Categorie archief: Wedstrijd

Merry Christmas

Ja, ja, ik weet het…Sinterklaas is nog niet eens in het land, dus Kerst is nog een verboden onderwerp. Maar schreef ik laatst niet iets over dooie mussen die van het dak vielen en van glibberige laptoptoetsen? Toch was ik toen al bezig met kerst, een witte kerst nog wel. Het ging namelijk om een schrijfwedstrijd van Crime Compagnie. Het moest gaan over kerst, donkere dagen, sneeuw, familie, gevoel en lekker warm maar ook moord en doodslag! Gezelligheid ten top in 2000 à 2500 woorden. Best lastig om je in te leven bij 30 graden… Ik deed een poging en stuurde het ijskoud in. Vorige week uitslag gekregen: van de 33 inzendingen gingen er maar drie door en daar zat ik jammer genoeg niet bij. Misschien toch te warm gebleven…? Lees maar.

Merry Christmas

Ik doe mijn ogen open en weet direct dat er iets leuks is. Wat was het ook alweer? O ja, ik ben verloofd! Ik kijk naar mijn linkerhand en zie daar de witgouden ring. We waren gisteravond bij de winterversie van de buurtbarbecue, een mooie traditie op kerstavond, en Gijs gebruikte dit  als decor om mij ten huwelijk te vragen. Ik tast naast me om naar Gijs te kijken. Als ik niets voel draai ik me helemaal om. Ik constateer dat het bed, op mij na, helemaal leeg is, er zit zelfs geen deukje in het kussen van Gijs. Vreemd. Ik pijnig mijn hersenen om de afloop van gisteravond helder voor de geest te krijgen. Dit lukt niet erg. We bleven maar proosten, op ons, op de buurt, op de liefde en het leven. Dat weet ik nog wel. Wat ik ook nog weet is het gezicht van Dennis. Ach Dennis, mijn trouwe vriend van twee huizen verderop. Zijn scheiding ging niet zonder slag of stoot. Hij heeft wat gehuild bij mij in de keuken en we hebben gepraat tot we niet meer konden. Liters koffie, thee en wijn zijn er doorheen gegaan en regelmatig gingen we samen iets leuks doen met de kinderen. En als de kinderen bij zijn ex waren bleef hij vaak bij Gijs en mij eten. De mannen konden het zo goed met elkaar vinden dat een gezamenlijk uitstapje naar de kroeg bijna ieder weekend plaatsvond. Daarom kon ik de uitdrukking op het gezicht van Gijs gisteravond niet duiden. Ik kan er niet de vinger op leggen wat ik precies zag.

Ik stap uit bed en doe een gordijn open. Dan houd ik mijn adem in. Mijn wens is uitgekomen: een witte kerst! Een dikke laag sneeuw zover mijn ogen reiken. De tuin heeft iets mysterieus. De twee coniferen in pot staan als kabouters met witte puntmutsen naast de schuur. Het vogelhuisje op stam draagt een zware witte hoed. De fiets van onze zoon staat weer niet in de schuur en is nu bijna onherkenbaar verstopt. De buxusbollen zijn nu sneeuwbollen. Naast de schuur ligt een grote berg. Wat lag daar nou toch? Ik herken het even niet. Een vroege vogel landt op de fiets. Hij zakt diep weg en vliegt snel weer op. Dan strijkt hij op de grote berg neer. Wederom heeft het diertje geen houvast en fladdert driftig met zijn vleugeltjes. Een laagje sneeuw verstuift en opeens zie ik iets geels tevoorschijn komen. Net zo geel als mijn winterjas. Gijs lachte zich suf toen ik ermee thuis kwam maar nooit eerder had ik zo’n heerlijke winterjas. Enkellang en met een grote capuchon, dik gevoerd en dus comfortabel warm. De gele kleur gaf het geheel iets vrolijks en als je van dichtbij keek zag je dat er piepkleine rode roosjes op geborduurd waren. De vogel heeft intussen gezelschap gekregen en het stukje geel wordt groter. Het moet niet gekker worden, het lijkt echt op mijn jas. Maar wat zou dat ding buiten doen? Ben ik hem vergeten? Heb ik hem daar laten liggen?

Ik ben nu zo nieuwsgierig dat ik naar beneden loop om poolshoogte te nemen. Zodra ik de gang doorloop moet ik glimlachen als de plastic eland begint te zingen: ‘I wish you a merry Christmas’.  De kinderen wilden hem graag in de gang hangen zodat het liedje maar vaak te horen zou zijn. Als het ding buiten mijn jas blijkt te zijn haal ik hem snel naar binnen. Hij heeft me een klein fortuin gekost en zoiets bijzonders vind ik nergens meer. Ik zie hem niet aan de kapstok hangen. Dan trek ik het zwarte jack van Gijs aan, wurm me in mijn laarzen en stap de tuin in. Even sta ik stil. Wat jammer dat de ongerepte laag nu verstoord wordt door mijn voetstappen. Maar ik moet duidelijkheid krijgen en vervolg mijn weg naar de schuur. De sneeuw knerpt vriendelijk onder mijn voeten. De vogels vliegen op zodra ik dichterbij kom. Ik kniel bij de berg neer en veeg nog wat sneeuw opzij. Ja, dit lijkt precies mijn jas. Ik trek er zachtjes aan maar voel direct weerstand. De jas zit ergens aan vast. Ik veeg nog meer sneeuw weg. Als ik iets hards raak spring ik geschrokken overeind. Met mijn laars probeer ik het harde deel bloot te leggen. Dan slaak ik een kreet van ontzetting: het is een hand. Een hand die uit de mouw van de jas steekt. Mijn jas. Opeens maak ik haast en veeg de sneeuw zo snel mogelijk weg boven de mouw tot ik bij de kraag ben. Nog een stukje en ik zal een gezicht zien. Durf ik dit? Kan ik dit?

Ik ren naar binnen op zoek naar Gijs, waarom zou ik dit alleen doen? Op mijn geroep komt geen antwoord, de eland in de gang zingt elke keer als ik langsloop opnieuw en als ik alle kamers vlug bekeken heb voel ik opeens druk op mijn borst. Mijn ademhaling gaat snel en ik merk dat ik hijg. Van mijn nachtkastje pak ik mijn telefoon. Nog één keer kijk uit het raam. Nu ik vermoed dat er een mens ligt zie ik ook duidelijk de contouren. Ik slik moeizaam. Ik ga naar beneden en opnieuw de tuin in. Wat moet ik doen? De politie bellen? Knoei ik nu met een plaats delict? Nee, dat is alleen als er moord is toch? Dit lijkt meer een ongeluk. Maar wie ligt daar toch? Opeens bedenk ik me dat diegene misschien niet eens dood is en dringend hulp nodig heeft! Ik graaf of mijn leven ervan afhangt en binnen de kortste keren kijk ik in een paar helblauwe ogen. De ogen van Gijs! Ik hoor een harde hoge gil. Ik graaf Gijs verder uit en zodat zijn hoofd op mijn schoot kan rusten. Ik wrijf over zijn gezicht en schudt hem heen en weer. Ik huil en besef dat het gegil uit mijn mond komt. Ik probeer de capuchon over zijn hoofd te doen met de bedoeling hem warmte te geven en zie dan dat de binnenkant donkerrood bebloed is. Op dat moment pak ik mijn telefoon en bel om hulp.

Gijs is dood en meegenomen door de ambulance. De kinderen zijn meegenomen door mijn ouders, die met kalkoen en al voor de deur stonden om kerst te komen vieren. Ik kon die verdrietige gezichtjes niet aan. De ouders van Gijs zijn op hun vakantieadres in Thailand op de hoogte gebracht van het verschrikkelijke nieuws en komen morgen terug. Zo moest ik in mijn eentje ook de politie te woord staan. Als die eindelijk vertrekken met hun zeurderig gevraag wil ik maar één ding: Dennis! Natuurlijk zal hij de ambulance en de politieauto’s wel gehoord of gezien hebben, het bevreemdt me ook enigszins dat hij nog niet hier is, maar bedenk dan dat zijn kinderen dit weekend bij hem zijn. Nog steeds in Gijs zijn jas loop ik twee deuren verder en bel aan. Zodra Dennis opendoet worden zijn ogen groter. ‘Gijs is dood. Ik heb je nodig!’ fluister ik en stort me in zijn armen. Hij wrijft me onhandig over mijn rug als ik het hele verhaal vertel. ‘En nu is hij dood! En we zouden nog wel gaan trouwen!’, snik ik: ’Wat is er nou gebeurd en waarom was hij nog buiten? En waarom had hij mijn jas aan?’ Dennis reageert opeens koeltjes: ‘Ja hoor eens, dat weet ik ook niet hoor. Vreemd allemaal. Misschien wilde hij gewoon iets uit de schuur halen en trok hij jouw jas omdat die nu eenmaal hartstikke warm is. Toen is hij uitgegleden, heeft zijn hoofd gestoten en is door de kou bevangen?’ Maar dan breekt Dennis ook, hij huilt met gierende uithalen en snikt: ’Sorry Gijs, sorry, ik wist het niet.’ Nu is het mijn beurt om te troosten: ‘Precies Dennis, wisten we het maar. Reken er op dat de politie erachter komt!’ Dennis snuit luidruchtig zijn neus, kijkt me met rode ogen aan en zegt zacht: ’Ik moet dit echt verwerken, hij was ook mijn beste vriend hè. Vind je het erg om me alleen te laten, zodra ik wat bekomen ben kom ik je helpen, oké?’ Ik kijk verbaasd maar zeg toch: ‘Oké!’

Alleen thuis weet ik me geen raad. Ik drink wat thee naast de opgetuigde kerstboom en kijk doelloos naar buiten. Het sneeuwt flink en de plek waar Gijs lag is met een flinterdun laagje bedekt. De schoenen van de ambulancebroeders en de politiemannen hebben donkere gaten achtergelaten. Wat een verschil met de sprookjesachtige tuin vanmorgen vroeg. De gebeurtenissen gaan natuurlijk als een lopend vuurtje door de buurt, vooral na de gezellige avond gister. De telefoon gaat constant. Snel doe ik de gordijnen van de voorkamer dicht, ik heb geen zin in andere mensen. Ik wil alleen Gijs. Mijn mooie sterke Gijs. Terwijl ik niet eens zo op machotypes val was Gijs anders. Sterk en toch zacht. Lief, doortastend, energiek. Hoewel hij vlagen van afstandelijkheid kon hebben, hij kon dan zomaar uren achter elkaar op de bank zitten. Hij leek wel een tijdje in een andere wereld te verkeren. Zijn eigen wereld waarschijnlijk. Als de periode voorbij was wilde hij nooit iets met me delen hierover en was dan ook zo vrolijk en boordevol nieuwe plannen dat ik het maar zo liet. Mijn telefoon gaat. ‘U spreekt met Hendriks van de recherche. Wij staan bij u voor de deur, wilt u opendoen? We hebben nieuws over uw vriend.’ Ik realiseer me dat de voordeurbel een paar maal is overgegaan.

Ik heb het koud. Een trui van Gijs die nog over bank lag trek ik aan. Ik ruik Gijs. Mijn lieve Gijs die volgens de politie is neergeslagen met een scherp voorwerp. De bijl die achter de twee coniferen lag is meegenomen. Voor onderzoek. Nog steeds heb ik het ijskoud. Mijn telefoon gaat weer. Een onbekend nummer deze keer. Ik besluit op te nemen zonder iets te zeggen. Een blikkerige stem roept: ‘Bitch! Ik krijg jou ook nog wel! Kom naar buiten als je durft…’ Ik hap naar adem en laat de telefoon bijna uit mijn handen vallen. Instinctief kijk ik naar buiten. De tuin ligt er stil bij. Ik ruk de gordijnen hier ook dicht. Daarna sluip ik naar boven. Vanuit het slaapkamerraam gluur ik naar beneden. De vitrage laat voldoende door om te zien zonder gezien te worden. De tuin is inderdaad leeg, er beweegt niets. In de tuin van de rechterburen wordt een paadje geveegd. Bij de linkerburen maken kinderen een sneeuwpop. In de verte hoor ik een hard  en regelmatig geluid, alsof er iemand tegen een deur slaat. Als ik op mijn tenen sta zie ik Dennis. Hij hakt hout, als een bezetene. Hij slaat zijn verdriet er uit zeker. Bijzonder om dit op kerstmorgen te doen. Ik besluit hem te bellen en te vragen of hij langs komt. Ik zie hem zijn telefoon uit zijn broekzak halen. Voor ik iets kan zeggen drukt hij me weg en gaat zo mogelijk nog harder hakken.

Ik eet werktuiglijk het ene chocolade kerstkransje na het andere. Ondertussen bedenk wat ik moet doen. Ik moet naar buiten. Onze kat Pluis is al een tijd weg. Ik wil hem roepen, bij me nemen, met hem kroelen, troost aan hem ontlenen. Maar durf ik naar buiten? Inmiddels is het al bijna donker, maar een lichtje doe ik niet aan. Enge telefoontjes heb ik na die ene keer niet meer gekregen. Wel intimiderende appjes, die ik heb opgeslagen. De mouwen van de trui van Gijs heb ik over mijn handen getrokken om de verlovingsring maar niet te zien. Hem afdoen is een stap te ver. Na een half uur neem ik een besluit. Ik doe het, ik ga naar buiten. Een klein stukje de tuin in, de achterdeur open laten, wat kan me gebeuren. Eenmaal buiten roep ik met schorre stem: ‘Pluisie! Kom maar bij het vrouwtje! Kom maar Pluis!’ Ik wil niet laten horen hoe bang ik ben en loop bijna stampend. Hoe dichter ik bij de schuur kom, hoe meer ik ga beven. Opeens gaat mijn telefoon weer, een appje: ‘Pluis in het vogelhuis!’ met een serie lachebekjes er achteraan. Ik zet een voet richting huis maar kijk toch schielijk naar het vogelhuis. Ik kokhals als ik het lichaampje van Pluis daar zie hangen. Struikelend over mijn eigen voeten ren ik het huis weer binnen en met een zucht draai ik de deur op slot. ‘Prima, doe maar op slot!’ hoor ik achter me. Vliegensvlug draai ik me om. ’Jeetje Dennis, ik schrik me dood!’  Dennis kijkt naar me, op een hele indringende manier. ‘Dennis, wat is er, wat kijk je raar!’

En weer rijdt er een ambulancewagen bij mijn huis weg en opnieuw zit rechercheur Hendriks in mijn woonkamer. De uitbundige kerstboom lijkt misplaatst. ‘Vertelt u het nog eens rustig vanaf het begin’, vraagt hij vriendelijk. Maar ik weet nog steeds niet waar het begin is. Begon het toen Dennis hier over vloer kwam? Of was het toen Dennis met Gijs ging stappen? Begon het omdat ik niet door had dat Dennis en Gijs een relatie hadden, met elkaar. Of begon het toen Gijs mij ten huwelijk vroeg. Toen ging het in elk geval mis bij Dennis. Zijn toekomst ging in rook op en dat was mijn schuld. Ik moest uit de weg geruimd worden. Maar hoe kon hij weten dat Gijs met mijn jas aan naar buiten kwam? Zo doodde hij zelf de liefde van zijn leven. En dan vertel ik de rechercheur dat Dennis zijn handen al om mijn keel had gelegd toen de eland opeens begon te zingen: ‘I wish you a merry Christmas’. Afgeleid door het geluid draaide Dennis zich om. De vader van Gijs twijfelde geen moment en overmeesterde  de verblufte Dennis. Ik hoefde alleen nog maar de politie te bellen. Maar waar het allemaal begon? Misschien heb ik Gijs nooit echt gekend. Ik ben moe. Mijn schoonmoeder stuurt me naar bed. In de gang klinkt : ‘I wish you a merry Christmas’

 

 

Advertenties

Einde verslaving

(Met dit verhaal haalde ik afgelopen mei de derde plaats bij een schrijfwedstrijd. De prijs bestond uit een redactie van een 1000 woorden verhaal. Omdat ik meestal verhalen van 500 of 1500+ woorden maak mocht ik er twee van 500 inleveren 😉 Van het tweede verhaal moet ik de uitslag nog ontvangen…. Ik zal de naam van de uitgever niet noemen, want misschien heb ik gewoon pech, maar netjes vind ik het niet. Ook mochten de winnaars hun verhaal niet publiceren omdat de uitgever dat via eigen kanalen wilde doen, maar ook dat is nog steeds niet gebeurd. Daarom gewoon lekker hier te lezen 🙂 De opdracht was: ‘vrij en niet meer dan 500 woorden.’ Dan wordt het in mijn geval zoiets. )

Einde verslaving

Ik sta voor de spiegel en haal diep adem. Ik bekijk mezelf goed en schud langzaam mijn hoofd. Ik weet dat ik moet ingrijpen maar tegelijkertijd vind ik dat een hele stap. Niemand heeft het immers in de gaten. Het heeft wel even geduurd, maar ik geef het toe: ik ben verslaafd. En niet zo’n beetje. Echt behoorlijk verslaafd. Ik kan niet meer zonder. Vorige week heb ik het nog geprobeerd maar na twee dagen zat er geen nagel meer aan mijn vingers. En gaf ik me direct weer gretig over. Moet ik hulp zoeken? Of kan ik het best zelf? Oké, morgen ga ik stoppen! Dat betekent vandaag nog één allerlaatste keer. Ik haast me uit de badkamer en plof op de bank met mijn laptop. Ik surf hongerig door allerlei kledingsites. Hier en daar klik ik wat aan en gooi het in mijn virtuele mandje. Na de betaling en bevestiging leun ik tevreden zuchtend achterover.

Elke bestelling geeft mij kriebels. De laatste tijd slaap ik er zelfs onrustig van. Ik kijk veel te vaak op mijn telefoon om te zien waar mijn bestelling zich bevindt. Ho, wacht eens even, denk jij nou dat ik verslaafd ben aan online shoppen? Nee joh, dat heb je helemaal mis. Ik doe het graag en veel omdat ik Roberto dan heel vaak zie. De koerier! Wat een stuk is dat. Lang èn breed èn donker èn gespierd èn beleefd. Heel beleefd. Naar mijn zin soms te beleefd. Afgelopen zomer, met die vreselijke warmte, bood ik hem regelmatig iets te drinken aan, wat hij beleefd aannam, opdronk, om daarna met een beleefde hoofdknik weer te verdwijnen. Van de winter heb ik hem zelfs gelokt met warme chocolademelk. Steeds maakte mijn hart een sprongetje als zijn auto verscheen. Ik bestelde me suf aan pakketjes en had het er graag voor over de volgende dag alles weer terug te moeten sturen via het postkantoor. Op een gegeven moment had ik hem zover dat hij mijn huis als laatste bezorgadres plande, zodat we meer tijd hadden om met elkaar te praten. Soms wel drie keer in de week. En alle keren waren daar de onderhuidse spanningen. Was het een onschuldige flirt of was er meer? Van mijn kant zeker wel meer! Denk ik. Toch? Ik moet hier duidelijkheid in krijgen, anders word ik gek. Daarom besluit ik hem met de komende bestelling opnieuw binnen te vragen en hem te overrompelen. Maandagavond hijs ik me daarom in een sexy dingetje, zet overal kaarsen neer en doe een bedwelmend luchtje op. Zodra ik zijn auto zie aankomen schuif ik de gordijnen dicht en doe de lampen uit. Snel haal ik nog een hand door mijn haar en open met, wat ik denk, een zwoele glimlach de voordeur. Dan blijven de ingestudeerde woorden in mijn keel steken want in plaats van de knappe Roberto staat daar een onbekend slungelig  joch. ‘Waar is Roberto?’ vraag ik dwingend. ‘Eh…o…Roberto? Ik val voor hem in want hij is gisteren getrouwd.’

 

 

Tante Cora

(Dit verhaal heb ik ingestuurd voor de schrijfwedstrijd van Schrijverspunt. Het genre was helemaal vrij maar er moesten op de een of andere manier de woorden ‘onder de boom’ in voorkomen. Stond er een gouden stoel? Een kabouterhuisje? Lag er een dronken man? Was er juist iets verdwenen? Wat was er gebeurd? Dit heb ik er van gemaakt. Mijn verhaal viel niet in de prijzen maar de uitdaging was weer geweldig.)

Tante Cora

Mijn tante Cora is dood en ik sta versteld. Naïef van mij natuurlijk want iedereen gaat een keertje dood. Maar ze kwam op mij altijd over als een onsterfelijk type. Hoewel het lieve vrouwtje al 89 was, stond zij nog midden in het leven, was van allerlei zaken op de hoogte en vond van veel dingen gefundeerd iets. Zo vaak heb ik bij haar gelogeerd als kind. Later als studente ook nog, vriendinnen mee, het was nooit een probleem. Terwijl zij niet eens een bloedverwante tante was. Ik weet eigenlijk niet meer hoe we aan haar gekomen zijn, maar in mijn beleving was ze er altijd al. We hadden een bijzondere band. Misschien was ik wel de nooit gekregen maar zeer gewenste dochter. Ze kookte belabberd maar compenseerde dit ruimschoots met haar prachtige verhalen. Spannende verhalen hadden haar voorkeur. Vertellen kon ze, iedereen hing aan haar lippen. En als er niemand was om mee te praten las ze. Geen boek bleef onbesproken en op verjaardagen bleef het cadeau geen raadsel. Omdat zij altijd een boek zocht dat bij precies bij de jarige paste werd het toch nog een verrassing. Vreemd genoeg kreeg ik nooit een boek van haar realiseer ik me opeens. De zelfgebreide sjaals waren me echter even dierbaar.

Mijn tante Cora is dood en ik ruim haar huis uit. Samen met mijn moeder, haar vaste mantelzorger, hebben we er veel werk aan. Zoveel luie stoelen, want iedereen moest lekker zitten. Pannen in alle soorten en maten, want iedereen moest kunnen mee-eten. Stapels zelf gebreide omslagdoeken, want niemand mocht het koud hebben. Als de boekenkast bijna leeg is vind ik op de onderste plank een zware doos. Met een zwarte viltstift staat er in mijn tantes handschrift ‘Cora’ opgeschreven. Wat is dit? Waarom zou mijn tante haar eigen naam op die doos zetten? Mijn nieuwsgierigheid wint het en ik open de doos. Dan zie ik allemaal pakjes, keurig ingepakt in gebloemd papier. Typisch tante Cora, al haar cadeautjes zaten in gebloemd papier. ‘Bloemen kunnen altijd’, beweerde. De pakjes zijn verschillend van formaat maar aan de vorm en het gewicht te voelen zijn het allemaal boeken. Op elk pakje zit een witte sticker met daarop een jaartal. Het gaat terug tot 25 jaar geleden. Mijn geboortejaar. Hé wacht es! Er zitten 25 pakjes in de doos en ik word over drie weken 25 jaar. Toch begrijp ik er niets van en stapel de pakjes weer in de doos. Als ik de doos wil sluiten zie ik opeens een envelop geplakt op een van de flappen. In de envelop zit een brief.

Lieve Corine,

Allereerst gefeliciteerd met je verjaardag. Wat was ik blij toen jij geboren werd. Je vader was foetsie maar geloof me, daar misten we niets aan. Je moeder liet me toe in jullie leven, om te helpen waar ik kon. Er was maar één regel: ik mocht je niet verwennen. Daarom kreeg je elk jaar voor je verjaardag een zelf gebreide sjaal van mij, terwijl ik niet eens van breien houd,  maar dat vond ik te weinig. Omdat ik weet dat je ook zo dol bent op boeken kocht ik elk jaar een boek voor je dat ik voor jou bewaarde. Nu je 25 bent geworden vind ik het tijd dat je moeder zich er niet meer mee bemoeien mag en geef ik alles in één keer. Een doos vol verhalen. Verhalen om je in te verliezen, verhalen die iets bij je losmaken, verhalen om te onthouden en verhalen om door te geven. Het laatste boek is een bijzonder boek, net zo bijzonder als jij voor mij bent. Ik blijf je moeder eeuwig dankbaar dat ze de moeite nam jou naar mij te vernoemen. En ik blijf jou eeuwig dankbaar dat je mij als tante wilde zien. Ik hoop van harte nog heel lang jouw tante te mogen zijn. En voortaan krijg je gewoon een boek op je verjaardag.

Je tante Cora.

Er zigzagt een traan over mijn wang. Van ontroering, door dit uiterst lieve gebaar. Van frustratie, ik had het zo graag uit haar eigen handen ontvangen. Van boosheid, waarom is ze er niet meer?! Van gemis, hoe kan ik haar nu ooit nog bedanken. Opeens voel ik een arm om me heen. Mijn moeder zit geknield naast me op de grond. ‘Wat heb je gevonden?’ Ik laat haar de brief lezen. Ze glimlacht, bijt dan op haar lip en er ontsnapt een snik uit haar mond. ‘Wat mis ik haar. Ik weet niet wat er van ons terecht gekomen zou zijn als zij er niet al die tijd was. En deze doos, echt iets voor haar. Altijd in de weer voor een ander. Terwijl ze het zelf financieel niet makkelijk had hoor. Iets met schulden uit het verleden, ik weet het niet eens precies. Ze weigerde steevast er maar iets over los te laten. En nu zullen we het nooit weten.’ Er valt een aangename stilte in de lege kamer als we schouder aan schouder, ieder in onze eigen gedachten verzonken,  samen naar buiten kijken. Het enige geluid komt van de takken van de kastanjeboom die zwiepend door de wind zachtjes tegen het raam tikken. Dan sta ik op en trek mijn moeder ook overeind. ‘Kom, ze zou niet willen dat wij hier een potje zielig zitten te doen. Ik neem de doos mee naar huis en misschien pak ik vanavond wel 24 pakjes uit. De vijfentwintigste pak ik over drie weken uit, zoals tante Cora het bedoeld heeft.’ Mijn moeder knuffelt me en samen tillen we de doos in mijn autootje.

Mijn tante Cora is dood en ze is voor het eerst niet op mijn verjaardag. Mijn moeder wel en een paar goeie vriendinnen ook. Een gebloemd pakje ligt al de hele dag op tafel. Ik kan er niet toe komen het uit te pakken. Het is alsof ik verwacht dat ze zelf nog hier binnen zal stappen om het aan me te geven. Mijn vriendinnen verwennen me met geurige badkamerpakketjes, met afspraken voor een high tea, met foute romcom dvd’s en mijn moeder verrast me met ‘een jaar lang elke vrijdag een boeket bloemen’. Ik serveer koffie en taart. Ik deel thee en chocola. Ik schenk wijn. Ik sta in de keuken om hapjes te bereiden. Ik schenk nogmaals wijn. Ik dribbel weer naar de keuken. Als ik terugkom houdt iedereen opeens zijn mond. Mijn moeder neemt het initiatief en dwingt me te gaan zitten. Ze drukt het pakje van tante Cora in mijn handen en knikt. Nu moet ik wel. Ik draai het pakje om en om, peuter dan heel voorzichtig een hoekje los en uiteindelijk glijdt het bloemetjespapier op de grond. In mijn handen houd ik een boek, het is een zelf gemaakt fotoboek. Er staan 25 foto’s in van mij. En van mijn moeder. Als baby in mijn moeders armen, als peuter op haar nek, als tiener naast haar. De laatste is van twee maanden terug; mijn moeder zit bij mij op schoot, we gieren van de lach. Op alle foto’s zitten we op hetzelfde bankje. Het bankje van tante Cora. De kastanjeboom er achter groeit op elke foto mee. Weer stromen de tranen over mijn wangen. Als ik het boekje sluit zie ik pas de titel: Geluk onder de boom.

Mijn tante Cora is dood en mijn herinneringen zijn springlevend.

Boemerang

Was ik een aantal weken terug nog zeer in mijn nopjes dat ik op de longlist van uitgeverij LetterRijn terecht gekomen was…vorig weekend bereikte mij het bericht dat de shortlist een stap te ver voor me was. Jammer, een mens blijft toch hopen 😉 Drie jaar geleden haalde ik de deadline van hun jaarlijkse schrijfwedstrijd niet eens, twee jaar terug haalde ik  de deadline wel het maar daar bleef het bij, vorig jaar haalde ik de longlist, net als dit jaar. Er zit dus duidelijk progressie in! Laten we het daar op houden.

Het thema dit jaar was ‘Met de beste bedoelingen’. Iemand doet zijn uiterste best om iets goeds te doen maar de ondernomen actie pakt echter volledig verkeerd uit en het tegenovergestelde wordt bereikt. Om het spannend te houden moet er minstens één personage sterven binnen 3000 tot 4000 woorden.

Dit heb ik er van gemaakt.

Boemerang 

Ray van Vuuren zag het voor zijn ogen gebeuren.

Om inspiratie op te doen ging hij wel vaker een flink eind lopen in de stad. Bij voorkeur naar druk bezochte plekken waar hij mensen onopvallend kon bestuderen, om eventuele kenmerken te gebruiken voor personages in zijn boek. Sinds hij vorig jaar, tot zijn eigen verbazing, een bestseller had geschreven, had hij, tot nog grotere verbazing eigenlijk, ook een eigen literair agent aangenomen. Moniek, ‘zeg maar Moon’, bood zich destijds  spontaan aan voor deze functie, waar hij in eerste instantie nogal wat schamper tegenaan keek. Maar al snel had zij zich op diverse vlakken onmisbaar gemaakt. Hij was er van overtuigd dat vooral door haar toedoen Moordcollege al weken op de eerste plaats van de boekentop 10 stond. Zij had hem zelfs aangespoord zijn haar te laten groeien, wat hem een stoerder en daardoor aantrekkelijker imago zou verschaffen. Ze zorgde goed voor hem, wist wat hij nodig had, maar soms werd hij gek van haar gedram. Dan begreep ze niet dat hij eerst moest lopen, dat ze hem beter met rust kon laten als hij aan het lopen was. Ze belde hem nu al dagen achter elkaar om hem te herinneren aan de deadline van zijn tweede boek. ´Hoe ver ben je? Kan ik al wat lezen? Denk je wel aan de deadline?’

Hij volgde al een tijdje een slungelig meisje op het volle trottoir richting het station. Haar shirt was te groot, had geel en zwarte strepen en het lange haar hing nat op haar rug. Had zij laat gedoucht? Waarom? Opeens, zonder enige waarschuwing, zakte zij in elkaar. Omstanders weken uiteen, sommigen liepen haastig door, anderen bleven vertwijfeld staan. Ray aarzelde geen moment en knielde bij het meisje neer. Hij keek in een grijsgrauw gezicht dat van pijn vertrokken was, vochtig van transpiratie, de mond zoekend naar adem. Hij zag ook een baard, het lange haar had hem op het verkeerde been gezet. Haastig probeerde hij een oorzaak vast te stellen, het leek verdraaid veel op een hartaanval. Wat had hij daarover ook alweer geleerd? De ademhaling van het slachtoffer stokte. ‘Bel 112! Snel!’, riep hij tegen een vrouw met blauw haar, die toch al met haar telefoon in haar hand stond. Naarstig zocht hij zijn geheugen af naar het hoofdstuk reanimeren. Een luikje ging open en hij wist feilloos wat hij moest doen. Bij de mond-op-mondbeademing moest hij wel even iets overwinnen want het ringbaardje van de man die op de grond lag zag er nu niet bepaald aantrekkelijk uit. Er hing sowieso een penetrante geur om hem heen. Iets chemisch dat Ray zo snel niet kon thuisbrengen. Even verwenste hij Moon toen zijn halflange haar hem steeds in de weg hing. Maar een zwakke hartslag kwam terug. Voor hij er erg in had arriveerde er een ambulance en nam het personeel de patiënt over. De chauffeur sloeg hem nog op de schouder met de woorden: ’Bedankt man, je hebt hem waarschijnlijk gered!’ En net zo snel als de ambulance verschenen was verdween hij ook weer. Iedereen snelde weer door alsof er niets gebeurd was. Toen zag Ray een tas liggen. Een plastic boodschappentas waarvan hij zeker wist dat die van het slachtoffer was. Hij hield hem nog even omhoog wat natuurlijk geen enkele zin had. Hij besloot de tas mee te nemen en bij het ziekenhuis af te geven. Een kleine moeite.

Nee Moon, nog niet! Gegroet!’ Nog met zijn hoofd bij het voorval botst hij in de hal van het station tegen iemand op. Als hij opkijkt gebeuren er twee dingen tegelijk. Drie eigenlijk. De man waar hij tegenaan botst wil hem een flinke duw teruggeven en tegelijkertijd trekt er een andere man aan de gevonden tas.  Maar als plotseling links van de duwende man Rob en Els opduiken, die zijn naam luidkeels roepen, verdwijnen de twee mannen razend vlug in de menigte. ‘Hé Ray, hoe gaat het man, goed jou weer eens te zien.’ Rob slaat hem uitbundig op de schouder. Als Els hem kust en hem direct uitnodigt een hapje met hen te gaan eten, besluit hij de twee mannen te vergeten. Tijdens het nuttigen van een bord verantwoorde pasta wordt er gesproken over werk, deadlines, vakanties, huizen en heel voorzichtig over relaties. Ray stelt hen gerust door te vertellen dat hij nu echt de vrouw van zijn leven heeft gevonden in Juliette. De volgende afspraak moet beslist met z’n vieren. Het valt hem op dat Els regelmatig kucht. Als hij er naar vraagt bloost ze een beetje. ‘Sorry, keelirritatie, gevoelig voor luchtjes, ligt aan mij hoor!’, ze glimlacht verontschuldigend. Beschaamd haalt hij de gevonden boodschappentas onder tafel vandaan. ‘Waarschijnlijk ruik je dit!’, zegt hij. Als Els harder gaat hoesten is het bewijs geleverd. Ray stopt de tas snel weg en vertelt over de herkomst ervan. ‘Je hebt iemands leven gered!’, dweept Els. Zij overhandigt hem een ingewikkeld opgevouwen kunststof tas met een bont bloemenpatroon.‘Stop hem hier maar in, ik heb er toch zes van. Deze tas kun je afsluiten!’ Dankbaar maakt hij gebruik van haar aanbod en ritst de tas dicht.

Hij had er rekening mee moeten houden dat de late treinen niet zo vaak rijden, het is nu een stuk later geworden dan hij wilde. Maar hij moet ook toegeven dat het weer als vanouds gezellig was. Nadat hij Moon drie keer had weggedrukt had hij zijn telefoon helemaal uitgezet. Het is flink wat kouder geworden, huiverend zet hij de kraag van zijn jas op. Omdat het al zo laat is loopt hij alleen op straat, en hoort zo overduidelijk zijn eigen voetstappen dat het lijkt alsof er iemand achter hem loopt. Dat is natuurlijk niet het geval. Voor de zekerheid kijkt hij toch om. Tot zijn schrik ziet hij twee mensen zo’n twintig meter achter hem lopen. Hij kan niet veel meer zien dan een groot verschil in lengte. Zijn het de mannen van het station? Hij versnelt zijn pas en na een poosje kijkt hij nogmaals om. Niemand. Verbeeldde hij zich nou maar wat? De gebruikelijke route naar zijn huis via het park laat hij nu achterwege, liever blijf hij in het licht van de straatlantaarns. Vijf minuten later staat hij bij zijn voordeur. Man, wat is het hier donker, morgen gaat hij eerst de buitenlamp vervangen, en dan zal hij… Een hand op zijn mond beneemt hem bijna de adem. Een andere hand drukt hem hard tegen zijn eigen voordeur. Zijn rechterwang schuurt langs het hout. Zijn hart slaat sneller dan goed voor hem is. ‘Waar is het!’ hoort hij iemand sissen. De hand voor zijn mond verplaatst zich naar zijn nek. ‘Waar is wat?’, vraagt Ray stotterend. Hij probeert zijn hoofd te draaien maar wordt hardhandig tegengewerkt. ‘De tas, die je van straat hebt geraapt, die is van ons ja!’ Zijn brein maakt overuren terwijl zijn linkerhand de bedoelde tas omklemt. ‘De supermarkttas bedoel je?’, vraagt hij tijdrekkend. Met een smak wordt hij omgedraaid en zijn achterhoofd knalt tegen de deur. ‘Ja! Geef op!’ Een mes klikt open en de punt daarvan zwaait gevaarlijk dicht langs zijn keel. Zijn ogen vliegen angstig heen en weer tussen de twee mannen die hij nu herkent van het station. Wat moet hij doen? De tas geven of niet? Hij beslist in een seconde: ‘Die heb ik niet meer. Aan een verkoper van de  daklozenkrant gegeven. Die met die rode baard, die altijd voor het station staat!’ De twee mannen kijken elkaar snel aan. De kleinste maakt een hoofdbeweging en de ander klikt het mes dicht. Langzaam blaast Ray wat lucht uit en net als hij denkt hier goed weg te komen geeft de langste hem een ongenadig harde stomp in zijn maagstreek. Ray klapt dubbel en voelt dan de knie van de kleinste tegen zijn neus rammen. Zijn aanvallers laten hem liggen en maken zich uit de voeten met de woorden: ‘Als je liegt komen we terug!’ Zijn telefoon geeft 12 gemiste oproepjes van Moon aan.

‘Hey Juul lieverd, je moet vandaag maar niet komen hoor. Ik ben ziek.’ Ray probeert de pijn te verbijten.’Nee schatje, ik hoef geen verzorging of boodschappen. Blijf jij nou maar daar, ik wil niet dat jij ook buikloop krijgt. Dag, ik moet rennen.’ Hij laat zich op zijn bed terugvallen. Zijn hele hoofd bonkt en zijn neus in het bijzonder. De pijnstillers in combinatie met de genuttigde alcohol kregen hem toch in slaap vannacht. Nu probeert hij uit alle macht helder te krijgen wat er nu eigenlijk gebeurd was. De jongen met de hartaanval, de gevonden tas, de twee mannen, de klappen die hij kreeg. De tas! Waarom waren die mannen zo kien op die tas? Hij krijgt het gevoel dat daar wel eens een antwoord in kan zitten of anders wellicht een aanwijzing. Hij sleept zich naar de gang waar de tas nog ligt en neemt hem mee naar de keuken. Als hij de gebloemde tas opent ruikt hij onmiddellijk  de scherpe lucht weer. Chloor, weet hij opeens, het ruikt naar chloor. Hij opent de supermarkttas en haalt de inhoud tevoorschijn. Een opgerold, nog vochtig badlaken, een zwembroek en een blauw plastic hoesje met een rits. Als zijn gekneusde lijf niet zo´n pijn deed zou hij hard lachen. Is dit waar die twee op uit waren? Heeft hij deze rommel met gevaar voor eigen leven verdedigd? Hij pakt het badlaken beet met de bedoeling het weer terug te stoppen in de tas als er iets uitrolt en op de grond valt. Een pistool. Een zwart pistool in zijn keuken! Even kijkt hij of hij water ziet branden. Dan pakt hij het op en is verbaasd door het gewicht. Met zijn hand om de kolf, zijn vinger op de trekker, richt hij op de koelkast en zegt zachtjes: ‘Pang!’ Als hij het ding weer vlug in het badlaken wil rollen ziet hij twee gaten in de dikke stof. Kogelgaten? Nog sneller stopt hij het terug in de tas. De zwembroek schudt hij voor de zekerheid ook maar uit alsof er in dat kleine kledingstuk een doos patronen verstopt zou zitten. Dan ritst hij het blauwe hoesje open. Hij ziet geld, veel geld en een stukje wit  papier. Na telling blijkt het om €5000 te gaan en op het witte papiertje staat: Fahrenheitstraat 46. Waar is hij in vredesnaam in terecht gekomen? Hij haalt vertwijfeld zijn hand door zijn lange haar. ‘Ja Moon, ik heb inspiratie voor tien vandaag! Als jij me nou niet steeds belt kan ik meters maken! Ophouden nu!’

Na een flinke dosis cafeïne concludeert Ray dat hij drie opties heeft. Of hij gaat rechtstreeks naar de politie en laat hen het uitzoeken, òf hij gaat naar het ziekenhuis en dropt daar de tas zo snel mogelijk bij de eigenaar òf hij gaat kijken wat er zich op het adres van het witte papiertje bevindt. En dan nog iets: dat geld. Opperde Juliette laatst niet een reisje naar Bali? Zijn badkamer is dringend aan vervanging toe. Maar hoe zit het met zijn twee achtervolgers? Die hebben dus duidelijk een idee van wat er in de tas zit. Zullen ze echt terugkomen? Om het geld of om het wapen? Opeens krijgt hij haast en hij neemt een besluit. Hij zal via de Fahrenheitstraat naar het ziekenhuis gaan. Zijn nieuwsgierigheid wint het. De plastic tas stopt hij wederom in de gebloemde tas, die truc werkt prima. Zijn blik speurt de straat af en als hij niets verdachts ziet snelt hij naar zijn auto. Tijdens het rijden houdt hij zijn achteruitkijkspiegel in de gaten. Even later draait hij de Fahrenheitstraat in. Aha! Op nummer 46 bevindt zich het zwembad ‘De spetter’. De chloorlucht is hiermee verklaard. Ray stapt toch uit en loopt de hal van het zwembad binnen. Het bevreemdt hem dat hij de enige bezoeker is. Het hokje waar een kassamedewerker hoort te zitten is leeg. Ray loopt verder, zijn voetstap weerklinkt op de harde tegels en hij houdt stil voor een grote glazen ruit. Vandaar ziet hij dat de baden leeg zijn. De zon schijnt door de hoge ramen en geeft bizarre weerspiegelingen in het water dat zachtjes beweegt. ‘Kan ik u helpen?’, hoort hij opeens achter zich. Hij draait zich zo snel om dat een kleine duizeling hem overvalt. Een stevige dame op gifgroene slippers, gewapend met een dweil op een stok, staart hem aan. ‘We zijn gesloten hoor’, vervolgt de vrouw iets minder argwanend. Ray laat zich op een stoel zakken en veegt zijn haar achter zijn oren. ‘Hoe dat zo?’ De vrouw heeft weinig aansporing nodig. ‘Ja, we moesten zoveel opruimen. Geeft een hoop smurrie hoor als ze iemand overhoop schieten. Weet u hoe rap dat bad leeg was gister? En een gegil joh! Van de dader geen enkel spoor natuurlijk. Ik zei gisteravond nog tegen Henk, mijn man, op zich best slim eigenlijk om het in een zwembad te doen, want het is hier altijd zo’n gekrioel dat je hartstikke snel weg bent. Nee, geloof mij, die gaan we niet meer vinden. Voor het slachtoffer evenzogoed zielig want die kan niks meer navertellen. U heeft trouwens ook wat meegemaakt?’ Ray verschuift ongemakkelijk op zijn stoel. ‘Die neus van u!’, ze wijst met de stok. ‘O dat! Ongelukje. Ik ga maar weer eens. Tot ziens.’ Meer struikelend dan lopend verlaat hij het zwembad. De vrouw schudt haar hoofd en dweilt verder.

In zijn auto wrijft Ray over zijn ogen en haalt een paar maal diep adem. Zijn neus doet zeer en de spanning beheerst zijn al zijn spieren. In het handschoenenvakje moeten nog wat pijnstillers liggen. Hij buigt kermend naar voren en steekt zijn hand diep in het vakje. Dan geeft hij een schreeuw als er een flinke dreun op zijn auto wordt gegeven. In een deel van een seconde flitst het door zijn hoofd dat de mannen terug zijn. Het portier wordt opengerukt en Ray doet zijn armen in een reflex beschermend over zijn hoofd. ‘Rustig maar hoor,’ klinkt een bekende stem,’Je bent je tas vergeten!’ De vrouw met de groene slippers gooit de tas rakelings voor zijn gezicht langs op de bijrijderstoel.

Bij het ziekenhuis valt het niet mee een parkeerplek te vinden. Ray gaat brutaal op een artsenplaats staan. Hij staat verbaasd van zichzelf, is hij nu ook al asociaal? Maar hij moet van die tas af en snel ook en dan alles snel vergeten, gewoon weer zijn oude leventje oppakken. ‘Waar ben je, sta voor je deur. Bel me terug!!! Moon.’ Bij de balie wordt hij direct al tegengewerkt. Nee, hij weet geen naam, en nee, hij is geen familie. ‘Dan kan ik niks voor u doen meneer.’ zegt het meisje resoluut. Ray draait zich om en loopt vastberaden richting de koffiehoek. Vlak daarvoor schiet hij naar rechts een gang in. Gelukkig hangen overal plattegronden van het immense ziekenhuis en al snel weet hij waar de Spoedeisende Hulp zich bevindt. Daar treft hij een oververmoeide dame die hem klakkeloos de informatie verschaft die hij hebben moet, nadat hij verklaard heeft familie te zijn. ‘Ach, voor ik het vergeet,’ zegt Ray,’mijn neef denkt vaak dat hij grappig is en geeft dan een andere naam op, welke gebruikt hij nu?’ Met de juiste naam begeeft hij zich naar de hartafdeling. Alsof hij precies weet wat hij doet loopt hij de gangen door, intussen spiedend op elk naambordje naast de deur van elke kamer. Bij de juiste naam kijkt hij nog eens links en rechts de gang in en drukt dan de deurkruk naar beneden. In het bed herkent hij de jongeman, die er roerloos bij ligt. Aan een haakje hangt het shirt met gele en zwarte strepen. De machines boven hem piepen met een zekere regelmaat. Wat nu? De tas hier laten? Hem wakker maken? Voordat Ray met een idee komt zwaait de deur open en een vlotte verpleegster stapt naar binnen. Ze draait zich om en zegt tegen iemand op de gang: ‘O, ik zie dat er al bezoek is!’ Dan draait ze zich naar Ray. ‘U bent ook familie? Er staan hier twee neven die ook even willen kijken. Zou u zo vriendelijk willen zijn…?’ ‘Natuurlijk!’, zegt Ray vlug en haast zich de kamer uit. Daar botst hij tegen zijn twee belagers aan. Even zijn ze alle drie met stomheid geslagen. De kleinste herpakt zich het snelst. Vlug pakt hij Ray bij de arm en roept: ‘Hey neef! Zullen wij anders eerst even koffie drinken?’ Met een hoofdbeweging naar de kamer: ‘Die slaapt toch nog een tijdje.’ De lange heeft het spel door en pakt Ray bij de andere arm, slaat hem uitbundig op de schouder en zegt: ‘Hoe gaat het nou gozer?’ Ze sleuren hem zowat de gang door. Bij de eerste de beste bocht gaat er ergens een alarm af en in mum van tijd is de gang vol met rennend verplegend personeel. Een grote donkere vrouw duwt een crashcar voor zich uit. Ray maakt gebruik van de verwarring die ontstaat, wringt zich los en begint te rennen alsof zijn leven er van afhangt. Wat waarschijnlijk ook zo is. Hij weet zelfs ongezien in het trappenhuis te komen. Hijgend en met pijn in zijn zij moet hij snel beslissen, naar boven of naar beneden?

Bizar hoe snel een mens in tijd van stress toch een keuze weet te maken. Door met drie treden tegelijk naar beneden te vliegen lukt het Ray te ontsnappen aan zijn achtervolgers. Hij springt in zijn auto. De parkeerboete laat hij verfrommeld achter. Als een bezetene rijdt hij naar zijn huis. Er vanuit gaande dat de twee mannen hem nog zoeken, propt hij binnen wat kleding in een sporttas, hier kan hij niet meer blijven. Koortsachtig probeert hij te bedenken waar hij naar toe moet gaan. Peter! Wellicht kan hij daar een tijdje blijven. Net als hij het nummer van Peter wil intoetsen belt Moon hem. Hij wil ook geen argwaan wekken dus neemt hij op. ‘Waar ben je!!! Ik probeer je al de hele dag te bereiken man! Ik moet je dringend spreken. Kom nu naar mijn kantoor! Nu!!!’ Hij bedenkt dat een bezoekje aan haar de verhitte gemoederen wat kan bedaren en belooft er binnen tien minuten te zijn. ‘Hè, hè!’, klaagt Moniek en trekt hem naar binnen, ‘Zitten jij! Jeetje Ray, wat zie jij eruit! Nou, dat verklaar je straks maar. Eerst vertel je me luid en duidelijk wat je allemaal gedaan hebt gisteren!’ Ray zucht: ‘Weet ik veel, niets bijzonder waarschijnlijk. Luister Moon, ik doe mijn uiterste best maar als jij zo aan mij twijfelt werkt dat averechts natuurlijk. Mag ik nu weg ik heb een afspraak met…’ ‘Noem het maar niets bijzonders!’, valt ze hem lachend in de reden. Moniek die lacht? Wat is hier aan de hand? Ze smijt hem een krant voor zijn neus en dan ziet hij zichzelf gebogen over een figuur met een geel en zwart gestreept shirt. ‘Geen mis- maar goede daad’ staat er boven. Slechte kop, denkt Ray nog. ‘Blijf zitten!’, gebiedt ze als de bel gaat, om even later te roepen, ‘Hier is hij!’ Ray draait zich om en kijkt recht in het gezicht van een politieagent. Het zweet breekt hem aan alle kanten uit. Zijn keel voelt gortdroog aan. Zijn linkerknie trilt. Zijn hartslag resoneert in zijn oren. ‘Luister goed sukkel!’, zegt Moniek en ze gaat met een scheve glimlach op haar bureau zitten. ‘Tja, eh…’, de agent schraapt zijn keel, ‘Meneer van Vuuren, ik kom u bedanken! U heeft ons namelijk een grote eer bewezen gister. U heeft het leven gered van Benny de Booij. Wij waren al een flinke tijd op zoek naar dit fraaie heerschap als ontbrekende schakel in een groter misdaadnetwerk. ’ Hij steekt zijn rechterhand uit naar Ray.

Gebeurt dit echt? Hij krijgt een compliment van een politieagent terwijl hij met een pistool op schoot zit. En waarschijnlijk ook nog met de gage van een huurmoordenaar. Hij probeert nog: ’Het leven van wie? En hoe weet u dit allemaal?’, dan op de krant wijzend, ‘En hoe kan dit dan?’ ‘Tja, na Moordcollege zijn er meer mensen die u kennen dan andersom waarschijnlijk. Een vrouwelijke fan heeft u herkend, u sommeerde haar 112 te bellen.’ Helder ziet Ray de vrouw met het blauwe haar voor zich en realiseert zich nu dat ze aan het filmen was. Moniek is door het dolle, ziet dit als een geweldige publiciteitstunt. De agent vervolgt: ‘We zijn er zeker van dat hij met de zwembadmoord te maken heeft die gisteren plaatsvond, maar krijgen het bewijs nog niet helemaal rond.’ Er giert een korte maar hevige wervelwind in het brein van Ray, maar dan zegt hij: ‘Misschien kan ik u hierbij van dienst zijn. Hier is de tas die het slachtoffer achterliet. Ik weet niet wat er in zit en u moet me geloven dat ik van plan was deze af te leveren bij het bureau.’ Moniek gilt bijna: ‘Ray! Wat heb je allemaal uitgevreten! Het wordt steeds mooier! Ik ga Matthijs even bellen voor vanavond, dan kun je daarna door naar Eva!’ De houding van de agent is opeens veranderd. Hij kijkt Ray strak aan: ‘Heeft u de inhoud bekeken?’ ‘Vluchtig, het …eh…stonk nogal!’ De agent neemt de tas over en verlaat het kantoor met de woorden: ‘Ik verzoek u met niemand over deze tas te praten!’ Ray knikt, steekt twee vingers op en zegt: ‘Erewoord.’ Hij zakt, opeens doodmoe, achterover in de stoel. Moniek laat energiek allerlei plannen op hem los maar hij hoort het niet. Hij kan alleen maar denken. Dit was het? Afgelopen nu? Was het de juiste beslissing? Hij heeft toch zeker nergens mee te maken? Wie zal er kraaien naar die duizend euro?

Drie maanden later staat er een opmerkelijk bericht inde krant:

Schrijver Ray van Vuuren is vanmorgen in voorlopige hechtenis genomen door de politie. Hem wordt betrokkenheid verweten bij de zwembadmoord vorige maand in zwembad de Spetter. Verschillende getuigen zijn gehoord. Een aldaar werkende schoonmaakster heeft verdachte daags na de moord verward aangetroffen in het afgesloten gebouw. Verplegend personeel in het plaatselijke ziekenhuis bevestigen valse voorwendselen omtrent familiebanden. Maar overduidelijk waren de vingerafdrukken op het wapen en op de drieduizend euro in de tas,  die in het bezit was van verdachte. De rol van zijn literair agent M. ten Haaften zal hangende het vervolgonderzoek duidelijkheid verschaffen. Deel 2 van Moordcollege wordt voorlopig uitgesteld.

 

 

 

 

 

 

 

 

Moeders

(De moeder, de vrouw is het thema van de Boekenweek die gisteren begonnen is. Er zijn tal van boeken, verhalen en gedichten geschreven over moeders. Iedereen heeft er tenslotte eentje. Soms is dat heerlijk, soms pakt dat minder goed uit. Er zijn ook zoveel soorten moeders. Lieve moeders, ontaarde moeders, toegewijde en egoïstische moeders, carrière gerichte en luizenmoeders, bonus- en stiefmoeders, pleeg- en knuffelmoeders, noem maar op. De afdeling Schrijven van De VAK, centrum voor kunsten in Delft, heeft een schrijfwedstrijd uitgeschreven: schrijf een tekst in maximaal 250 woorden waarin een moeder het onderwerp is. Dit is mijn, overigens niet autobiografische en niet gewonnen, bijdrage.)

Moeder 2.0

Vandaag ben je nog in elke vezel bij me. Ik kijk naar je zoals je daar ligt. Naar je weerbarstige krullen. Je hebt mijn kind er ook mee opgezadeld. Soms vind ik dat fijn maar meestal verwens ik het onderhoud.  Ik kijk naar je licht gebogen neus. Jouw fijne neus voor stemmingen, maar wat stak je diezelfde neus toch dikwijls en ongevraagd in mijn zaken. Ik kijk naar je oren, altijd luisterend, maar te vaak Oost-Indisch doof. Ik kijk naar je ogen, nu gesloten, maar ik weet hoe liefdevol ze kunnen kijken. Ook hoe doordringend of verwijtend ze kunnen staan. Ik kijk naar je mond, die zowel kan spreken als zwijgen. Je stem die regelmatig grote wijsheden en liefdesuitingen verkondigde maar misschien nog wel vaker met flinke verheffing klonk. Ik kijk naar je handen, wat hebben ze hard gewerkt. Gestreeld, maar ook geslagen. Teder toegedekt en ingestopt maar ook hardhandig wakker geschud. Ik kijk naar je voeten, die me de weg zijn voorgegaan maar die me dikwijls op hinderlijke wijze in de weg liepen. Ik kijk naar je lijf, vaak gestrekt in afweer, niet om tegen aan te schurken, niet  om je geborgen bij te voelen. Je wist niet hoe dat moest. Toch een lichaam waar ik van houd omdat het (van) jou is.

Morgen zul je slechts een herinnering zijn. Hoewel ik ‘de kouwe kant’ ben zul je voor mij een warme herinnering zijn, zeker weten. Want jij was mijn schoonmoeder. Mijn warme schoonmoeder.

55 woorden

Schrijverspunt heeft weer een schrijfwedstrijd georganiseerd: schrijf een verhaal van 55 woorden. Van 14 t/m 21 februari werd de Week van het Korte Verhaal hiermee gevierd. Makkie, denk je dan. Lekker weinig woorden, snel klaar. Je hoeft je ook maar aan twee spelregels te houden:

  1. Alleen fictie komt in aanmerking, dus echte afgeronde prozaverhalen, met een begin, een midden en het liefst een verrassend eind. Gedichten, filosofische overpeinzingen en beschouwingen van natuur en persoonlijk leed, hoe mooi ook opgeschreven, worden onverbiddelijk en meedogenloos terzijde gelegd en doen niet mee aan de wedstrijd.

Oké, denk ik dan, dat klinkt een stuk strenger. Hogere eisen dan ik aanvankelijk dacht. Weinig woorden voor een afgerond verhaal. Wat kun je vertellen? Het moet wel ergens over gaan.

  1. Het verhaal moet in precies 55 woorden, inclusief de titel worden verteld!

Wat?! Inclusief de titel? Tjonge, dat wordt een errug kort verhaaltje. Ik heb toch een idee en begin gewoon enthousiast te schrijven. Klaar. Even tellen: oeps, 257 woorden… Ik heb ooit eens een boekje gelezen: ‘Schrijven en schrappen’ en dat breng ik nu maar al te graag in de praktijk. Dan ga ik van 257 naar 163 naar 53. Dit zijn er te weinig! Dan heb ik er eindelijk precies 55! Maar o jee, de titel vergeten. Opnieuw schuiven en schrappen totdat er een heel verhaal inclusief titel van 55 woorden staat. Snel insturen en dat deden 699(!) mensen met mij. Na een best wel korte tijd (het waren natuurlijk ook maar korte verhaaltjes…) kwam de uitslag al en konden  55 schrijvers zich verheugen op een plek in de bundel en ik zit daarbij. Jippie!

Eén verhaal wordt als winnend verhaal uitgekozen en vooraan in de bundel gezet. Deze keer is het van Lilian Steenvoorden en het gaat zo:

Overstekend groot wild

‘Weet je het zeker, er is zoveel lawaai hier en ik zie almaar van die lichten.’ De groep herten kwam behoedzaam uit het kreupelhout tevoorschijn. ‘Ja, kijk maar.’ Het oudste hert knikte in de richting van de rood-witte driehoek op een dunne paal. ‘Dat zijn wij toch? We mogen hier zelfs springen.’

Ik vind ‘m grappig en leuk gevonden.  Mijn verhaal gaat zo:

Verrassing

Op Jacqueline’s Nieuwjaarsfeestje in augustus kijk ik zoekend rond. Ik heb haar twee jaar niet gezien. Ik zie een man, in zijn gezicht trekken van Jacqueline. Nooit geweten dat zij een broer had. Hij kust me en zegt met de stem van Jacqueline: ‘Proost op mijn nieuwe jaar lieverd. Het nieuwe jaar van Jacques.’

Wil je de andere 53 verhaaltjes ook lezen moet je de bundel maar kopen. Het is de vierde keer op rij dat deze jaarlijkse wedstrijd georganiseerd wordt met als vaste sponsor Stichting Biblionef. Deze stichting stelt zich ten doel om kinderen overal ter wereld de kans te geven om te lezen. Hoe mooi is dat! Zo kun je lekker lezen en tegelijkertijd kinderen helpen! 👍😍

 

Dialoog

Hoezee, de eerste van dit jaar! 

Een dialogenschrijfwedstrijd georganiseerd door uitgeverij Ambilicious mondde uit in een plekje in deze bundel. De opdracht was een dialoog te schrijven van maximaal 233 woorden, inclusief de titel en 75% van de tekst dient gesproken tekst te zijn. Het eindigde in heel veel schrappen, 233 woorden is echt niet veel. Met dit resultaat. Bedenk dat de laatste twee zinnen op een volgende bladzijde staan…mooi effect 😉

Dialoog

Een waterig zonnetje breekt door. Bezoekers nemen plaats op houten bankjes. Anderen blijven staan, drinken iets uit een plastic bekertje. Kinderen rennen rond en vergapen zich aan de grote trofeeën. Vrolijke muziek klinkt krakend uit de luidsprekers.

‘Hoi.’

‘Goedenavond.’

‘Druk hè.’

‘Zeker.’

‘Ken jij iedereen?’

‘Nee, u wel?’

‘Nee joh, maar die daar heeft wel twee hele grote zeg!’

‘Enorm.’

‘Zou dat echt zijn?’

‘Waarom niet.’

‘Zo groot?’

‘Nou, u ziet het.’

‘Heb ik thuis niet hoor.’

‘Ligt waarschijnlijk aan de voeding.’

‘Denk je?’

‘Vroeger zag je ze niet zo.’

‘Misschien een stukje revolutie.’

‘Evolutie bedoelt u.’

‘Ja natuurlijk. Ik ga het gewoon vragen.’

‘Ho, ho, dat mag niet hè.’

‘Hoezo niet?’

‘Voorkennis van de jury.’

‘Nou ja zeg, een praatje mag toch wel?’

‘Natuurlijk, maar dan wordt u gediskwalificeerd.’

‘Dan loop ik die poen ook mis zeker. Oké, ik blijf wel zitten.’

‘Verstandig. Let op, daar begint de eerste ronde.’

‘Kijk nou, ze loopt voorop! Wat een joekels zeg.’

Beide heren kennen de dame met de grote Newfoundlanders hoge punten toe. Uiteindelijk zal ze de eerste prijs winnen op de jaarlijkse hondententoonstelling.

 

Tot de dood

(Mijn bijdrage aan de schrijfwedstrijd van Schrijven online kan ik gerust hier plaatsen want ik zit niet bij de winnende verhalen. De opdracht was een verhaal van maximaal 500 woorden  te schrijven over een bruiloft. Het mocht alle kanten opgaan en gevraagd werd vooral alle clichés vermijden. Ik dacht een originele invalshoek te hebben gevonden…)

Tot de dood

´Je bent echt prachtig!´, zei ik. Ik ging achter de bruid staan en samen keken we naar het spiegelbeeld. De jonge vrouw in het glanzende wit en ik, de oude vrouw, in het matte zwart. Een grotere tegenstelling was niet denkbaar. ´Zul je goed voor mijn zoon zijn Colette?’, vroeg ik. De bruid knikte en in haar stralende ogen lag een belofte. ‘Hij is alles wat ik heb…’, zuchtte ik. Colette draaide zich om en omhelsde me. Ik maakte me los en keek haar  aan. ‘Ik heb nog iets voor je, het enige dat nog ontbreekt deze dag.’ Colette trok haar wenkbrauwen op. Ik haalde uit mijn zwarte handtas een donkerrood doosje. Toen ik het opende hield Colette haar adem in en haar ogen vlogen heen en weer tussen mij en de inhoud van het doosje. Op de crèmekleurige zijde lag een druppelvormige smaragd aan een ragfijn gouden kettinkje. Hij was zo geslepen dat het licht aan alle kanten weerkaatste. Ik zei: ‘Nu jij lid wordt van onze familie heb je ook recht op onze familiejuwelen. Ik zou het een eer vinden als je deze zou willen dragen vandaag.’ Colette knikte heftig en draaide haar rug naar me toe. Ik legde mijn handen om haar slanke nek en liet ze daar even rusten. Ik sloot voor een moment mijn ogen, slikte mijn woede weg en maakte de ketting vast. ‘Je bent echt prachtig!’, zei ik nogmaals.

Ik liet haar achter in de logeerkamer en ging op zoek naar mijn zoon. Hij is mijn alles, mijn reden tot opstaan elke dag. Ik weet exact wat hij nodig heeft, ik ken hem immers zijn hele leven. Ik weet wat hij wil en kan. Waar hij vrolijk van wordt of verdrietig.  Dit laatste zie ik niet graag en daar bescherm ik hem voor. Zoals ik hem bescherm tegen dat onaangename wicht , Colette. Zij probeert hem voor zich te winnen met haar berekende houding. Ze geeft hem het idee dat hij haar wereld is maar ze bedoelt zijn geld. Van ons familiekapitaal zal binnen afzienbare tijd weinig tot niets meer overblijven. Hij ziet het niet. Maar ik zal hem helpen, heel subtiel, zodat hij weer huilend op zoek naar bescherming in mijn armen valt.

Alles is anders gelopen. Nadat hij haar dood had aangetroffen in de logeerkamer en ik hem in mijn armen wilde nemen om hem te troosten wees hij me ruw af. ‘Wat heb je gedaan!’, siste hij woedend tegen me. Hij hield de smaragd voor mijn ogen. ‘Jij hebt haar de Traan gegeven terwijl je weet dat hij ongeluk brengt. Nadat tante Odile was overleden zou niemand hem ooit nog dragen en jij geeft hem aan de vrouw waar ik zielsveel van houd! Welke moeder doet zoiets. Jij bent geen moeder! Maar je hebt je zin, de bruiloft gaat niet door. Ga jij het maar eens haarfijn uitleggen aan alle gasten. Ik wacht beneden op je. Maar eerst dit.’ Hij deed me de ketting om.

( Als algemene feedback kregen de deelnemers van de schrijfwedstrijd te horen dat er een overvloed aan dode bruidjes was… 🤣  Zo origineel was ik dus helemaal niet!)

 

Feest

Een nieuwe schrijfwedstrijd. Deze keer georganiseerd door schrijfcoach Kelly Meulenberg. De bedoeling was een verhaal te schrijven bij de door Kelly aangeboden foto, en daarbij niet meer dan 400 woorden te gebruiken. Ik waagde een poging maar zat niet bij de winnaars. Wel kreeg ik een gratis coachsessie aangeboden, die nog moet plaatsvinden. Erg benieuwd wat het me brengt. Hier de foto en mijn verhaal.

Niet één, niet twee maar drie redenen waren een goeie aanleiding voor een uitgebreid feest. Ten eerste mijn verjaardag, ten tweede mijn nieuwe baan en ten derde het feit dat ik hier alweer vijf jaar woon. Ik heb besloten deze keer eens flink uit te pakken en alle naaste collega’s tegelijkertijd met wat beste buren en een stel favoriete vrienden en vriendinnen uit te nodigen. Familie, nee liever niet. Dat is te ingewikkeld.

Henk van de administratie, een nogal gesloten figuur met een vervelende vrouw thuis, maar met een hart van goud, gaat naast mijn kwebbelende zwemvriendin Thea zitten en binnen de kortste keren praten ze honderduit over hun lievelingsschrijvers. Ruud van de boekhouding, waarvan iedereen weet dat hij er in zijn vrije tijd met de racefiets op uittrekt heeft het uitstekend naar zijn zin met mijn fietsende buurvrouw Nadine. Globetrotter Niels raakt niet uitgepraat met Johan zodra het over Thailand, Australië of Nieuw Zeeland gaat. Buurvrouw Gerda zit zelfs kleinkindfoto’s uit te wisselen met mijn oudste vriendin Vera. Mooi om te zien dat ‘mijn’ mensen uit verschillende kringen, op andere vlakken overeenkomsten hebben. Ze raken elkaar zonder hier op uit te zijn. Het ontstaat zomaar op mijn feest.

Ik heb de tafel in de tuin gedekt, dat kan best met dit weer en nu komt die grote tuintafel toch nog eens van pas. Bloemen uit mijn eigen tuin schik ik in een vaasje en zet ze samen met wat waxinelichtjes op tafel. Uit de keuken komen heerlijke geuren. Ik kijk op mijn horloge, trek mijn nieuwe lichte spijkerjasje aan en besluit wat amuses op kleine bordjes te doen. Dan snijd ik het stokbrood. Nogmaals kijk ik hoe laat het is. Wat zijn ze laat. Ik steek de lichtjes vast aan. Ze zullen zo wel komen. Toch? Dan schenk ik de champagne vast in, zo lekker die bubbels. En het staat zo gezellig. Ik neem vast een slokje. En nog één. Waar blijven ze nou? Zelfs Jacqueline is er nog niet, die is altijd te vroeg. Anderhalf uur later heb ik alle glazen leeggedronken, in mijn eentje. Niemand! Niemand is komen opdagen! En zelfs niet het fatsoen hebben om netjes af te bellen. Gloeiende gloeiende! Ik zal nog eens wat organiseren! Ben niet gek! ‘Hey buuf!’, klinkt het grinnikend aan de andere kant van de schutting, ‘Niet alles opdrinken hè, anders hebben wij  morgen niets, hahaha!’ Morgen? Morgen? Morgen!!!

Hartstreek

(Dit verhaal heb ik ingestuurd voor de jaarlijkse schrijfwedstrijd van uitgeverij LetterRijn. Het thema was ‘Deadline’ en er moest in ieder geval 1 lijk in voor komen. Het aantal woorden moest tussen de 2500 en 4500 tellen en daar lag de uitdaging voor mij. Zo’n lang verhaal heb ik nog nooit geschreven! Op 16 juni behaalde ik een plek op de longlist, waar ik reuze trots op ben. Maar de shortlist…was uiteindelijk toch te hoog gegrepen. Daarom niet in een bundel maar gewoon hier te lezen.)

Ik werd pas serieus bang toen ik in mijn eigen tuin over een lijk struikelde. Ik zag een laars op het pad liggen, ter hoogte van de roze rododendron, en toen ik die laars wilde wegschoppen bleek er een heel lichaam aan vast te zitten. Even vergat ik adem te halen. Doorlopen was geen optie. Het bevond zich immers in mijn tuin. Ik bukte voorzichtig richting het lichaam. Langzaam stak ik mijn hand uit om de overhangende bloemen uit het gezicht te vegen toen het lichaam opeens bewoog. Ik sprong overeind, smoorde mijn gegil door mijn hand tegen mijn mond te drukken. Het lichaam bleek dus geen lijk te zijn en rolde kreunend onder de struik vandaan. Toen zag ik het. Het was Ed, mijn ex-man. Een snee boven zijn rechter wenkbrauw zorgde voor een stroom bloed over de helft van zijn gezicht. Zijn onderlip was gezwollen en zijn handen vertoonden schaafwonden. Ik knielde bij hem neer, ondersteunde zijn hoofd en vroeg wat er gebeurd was. Uit zijn keel kwamen niet meer dan wat rochelende geluiden. Opeens greep hij mijn bovenarm wonderbaarlijk ferm vast, sperde zijn ogen wijd open en zei voordat hij het bewustzijn verloor: ‘Pas op, Liz!’

Een paar uur later in het ziekenhuis zit ik naast zijn bed nog steeds te trillen. Ed is direct geopereerd aan verschillende inwendige verwondingen en wordt nu in diepe slaap gehouden. De politie die mij allerlei vragen stelde is weer verdwenen. Nee, natuurlijk weet ik niet wat er gebeurd is. Nee, ik heb niets gezien, hij lag daar opeens. En ja, ik ken hem wel. Drie jaar ben ik met die lieverd getrouwd geweest. Daarna moest ik wel van hem scheiden omdat ik Rozemarijn tegenkwam. Toen wist ik direct wat er ontbrak aan mijn huwelijk. Bij Rozemarijn voelde ik eindelijk waar het om gaat in het leven. Alles viel op zijn plaats. Bijna een jaar wonen we nu samen. Een zilveren hanger in de vorm van een roos ligt in cadeauverpakking verstopt tussen mijn sportkleren. Ik denk er hard over haar ten huwelijk te vragen bij het overhandigen van het sieraad. Plotseling realiseer ik me dat er een arts naast het bed staat. Ik moet weggedoezeld zijn. Hij adviseert me naar huis te gaan omdat de patiënt voorlopig niet wakker zal worden. Nadat hij me ervan verzekerd heeft dat de situatie niet levensbedreigend is en belooft direct te zullen bellen bij verandering in de situatie, verlaat ik het ziekenhuis.

Het is 5.00 uur als ik bij mijn auto aankom. Ik wil niet bang zijn maar toch huiver ik als ik het gekraste hart in het voorportier zie. Snel open ik de auto en spring er in. Op een bepaalde manier voel ik  me hier binnen veilig. Ik stuur Roos een geruststellend appje dat ik er over een half uur ben.  Autorijden kost mij niet veel moeite en geeft me daardoor tijd en ruimte om na te denken. Nu ik zo terugdenk begon het eigenlijk allemaal al veel eerder.

Eerst had ik het niet eens in de gaten. Een mailtje gevuld met hartjes. Hartjes waar een mes in stak zodat het bloed eruit druppelde. Ik dacht deze actie toe aan de tijdelijke stagiaire die steeds rood werd als ik haar goedemorgen wenste. Een week later deed een hart van rode verfspetters op mijn vaste parkeerplaats mijn collega’s schunnige insinuaties maken. Daarna begonnen de telefoontjes. Zodra ik opnam hoorde ik steeds weer dezelfde muziek. Orkestrale muziek die lieflijk en romantisch begon om al snel te veranderen in angstaanjagend gesnerp .  Een afzender was nooit te traceren. Toen er op een dag een grillige hartvorm met een groot kruis er doorheen in het linkerportier van mijn auto was gekrast bekroop mij een akelig gevoel. Ik keek schichtig om mij heen. Wie doet dit? En waarom bij mij? Wat wil diegene van mij? Is er iemand verliefd op me? Of juist niet? Vrijwel direct na deze ontdekking kreeg ik een bericht op mijn telefoon: ‘Wil je dat dit ophoudt, ontmoet mij dan vanavond bij club Bubbels.’ Ik kende de club wel. Bubbels was één van de zaken die volgens een project de binnenstad wat meer aantrekkingskracht moest gaan geven. De prestigieuze opzet was echter tot mislukken gedoemd en het eindigde in een verloederd stadsdeel. Ik besloot niet toe te geven aan dit merkwaardige verzoek. Negeren leek mij beter.

Toch hield ik de volgende dag, voor de zekerheid, mijn telefoon voortdurend in de gaten. Had het gewerkt? Was het de ander duidelijk dat ik niet zou zwichten? Eenmaal thuis vroeg ik geforceerd vrolijk of er nog iets bijzonders gebeurd was. Rozemarijn keek me doordringend aan. ‘Iets bijzonders?’, vroeg ze liefjes. Ze liep naar de keuken en kwam met een platte doos terug die ze mij overhandigde. Ik pakte de doos aarzelend aan, zag mijn naam er met grote letters op staan en opende hem voorzichtig. De hartvorm van verdorde rozen en de rottingslucht die daarbij vrij kwam deed me terugdeinzen. ‘Bijzonder genoeg?’, vroeg ze, ‘Heeft ze ook een naam?’  Moest ik nu zeggen: ‘Het is niet wat je denkt!’ of  ‘Schat ik weet van niks!’ Beide antwoorden zouden haar evenveel van streek maken, zeker nu ze weer in een labiele fase was. De tweede miskraam had haar tot een depressie gedreven. Vraag me niet hoe maar ik wist haar ervan te overtuigen dat dit bloemstuk voor haar bestemd was omdat ik zoveel van haar houd. Dat de rozen verdord waren zou ik morgen verhalen bij de bloemist.  Ze verweet me op het laatst alleen nog de kitscherigheid van mijn keuze.

Die avond tijdens het laatste rondje met Boris, onze boxer, ging mijn telefoon. Ik treuzelde met opnemen maar deed het toch. Een hese stem: ‘Vond je de bloemen mooi? Zo jammer dat ik je gemist heb in Bubbels. Ik denk dat jij niet precies begrijpt wat ik bedoel. Volgens afspraak heb je nog 24 uur de tijd om er te komen. Anders kom ik wel naar jou. Afspraak is afspraak. En onthoud dit goed, ik krijg altijd wat ik wil, niets of niemand houdt me tegen!’ Nog voor ik enige vorm van reactie kon geven was de verbinding verbroken. Daarna volgde een constante stroom van berichtjes met alleen maar hartjes afgewisseld met doodskoppen. Voor ik mijn telefoon rigoureus uitzette keek ik naar de tijd: 23.55 uur. Toen ik thuis kwam zag ik die laars op het tuinpad.

Volgens afspraak? Welke afspraak? Dus ik heb nu nog negentien uur de tijd. Voor wat eigenlijk? En wie bepaalt dit? En heeft dit iets met Ed te maken? Zo ja, wat dan? Zo nee, waar slaat dit op dan? Ik rijd de auto de garage in waar de elektrische deur zich direct achter me sluit. Ik pak mijn tas en aarzel nog even met uitstappen. Alsof ik moed moet verzamelen. Dan stap ik uit en verlaat de garage. Nog zeven meter eer ik bij de achterdeur ben. Ik hoor geritsel,  vliegensvlug draai ik me om. Niets te zien. Waarschijnlijk gewoon een nachtdier. Als ik bijna bij de deur ben voel ik eerder dan dat ik het hoor iets vlak langs mijn hoofd suizen. Pal voor me slaat een bloempot tegen de muur in scherven. Ik draai me snel om en zie nog net iemand onze tuin uitrennen. Ik haast me de deur te openen, zenuwachtig laat ik mijn sleutels vallen, raap ze vlug op en stap naar binnen. Veilig. Ik doe de deur op slot en blijf even met mijn rug tegen de deur aan geleund staan. Ik sluit mijn ogen en haal diep adem. Mijn hart bonkt in mijn keel. Dan adem ik langzaam uit en loop door naar de keuken. Ik weet zo snel niet wat maar er klopt iets niet. Behoedzaam sluip ik verder tot ik mijn teen stoot tegen de hondenmand. Tegelijk dringt tot me door wat er niet klopt. Ik laat me op mijn knieën vallen en voel het harde koude lichaam van Boris. Snel doe ik het licht aan en onderzoek Boris aan alle kanten. Ik kan geen enkele verwonding vinden. Hij is gewoon dood.

Hoe ga ik dit aan Roos vertellen. Kan ze dit aan? Boris heeft haar de laatste tijd zoveel troost gegeven. Meer dan ik, bedenk ik me. De kinderwens is bij Roos nu eenmaal veel groter dan bij mij. En beide keren werd de vreugde in de kiem gesmoord. Ik ben onhandig in dit soort situaties, wil alleen maar dat zij gelukkig is. Moe ben ik opeens, zo moe. Eerst Ed en nu Boris. Als door een wesp gestoken spring ik overeind. Roos! Ik vlieg de trap op naar onze slaapkamer, ondertussen steeds harder haar naam roepend en gooi de deur open. Roos! Dan blijf ik stokstijf staan. Het bed is leeg. Onbeslapen zelfs. Wild draai ik om mijn as alsof ik haar achter me verwacht. Roos! Ik haast me naar de badkamer. Ook leeg! En net op dat moment gaat mijn telefoon. Ik talm een aantal seconden, ervan overtuigd dat die hese stem mij gaat vertellen wat er met Roos gebeurd is. Maar dan hoor ik de allerliefste stem van de wereld: ‘Liz! Hè hè, eindelijk neem je op. Ik ben bij mijn ouders hoor. Ik was zo bang na dat gedoe met Ed. Mijn vader heeft me opgehaald. Kom je ook hier heen? Huil je nou?’  ‘Nee schat, ik huil niet, ik kom er aan.’ ‘Oké, en Liz, en wil je meteen Boris meenemen? Anders schrikt hij zo als ik er morgenochtend niet ben.’

Het is 7.30 uur als ik Roos alles verteld heb. Ze ziet er intens verslagen uit, ze huilt geluidloos. Ik voel me hulpeloos. Bij het verliezen van de baby’s krijste ze tenminste, kon ik haar in mijn armen nemen. Nu is ze zo in zichzelf gekeerd dat ze iedere poging tot toenadering met een zwak handopsteken afweert. Ik laat haar en loop rond in de tuin van mijn schoonouders. Een tuin die niet zou misstaan in een magazine. Nadenken moet ik. Overzicht krijgen. Nog zestien en een half uur. Volgens de hese stem. Ik doe mijn best de stem te herkennen maar ik weet niet eens of het een man of een vrouw is. Iemand wil mij pijn doen, dat is tot zover duidelijk. Maar wie en waarom. En waar komt die deadline opeens vandaan. Ik herinner me niets van een afspraak maken die klokslag middernacht zal verlopen. Gespannen laat ik mij op een bankje zakken. Uit de schuur komt Jaap, mijn schoonvader, hij gaat naast me zitten. Hij kijkt me niet aan, is een man van weinig woorden maar vraagt toch: ‘Wat gebeurt er bij jullie? Ed, Boris, problemen?’ Ik overweeg hem in vertrouwen te nemen. Het welzijn van zijn dochter gaat hem boven alles, mij ook. Toch wil ik hem geen angst aanjagen. Daarom voel ik me verplicht het een en ander te vertellen maar het feit van de deadline houd ik voor me. ‘Het lijkt er op dat iemand een hekel aan je heeft. Ruzie gemaakt?’ ‘Niet dat ik weet.’, antwoord ik. In gedachten ga ik al mijn collega’s langs, mijn vriendkring en mijn hardloopgroepje, maar ik kom er niet uit. Hoofdschuddend sta ik op en loop wat heen en weer. Dan blijft ik abrupt staan en fluister: ‘Jean-Jacques!’

Maar eerst moet ik naar het ziekenhuis. Ik ben er van overtuigd dat de antwoorden bij Ed liggen. Degene die hem in elkaar geslagen heeft is de figuur met de hese stem. Is degene die mij probeert klein te krijgen. Zodra ik Ed’s  kamer binnenkom zie ik dat de toestand onveranderd is. Hooguit zijn de blauwe plekken in zijn gezicht dikker en donkerder. Een verpleegkundige staat met haar rug naar mij toe en doet iets met het ventiel van het infuus. Als ik met mijn tas per ongeluk tegen de deur stoot draait ze zich snel om. Kijkt ze nu verschrikt, betrapt of bang? Even weten we allebei niet hoe te reageren. Ik herpak me als eerste en vraag hoe het met de patiënt gaat. Met de woorden: ‘Geen verandering en de rest kunt u aan de dokter vragen.’, verlaat ze de kamer. Ik bekijk Ed nog eens goed. Ik strijk hem zacht over de wang en fluister: ‘Ed lieverd, hoor je me?’ Even maakt hij een kreunend geluid. Dan schudt ik hem zachtjes aan zijn schouder en vraag: “Wie heeft dit met je gedaan Ed? Geef me een naam. Alsjeblieft! Ed?’ Uiterst langzaam gaan zijn ogen een stukje open en draaien ze verwonderd van links naar rechts en terug. Als hij mij in beeld heeft vormen zijn gebarsten lippen een grimas en probeert hij iets te zeggen. Om hem te kunnen verstaan moet ik me diep voorover buigen. Zijn adem strijkt langs mijn wang als ik hem ‘Auw’ hoor prevelen. Aan de dokter die binnenkomt, verzoek ik dringend de pijnmedicatie te verhogen.

Ik zet mijn auto met twee wielen op de stoep en ren de delicatessenwinkel in. Een jonge vrouw duw ik opzij.  Jean-Jacques komt op mij af. Hij steekt zijn armen uit alsof hij me gaat omhelzen. Ik sla ze weg en roep boos: ‘Wat wil je van me?’ Hij steekt zijn handen in de lucht alsof hij zich bedreigd voelt. ‘Zeg het! Zeg dat jij die mailtjes hebt verstuurd! En dat je mijn auto beschadigd hebt! En mijn ex in elkaar geslagen hebt!’ ‘Hoe… wat…ik…’, probeert Jean-Jacques, terwijl hij hulpeloos zijn schouders ophaalt. Ik schreeuw intussen: ‘Stop hier onmiddellijk mee! Ik weet toch dat je me al maanden probeert te versieren. Ik zie het toch! En nu wil ik weten waarom! En wat is dat met een deadline!’ Hij laat vertwijfeld zijn handen zakken en kijkt me verbaasd aan. Dan roept hij opeens keihard: ‘Maria!’. Uit de keuken komt een bezwete maar elegante vrouw met een geruit schort. Hij slaat zijn arm om haar schouders en vraagt zonder zijn ogen van mij af te wenden: ‘Maria, schat, vertel jij deze dame eens hoelang wij al bij elkaar zijn. Hoe gelukkig wij zijn met ons gezinnetje. Dat deze dame het vreselijk mis heeft te denken dat ik iets met haar zou willen en dat flirten mijn tweede natuur is zonder dat ik er iets mee bedoel.’ De jonge vrouw, die ik eerder opzij duwde, loopt op mij af: ‘Stel je niet zo aan mens, hij flirt ook met mij, daarom komen we hier toch zo graag?’ Huilend zak ik in elkaar. Het is 11.45 uur.

‘Ga wat slapen!’, dringt Roos bij me aan. Maar dat ga ik niet eens proberen. Nog geen twaalf uur meer en dan… Ja, wat dan? ‘Eet dan alsjeblieft wat.’ Zonder iets te proeven lepel ik de soep die ze me voor zet op. Mijn hersenen maken overuren zonder enig bruikbaar resultaat. Ik breng de kom naar de keuken en spoel hem om onder de kraan alvorens hem in de afwasmachine te zetten. ‘Zeg Roos, je wilde toch nog je föhn hebben van thuis? Die ga ik wel even halen.’ Blij dat ik iets kan doen. ‘Ik ga mee.’, zegt Roos. Ze kijkt me zo doordringend aan dat ik niet eens waag haar op andere gedachten te brengen. Zo staan we even later weer voor onze eigen voordeur. Ik open hem met mijn sleutel en samen staan we in de gang met ingehouden adem te luisteren. ‘Geen onraad.’, grap ik. Roos rent naar boven: ‘Ben zo terug.’  Ik raap wat post op en loop er mee naar de woonkamer. Dan hoor ik Roos gillen. Niet zomaar gillen maar hartverscheurend gillen. Ik neem de trap met twee treden tegelijk en zie Roos middenin de babykamer staan, haar armen kruislings over haar buik. ‘Nee!’, schreeuwt ze, ‘Niet aan mijn kindjes komen!’ Ik neem haar in mijn armen en kijk verbluft de kamer rond. Het meubilair is kapot geslagen, niets is nog heel. Alle kleertjes, zo liefdevol en zorgvuldig uitgekozen, liggen verscheurd tussen de kastresten. Heel zachtjes klinkt vanonder het matrasje ‘Somewhere over the Rainbow’. Roos wil het muziekdoosje pakken maar ik weet haar op tijd weg te trekken. ‘Niet aankomen! Ik ga de politie bellen.’ Nog negen uur.

Roos en ik zitten op het bankje in haar vaders tuin. Haar ogen zijn gezwollen van het huilen. Beiden zijn we doodmoe van alle vragen van de politie. We zitten dicht tegen elkaar aan en toch hangt er iets tussen ons in. ‘Ga je me nog vertellen wat er aan de hand is Liz?’ Wat kent ze me goed, ik heb inderdaad informatie achter gehouden tegenover de politie maar wat vertel ik haar? Sleep ik haar mee in dat hele deadlineverhaal, die over vijf uur afloopt, of blijf ik haar beschermen. Alsof ze mijn gedachten leest zegt ze: ‘Je hoeft me niet altijd te beschermen!’ Ik pak haar hand en besluit voor een middenweg te kiezen.  Haar de halve waarheid vertellen is nog altijd beter dan niets, verdedig ik mezelf. Ik houd het luchtig en vertel dat dit allemaal waarschijnlijk een samenloop van omstandigheden is, dat het één vast niets met het ander te maken heeft. Ik haal zelfs de wet van Murphy erbij. En probeer haar hoop te geven door mijn vertrouwen in de politie uit te spreken. Tenslotte vertel ik haar zo nonchalant mogelijk dat ik vanavond nog even weg moet. ‘Waar moet je naar toe dan? Wat ga je doen? Waarom zeg je dat niet tegen de politie dan? Liz,wat gebeurt er met ons?’

Als ik ’s avonds in de auto het adres van Bubbels ingevoerd heb en de radio aan wil zetten,  klinkt er een harde klop op mijn raampje. Van schrik raakt mijn hand de volumeknop en de bassen dreunen door de kleine ruimte. Snel draai ik de knop weer terug en zie Roos naast de auto staan. Ze trekt de deur open en vraagt gejaagd: ‘Kun je nog even binnenkomen om het alarm uit te leggen? Mijn vader is de code vergeten.’ Ik zucht, maar geef gehoor aan haar verzoek. Eenmaal binnen kijkt Jaap wat bevreemd als ik hem om de code vraag, die hij moeiteloos opzegt. Als Roos binnenkomt giechelt ze een beetje: ‘O, ik dacht…’ Ik haal mijn schouders op en verdwijn.

Minder zelfverzekerd dan ik wil loop ik Bubbels binnen. Aan de bar hangen drie mannen die mij suf aankijken. Vermoedelijk zitten ze hier al een tijdje. Achter de bar staat een slonzige vrouw al rokend te bladeren in een roddelblad. Ik knik naar hen en vraag me af, terwijl mijn benen opeens van rubber lijken, waarom ik eigenlijk geen plan van aanpak heb gemaakt. Ik ben altijd zo precies en hier stap ik zomaar onvoorbereid in. Hoe naïef ben ik eigenlijk. Is het angst die mij zo roekeloos maakt? Of is het woede. Of pure nieuwsgierigheid om degene te ontmoeten die mijn leven de laatste tweeëntwintig  uur tot een hel heeft gemaakt. Bevend neem ik plaats op een stoel. Wat nu? Een grote man stapt op mij af en gebaart me met een enkele hoofdbeweging hem te volgen. Zijn lengte van bijna twee meter en zijn gewicht van ruim 160 kilo doen me beseffen dat tegenstribbelen geen enkele zin heeft. Ik aarzel toch even maar loop ik hem dan gedwee achterna. In een schemerige gang opent hij de derde deur en laat me voorgaan. Hij duwt mij op een stoel tegenover een soort bureau en gaat achter me staan. Ik kijk de kamer rond en weet niet wat ik moet voelen. Mijn hart bonkt in mijn keel en zelfs mijn handen zweten.

De deur achter het bureau gaat plots open. Ik spring overeind als er een figuur met een zwart kraaienmasker op verschijnt. De grote man duwt me weer op mijn stoel en de kraai gaat ook zitten. ‘Fijn dat je gekomen bent.’ klinkt het hees, ‘En keurig op tijd. Ik wist wel dat je eieren voor je geld zou kiezen. Nu kunnen wij eens fijn praten.’ Ik houd het niet meer uit, sta op en schreeuw: ‘Wie ben je en wat wil je van me! Waarom doe je dit! Nog laf ook met zo’n masker!’ Ik word teruggeduwd op mijn stoel. De kraai slaat met zijn vuist op tafel en zegt: ‘Niemand noemt mij laf! Ik houd mij alleen maar aan de afspraak. Die afspraak verloopt over een uur!’ De adrenaline neemt de overhand, opnieuw spring ik overeind: ‘Man, ik weet niet eens waar je het over hebt. Welke afspraak? Ik ken je niet eens!’ De kraai gebaart naar de grote man die mij nu met tiewraps aan de stoel vastmaakt. De kraai gaat voor me staan en schuift tergend langzaam zijn masker omhoog. Paul staat daar! Paul Vogel, de ex van Roos. Hij buigt zich naar mij toe en spuugt de woorden bijna in mijn gezicht: ‘Ja, ik ben het. Stom van je dat je dat niet doorhad. Jij bent sowieso een stom wijf!’ Paul zet zijn woorden kracht bij door me een klap te geven. Mijn hoofd tolt ervan. ‘Jij hebt mijn leven zo ontzettend verziekt door Roos van mij af te pakken. Het liefste wat ik ooit bezat. Ik kon haar alles geven. Ik was zielsgelukkig met haar totdat jij kwam en haar die onzin in haar hoofd praatte.’ Een tweede klap volgt, harder. Ik proef bloed. ‘Twee vrouwen. Pffff, wat een bizarre situatie. Waarom was ik niet goed genoeg? Door jou! Snap je. Door jou! Jij hebt alles verpest!’ De grote man moet mijn stoel nu vasthouden zo hard als Paul mij slaat. Door mijn linkeroog zie ik niets meer. ‘En ik heb je gezegd toen jullie vorig jaar gingen samenwonen: ‘Je krijgt één jaar de tijd en dan wil ik haar terug!’, en dat is nu.’ Hij trapt de stoel omver en ik val met mijn hoofd langs de muur. Ik blijf stil liggen en probeer me de afspraak te herinneren. Het enige wat ik nog weet is dat hij dit lachend vertelde, daarbij Ed op de schouders slaand. Iedereen  het idee gevend vrede met de situatie te hebben. Hij schopt tegen de stoel zodat mijn hoofd tegen de muur knalt. ‘Nou, weet je het weer? Je eigen Edje was erbij. Edje die bijna alles verpestte door met jou te willen gaan praten. Ik kon hem op tijd stoppen. Net als Boris, dat stomme beest. Voordat hij me kon verraden heb ik hem een heerlijk stukje vlees gegeven. De schrokop vrat zichzelf dood. Hahaha. En dacht je nu echt dat ik kon toestaan dat jullie baby’s maakten? Als Roos een kind krijgt is dat van mij hoor je. Van mij!’ Opeens gebeurt er van alles tegelijk.

De deur achter Paul vliegt open en slaat met een klap tegen de muur. Twee gewapende politieagenten stormen binnen. Er is veel gegil en geschreeuw. Roos wurmt zich langs een van de agenten en knielt bij me neer en zegt snel: ‘Ik zag op je navigatie waar je naartoe ging. Alles komt goed!’ De grote man haalt een pistool uit zijn binnenzak en er klinkt een oorverdovend schot. Alles is even stil. Dan zie ik als in slowmotion de mond van Roos ‘Nee!’ schreeuwen. Ik zie de grote man vallen. Steeds dichterbij komt zijn enorme lijf. De stoelpoten versplinteren onder zijn gewicht of zijn het mijn heupen? Als hij bovenop mij valt wordt alle lucht uit mijn longen geperst.