Categorie archief: Verhalen

Vergeten

(Dit verhaal heb ik ingestuurd voor de schrijfwedstrijd voor de Baarnse Literatuurprijs. Aangezien ik nog steeds niet precies weet wat literatuur is maar het wel bloedserieus vind klinken, krijg ik altijd de neiging dan juist een niet zo serieus verhaal te schrijven… Waarschijnlijk is dat ook de reden dat ik hiermee niet in de prijzen ben gevallen 🙂 )

Vergeten

Soms vraag ik mij wel eens af of mijn zus wel echt mijn zus is. Ons enige overduidelijke raakvlak is onze achternaam. Zij heeft echter alles keurig voor elkaar. Een knappe man. Bloedsaai, maar knap en hij verdient geld als water. Ze wonen in een prachtig huis met hun twee kinderen. Schatjes hoor, maar lijken iets te veel op hun vader, saai dus. Er bleek ook voldoende geld voor een huisje in het bos. De inrichting ervan lijkt precies op hun grote huis zodat ze niet misgrijpen of zich te veel moeten aanpassen. Gaap. Nou ja, nu hoef ik niet uit te leggen hoe mijn bestaan er uitziet.

Maar goed, daarnaast is hun hart groot genoeg om anderen te laten delen in hun riante leventje en daarom ben ik hier in hun boshuisje. Nu ik tussen twee banen in zit, heb ik alle tijd van de wereld om eens een dagje heerlijk uit te blazen. Bijkomen van het lezen van afwijzingen, van het opstapelen van lege pizzadozen, van het volgen van Netflixmarathons. Een hele heerlijke dag voor mezelf. Nou ja, van die hele dag is al een flink deel verloren gegaan aan de reis. De bus kwam te laat (tijd vergeten) en daardoor miste ik de trein en bij het laatste stukje lopen naar het huisje brak er een wieltje van mijn rolkoffer. Waarom een rolkoffer voor een dag, zul je denken. Maar hé, ik ben gewoon goed op alles voorbereid. Hoewel de inrichting van het huisje er toch iets anders uitziet dan ik dacht ben ik voornemens uitsluitend te genieten.

Mijn grote vriend, de zon, is er ook dus eerst maar eens lekker buiten lunchen. In het toch wel knusse designkeukentje maak ik een blad klaar. Ik leg mijn meegebrachte bammetje op een Wedgwood bordje, vind in de koelkast een aangebroken wit wijntje dat nodig op moet en doe verschillende stukjes fruit in een sierlijk schaaltje met een dekseltje. Ook van Wedgwood ja. Ik hijs me in een luchtig zomeroutfitje van mijn zus (short vergeten)en ga  met mijn blad in de luxe tuinstoel op het terras zitten. Verrukkelijk. O wacht, eerst even smeren anders verbrandt mijn poezelige huidje direct.  (olie vergeten) Ik zoek in de badkamer in alle kastjes. Hé wat is dat? Een zwangerschapstest? Sinds wanneer wil mijn zus een derde? Ik ren naar mijn telefoon, hier wil ik het mijne van weten. O ja, geen bereik hier in het bos. Terug in de badkamer vind ik de zonnebrandolie, waar ik me rijkelijk mee insmeer. Je kunt niet voorzichtig genoeg zijn. Snel weer naar mijn tuinstoel. Rinkeldekinkel!!! Het glas glipt uit mijn gladde handen. Nou ja zeg, dat zuiver kristal geeft net zoveel scherven als gewoon glas. Ik veeg ze snel onder tafel.

Even later zit ik met de wijn in een plastic kinderbekertje weer op mijn uitverkoren plekje. De boterham is intussen uitgedroogd en klinkt als een cracker. Zodra ik aan mijn fruit wil beginnen denk ik het te horen. Maar ik doe net of ik het niet hoor en eet stug door. Uiteindelijk kan ik er niet meer omheen: het zachte gezoem gaat over in oorverdovend gezoem en al snel zit mijn fruitbakje vol met wespen. Ik spring gillend overeind en gooi het bakje ver het bos in. Het sierlijke Wedgwood bakje (vergeten ja). De zwerm trapt erin en verdwijnt van het terras. En nu wil ik echt ontspannen, op een ligbed met zo’n extra dik kussen! Adem in, adem uit. Adem in, adem uit.

Al snel lig ik me te vervelen en zie dat mijn teennagels nog helemaal niet zomerproof zijn! Ik vind paarse glitterlak (lak vergeten) en een stel roze teenspreiders (gewaagd hoor zus). Dit moet lukken. Net als ik met de laatste teen bezig ben schiet ik uit en zie tot mijn grote afschuw een paarse veeg over de smetteloos witte tuinstoel. Wat nu? Even later loop ik op mijn hakken, met gespreide tenen, en zet op alle tuinstoelen op precies dezelfde plek een paars veegje. Eenheid, daar houdt mijn zus van. Nu lijkt het net een heel chique merk. Als de klus geklaard is verdien ik rust en iets lekkers. Ik vul het kinderbekertje bij, vind wat paperclips om mijn haar vast te zetten (speldjes vergeten) en besluit een verfrissend huidmaskertje aan te brengen. Er is zelfs verse komkommer om op mijn ogen te leggen. Hmmm eindelijk vrede…

‘Help! Help! Een monster!!!’ Een klein jongetje in een grote zwembroek staat op veilige afstand naar me te wijzen, ondertussen voortdurend achterom roepend. Steeds scheller klinkt zijn stem. Ik blijf verstijfd liggen, zeker wetend dat het afschuwelijke monster zich achter mij bevindt. Dan verschijnt naast het jongetje een man. Een leuke man zelfs. Hij komt me redden. Hij verslaat het monster. Hij zal blij zijn dat ik ongedeerd ben. Hij zal me ten huwelijk vragen. We zullen super lang en zo gelukkig leven.

‘Wat doet u in onze tuin en ons huisje?!’

’s Avonds om 11 uur ben ik weer  in mijn eigen huis. Ik ben versleten, kapot, verreisd en verbrand en bovenal vergeten waar alle tijd van de wereld gebleven is.

Saartje Allegaartje (3)

Τ(De zeven uitverkoren mannen, Ton, Ron, Bob, Rob, Jos, Vos en Boy, zoeken een plaatsje om te gaan zitten in de audiëntiekamer. Ze kunnen kiezen uit een plekje op een verzameling azuurblauwe piano’s, een groepje broodmanden of een aantal tot krukjes getransformeerde trolleys. Saartje zelf neemt plaats op en gouden kinderstoel en kucht een beetje zenuwachtig. ‘Oké heren, jullie willen met mij  trouwen?’ Alle mannen knikken totdat hun hoofd bijna van hun romp afrolt en roepen in koor: ‘Ja dolgraag Saartje!’ ‘Maar waarom zou ik met jullie trouwen? Jullie krijgen allemaal vier en driekwart minuut om dit uit te leggen. Wie wil er beginnen?’)

 

‘Ik!’, roept Ton. Hij is groot, breed en heel gespierd. Als hij lacht verschijnt er een sterretje op zijn tanden. ‘Lieve Saartje, trouw met mij en ik zal je helpen bij al je verzamelingen te dragen.’ Ter demonstratie jongleert hij met een betonnen bloembak, een stalen deur en een loden kogel. Saartje knikt, ja dit komt goed van pas.

‘Nu ik!’, roept Ron. Hij draagt een tuinbroek en een strooien hoed en heeft hand één hand op zijn rug. ‘Lieve Saartje, trouw met mij en ik zal je elke dag een prachtig boeket bloemen geven. Misschien is dit het begin van een nieuwe verzameling…’ Hij haalt een bos roze rozen achter zijn rug vandaan, gecombineerd met gele boterbloempjes en voorzien van een zilverglitterlaagje. Saartje knikt, ja dit wil ze wel.

‘En nu ik!’, fluistert Bob. Hij draagt een zwart/wit gestreept pak met bijpassende pet, op zijn borst staat een vet gedrukt nummer en hij kijkt steeds wat angstig achterom. ‘Hey Saartje, je moet met mij trouwen hoor, want ik weet heel veel adresjes waar je aan leuke spulletjes kan komen, allemaal voor weinig!’ Saartje ruikt direct onraad en wijst hem de deur: ‘Ik wil geen boef trouwen!’

‘Ik dan!’, roept Rob. Hij draagt een deftig pak met een krijtstreepje en houdt een telefoon in zijn hand. ‘Ik ben echt je man Saartje, want kijk met een slimme app op deze telefoon kan ik al je verzamelingen in kaart brengen, fotograferen, opslaan, bijhouden, omzetten in vrolijke animaties, zodat je ook zittend op je gouden stoel van je spulletjes kunt genieten!’ Tjonge, denkt Saartje, dat is gaaf!

‘Nu ik!’, roept Jos. Hij draagt een legergroen soldatenpak, op de borst gedecoreerd met roze, gele en mintgroene broches, en in zijn hand een geweer. ‘Allerliefste Saartje, ik weet dat je niet van geweld houdt maar mijn medailles heb ik behaald door goede daden te doen en mijn geweer schiet alleen maar zoete chocoladebonbons. Zo kan ik je beschermen en helpen tegelijkertijd.’ Verdraaid handig, denkt Saartje.

‘Mijn beurt!’, roept Vos. Hij draagt een streepjesbroek, een jacquetjasje en smetteloos witte handschoenen. Hij klinkt zijn hakken tegen elkaar en zegt: ‘Geachte Saar, ik wil gaarne je butler worden zodat ik orde kan aanbrengen in deze … eh … chaos van verzamelingen, ik kan je leren hoe het heurt.’ Saartje zit te stuiteren van ergernis en roept: ‘Jij begrijpt er niets van. Tot ziens!’

‘Hè hè, nu ben ik!’, roept Boy. Hij draagt een donkerblauwe spijkerbroek en een lichtblauw T-shirt, zijn haar valt als een waterval over zijn schouders en hij heeft een gitaar vast. Hij tokkelt wat en zet dan met een zwoele stem een lied in: ‘Allerliefste Saartje, wanneer vormen wij een paartje? Ik zal altijd van je houwen, daarom wil ik je graag trouwen. Ik beloof je elke dag een nieuw lied, dus waarom kies je mij niet?’ Saartje pinkt een traantje weg van ontroering.

‘Dank jullie wel allemaal,’ zegt Saartje, ‘Ik moet hier even ernstig over nadenken hoor.’ Ze trekt zich terug op de zolder en loopt vijftien rondjes met haar handen op haar rug. Het helpt niet veel. Ze vraagt een papegaai om raad, maar die roept alleen maar: ‘Leuke mannen, leuke mannen!’ Ze kijkt naar buiten en ziet vijf wolken in de lucht. Ze gooit een kaartspel omhoog en vijf kaarten liggen met de afbeelding naar boven. Ze pakt vijf dobbelstenen en gooit vijf keer, alle keren liggen er vijf ogen boven. Dan neemt ze een kloek besluit.

Vijf dagen later…

Saartje draagt een witte jurk. Eigenlijk zijn het twee jurken over elkaar heen want ze kon niet echt kiezen welke ze het mooist vond. Ze heeft de jurken versierd met witte strikken en witte linten. Alleen haar hoedje is natuurlijk knalroze. De buurman is voor gelegenheid verkleed als een ambtenaar van de burgerlijke stand. De tuin is ook versierd met witte strikken en witte linten. In een van de negen kruiwagens staat een levensgrote taart van 25 witte en roze lagen cake. De ambtenaar test nog eenmaal de microfoon en roept dan: ‘Saartje Allegaartje neem je tot je wettige echtgenoot Ton, Ron, Rob, Jos en Boy?’ ’Jaaaa, ik wil de héle verzameling!’ roept Saartje vergenoegd. Tijdens de receptie, waarvoor het hele dorp is uitgelopen, laat Saartje vol trots haar rechterhand zien waar aan elke vinger een glinsterende ring zit. Eindelijk is ze niet meer alleen en zeer waarschijnlijk leven ze nog lang en gelukkig.

 

Saartje Allegaartje (2)

Je kent Saartje toch nog wel? Saartje, die in het allergrootste huis van het dorp woont zodat al haar verzamelingen een plekje kunnen krijgen en dat ze daarom Saartje Allegaartje wordt genoemd. Dan weet je vast ook nog dat iedere bezoeker een potje zonnestralen mee naar huis kreeg. Wat je niet weet is wat daarna gebeurde…

Saartje zwaait haar laatste visite uit en loopt haar huis weer in. Midden in de grote hal, waar een verzameling broodroosters nog een vleugje brandlucht afgeven, staat ze stil. Ze kijkt omhoog naar de zes roze kroonluchters en zucht. Dan haalt ze haar schouders op en loopt naar de badkamer. Daar laat ze het grote bad op duizendpoten vollopen, gooit er een bruisbal en een bouillonblokje in. In een paarse mand verzamelt ze alle afwas die door het hele huis verspreid ligt en smijt alles in het bad. Smijt ja, want opeens is Saartje moe! Nee, niet moe maar boos! Nee, niet boos maar verdrietig! Zo verdrietig dat de tranen over haar wangen in het bad lopen. Ze huilt en huilt totdat het bad begint over te lopen. Dan stopt ze abrupt, snuit haar neus flink in een olifantenoor en spreekt zichzelf toe: ‘Als jij je zo alleen voelt Saartje, dan moet je er iets aan doen!’

Twee weken later weet Saartje niet wat ze ziet als ze ‘s morgens de gordijnen opent. Haar hele tuin en de hele straat staat vol met mannen. Kennelijk hebben die allemaal gereageerd op haar oproep in de krant: ‘Welke man wil er met me trouwen?’ Van schrik sluit ze de gordijnen weer en denkt hevig na. Wat moet ze met al die mannen? Dan krijgt ze een ontzettend goed idee. Ze rent naar zolder en opent daar het raam van waaruit ze alle mannen kan overzien. Zodra ze haar in de gaten hebben beginnen de mannen te springen, te roepen, te gillen, te zingen, te juichen, te joelen en te zwaaien. Saartje pakt een honkbalknuppel en slaat daarmee hard op een grote pan. De mannen zijn direct stil. ‘Ahum’, schraapt Saartje haar keel, ‘Wat fijn dat jullie allemaal gekomen zijn maar ik hoef maar 1 man!’ De mannen steken allemaal een hand op en roepen in koor: ‘Ik ben je man!’ Saartje slaat weer hard op de pan en roept naar beneden: ‘Ik weet het goed gemaakt, ik wil een man met een voornaam van drie letters! De rest wordt vriendelijk bedankt en mag naar huis.’ Mopperend en mompelend vertrekt een flink deel van de mannen. Ongeveer de heft blijft staan. Dit vind Saartje nog veel te veel. ‘En de middelste letter van je naam moet een o zijn!’, roept ze daarom. Er blijven zeven mannen staan.

De zeven uitverkoren mannen, Ton, Ron, Bob, Rob, Jos, Vos en Boy, zoeken een plaatsje om te gaan zitten in de audiëntiekamer. Ze kunnen kiezen uit een plekje op een verzameling azuurblauwe piano’s, een groepje broodmanden of een aantal tot krukjes getransformeerde trolleys. Saartje zelf neemt plaats op en gouden kinderstoel en kucht een beetje zenuwachtig. ‘Oké heren, jullie willen met mij  trouwen?’ Alle mannen knikken totdat hun hoofd bijna van hun romp afrolt en roepen in koor: ‘Ja dolgraag Saartje!’ ‘Maar waarom zou ik met jullie trouwen? Jullie krijgen allemaal vier en driekwart minuut om dit uit te leggen. Wie wil er beginnen?’

 

Buiten komt binnen

De deur valt achter Niels dicht. Hij knijpt zijn ogen wat toe voor de sterke zonnestralen. Hij kijkt links en rechts. Slingert dan zijn weekendtas over zijn schouder en loopt naar rechts. ‘We willen je hier niet meer zien!’, waren de laatste woorden die hij hoorde. Pffff, alsof hij hier ooit nog een stap naar binnen zou willen zetten. Nee, hij ging het allemaal anders doen. Hij had intussen een goed vak geleerd, met zijn handen maakte hij de mooiste meubels. Hier zou hij in verder gaan, hoe dan ook. Maar eerst gaat hij naar Astrid en zijn kleine prinsesje Zoë. Zodra hij aan de kleine meid denkt versnelt hij zijn pas. Hopelijk kent ze hem nog. En voor Astrid heeft hij wel wat vragen.

Hij blijft een paar tellen buiten voor het raam staan. Hij ziet haar in de keuken staan, ze snijdt iets, gooit het in een pan en roert erin. Het zal haar wondersoep zijn. Hij grijnst, wat houdt hij van die vrouw! Alsof ze voelt dat er naar haar gekeken wordt, draait ze haar hoofd opeens richting hem. Ze laat de lepel vallen en haar mond zakt open van verbazing. Hij hoort haar niet maar weet zeker dat ze een kreet slaakt. Aarzelend steekt hij een hand op en loopt de tuin in naar de voordeur. Met zijn sleutel opent hij de voordeur. Ten minste, dat probeert hij. Dan vliegt de deur open.

‘Wat doe jij hier nou?’, roept Astrid hijgerig.

‘Heb je nou de sloten veranderd?’, vraagt Niels, ‘Waarom?’

Als vreemden staan ze tegenover elkaar. Dan doet Astrid een stap naar achter om hem binnen te laten.

Niels kijkt de kamer rond. Veel dingen zijn vertrouwd, andere niet.

‘Koffie?’

‘Ik ben na drie jaar thuis en jij vraagt of ik koffie wil?’

‘Tja, ik vind dit een beetje lastig…’

‘Weet je wat ik lastig vind? Ik vind het heel lastig te begrijpen dat jij het laatste jaar niet één keertje langs bent geweest. En ik vind het lastig om al die doorzichtige smoesjes te moeten geloven. Maar ik vond het lastig het via de telefoon te zeggen. En wat ik superlastig vind is om Zoë zolang niet te zien. Waar is ze eigenlijk?’

‘Buitenspelen.’

‘Je wist toch dat ik zou komen? Ik had een iets uitbundiger onthaal verwacht eerlijk gezegd.’

‘O, dus jij wilt dat we allemaal door het dolle zijn dat jij je straf erop hebt zitten? Dat jij ons voor schut hebt gezet met je capriolen, dat jij zo nodig geld moest verduisteren van de zaak, dat wij daarna juist financieel op een houtje moesten bijten, dat wij nagewezen worden als de vrouw en dochter van een crimineel, zullen we dat ook meteen maar vieren dan? Wat denk jij nou?!’

Niels staart haar verwonderd aan en weet even niets uit te brengen. Dan vliegt de achterdeur open en stormt Zoë de kamer binnen. Even stokt ze haar activiteiten, bekijkt Niels goed en vliegt hem dan spontaan om de hals.

‘Papa!!! Je bent klaar met het in buitenland werken? Ik heb je zo gemist! Blijf je nou hier? En heb je mijn nieuwe zusje al gezien?’

 

 

 

Zes hoog

Ze heet Jantien. Dat weet ik wel, maar zo noem ik haar niet. We wonen hier nog niet zo lang. Het is hier best aardig. Vanaf zes hoog heb ik een uitzicht waar je u tegen zegt. Maar wil ik mensen zien dan moet ik heel ver voorover buigen en dan zien die mensen mij niet eens. Laatst nog kwam er een groepje kinderen voorbij, zo schattig. Ik riep nog: ‘Hier! Hier zit ik!’ Niemand hoorde me. Nee, dan vroeger. Toen woonden we met z’n allen in een groot huis met een prachtige tuin rondom; Jantien, Viktor, hun vijf kinderen en ik natuurlijk. Die kinderen heb ik allemaal groot zien worden. Ze waren alle vijf gek op me en knuffelden me met grote regelmaat. De jongste heeft eens geprobeerd mijn haar te knippen en raakte toen per ongeluk mijn rechteroor. Als je goed kijkt zie je het nog een beetje. Toen waren ze zo groot dat ze het huis verlieten. Jantien en Viktor bleven samen over. Ze hoefden eigenlijk maar heel even te wennen aan de nieuwe situatie.

Op een dag gleed Jantien uit in de badkamer en moest met een gebroken heup naar het ziekenhuis. Gelukkig kon de boel opgelapt worden maar de revalidatie verliep moeizaam. Viktor bracht haar wekelijks naar de fysio, deed alle boodschappen, kookte de eerste tijd dagelijks en hielp haar met alles waar ze hulp bij nodig had. Hij schonk thee voor haar vriendinnen die veelvuldig op bezoek kwamen, zette de meegebrachte bloemen in een vaas en verdroeg het geklets geduldig. Ja, het was me af en toe een gekakel hier. Ik vroeg me wel eens af hoelang Viktor dit alles zou volhouden. Doordat Viktor steeds maar voor iedereen klaar stond had niemand in de gaten dat hij soms op zijn lippen beet om de vreselijke hoofdpijn te kunnen verdragen. Hij sloot dan zijn ogen en schudde met zijn hoofd alsof de pijn daardoor zou verdwijnen. Maar als Jantien ergens om vroeg sprong hij direct op om haar wensen te vervullen. Hij haalde nieuwe wol zodat ze kon breien, hij deed de kaart op de bus die ze geschreven had voor een kleinkind, hing tussendoor een wasje op, deed wat aan de tuin en was dan net op tijd klaar om met haar een voorzichtig ommetje te maken. Hij deed het met liefde, dat kon ik wel zien.

De vijf kinderen kwamen omstebeurt langs en hadden heel toevallig alle vijf hetzelfde verhaal: het huis wordt te groot, zouden jullie niet eens kleiner gaan wonen, in een fijn gelijkvloers appartement. Viktor had er wel oren naar maar Jantien weigerde pertinent. Die had het maar over herinneringen, de geboorteplaats van alle kinderen, de prachtige tuin. Viktor wilde niet maar wees haar er toch fijntjes op dat het onderhoud van het huis en de bewerkelijke tuin grotendeels op hem neerkwam. Jantien was een dag of vier opstandig maar voegde zich uiteindelijk naar haar man. Hij kwam direct met voorstellen, folders van makelaars en aanbiedingen op internet. Jantien schrok: ‘Moet dit zo snel?’ ‘Ja,’ zei Viktor ‘dat moet!’ Ze keek hem argwanend aan, hij lachte snel en bood aan een kopje thee te zetten. Alleen in de keuken, wachtend tot het water kookte, scrolde hij snel door zijn mail op zijn telefoon. Hij opende een bericht en las het met ingehouden adem. Opeens dodelijk vermoeid leunde hij met zijn hoofd tegen een keukenkastje, de vuisten gebald op het aanrecht. ‘Het water kookt hoor!’ riep Jantien vanuit de kamer.

Al snel kwam de dag dat alle dozen en de bank en de planten, alles dus, in de verhuiswagen werden gedaan om een half uurtje later weer uitgeladen te worden in een licht appartement op de zesde verdieping. Ik mocht gelukkig mee en vond een heerlijk plekje bij het raam. Het leek of Jantien sneller opknapte, ze deed steeds meer zelf. Ze maakte zich zorgen om Viktor, zag hoe moe hij was. ‘Moet je niet eens naar de dokter?’, vroeg ze op een dag toen ze zag dat hij weer hoofdpijn had. Hij wuifde het weg en vroeg wat ze wilde eten. ’s Avonds in bed kroop hij tegen haar aan en vroeg: ‘Ben je blij met het nieuwe huis?’ ‘We hadden het eerder moeten doen, ik vind het hier heerlijk!’ ‘Mooi!’ het was het laatste wat hij tegen haar zei want de volgende morgen trof ze hem dood aan in bed.

Nu staan we regelmatig samen voor het raam, kijken naar de wolken boven of naar de mensen beneden. Af en toe huilt Jantien zomaar, dan pakt ze me vast en knuffelt me, strijkt liefdevol over mijn gehavende rechteroor. ’Jij bent er tenminste altijd!’ fluistert ze.

 

Gokje (3)

(In deze bizarre tijd moet je geen gokje nemen, niet denken: ‘Ik gok dat het mij niet overkomt.’ Toch ga ik wel gokken. Met dobbelstenen dan. Deze fantasiestenen hebben plaatjes in plaats van stippen. Nu ga ik gokken een verhaaltje van de zes dobbelstenen te kunnen maken. Je moet me maar vertrouwen dat ze zo vielen zoals ze op de foto nu liggen. Volgende week liggen ze vast anders.)

 

Henk en Bertus. Bertus en Henk. Het was me een stel hoor. Zelfs op vergevorderde leeftijd bleven het kwajongens die regelmatig kattenkwaad uithaalden. Maar op een dag werd het opeens bloedserieus. Dat kwam zo.

Bertus had een nogal sikkeneurige vrouw. Kon hij niets aan doen. Toen ze trouwden was ze reuze vrolijk maar ergens gaandeweg de huwelijksjaren had ze een zijspoor genomen. Nee, ze was niet vreemdgegaan maar hun ideeën over gezellig samenzijn lagen steeds verder uiteen. Ze was graag alleen en Bertus vond dat prima. In dat verband was het dan ook dat hij een caravan had aangeschaft, een plek voor hemzelf. Daar kon hij roken wat hij wilde, drinken wat hij wilde en met zijn beste maat  Henk de hele dag vissen. Op twee versleten klapstoeltjes kletsten de twee urenlang over waar oude mannetjes zoal over kletsen. En als het regende zaten ze lekker binnen waar ze de houten banken wat comfortabeler gemaakt hadden met kussens.

Op een avond van een zwoele zomerdag zaten de twee vrienden buiten de caravan naar de lucht te staren. Er was namelijk een flink aantal luchtballonnen te zien. Het leek hen ook wel wat, zo heerlijk door het luchtruim te zweven en ze mijmerden over ooit samen eens zo’n tripje te gaan maken. Ze proostten nog eens op de toekomst toen er opeens iets uit de lucht viel. En wonder boven wonder viel precies op de kop van Henk een hoed, zo’n ouderwetse gleufhoed.

‘Staat je goed Henk! Hahaha!’

‘Krijg nou niks Bertus! Ik schrik me een hartverzakking!’

‘Mag ik hem eens op?’

Henk gaf de hoed aan Bertus, die hem eerst door zijn handen draaide om het aan alle kanten te bekijken.

‘Wat een rare bubbel zit hier?’

‘Waar? Geef es terug! Het is mijn hoed hè…’

Henk pakte de hoed aan en voelde aan de bubbel die Bertus aanwijst.

‘Verrek, die band zit een beetje los hier Bertus.’

Henk pulkte wat aan de band en opeens vielen er vijf briefjes van €250 op zijn schoot. De mannen keken elkaar even verbluft aan. Totdat Bertus een scheve grijns trok. Henk beet op zijn onderlip. En toen barstten ze in lachen uit. Ze sloegen elkaar op de schouders en maakten een vreugdedansje.

‘Dat is aardig wat bier Bertus…’

‘En een etentje in De vergulde Zalm kan er ook vanaf, Henk!’

‘En nieuwe stoeltjes, want deze zitten ook voor geen meter!’

‘En nog zo’n hoed, maar dan voor mij!’

Ze hadden zo’n pret met het denkbeeldig uitgeven van het gevonden geld dat ze niet hoorden dat er een grote bus vlakbij de caravan stopte. Een kleine gedrongen man met een bloedchagrijnig gezicht rende op hen af.

‘Geef mijn hoed terug!’

‘Zeg Bertus, meneer wil zijn hoed terug. Zullen we dat doen?’

‘Tja Henk, wie zegt dat deze hoed van deze meneer is…?’

‘Goeie opmerking Bertus!’

De gedrongen man trok opeens een pistool en riep dreigend:

‘Als ik zeg dat die hoed van mij is, dan is dat zo, begrepen!!!’

Bertus en Henk deinsden achteruit waarbij Henk over een stoeltje struikelde.

‘Natuurlijk is die hoed van u! Kijk eens, alstublieft!’

Bertus gaf de hoed snel terug. De man voelde razend vlug met zijn vingers langs de band.

‘Het geld, waar is het geld!? Geef op en snel een beetje!’

‘Geld? Weten wij van geld Bertus?’

‘Welk geld Henk, wij weten alleen van de hoed?’

De mannen zetten hun braafste gezicht op. Bertus overdreef zelfs een beetje door te doen alsof hij bang was en verschool zich achter Henk.

‘Niet schieten!’, riep hij nog met een snik in zijn stem.

Met de woorden: ‘Voor nu laat ik het hierbij…’ droop het mannetje geïrriteerd af, richting de bus.

Bertus en Henk slaakten een diepe zucht van verlichting toen ze de bus zagen wegrijden.

‘Wat nu Bertus? Zou hij terugkomen? Dan moeten we hier niet zijn Bertus.’

‘Laat me ff nadenken Henk.’

Na een kwartiertje sprong Bertus op.

‘Ik weet het Henk. We gaan een andere caravan kopen! Op de camping hiernaast staat nog een mooie, die heb ik toevallig vorige week nog bewonderd. Maar toen had ik nog geen geld, haha!’

‘Wat kost die dan Bertus?’

‘€1250,-‘

‘Oké. Deze stoeltjes maar meenemen dan…?’

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Op slot?

Ze zit voor het raam. Een hand rust op het dichtgeslagen boek op haar schoot, de andere hand ondersteunt haar hoofd. Haar ogen volgen het grillige regenspoor langs het raam. Ze ziet het amandelboompje in de voortuin beangstigend ver doorbuigen. Het zoveelste weekend achtereen met deze weersomstandigheden brengen haar bijna in een staat van depressie. Hoe lang duurt dit nog? Ze wil eruit. Naar wat warmte. Opeens gaat ze rechtop zitten. Als zij zo nodig weg wil hier dan moet ze daar zelf iets aan doen. Frankrijk! Daar waren ze vroeger zo vaak samen geweest. Met de kinderen ook nog wel. Ze springt overeind en haalt haar adresboekje tevoorschijn uit zijn oude bureau. Ze belt direct met de eigenaren van het zomerhuisje dat ze jaren terug vaak huurden en waar ze na zijn dood niet meer is geweest. Wat? Het land op slot? Eer ze van de schrik bekomen is zijn de regels aangescherpt en gaat haar stad op slot, haar straat op slot en zelfs haar huis op slot. Wat nu?

Ze loopt naar de verzameling oude lp’s en na enig speurwerk vist ze daar een hoes uit met een foto van mooie lachende jongedame. Even later klinkt het zwoele ‘Non, je ne regrette rien…’ door de woonkamer. Ze maakt danspassen en houdt haar armen zo alsof hij er in past. Ze kan de tekst woordelijk meezingen. Dan rent ze naar boven, trapt haar joggingbroek uit en gooit de sweater op haar bed om ze verruilen voor een zwierig zomerjurkje. Onderin de kast vindt ze nog een paar elegante sandaaltjes en ze zet er zelfs een kittig hoedje bij op. Ze huppelt weer naar beneden, knipoogt naar haar spiegelbeeld in de gang. Uit de ijskast haalt ze een stukje kaas en opent een flesje rode wijn. Onder een paraplu pakt ze snel een bistrostoeltje uit de tuin, droogt het zorgvuldig af en zet het naast de kachel voor het raam.

Ze zit voor het raam. Een hand houdt een glas rode wijn vast, de andere hand rust op het opengeslagen fotoalbum. Haar ogen glimmen van pret bij elke herinnering. Ze verwarmt nog wat croissantjes die ze om en om met de gevonden bonbons opsnoept. Een lavendelkaars brandt en op de achtergrond klinken de trage tonen van ‘La Bohème’. Zolang ze niet naar buiten kijkt waant ze zich in Frankrijk. Ze geniet zowaar. Oké, het land is op slot, de stad is op slot, de straat is op slot, haar huis is op slot, maar haar hoofd…. gaat nooit op slot!

Saartje Allegaartje

In een klein gezellig dorpje woont een alleraardigst dametje, luisterend naar de naam Saartje. Een bijzonder dametje is het ook. Want zij spaart. Ze spaart niet alleen suikerzakjes, driewielers, soldatenschoenen en taartscheppen, maar ook knopen. Vooral knopen met een bijzondere vorm of kleur vindt ze prachtig. Deze naait zij vast op haar enkellange mantel. Niet omdat ze zoveel knoopsgaten heeft maar gewoon omdat ze dat mooi vindt. En als ze een bijzondere veer ziet liggen op straat of in het bos raapt ze die snel op. Grote of kleine, knalgroen of paars gespikkeld, het maakt haar niet uit. Eenmaal weer thuis plakt ze al die veren op haar roze hoedje.

Iedereen in het dorpje kent Saartje wel. Ze noemen haar Saartje Allegaartje. Die naam begrijp je helemaal als je een keertje bij haar thuis geweest bent. Saartje woont al jarenlang in het allergrootste huis van het dorp omdat al haar verzamelingen een plekje moeten hebben natuurlijk. Zodra je alleen maar langs het allergrootste huis van het dorp loopt roept Saartje je al vriendelijk welkom. Binnen in de woonkamer maakt ze graag plaats voor je. Je mag zelf kiezen waar je wil zitten, op een stapel pannenkoeken of in een met kussentjes gevulde boekenkist. Uit de keuken haalt ze graag wat théfie voor je, dit maakt ze zelf omdat ze niet kan kiezen tussen thee en koffie. Je mag ook kiezen waar je de théfie uit wil drinken: uit een blauwe bloempot of een gele gieter. Als ze je een zelfgebakken zandkoekje aanbiedt moet je wel even oppassen; het zand uit haar achtertuintje blijft nog dagenlang tussen je tanden knarsen. Na de théfie neemt ze je met plezier mee naar de muziekkamer. Daar staat, hangt en ligt een indrukwekkende verzameling instrumenten: pannen waarin je knikkers moet roeren, zakjes met bierdopjes die je kunt overgooien en lege flessen met sleutelbossen die prachtig rammelen. Je mag zelf iets uitzoeken en spelen waar je blij van wordt. Meezingen wordt extra gewaardeerd. En als iedereen na een uurtje of zo best wel moe is neemt Saartje haar visite mee naar de kleedkamer. Hier hangen de mooiste verkleedkleren die je maar kunt bedenken. Van een paars putjesschepperspak tot een donkergroen drakenkostuum, van een zwarte schaap outfit tot een goudkleurige heilig boontjescape. Daarna stuurt Saartje iedereen naar de bibliotheek. Hier staan veertien lege badkuipen en er hangen 5 hondenhokken aan het plafond. Zodra iedereen een fijn plekje heeft gaat Saartje vertellen. Urenlang neemt ze je mee op reis met haar verhalen. En die haalt Saartje niet uit een boek maar uit de muur. De muren van de bibliotheek zijn namelijk van onder tot boven behangen met gevonden treinkaartjes. Bij elke bestemming weet ze wel een avontuur te bedenken. Een retourtje Haarlem gaat over het terugbrengen van een weggelopen hondje, een kinderkaartje naar Broek op Langedijk gaat over een logeerpartijtje bij oma, een groepskaart naar Almelo gaat over een workshop koeienschilderen. Sommige bezoekers vallen in slaap, anderen snoepen nog wat lolliesoep uit een soldatenhelm, maar er komt onverbiddelijk een moment dat iedereen weer naar huis vertrekt…

Het moment waar velen naar uitkijken. Niet omdat ze het niet leuk vonden bij Saartje Allegaartje, juist wel! Maar ze weten dat iedereen bij vertrek een aardigheidje van haar krijgt. En dat is niet zomaar iets. Saartje Allegaartje vangt immers elke dag zonnestralen en stopt die in lege glazen potjes. Iedere bezoeker krijgt zo’n potje mee. Want Saartje weet precies wat mensen nodig hebben: elke dag een zonnestraal, elke dag iets positiefs, elke dag iets liefs.

Waar dat dorpje precies ligt? Misschien wel dichterbij dan je denkt!

 

Letterlijk

(Dit verhaal heb ik ingeleverd bij de schrijfwedstrijd van uitgeverij Keytree en het leverde me een plek in de bundel op! Het moest een thrillerverhaal zijn van 1500 à 2500 woorden. Het is mijn eerste thrillerverhaal in een bundel…een thriller op zich, haha. De bundel heeft de meest Nederlandse titel ‘The End’.  Alleen lezen als je durft…)

Manouk wordt wakker van een geluid maar als ze probeert haar ogen te openen is het doodstil. Haar oogleden zijn zwaar, loodzwaar. Een diepe zucht ontsnapt tussen haar droge lippen. Ze heeft zeker weer op haar rechterarm gelegen vannacht, want het steekt ontzettend. Ze draait zich om en wil haar arm bovenop het dekbed leggen. Dan ziet ze het dikke verband om haar onderarm en daaronder helemaal niets. Wat?! Haar hand is weg! Als door een wesp gestoken schiet Manouk overeind en kijkt ontsteld naar de stomp. Pijn. Opeens is er overal pijn. En misselijk voelt ze zich ook. Een helse hoofdpijn overvalt haar als ze zich probeert te herinneren wat er gebeurd is. Flarden ziet ze. Lichtflitsen en iemand met een zonnebril. Grote meekleurende glazen gevat in een dun goud randje. De rest is streperig alsof ze in een te snel draaiende draaimolen zit. Duizelig is ze. Als de kamer weer stil staat kijkt ze verwonderd om zich heen. Dit is helemaal niet haar eigen slaapkamer. Er zijn geen ramen maar er is wel een deur. Langzaam stapt ze uit bed en loopt voorzichtig naar de deur.

Gisteravond was er geen stoel onbezet op het terras van café Boathouse. De warme dag ging naadloos over in een zwoele avond. De ligging aan het water zorgde voor enige verkoeling. Tevens was het uitzicht geweldig daar. Zeilboten, met gebruinde mensen, kwamen terug in de haven. Plezierjachten, voor geïnteresseerden op zoek naar romantisch vertier op het water, maakten zich klaar om te vertrekken. Vier jongedames sloten zich lachend aan in de rij en liepen, wiebelend op hun hoge hakken, de loopplank over. Ze wisten een tafeltje op het achterdek te bemachtigen en zelfs voordat de trossen los waren proostten zij al met de eerste cocktail.

De vier waren op een opmerkelijke manier bij elkaar gekomen. Los van elkaar hadden ze gereageerd op een flyer die ze in hun brievenbus vonden. Op een gifgroene ondergrond stond de bijzondere tekst: ‘Verlaten en besodemieterde vrouwen verenigt u! Kom dinsdagavond om vijf uur naar café Boathouse. Op vertoon van deze flyer gratis drank.’ Niet eens de drank maar de oproep sprak hen zo aan dat ze het als een persoonlijke uitnodiging opvatten. De groene flyer bracht hen aan hetzelfde tafeltje. In eerste instantie waren ze wat terughoudend naar elkaar toe maar als snel bleek de nieuwsgierigheid  een bindende factor. Ze hadden geen van allen een idee door wie de oproep geplaatst was. Twee van hen aarzelden en vroegen zich de bedoeling van dit samenkomen af. Ze werden direct overgehaald door de andere twee. Hadden ze niet genoeg te verstouwen gehad de laatste tijd en waren ze niet toe aan een nieuw avontuur? Ze keken wat vreemd op toen de ober hen naast een drankje ook een briefje gaf. Hierin stond de volgende uitnodiging: ‘Welkom dames, op de rondvaart van jullie leven. We vertrekken om 21.00 uur.’ Ze werden er wat giechelig van. Het was vast een onschuldige grap van iemand. Ze spraken af er alle vier voor te gaan en wat er ook gebeurde vooral samen te blijven.

Het zonlicht prikt op de neus van Karlijn. Haar tong plakt aan haar verhemelte en ze hoort een drumband in haar hoofd. Moeizaam knippert ze met haar ogen en realiseert dan dat de omgeving haar niet bekend voor komt. Langzaam gaat ze rechtop zitten en slingert haar benen over de rand. Waar ben ik? En vooral waar is het toilet? Een golf van misselijkheid verrast haar en ze laat zich haastig achterovervallen. Maar haar volle blaas wint het, ze komt weer overeind. Zodra haar benen over de rand bungelen voelt ze een duizeligmakende pijn in haar linkervoet. Karlijn reikt met gesloten ogen naar haar voet en grijpt mis. Met geopende ogen grijpt ze ook mis. Op de plaats waar eerst haar linkervoet zat ziet ze haar onderbeen dik ingezwachteld. Haar been pulseert van de pijn en ze trekt hem weer op het bed. Ze wordt naar beneden gezogen in steeds kleinere cirkels, als in een draaikolk. Net voordat ze dreigt flauw te vallen komt ze weer langzaam overeind. Ze kijkt om zich heen en herkent nog steeds niets. Er zijn geen ramen maar er is wel een deur. Dan ziet ze naast het bed twee krukken staan. Ze pakt ze en doet onhandige pogingen hiermee te hinken. De pijn verbijtend beweegt ze zich richting de deur.

Manouk probeerde een mop te vertellen maar had vòòr de clou al de slappe lach. De andere drie schudden van de lach.

‘Neehee, toen kwam die blauwe…’, probeerde Manouk nog.

‘Het waren toch rooie?!’ verbeterde Karlijn.

‘O jaaaaa!’, reageerde Manouk verbaasd, ‘Nou, weet ik veel. Proost dan maar! Oepsie, alweer op!’

Ze hield haar glas teleurgesteld ondersteboven. Haar inmiddels vriendinnen klapten dubbel van de lach. Direct verscheen er een ober, hij schonk  met een grote glimlach de glazen weer vol.

‘Oehhhh lekker!’, riep Manouk.

‘Bedoel je de wijn?’, grinnikte Karlijn.

Ze brulden door elkaar heen dat zowel de wijn als de ober niet te versmaden waren. Ze vormden een vrolijk gezelschap. Diverse mannen keken met plezier naar het groepje. Maar steeds als er iemand contact probeerde te leggen werd hij hardnekkig genegeerd. Een groepje van vier goed uitziende mannen ondernam nog een moedige poging en ging bij de dames zitten. De mannen trokken alles uit de kast wat betreft charme. Ze deelden grif complimentjes uit, die de dames schamper in ontvangst namen. Ze boden tevergeefs een drankje aan. Ten slotte probeerden ze de dames over te halen tot dansen. De mannen bewogen hun slanke lichamen soepel en uitdagend op de zwoele muziek van het aanwezige combo. De dames gingen alleen maar harder lachen en zwaaiden de mannen weg als lastige insecten.

‘Wel leuk geprobeerd’, riep Manouk nog.

Jessica ontwaakt met een bijna dierlijk gekreun. Wat een hoofdpijn. Wanneer leert ze het nou eens niet zoveel te drinken. Haar ogen branden in haar hoofd. Ze heeft toch geen gekke dingen gedaan gisteravond? Eerst maar eens kijken hoe laat het is. Met haar rechterhand tast ze naar haar telefoon. Tevergeefs. Dan moet ze haar pijnlijke ogen toch maar opendoen om te zoeken. Het lukt niet echt. Ze vraagt zich af waarom het in haar kamer zo aardedonker is. Zodra ze gaat zitten maakt haar maag een buiteling en met moeite houdt ze een golf gal binnen. Opeens wordt ze bang. Ze krijgt haar ogen niet open en als ze haar handen naar haar gezicht brengt voelt ze een groot verband ter hoogte van haar ogen. Een blinde paniek overvalt haar. Wat is er aan de hand? Waarom branden haar ogen en waarom voelt ze zich zo ziek? Dit is geen gewone kater. Ze laat zich uit bed glijden en tast met haar handen het nachtkastje af naar haar telefoon. Maar er staat geen nachtkastje. Waar is ze dan? Met haar handen langs de muur gaat ze op zoek naar een deur.

De vier vrouwen deden zich tegoed aan hapjes die geserveerd werden. De drank had de tongen aardig losgemaakt en ze vertelden elkaar zonder enige gêne over hun exen. En vooral hoe dom, slecht, overspelig, gemeen, egoïstisch, eigenwijs, niet romantisch, slordig en lui mannen in het algemeen zijn en hun exen in het bijzonder. Ze beloofden met z’n vieren te gaan samenwonen en mannen  voor altijd af te zweren.

‘O wacht even!’, riep Manouk, ‘Kijk es wat daar aankomt!’

Uit vier kelen klonk een waarderend geloei toen de kapitein van de boot hun kant op kwam. Jessica begon, maar al snel zongen ze alle vier luidkeels ‘Loveboat, exciting and new, we’re expecting you-hou-hou!’ De kapitein lachte en nam zijn pet af. Hij maakte een buiging, schraapte zijn keel en zei: ‘Gefeliciteerd dames! Mag ik u verzoeken gebruik te maken van mijn privéhut. U bent vanavond uitgekozen voor dit speciale arrangement.’ Karlijn en Margriet keken elkaar even vragend aan maar Manouk en Jessica stonden al op.

‘Kom op, wat kan er gebeuren,  dit is toch gaaf!’, zei Manouk.

Even later zaten ze in grote zachte luie stoelen in de kapiteinshut. Ze bewonderden de luxe omgeving en Karlijn zwoer plechtig ook kapitein te worden als ze groot was. De kapitein reikt hen een gevuld glas aan en ze proostten op het geweldige idee van Karlijn. Hij verontschuldigde zich toen met de woorden: ‘Ik ga even wat hapjes halen, ben zo terug.’ De dames joelden en gaven de fles door.

Voorzichtig opent Manouk de deur. De kamer waar ze wakker geworden was sluit aan op een andere kamer. Een ronde kamer met vijf deuren. Als een duizeling haar overvalt klampt ze zich vast aan de deurpost. Aarzelend zet ze een stap in de kamer. Haar rechterarm steekt. Dan hoort ze gestommel achter de deur naast die van haar. Ze trekt zich snel terug en volgt door een kiertje wat er gaat gebeuren. Ze hoort iemand vloeken, een vrouwenstem. Opeens ziet ze Karlijn met veel gebonk in de ronde kamer hinken. Ze haast zich naar buiten. Ze vallen elkaar huilend in de armen.

‘Wat is er gebeurd?’, roept Karlijn snikkend.

Ze verstijven van schrik als er nog een deur opengaat.

‘Jessica!’, roepen ze gelijktijdig.

Jessica draait haar hoofd richting de stemmen en strekt haar armen naar voren.

‘Help me toch, ik kan niets meer zien, waarom hebben jullie mij alleen gelaten?’, huilt Jessica.

Manouk loopt naar Jessica toe en leidt haar naar Karlijn. Ze vertellen Jessica wat hen is overkomen. Als ze elkaar vasthouden vraagt Jessica opeens: ’Waar is Margriet?’

De laatste deur gaat open. De vrouwen houden hun adem in. Als ze zien dat niet Margriet maar buiten komt, maar een man, knijpen ze elkaar angstig.

‘Wat? Wat gebeurt er? Is Margriet daar?’, roept Jessica.

‘’t Is een rare vent’, sist Karlijn.

De man draagt een opzichtig Hawaïhemd boven een driekwart broek, een te klein rieten hoedje op zijn donkere haar en een zonnebril met een dun gouden randje en grote meekleurende glazen.

‘Zo dames, zijn we wakker? Dat mag ook wel na drie dagen.’

Manouk en Karlijn kijken elkaar even snel aan, Jessica draait haar hoofd richting de stem. Manouk herpakt zich als eerste.

‘Wat moet je van ons? Wie ben je? Waarom zijn wij hier?’, snauwt ze.

‘Ho, ho, ho, niet zoveel vragen tegelijk! Ik ga alles uitleggen en dan zullen jullie me dankbaar zijn. Heel dankbaar zelfs. Ik heb uiteindelijk alleen maar gedaan wat jullie zelf wilden.’

‘Wie ben jij?’, schreeuwt Karlijn gefrustreerd.

‘Zo jammer vind ik dit. Jullie kennen mij al lang. Alle vier!’

‘Waar is Margriet dan?’, bibbert Jessica.

‘Alles op z’n tijd. Ik ga het uitleggen, maar eerst dit.’ De man pakt het hoedje van zijn hoofd en daaraan zit een zwarte pruik vast. Als hij ook zijn bril afzet slaken Manouk en Karlijn een gil.

‘Wat? Wat gebeurt er!’, gilt Jessica in paniek.

‘Het is Rob. Rob Verkerke, mijn psycholoog, waar ik kwam na mijn scheiding.’, vertelt Manouk.

‘Maar ik kwam ook bij Rob!’, roept Karlijn.

‘Ik ook’, fluistert Jessica.

‘Juist dames. Alle vier zijn jullie bij mij in behandeling geweest. Alle vier hebben jullie mij de kop gek zitten zeuren over die vreselijke echtgenoten van jullie. Afgeschilderd als hersenloze figuren die het vertikten naar jullie te luisteren. Jullie hadden alle vier zoveel haat in jullie lijf ten opzichte van de andere sekse dat je bijna zou denken dat jullie de man voor altijd afgezworen zouden hebben. Maar nee, zover ging het nou ook weer niet. Jullie wilden wel een man, maar dan wel eentje die in jullie straatje past! Jullie hadden er zelfs nogal wat voor over.’

De drie vrouwen staan verbijsterd te luisteren. Zo kennen zij hun psycholoog helemaal niet. Was hij niet altijd een baken van rust, een houvast, een steunpunt van vertrouwen.

‘Daarom bedacht ik een plan. Een masterplan al zeg ik het zelf. De kapitein van deze boot was zo vriendelijk zijn schuit aan mij te verhuren voor een week, meer tijd heb ik niet nodig om jullie te helpen.’

‘Man zemel niet zo, kom op met je plan en wat heeft dit er mee te maken?’, geïrriteerd steekt Manouk haar verbonden arm omhoog.

De man loopt naar een kast en opent met een sleutel de deuren. Hij pakt er een grote doos uit en zet die op tafel. Hij opent de doos maar de vrouwen kunnen niet zien wat er in zit.

‘Let op! Kijk naar mij! Want ik ben de ideale man voor jullie! Ik kan jullie de liefde geven die jullie zoeken! En om te bewijzen dat ik echt naar jullie luister… Manouk weet je nog wat je eens beweerd hebt tijdens een sessie bij mij, toen ik vroeg wat je zou overhebben voor een nieuwe liefde?’

‘Hè, wat bedoel je?!’, roept Manouk gefrustreerd.

De man haalt uit de doos een glazen pot met vloeistof en daarin een hand. ‘Mijn rechterhand, zei je,’ met een hand op zijn hart declameert hij op overdreven toon: ‘ Ik zou mijn rechterhand geven voor echte liefde.’

Manouk snakt naar adem, het zweet breekt haar uit. De man haalt een tweede fles uit de doos.

‘Karlijn, wat heb jij er voor over om nog eens echte liefde te beleven?’

Een linkervoet is duidelijk zichtbaar in de fles. Karlijn valt bijna flauw. De man haalt de derde fles tevoorschijn. Manouk en Karlijn slaken een oerkreet als ze daarin twee ogen zien drijven.

‘Wat? Wat gebeurt er!’, schreeuwt Jessica.

Manouk legt het kokhalzend uit. Jessica smoort een gil in haar handen en valt op haar knieën.

‘En Margriet dan? Waar is Margriet?’, huilt Karlijn.

De man tilt een vierde fles uit de doos. Daarin zweeft een hart.

 

 

Starry Night

Nee, slaapkamergeheimen deel ik nooit met je maar … wat ik vannacht toch meemaakte!

‘Pssst!!!’, hoor ik opeens naast mijn bed. Ik kijk richting het geluid maar zie niets. ‘Hierzo! Beneden!’, hoor ik weer. Geërgerd draai ik me om en kijk naast mijn bed naar beneden. Dan zie ik het: een klein blauw mannetje van hooguit 10 centimeter lang staat tussen mijn pantoffels driftig op en neer te springen en verwoed naar me te zwaaien. Ik steek mijn hand uit en laat hem plaatsnemen. Zo hijs ik hem omhoog. Daar gaat hij staan op een dikke plooi van het dekbed. Nu ik hem goed bekijk zie ik dat hij wat wegheeft van een stoplichtmannetje, maar dan in het blauw. Hij ziet er zorgelijk uit.

  • Je moet me helpen!
  • Oké, met wat?
  • Ik ben verliefd!
  • O zoek dat zelf maar uit, daar begin ik niet aan…
  • Maar ze is geel!
  • Nou en, jij bent blauw, ik ben wit van de slaap. Was dit alles?
  • Maar ik wil dolgraag kinderen!
  • Ga je gang. Maar niet hier!
  • Snap je het dan niet?!
  • Eh…nee?
  • Onze kinderen worden groen!
  • Vreselijk?
  • Ja! Want ik houd helemaal niet van groen! Ik erger me eraan!
  • Maar misschien worden ze wel blauw. Of geel!
  • ….
  • Kan toch?
  • Bedankt!!!

En met een aanloop verdwijnt hij over de knieënberg dwars door het donkere voetenbos.  Hè hè, ik kan weer gaan slapen. Achteloos wuif ik met mijn hand een mug weg. Een mug? En sinds wanneer kunnen muggen giechelen? Dan merk ik dat het blauwe mannetje terug is. Naast hem een geel vrouwtje met een snoezig jurkje en vlechten in het haar. Ik knipper nog eens met mijn ogen maar ze staan er echt. En ze stralen! Het mannetje schraapt zijn keel.

  • Ik wil je nog bedanken!
  • Waarvoor dan?
  • Voor je goede advies!
  • Welk bedoel je precies?
  • Om voor haar te gaan! (slaat liefdevol een arm om het gele vrouwtje)
  • Nou, eh, graag gedaan…
  • En met de kinderen is het ook goed gekomen!
  • Hoe bedoel je?

Het mannetje fluit op zijn vingers en er komen twee kleine kindertjes tevoorschijn. Het ene kind is van een prachtige nachtblauwe kleur met hier en daar een ronde gele draaiende ster en het andere diep donkerblauwe kind wordt opgeleukt door felgele zonnebloemen… Wat zijn ze mooi! Ik rek me uit om ze aan te raken. Met een klap valt het boek dat ik gisteravond las op de grond.

Wat een nacht! 😉 Gelukkig had ik nog wel beide oren…