Categorie archief: Verhalen

Op straat (5)

Dit vond ik,

en dit ging er aan vooraf.

Sinds de buurman van drie huizen verder de voetbal van onze Bram zachtjes heeft laten leeglopen botert het niet zo goed meer tussen hem en mij. Bram had die voetbal zelf gekocht van zelf gespaard geld. Van mij kreeg hij ze niet meer want ik kon wel aan de gang blijven. Dan lag er weer eentje op het dak van de schuur, dan weer in de sloot, dan kwam er een per omgeluk onder een vachtwagen of een ander kind ging er mee vandoor. Mijn vrouw en ik hebben nog meer kinderen die ook elke week wel iets nieuws willen. In overleg besloten we daarom dat Bram voortaan best zelfvoorzienend kon zijn wat betreft de voetballen. We vonden dit ook opvoedkundig verantwoord want wat bleek de jongen trots en blij en voorzichtig met zijn nieuwe voetbal. Hij haalde er zelfs een doekje over voordat de bal ’s avonds in de schuur verdween. Het maakte ons ook trots dat ons kind opeens een stuk bewuster met zijn speelgoed omging. Des te groter was de teleurstelling dat een volwassen man een voetbal van een kind afpakt en dan met een grijns op zijn gezicht die bal lek gaat steken. Dit is voor mij een stap te ver. Samen met Bram ging ik verhaal halen maar kwam niet verder dan moeten aanhoren dat ‘die rotjongens altijd zijn dure plantjes knakten met die rotvoetballen!’ Hij was niet voor rede vatbaar, wilde van geen excuus van Bram horen en, eerlijk is eerlijk, daarbij nog eens twee koppen groter dan ik. We keerden onverrichter zaken huiswaarts. We besloten dat we ons best gedaan hadden en het hierbij te laten.

Maar dan had ik buiten het geweten van Bram om gerekend. Het was altijd al een kind dat doordacht, een kind dat onrecht slecht kon behappen. Zeker een maand na het ongelukkige voorval kwam hij naar me toe met de vraag of ik met hem naar het tuincentrum wilde. Hij zou van zijn eigen geld een plantje kopen voor de buurman om hem in een beter humeur te krijgen. Ik vond niet dat de buurman dit verdiende maar wilde de vredespoging van Bram ook niet in de weg staan. Een dag later stonden we weer in de tuin van de buurman. Bram, met een in doorzichtige folie ingepakt plantje. Hoe vaak we ook op de bel drukten, de deur werd niet geopend. Wel zag ik een stukje vitrage bewegen. Bram stond even in tweestrijd. Uiteindelijk zette hij het plantje bij de voordeur en liep beteuterd het tuinpad af naar ons eigen huis. Ik wist even niets te doen en volgde Bram. Nog één keer keek ik om en meende beweging achter de vitrage te zien.

De volgende dag sprong ik op uit mijn stoel toen ik een schreeuw hoorde. Bram kwam opgewonden de kamer binnen rennen met in zijn handen een pakje. Het pakje was kogelrond en was ingepakt met herkenbaar papier van de speelgoedwinkel. Pas ’s middags zag hij het kaartje liggen. Hierop de woorden ‘Voor’ en ‘Van’ …

Advertenties

Moeders

(De moeder, de vrouw is het thema van de Boekenweek die gisteren begonnen is. Er zijn tal van boeken, verhalen en gedichten geschreven over moeders. Iedereen heeft er tenslotte eentje. Soms is dat heerlijk, soms pakt dat minder goed uit. Er zijn ook zoveel soorten moeders. Lieve moeders, ontaarde moeders, toegewijde en egoïstische moeders, carrière gerichte en luizenmoeders, bonus- en stiefmoeders, pleeg- en knuffelmoeders, noem maar op. De afdeling Schrijven van De VAK, centrum voor kunsten in Delft, heeft een schrijfwedstrijd uitgeschreven: schrijf een tekst in maximaal 250 woorden waarin een moeder het onderwerp is. Dit is mijn, overigens niet autobiografische en niet gewonnen, bijdrage.)

Moeder 2.0

Vandaag ben je nog in elke vezel bij me. Ik kijk naar je zoals je daar ligt. Naar je weerbarstige krullen. Je hebt mijn kind er ook mee opgezadeld. Soms vind ik dat fijn maar meestal verwens ik het onderhoud.  Ik kijk naar je licht gebogen neus. Jouw fijne neus voor stemmingen, maar wat stak je diezelfde neus toch dikwijls en ongevraagd in mijn zaken. Ik kijk naar je oren, altijd luisterend, maar te vaak Oost-Indisch doof. Ik kijk naar je ogen, nu gesloten, maar ik weet hoe liefdevol ze kunnen kijken. Ook hoe doordringend of verwijtend ze kunnen staan. Ik kijk naar je mond, die zowel kan spreken als zwijgen. Je stem die regelmatig grote wijsheden en liefdesuitingen verkondigde maar misschien nog wel vaker met flinke verheffing klonk. Ik kijk naar je handen, wat hebben ze hard gewerkt. Gestreeld, maar ook geslagen. Teder toegedekt en ingestopt maar ook hardhandig wakker geschud. Ik kijk naar je voeten, die me de weg zijn voorgegaan maar die me dikwijls op hinderlijke wijze in de weg liepen. Ik kijk naar je lijf, vaak gestrekt in afweer, niet om tegen aan te schurken, niet  om je geborgen bij te voelen. Je wist niet hoe dat moest. Toch een lichaam waar ik van houd omdat het (van) jou is.

Morgen zul je slechts een herinnering zijn. Hoewel ik ‘de kouwe kant’ ben zul je voor mij een warme herinnering zijn, zeker weten. Want jij was mijn schoonmoeder. Mijn warme schoonmoeder.

Op straat (3)

Dit vond ik.

Dit ging er aan vooraf….

 

Ik snuit luidruchtig mijn neus, mijn broer veegt een traan van zijn wang. ‘Nou, kom op!’ zeg ik en sta resoluut op. Mijn broer blijft zitten en schraapt zijn keel. ‘Eh…Els, als het jou hetzelfde is wacht ik liever nog even op Simone.’  Ik trek mijn wenkbrauwen op, slik een bitse opmerking in en knik dan instemmend.  Ik heb het niet zo op mijn schoonzus. Simone met haar altijd onberispelijke kapsel, haar immer keurige kleding met nauwkeurig bijpassende accessoires, haar eeuwig afkeurende blik richting mij. Om me een houding te geven trek ik me terug in het kleine keukentje van ons ouderlijk huis. Ik open en sluit doelloos wat deurtjes. Mijn ogen glijden liefkozend over de oude theepot met het dikwijls gelijmde oor. Van een nieuwe wilde moeder niet weten. Ik zie een stapeltje keurig gestreken en gevouwen theedoeken. ‘Altijd de hoekjes naar binnen doen hè, zo hou je de kast netjes!’, hoor ik haar nog zeggen. Een foto van vader staat tussen de pannen. Zoals in elke kamer van het huis een foto van hem te vinden is. Dat vond moeder gezellig.

‘Hoi, laten we maar snel beginnen. Ik kan het overleg van 15.00 uur niet missen!’, stormt Simone de woonkamer binnen. Ik kijk op mijn horloge en reken snel uit dat het in tijd van  een half uur moet gebeuren. ‘Ik stel voor’, zegt ze, ‘dat Els de hele inboedel neemt, ik de sieraden, dat zal qua waarde elkaar niet veel ontlopen en samen delen we de opbrengst van het huis. Ik ben voor!’ En ze steekt daarbij haar hand op. Ik kijk naar mijn broer en zie dat hij mijn blik ontwijkt. Daaruit maak ik op dat ze dit thuis al besproken hebben. ‘En wat doen we met de verzameling?’, vraag ik. Simone werpt een giftige blik op mijn broer, ze was het duidelijk vergeten, en reageert snel: ‘Die hoort bij de sieraden!’ Ik haal diep adem, mijn hoofd is wollig, mijn hart verdrietig, ik ben zo eindeloos moe. ‘Prima’, hoor ik mezelf zeggen, ’Zal ik het voor jullie opzoeken en inpakken, dan kun je het morgen ophalen?’ Simone kijkt op haar horloge, staat op en roept gehaast: ‘Top, tot morgen!’ Mijn broer staat één seconde in tweestrijd maar kiest het hazenpad en stapt even later bij zijn vrouw in de auto.

Dan ben ik alleen in het huis. Het huis waar we zijn opgegroeid en waar ik jarenlang mantelzorg verleend heb . Eerst bij mijn vader, later ook bij mijn moeder. Jarenlang heb ik boodschappen gesjouwd, doktersafspraken geregeld, ziekenhuisbezoeken afgelegd, bedden verschoond, kleding gewassen en gestreken en de altijd beschikbare chauffeur gespeeld. Met liefde overigens, maar het was zoveel fijner geweest dit te kunnen delen met mijn broer en schoonzusje. Maar ze waren altijd ‘druk’ en konden ‘onmogelijk’ tijd vrijmaken. En nu wil Simone dus de sieraden en de verzameling. Oké, prima! Ik loop naar de slaapkamer om het sieradendoosje te halen en daarna naar zolder om de dozen te pakken. Elk jaar kreeg ze van vader op hun huwelijksdag een antieke kerstbal, met een indrukwekkende verzameling van 44 stuks als resultaat.

De volgende dag staat Simone op tijd voor de deur. Ik overhandig haar een plastic tas. ‘O ja Simone, ik kon niet alle sieraden vinden. Ik denk dat moeder ze verloren heeft of zo, ze was zoveel kwijt de laatste tijd. Misschien heeft ze ze wel weggegeven, kan ook nog. Maar wat ik nog vond zit er in hoor. En wat betreft de verzameling, ik heb er nog wat plastic balletjes bijgedaan die ze altijd in de kerststukjes deed, dan heb je het compleet, oké?’ Simone kijkt me bedenkelijk aan maar besluit er niet op in te gaan en grist de tas uit mijn handen. Ik loop de woonkamer in en ga voor het raam staan. Dan zie ik het gebeuren! Een handvat van de tas breekt af en de kostbare ballen vallen in scherven op de stoep. Hoe kan dat nou? Een plastic zilverkleurig balletje weet te ontsnappen en rolt vrolijk over de stoep.

Feest

Een nieuwe schrijfwedstrijd. Deze keer georganiseerd door schrijfcoach Kelly Meulenberg. De bedoeling was een verhaal te schrijven bij de door Kelly aangeboden foto, en daarbij niet meer dan 400 woorden te gebruiken. Ik waagde een poging maar zat niet bij de winnaars. Wel kreeg ik een gratis coachsessie aangeboden, die nog moet plaatsvinden. Erg benieuwd wat het me brengt. Hier de foto en mijn verhaal.

Niet één, niet twee maar drie redenen waren een goeie aanleiding voor een uitgebreid feest. Ten eerste mijn verjaardag, ten tweede mijn nieuwe baan en ten derde het feit dat ik hier alweer vijf jaar woon. Ik heb besloten deze keer eens flink uit te pakken en alle naaste collega’s tegelijkertijd met wat beste buren en een stel favoriete vrienden en vriendinnen uit te nodigen. Familie, nee liever niet. Dat is te ingewikkeld.

Henk van de administratie, een nogal gesloten figuur met een vervelende vrouw thuis, maar met een hart van goud, gaat naast mijn kwebbelende zwemvriendin Thea zitten en binnen de kortste keren praten ze honderduit over hun lievelingsschrijvers. Ruud van de boekhouding, waarvan iedereen weet dat hij er in zijn vrije tijd met de racefiets op uittrekt heeft het uitstekend naar zijn zin met mijn fietsende buurvrouw Nadine. Globetrotter Niels raakt niet uitgepraat met Johan zodra het over Thailand, Australië of Nieuw Zeeland gaat. Buurvrouw Gerda zit zelfs kleinkindfoto’s uit te wisselen met mijn oudste vriendin Vera. Mooi om te zien dat ‘mijn’ mensen uit verschillende kringen, op andere vlakken overeenkomsten hebben. Ze raken elkaar zonder hier op uit te zijn. Het ontstaat zomaar op mijn feest.

Ik heb de tafel in de tuin gedekt, dat kan best met dit weer en nu komt die grote tuintafel toch nog eens van pas. Bloemen uit mijn eigen tuin schik ik in een vaasje en zet ze samen met wat waxinelichtjes op tafel. Uit de keuken komen heerlijke geuren. Ik kijk op mijn horloge, trek mijn nieuwe lichte spijkerjasje aan en besluit wat amuses op kleine bordjes te doen. Dan snijd ik het stokbrood. Nogmaals kijk ik hoe laat het is. Wat zijn ze laat. Ik steek de lichtjes vast aan. Ze zullen zo wel komen. Toch? Dan schenk ik de champagne vast in, zo lekker die bubbels. En het staat zo gezellig. Ik neem vast een slokje. En nog één. Waar blijven ze nou? Zelfs Jacqueline is er nog niet, die is altijd te vroeg. Anderhalf uur later heb ik alle glazen leeggedronken, in mijn eentje. Niemand! Niemand is komen opdagen! En zelfs niet het fatsoen hebben om netjes af te bellen. Gloeiende gloeiende! Ik zal nog eens wat organiseren! Ben niet gek! ‘Hey buuf!’, klinkt het grinnikend aan de andere kant van de schutting, ‘Niet alles opdrinken hè, anders hebben wij  morgen niets, hahaha!’ Morgen? Morgen? Morgen!!!

Op straat (1)

Een nieuwe categorie in een nieuw jaar.

Hoe vaak hoor je niet: ‘Humor ligt op straat’? Hoe vaak denk ik niet: ‘Verhalen liggen op straat!’, zomaar voor het oprapen. Afgelopen zomer las ik een boek van Ruth Hogan ‘De bewaarder van gevonden voorwerpen’, over een man die voorwerpen op straat vindt, ze mee naar huis neemt, ze in een kast plaatst en uiteindelijk bij elk voorwerp een verhaal bedenkt. Dit is wel een bijna letterlijke uitvoering van ‘Verhalen liggen op straat’.

Ik vond dit zo’n mooi idee en het past wonderwel goed bij mijn letterkast, ‘zie het ongewone van het gewone’, dat ik besloot het idee over te nemen. Ik neem echter niets mee naar huis maar maak er een foto van, zoals ik het aantref, en probeer dan te achterhalen (lees: verzinnen) wat eraan voorafgegaan is. Ik noem het liever ‘Verloren voorwerpen’, wie heeft het verloren en hoe kwam dat zo op straat?

Vandaag deel 1, met deze verloren voorwerpen, en wat eraan voorafging…

Hij parkeert de auto in de garage en laat zijn handen nog op het stuur rusten. Hij haalt diep adem en blaast die langzaam uit. Dan schudt hij zijn hoofd alsof hij iets van hem af probeert te schudden. Eenmaal binnen treft hij zijn vrouw zoals gewoonlijk op dit tijdstip in de keuken. De kinderen zitten al aan tafel, alle drie turend naar hun telefoonscherm. ‘Je bent laat!’, bijt ze hem toe. Hij verontschuldigt zich, mompelt iets over files en laat de kus die hij haar wil geven achterwege. ‘Je bent toch niet vergeten dat we vanavond naar school moeten hè? We moeten dat juffie van Nederlands eens hartig spreken over dat laatste tentamen van Jens!’, moppert ze. Jens, de oudste , kijkt schichtig heen en weer tussen zijn moeder en vader. De verholen knipoog van zijn vader stelt hem niet echt gerust. De pannen worden kletterend op tafel gezet. ‘Telefoons weg of inleveren!’ Even later zit het vijftal zwijgend te eten. Het zal vast reuze verantwoord zijn, maar waarom alles zo smerig moet smaken is hem een raadsel. Door snel een hoestaanval te suggereren probeert hij het kokhalzend geluid dat dochter Katinka maakt te verdoezelen en daarmee is een woede-uitbarsting voorkomen. ‘Vertel jij je vader maar eens wat je geflikt heb!’, snauwt ze met een blik op de jongste. De kleine jongen kijkt hem met grote ogen aan, verzet zich zichtbaar tegen een huilbui. ‘Nou!?’, spoort ze hem aan. ‘Ik…ik…ik…’ hakkelt het kind. ‘Zit niet zo stom te stotteren!’, reageert ze fel, ‘Zeg maar gewoon dat jij nu al in je nieuwe broek een gat gemaakt hebt! En dat het je niks kan schelen hoeveel geld die broek gekost heeft!’ Dan rolt er toch een traan over de wang van de kleinste. Even heft de jongen zijn hoofd op om zijn vader smekend aan te kijken. Maar zijn vader tuurt naar zijn bord waar hij doelloos de onherkenbare wortels om de ongare aardappels heen schuift. Vader heeft het koud. Koud van de verziekte sfeer in zijn huis en in zijn gezin. Hoe anders was het tussen de middag toen hij in het warme zonnetje met zijn warme secretaresse een heerlijk warm patatje at. Galant bood hij aan de lege bakjes in de vuilnisbak te gooien. Dat de vorkjes eruit vielen zag hij niet. Hij had oog voor hele andere dingen.

 

 

 

 

Verhalenslang 25/25

(De eerste zin van dit verhaal is de laatste zin van het vorige verhaal. Beide verhalen hebben niets met elkaar te maken. De oplettende lezer ziet dat dit het laatste verhaal is van deze serie en dat de laatste zin van dit verhaal de eerste zin is van het eerste verhaal…volg je het nog 😉 De slang is daardoor rond, er is geen begin en geen einde.)

Hij is al drie straten verder als hij merkt dat zijn moeder niet meer naast hem loopt. Verbaasd kijkt hij achter zich. Roept nog eens vragend: ‘Mama?’ Dan draait hij om zijn as, zijn grote ogen wijd opengesperd. Een lange slanke meneer knielt bij hem neer. ‘Zo ventje, ben jij je moeder kwijt?’ De kleine knikt. ‘Zeg, weet je wel dat je hele mooie ogen hebt… Maar zal ik je bij je Mama brengen? Zullen we samen zoeken?’ De man pakt het handje van de kleuter en leidt hem richting parkeerterrein. ‘Weet je wat? We gaan met de auto zoeken, dat gaat veel sneller!’ De kleine stapt in, op weg naar zijn verdwijning.

Maya ploft op de bank tussen haar studiegenoten. ‘Kijk jongens, ik heb de foto’s van de vakantie gehaald! Hier was het strand, dit was een heerlijk barretje, waar Jolijn helemaal niet teveel gedronken had, hahaha. Dit was de leukste duikinstructeur ever, dit was het uitzicht tijdens die hike waar ik van vertelde en dit zijn wat plaatjes van de markt. Is het niet geweldig allemaal?! O, ik zou zo wel terug willen naar Italië. Weet je wat, ik ga pizza halen en we houden een lekker Italiaans avondje!’ En weg is ze. Joep kijkt nog een keer op zijn gemak de foto’s na. Hij grinnikt om de gekke gezichten die Maya steeds trekt. Opeens komt hij met een ruk overeind. Jolijn schrikt ervan en vraagt: ‘Gaat het? Wat heb jij nou! Je ziet zo wit als een lijk joh!’ ‘Niks!’, snauwt hij. Hij loopt naar zijn eigen kamer en niemand ziet dat hij een foto van de markt meeneemt.

Als hij niet verschijnt na het herhaaldelijk gebrul van Maya dat de pizza er is, komt ze naar zijn kamer. ‘Sinds wanneer sla jij een pizza af? Wat is er aan de hand?’, vraagt ze. Hij reageert niet en zit met gebogen hoofd op zijn bed. Dan gaat ze naast hem zitten en heft zijn gezicht naar haar toe.’Wat heb je toch een mooie ogen…’ Hij slaat haar hand weg en staat snel op. ‘Ik ga weg, naar Italië!’, zegt hij. ‘Eh… leuk’, reageert ze aarzelend, ’maar zullen we dat na onze tentamens bespreken?’ ‘Nee! Ik ga morgen. Alleen!’ ‘Wat doe je vreemd schatje.’ ‘Ik doe niet vreemd!’, schreeuwt hij bijna. Maya kijkt de kamer rond of ze wellicht een aanwijzing ziet voor zijn gedrag. Haar oog valt op haar foto. ‘Hee, wat doet die nou hier?’ Hij kucht wat en geeft de foto terug. ‘O, die had ik nog in mijn hand, neem maar meteen mee hoor. Ik moet nu pakken.’ Met deze woorden dirigeert hij haar de kamer uit.

Maya maakt zich zorgen. Ze bekijkt de foto van alle kanten, denkend dat hier de oplossing ligt voor het vreemde gedrag van Joep. Er staat een aantal mensen op de foto. Maya en Jolijn vooraan en op de achtergrond nog wat mensen op het terras. Mensen die ze niet kent. Ook niet als ze goed kijkt. Een ouder echtpaar, nippend aan een wijntje. Een jong stel samen aan één sorbet. Een lange slanke opa met zijn kleinzoon. O shit, wacht! Misschien doet dat beeld Joep wel aan vroeger denken. Alleen aan haar heeft hij toevertrouwd dat hij vroeger drie weken verdwenen is geweest, meegenomen door een lange slanke man. Resoluut opent ze haar laptop en zoekt naar krantenkoppen uit die tijd. Naar aanleiding van de beweringen van de kleine Joep is er destijds een compositietekening gemaakt. Wacht, hier heeft ze hem. Dan kijkt ze van de foto naar de tekening en terug en terug en hapt naar adem.

Maya rent naar de kamer van Joep. Leeg. Ze heeft hem niet weg horen gaan. Ze ziet dat zijn tas weg is en als ze zijn kast opent mist ze zijn spijkerbroek en favoriete t-shirt. Hij is weg! Op weg waarheen? Om wat te doen? Nooit heeft hij kunnen praten over die drie weken en altijd voelde ze een bepaalde reserve. Alsof ze nooit helemaal tot hem doordrong, of hij een schild om zich heen had opgetrokken, een schild dat aan hem vast zat en niet verwijderd kon worden. Maar hoe toevallig is het dat de dader waarschijnlijk op haar vakantiefoto staat. Kan een klein kind dat wel onthouden? Ze moet hem stoppen! Voor hij iets onherroepelijks gaat doen. Of juist niet? Moet ze hem met zichzelf en het verleden in het reine laten komen? Alleen? Nee, ze wil hem helpen! De enige mogelijkheid hem te spreken is  vermoedelijk nog op Schiphol. Ze staat op, grist haar jas van de bank en zoekt in haar tas de sleutels van haar rode autootje. Dan hoort ze een vreselijke klap. Ze vliegt naar het raam. Daar, aan het eind van de straat ligt een berg verkreukeld rood staal tegen een vrachtwagen aan. De vrachtwagenchauffeur loopt paniekerig heen en weer, druk gebarend met de telefoon aan zijn  oor. Ze rukt zich los van het raam en roffelt de trap af. In de verte klinken sirenes die dichterbij komen. Joep! Waar is Joep?! Nog 30 meter, dan is Maya bij haar auto.

Verhalenslang 24/25

(de eerste zin van dit verhaal is de laatste zin van het vorige verhaal. Beide verhalen hebben niets met elkaar te maken.)

Ze zwicht, natuurlijk. Daar kon hij haar om haten. Altijd dat meegaande, nooit eens van zich afbijten, nooit eens een eigen menig geven. Aan de andere kant komt het hem wel prima uit. Geen gezeur, gewoon doen wat hij wil, zonder dat truttige overleg. En hij moet toegeven, ze is verdraaid goed in wat ze doet. Hij kan haar maar beter te vriend houden want vervanging zoeken zal niet meevallen. Ze is pijnlijk snel tevreden. Als hij haar een kleinigheid toeschuift kijkt ze hem zo intens dankbaar aan dat hij zich tegelijk een schoft voelt. Ze is zo klein en tenger, breekbaar bijna, dat het ook een behoefte bij hem oproept haar te willen beschermen. Misschien moet hij haar eens meenemen op een leuk tripje.

Ze maken zich klaar voor de klus. Zij doet haar oudste kleren aan en trekt een pet met een grote klep over haar hoofd zodat haar gezicht in de schaduw is. Afgetrapte sneakers en een zelfgebreide tas maakt het sjofele geheel af. Hij hijst zich in een mooi pak dat hem net ietsje te krap is. Een echt lederen tas voor een groot formaat laptop slingert hij over zijn schouder. ‘Ik heb niet zo’n zin meer hoor’, jammert ze, ‘je wilde gisteren ook al.’ ‘Ach schatje, doe het voor mij. Nog  één keertje. Ik heb je zo nodig. Alsjeblieft?’, fleemt hij. Ze drukt zich even tegen hem aan en hij drukt vluchtig een kus op haar kruin. Dan gaat ze naar buiten. Tien minuten later gaat hij ook.

In de winkel is het weer net zo spannend als de eerste keer. Zij loopt wat heen en weer te drentelen, pakt van alles op, bekijkt het van alle kanten om het vervolgens een schap verderop weer neer te  zetten. Ze doet dit zo opvallend dat de twee dames van het winkelpersoneel haar strak in de gaten houden. Zo strak dat ze niet in de gaten hebben dat een keurige heer in een mooi pak clandestien het een en ander zijn tas laat verdwijnen. Op een bepaald moment houdt ze een dure sjaal vast en loopt ermee naar de uitgang. Zodra ze tussen de beveiligingshekjes naar buiten wil lopen, loopt de meneer met het mooie pak ook naar buiten. Het alarm gaat luid piepend af. Hij kijkt nog vragend om maar de beide winkeldames staan al bij haar. ‘Loopt u maar hoor meneer, we zien het al.’ Ze grissen de sjaal uit haar handen. ‘Ik wilde alleen de kleur bij daglicht zien hoor’, verdedigt zij zich nog. Na een verplichte en zo bleek overbodige controle van haar tas, loopt ze even later schouderophalend naar buiten. Hij is al drie straten verder.

 

 

Verhalenslang 23/25

(De eerste zin van dit verhaal is de laatste zin van het vorige verhaal. Beide verhalen hebben niets met elkaar te maken.

De pijn in zijn ogen is bijna tastbaar. Zodra het kleine ventje zijn mond opendoet ziet ze direct de boosdoener. Ze draait het riedeltje af van gaatjesmonsters die ze gaat vangen en dat hij mee kan helpen door heel stil te zijn en niet te bewegen. Nog even kijkt hij haar peilend aan, zoekend naar een blijk van vertrouwen. Maar zodra zijn moeder ook bemoedigend knikt besluit hij zich over te geven. Tien minuten later staat hij met moeder, nieuwe tandenborstel, gevulde kies, een kleurplaat en zonder pijn weer buiten. Opgelucht halen ze adem. ‘Mag ik nu snoep?’

Even later zitten moeder en zoon genoeglijk tegenover elkaar in een koffiehoek van een groot warenhuis, tevreden snoepend van een kleurrijk taartje. ‘Ik ben zo trots op je!’, zegt moeder. Zoonlief gaat wat meer rechtop zitten en deelt mee: ‘Ik heb niks niet gehuild hè!’. ‘Nee hoor, en je weet wat de tandarts gezegd heeft hè!’.  ‘Ja mam, heel goed poetsen zodat alle gaatjesmonsters bang van me worden!’ Om zijn woorden kracht bij te zetten gromt hij maar eens vervaarlijk en zwaait zijn gebalde vuistjes door de lucht. Moeder haalt glimlachend een hand door zijn haar.

Zodra het gebakje op is, lurkt hij aan het rietje van zijn drankje. Intussen kijkt hij om zich heen. Hij heeft vooral interesse voor het tafeltje schuin voor hem. Daar zit een ouder echtpaar zich tegoed te doen aan een broodje. Een gezond broodje met veel zaden en pitten. Ze genieten er zichtbaar van. Opeens worden de ogen van de jongen zo groot dat zijn moeder ervan schrikt. ‘Wat is er?!’, vraagt ze, ‘Heb je weer pijn?’ De jongen kan niets zeggen maar wijst voorzichtig naar het tafeltje tegenover hem. Moeder draait zich om en dan ziet ze het ook. De oudere man heeft zijn kunstgebit uit zijn mond gehaald en pikt er alle pitjes vanaf.

‘Kunnen mijn tanden er ook uit mam!’ ‘Nee lieverd, die meneer heeft neppe tanden.’ ‘Waar zijn z’n echte tanden dan?’ ‘Eh…’ En dan valt het kwartje. Voor zijn moeder er erg in heeft glijdt hij van zijn stoel en loopt naar de andere tafel. Hij kijkt de meneer streng aan. Hij heft zelfs een wijsvingertje op. ‘U heeft niet goed gepoetst meneer, nu hebben de gaatjesmonsters alles opgegeten! Maar ik ga wel goed poetsen en dan blijven mijn tanden in mijn mond en niet in mijn hand!’ Hij gromt nogmaals met gebalde vuistjes. ‘Grrrrrr!!!’

Moeder neemt verontschuldigend het jongetje bij de hand. ‘Kom dan gaan we nog wat boodschappen doen. Wat moesten we ook alweer hebben?’ ‘Hele vieze tandpasta, dat lusten de gaatjesmonsters niet! En mam, mag vanavond het kleine lampje weer aan? Monsters houden niet van licht. En als jij gaat slapen kom je dan nog bij mij kijken, of mijn mond wel dicht is?’ Opeens begint hij te huilen. ‘Ik wil geen tanden in mijn hand…’ Pas als moeder belooft alle monsters tegen te houden en buiten te zetten bedaart de kleine weer wat. ‘Mam?’’Ja lieverd?’’Mag ik nu nog die Lego?’ Ze zwicht, natuurlijk.

 

 

Verhalenslang 21/25

(De eerste zin van dit verhaal is de laatste van het vorige verhaal. Beide verhalen hebben niets met elkaar te maken.)

Eindelijk morgen. Eindelijk heb ik vandaag tijd om eens lekker naar de kapper te gaan. De laatste tijd ben ik alleen maar niet normaal druk in de weer geweest met constant dingen regelen voor onze bruiloft. Trouwen met Rob is het liefste dat ik doe maar wat een gedoe af en toe. Bloemen, taart, catering, wie past er op tante Martha, de kleur van de sokken van de bruidsmeisjes, het houdt maar niet op. Een continu gevoel van honger maakt het er niet gezelliger op, maar alles voor de jurk hè! Ik kijk daarom uit naar dit verwenmomentje. Ruim op tijd ben ik al aanwezig. Een nieuw kapstertje leidt mij naar een stoel. ‘Wilt u zelf een blinddoek om of zal ik de spiegel blinderen?’, vraagt ze. ‘Eh…’stamel ik verwonderd. ‘Nieuw beleid, om de klant meer te verrassen’, verklaart ze. Even later zit ik met een strak aangesloten donker masker op. Kan mij het schelen.

Het water aan mijn hoofd is heerlijk warm en de hoofdmassage laat me bijna indutten. Ik geef me over aan de handen van de kapster. Ze frunnikt er op los. Ik ruik brandlucht, ik wil overeind komen maar ze duwt me zachtjes terug. ‘Prachtige lengte’, hoor ik haar mompelen. Lengte? Als ik even met mijn hoofd schudt voel ik de zwaarte van een volle haardos, met een lengte ver voorbij mijn schouders. Zal ik dan eindelijk eens lang haar hebben? Haar dat ik achteloos over één schouder kan werpen, haar dat ik in allerlei nonchalante of juist heel strakke knotten kan draaien, haar dat ook aan de laatste punten nog vol en gezond is, haar dat ik heel sjiek kan opsteken bij mijn bruiloft. Dan ruik ik iets dat ik herken als haarverf. Goed idee, mijn kleur was wat vaal met een uitgroei formaatje landingsbaan. Een oppepper kan het wel gebruiken. Ik hoop op een chocoladetint met een rode ondertoon. Ja, het zal prachtig worden. O wat lekker die zachte warme lucht van de föhn. Nog wat plukken, friemelen en trekken en een paar pufjes haarlak. ‘Klaar hoor! Wilt u het zien?’

Ik kan niet wachten en ruk het masker af. Ik raak met mijn hand de spiegel aan en wil het plaatje dat ik daar zie eraf peuteren. Dat ben ik namelijk niet. Dat is een hele enge mevrouw met dreadlock-achtige slierten haar, van ongelijke lengtes in alle kleuren van de regenboog. Het plaatje gaat er niet af. ‘Hé dame, help eens!’, roep ik het kapstertje toe. Ze pakt een handdoek en een fles met sterk ruikend spul en boent als een bezetene over de spiegel. Het wordt er niet beter op. De enge vrouw loopt rood aan en haar mond staat angstaanjagend wijd open. Ik hap naar adem en wil opstaan maar val plat op mijn rug. De baas van de kapsalon komt koffie brengen. Ik sla het bijna uit zijn handen. ‘Hé, doe es niet!’, roept de baas. Hij pakt me bij mijn schouders en rammelt me door elkaar. Nu valt het me pas op dat de baas wel heel erg veel op Rob lijkt, sprekend zelfs. Ik knipper nog eens goed met m´n ogen en dan zie ik Rob op mijn bed zitten. Hij is degene die me door elkaar schudt. ‘Wat droom je toch allemaal? Moest jij niet naar de kapper vandaag?’, zegt hij. Ik knik versuft en pak de koffie. Voor de zekerheid kijk ik nog even in de weerspiegeling van het lepeltje. Kort met uitgroei. Het klopt.

Verhalenslang 20/25

(De eerste zin van dit verhaal is de laatste van het vorige verhaal. Beide verhalen hebben niets met elkaar te maken.)

‘Hoe pak je dit aan en wat heb je er voor nodig?’ Ze drukt een knop van de afstandbediening in en het volgende programma verschijnt. Het kan haar niet veel schelen hoe je een stoofschotel aanpakt en wat je er voor nodig hebt al helemaal niet. Dat heeft ze al zo vaak gedaan. Dan maar een Amerikaanse talkshow. Na vijf minuten heeft ze genoeg van die zelfingenomen presentator en dat gillende publiek. Een natuurdocumentaire volgt. Dat is een slim idee zeg; een camera op een vogel vastmaken. Ze laat zich lekker mee zweven op de vleugels van een grote vogel. Over bomen, zeeën en zelfs bergen. Hoog en licht. Zal het straks ook zo gaan? Alleen maar zweven? Drijven op de wind? Bijna geen zwaartekracht meer? Dan lijkt het haar een goed idee. Hopelijk morgen.

‘Dag oma!’ Een frisse wind waait door de bedompte ziekenhuiskamer. Een rugtas wordt op de grond gegooid en een koele wang tegen de hare geduwd. ‘Voel es Oma, wat een lekker weer. Nog even en dan kunt u er ook weer van genieten. Hoe gaat het vandaag? Lekkere vroeg ben ik hè. De Schele van Frans viel uit. Je mocht ook op school blijven en je huiswerk maken. Ja doei, dat doe ik vanavond wel. Pap en Mam komen vanavond toch hier? Mooi dan heb ik het huis alleen, haha. Maar wacht eens, Frans hoef ik natuurlijk niet te doen, dat had ik gister echt heel goed geleerd. Dan houd ik zeeën van tijd over!  Was u vroeger goed in Frans? Of hadden jullie dat nog niet? O shit, mijn telefoon, wacht even Oma …… nee hè, helemaal vergeten! Ik had Mam beloofd Sven uit school te halen. Alles voor mijn kleine broertje hè? Nou dag Oma, was weer gezellig, tot morgen!’ De wang is intussen warm geworden. De kamer lijkt eindeloos leeg als ze weg is. Tot morgen.

‘Goedemiddag Mevrouw van Galen.’ Een statige man in een witte jas komt de kamer in. Ze lag net even met haar ogen dicht. Zo moe. Even terug naar dat gevoel van zweven. Nu probeert ze iets rechtop te gaan zitten maar het is te pijnlijk.  Hij kijkt haar zoals gewoonlijk streng aan, en toch ziet ze deze keer iets van vriendelijk medelijden. ‘We gaan uw wens inwilligen. We hebben er met het team goed en nauwgezet  over gesproken. De psycholoog heeft een zorgvuldig onderhoud met u gehad en een positief oordeel geveld. De benodigde papieren heeft u al eerder getekend dus niets staat u en ons nog in de weg. Tenzij u er alsnog vanaf ziet. Het enige wat nog rest is een datum. Heeft u nog wensen dan kunt u die nu inplannen en aan de hand daarvan een datum bepalen. Heeft u alles begrepen wat ik zeg?’ Ze knikt en zegt: ‘Morgen.’ Hij maakt een aantekening, geeft een kneepje in haar hand, knikt en draait zich om. Eindelijk morgen.