarde is, helpt hij haar galant bij het instappen. ‘Is dit niet een beetje te ruim voor ons tweetjes?’ vraagt ze nog. Maar aan het einde van de dag is de hele bus gevuld met gasten die ze onderweg opgehaald hebben. Martijn en Roos als eersten, toen haar ouders, haar broer met vrouw en kinderen, haar zus met haar vriend, favoriete tantes, vriendinnen van nu en van vroeger, alle mensen die haar dierbaar zijn. Ze straalt! ‘Nog één adres,’ roept hij. Drie straten verder stopt hij bij een klein huis waar een prachtige dame uitkomt. Hij leidt haar de bus en stelt haar voor: ‘Dit is nou Jessica! Van de cursus, weet je wel?’ Zijn knipoog doet de aanwezigen zachtjes grinniken.

Jessica, die ze zo krampachtig probeer te vergeten, zit hier nu in haar feestbus? Zit hier ook nog eens vreselijk mooi te wezen. Sinds wanneer is het mode dat je een cursusleidster op je bruiloftsfeest uitnodigt? Alle mensen in de bus liggen haar zo nauw aan het hart, maar dat serpent?! Wordt zij hier publiekelijk voor gek gezet? Ruilt hij haar straks in? Waarom reageert niemand verbaasd? Stomme Jessica van de AT. Ze heeft het benauwd. Zo benauwd.

De bus stopt bij een chique restaurant en iedereen wordt bij binnenkomst een glas champagne in de hand gedrukt. ‘Gezellig!’denkt ze sarcastisch. Als hij een microfoon pakt wordt het automatisch stil in de zaal. ‘Lieverd, ik ben niet zo’n spreker daarom wil ik je laten zien hoeveel ik van houd. Met dank overigens aan Jessica, mijn partner in crime.’ Hij komt op haar af met uitgestrekte hand. Aarzelend neemt ze hem aan. Opeens klinkt er muziek. Haar favoriete muziek. Ze kijk hem verwonderd aan. Wat gaat hij doen? Dan trekt hij haar tegen zich aan, fluistert: ‘Als voorbereiding op onze reis…’ en begint met haar te dansen. Hij die nooit wil dansen danst nu met haar een Argentijnse tango. Zo passievol dat ze niet goed weet wat haar overkomt. Hij leidt haar de zaal rond en ze volgt, ze vliegt, ze zweeft, ze voelt, ze buigt, ze draait, ze leeft.

 

Literair

(Dit verhaal heb ik ingestuurd voor de schrijfwedstrijd van de Baarnse Literatuurprijs. Je kunt je natuurlijk afvragen wat precies ‘literatuur’ is. Is het ‘kunst’? Zijn het ‘teksten die meer waarde hebben dan  gewone teksten´? Wie bepaalt die waarde dan en wat is eigenlijk gewoon? Waarom is werk van Harry Mulisch het wel en de Donald Duck niet…? Ik laat het in het midden. Niet dat ik pretendeer literatuur te schrijven, juist verre van dat,  maar vond het thema ‘Metamorfose’ uitdagend genoeg om er een sprookje/verhaaltje van te maken. Dat de jury het met mee eens was kreeg ik vandaag te lezen: ik behoor niet tot de twaalf genomineerden… Daarom het verhaaltje gewoon hier te lezen ;-))

Metamorfose

Er was eens een lege bladzijde. Omdat er helemaal niets op stond en omdat hij volkomen wit was noemde men hem Tabula Rasa, Tabbie voor vrienden. Hij was al een behoorlijke tijd leeg en vond dit een behoorlijke tijd prima. Totdat er een gevoel aan hem knaagde. Na hevig nadenken constateerde hij dat het een gevoel van ontevredenheid was. Hij voelde zich kleurloos en nutteloos. Wrevelig vroeg hij zich af op welke wijze hij zijn leven zin en inhoud kon geven. Hoe kon hij van zich laten horen? Hij hoefde niet vooraan of bovenop, hij was geen schreeuwer, maar een klein beetje aandacht heeft nog niemand kwaad gedaan. Maar wie gaf er nu aandacht aan een leeg vel papier? Hij kreeg genoeg van de betekenisloosheid van zijn bestaan en nam een drastisch besluit: hij wilde veranderen.

Daarom ging hij op pad. Hij kwam terecht bij een, van horen zeggen, beroemde schrijver. Die kon vast wel iets met hem beginnen. De schrijver keek verbaasd naar Tabbie, dit zag hij niet vaak. Zijn bladzijdes waren altijd gevuld, bomvol met letters, punten en komma’s, hoofdstukken en inhoudsopgaven. Boeken vol had hij in zijn kast staan en ook in stapels op de grond. Hij was een bedrijvige schrijver en had geen tijd voor leeghoofderij. Toen Tabbie smeekte: ‘Alstublieft, een kleinigheidje maar…’ rommelde de schrijver ten slotte wat in de onderste la van zijn bureau en schonk hem een handvol oude woorden. En zette hem resoluut het huis uit.

Eenmaal buiten zuchtte Tabbie opgelucht, het begin was er. Hij was niet meer leeg. Toch zag hij er nog niet aantrekkelijk uit. Hier en daar slingerde een woord over hem heen. Ze misten duidelijk structuur en samenhang. Daarom toog Tabbie naar een, van horen zeggen, beroemde dichteres. Zij heette hem hartelijk welkom. Ze zat tussen twee gedichten in en om de tijd te doden greep ze naar de fles. Zo duurde het even voordat hij uitgelegd had wat precies of ongeveer de bedoeling was. Ze hikte van de lach en klapte in haar handen van opwinding en ze besloot die arme Tabbie te helpen. Even later stonden de woorden keurig gerangschikt en op rijm in het midden van Tabbie. Daardoor kreeg ze zelf een prachtig idee voor een nieuw gedicht. En zette hem resoluut het huis uit.

Tabbie liep zo trots als een pauw rond en liet iedereen die wilde het gedicht lezen. Maar de lezers vonden het gedichtje zo klein dat ze snel klaar waren met hem. Sommigen konden het zonder leesbril niet eens lezen. Sommigen beweerden hun leesbril kwijt te zijn en dat ze liever plaatjes keken. Daar veerde Tabbie van op. Plaatjes! Dat hij daar zelf niet aan gedacht had. Hij ging naar een, van horen zeggen, beroemde schilder. Hij vroeg de schilder om hulp, wellicht in ruil voor het uitspoelen van de kwasten. De schilder mopperde nog wat over inspiratie, stijl en perspectief, maar maakte uiteindelijk een rand van afbeeldingen om het gedicht heen. Wel uitsluitend in groen want de andere kleuren waren op. Maar Tabbie vond het prachtig. Nu zou iedereen graag naar hem kijken, hem aanspreken, hem waarderen. Mensen zouden van hem genieten, blij worden. Hij zou eindelijk zinvol zijn. Hij stapte resoluut naar buiten.

Tabbie liet zich voldaan aan zijn Chinese buurman, genaamd Gami Ori, zien. Eerst schrok Gami: ‘Wat ben jij veranderd! Wat is er gebeurd?’ Tabbie vertelde van de leegheid die nu overgegaan was in volheid en dat zijn leven daardoor weer zinvol was. Gami liep drie maal om hem heen en bekeek hem van alle kanten. Hij plukte wat aan zijn dunne snorretje en keek Tabbie met één oog aan. Tabbie werd er een beetje nerveus van. ‘Iets niet goed?’ vroeg hij. ‘Hm,’ antwoordde de Chinees ernstig, ’Je bent niet heel veel veranderd hoor, je bent nog steeds plat!’ Tabbie schrok zich een ezelsoor, hij wilde juist wel heel erg veranderen! Hij vroeg zijn buurman om hulp. ‘Dit kan pijn gaan doen!’ waarschuwde Gami nog. En voor Tabbie er erg in had veranderde hij in een prachtige kraanvogel. En toen kreeg hij eindelijk de aandacht die hij zo graag wilde. Doordat hij zo veranderd was. Tabbie leefde niet zo heel lang maar wel gelukkig.

 

Buitenland

 

(België organiseert ook wel eens schrijfwedstrijden en aangezien je natuurlijk gewoon Nederlandse bijdragen kunt inzenden doe ik ook daar aan mee. Soms lukt het: sinds vandaag staat mijn kinderverhaal ‘Olivier wil koning worden’ als voorleesverhaaltje op http://www.voorleestuin.be ! Yeah!! En soms lukt het niet. Onderstaand verhaal heb ik ingezonden voor de Columnwedstrijd van Thisishowwweread, een Belgisch platform voor literatuur en lifestyle, voor de ondernemende lezer. Het thema was vrij, lengte ongeveer 500 w., het werd ietsje langer. Dit verhaal heeft het niet gered, toch maar hier plaatsen dan ;-))

Roze wolk

Kijk naar me! Zie je het? Nee? Nog steeds niet? Ik ben blij! En niet zo’n klein beetje ook. Na al die maanden van spanning kwam vanmorgen eindelijk het verlossende telefoontje: “Mam! Je bent Oma geworden!” Van pure vreugde sprong ik uit mijn stoel en gooide daarbij de veel te dure leeslamp om. Scherven brengen geluk toch? Slik, dit wordt wel heel veel geluk.

Ik laat de boel de boel en huppel naar de stad voor een cadeau. Bij de speelgoedwinkel voel ik mij een kind, zoveel moois en schattigs is er te zien. Kijk nou, een roze beer die kan zingen. Even proberen. Ik druk op haar buikje. Nog eens. Toe nou! Ik schudt haar zachtjes heen en weer. O jee, ze begint keihard te huilen! Waar zit die uitknop! Houd op, stomme beer! Ik stop het roze kreng in de plastic roze Barbie-caravan en doe alsof er niets aan de hand is. Niets aan de hand. Wat is dit? Een roze opwindautootje. Wat lief. Even proberen. O jeetje, het ding zit vast aan mijn sjaal en draait zich steeds vaster in de wollen franje. Wat nu weer. Ik trek en ruk maar het voertuigje zit moervast. Ik kijk wat onbeholpen rond. Aha, daar is de oplossing: met een kleuterschaartje bevrijd ik het wagentje. Dan valt mijn oog op een dartspel met zachte pijlen die met klittenband aan het bord vastzitten. Hier kan niets mis mee gaan. Ik gooi een pijltje naar het bord. Mis, op de grond. Als ik het wil oprapen blijkt het wel erg goed aan de vloerbedekking te hechten. Ik laat me niet kennen en trek resoluut aan de pijl. De vloerbedekking besluit los te laten op een moment waar ik niet op bedacht ben en ik val plat op mijn gat. Met de pijl in mijn hand, dat wel.

Ik gooi het over een andere boeg en besluit kleertjes te kopen. Ik aai rekken vol met roze tule, ik gooi stapels minihemdjes met roze flamingo’s om, ik woel met twee handen in een bak vol witte ienieminisokjes met roze hartjes, roze haarbandjes met witte roosjes gebruik ik als katapult, ik jongleer met drie pluchen roze ballen, ik…weet het niet meer. Help! Ik zeg dit niet hardop maar straal het kennelijk wel uit. Een winkeljuf komt op mij af en vraagt zuur: “U zoekt?” Betrapt stop ik beide handen in mijn zakken en vraag naar een roze cadeautje. “Uw eerste?” Ik knik trots en laat me een pakket aanpraten. Ik heb het lef niet meer om tegen te spreken en verlaat de winkel met twee tassen vol en een snikkende bankpas.

De details over mijn reis naar het ziekenhuis zal ik je besparen. Laten we het erop houden dat ik een slangenmens ben. Vele routes en afdelingen later ben ik dan toch daar waar ik zijn moet. Ach kijk nou! Ik vergeet iedereen en ren op mijn doel af. De stoelpoot is echter langer dan ik denk en ik smak bijna naast mijn verse kleinkind in het lelijke ziekenhuiswiegje. De baby schrikt en zet het direct op een huilen. “Oma is binnen, het huilen kan beginnen!”, grap ik nog. Mijn dochter toont direct haar moederkwaliteiten en heeft haar nazaat in twee tellen stil. Sorry hoor. Met de nodige felicitaties zet ik de twee volle tassen op het bed. De jonge ouders duiken er enthousiast in om er al snel weer beteuterd uit te komen. Hè? Iets niet goed? “Mam, weet je hoe ons kindje heet?” Verrek, vergeten te vragen. “Joost! Mam, je hebt een kleinZOON!”

 

 

 

Hoezo te oud

(Dit verhaal heb ik ingestuurd voor de schrijfwedstrijd van Libelle. Daphne Deckers verzon de eerste regel als verplicht begin. Kom je dit verhaaltje niet tegen in Libelle dan kun je het fijn hier lezen… ;-))

“Mam, daar ben je echt te oud voor!” Mijn dochter rolt met haar ogen, draait zich demonstratief om en verlaat de winkel. Lichtelijk beschaamd kijk ik om me heen en haastig sluit ik het paskamergordijntje. Probeer die skinny jeans nu maar weer eens uit te krijgen. Ik worstel en kom bijna niet meer boven. Zodra ik de paskamer uitkom staat een jong ding me met uitgestrekte hand op te wachten: “Die maar doen? Staat je enig!”

Ik vind mijn dochter drie winkels verderop terug. Ze houdt een shirtje omhoog waarvan ik de bovenkant niet van de onderkant kan onderscheiden. Dan pakt ze een spijkerbroek met zoveel scheuren dat het mij reëel lijkt dat ze er geld voor toegestopt krijgt om zoiets te dragen. De muziek is hier zo lawaaierig dat gebarentaal de enige mogelijke voertaal is. Daarom tik ik haar op haar arm en maak een drinkend gebaar. Ze rolt weer met haar ogen, besluit toch mee te gaan.

“Je hoeft niet ook een smoothie te nemen hoor. Je drinkt toch altijd thee?” klinkt het chagrijnig. Ik gooi het gezellig over een andere boeg: “Zullen we straks die wrede nagellak nog even kopen die jij steeds zo cool vindt?” “Mam, praat gewoon! En die nagellak heb ik al met Svetlana uitgeprobeerd.” Natuurlijk! De Slet is me Lees verder Hoezo te oud