Categorie archief: Column

Vakantie = taalkwesties

(Deel 5 van de serie Vakantieherinneringen op Apeldoorn Direct.)

Door Carla van Vliet

De coronasituatie zorgt ervoor dat veel vakantieplannen niet doorgaan. We blijven dichter bij huis of zelfs helemaal thuis. Je leest erover in onze serie ‘Coronazomer’. Daarnaast is er alle tijd om terug te denken aan voorgaande jaren. Gelukkig hebben we de foto’s en de verhalen nog. Hiervan een verzameling, geschreven door Carla van Vliet. 

De Franse taal maakt wel heel vrolijk. Door de nadruk steeds op de laatste lettergreep te leggen klinkt alles een stuk positiever. Probeer maar eens met ‘bonjour’, ‘café’, ‘velo’, ‘piqué’, ‘par la moustique’, ‘croissant’, ‘au revoir’. Zelfs ‘cent euro’ lijkt opeens een kleinigheid. Daarmee moet je dan wel weer oppassen bij zo’n authentieke brocantemarkt. Ik zag iets van onze gading, het kleinood was uiteraard niet geprijsd maar ik wilde er per se niet meer dan 10 euro voor betalen. We zetten onszelf schrap, bepaalden een strakke onderhandelingsstrategie, zouden ons niet de fromage van het brood laten eten, hadden pen en papier paraat om misverstanden te voorkomen. Toen mompelde de besnorde verkoper: “Deuzzeuroomezjeudaam”…”Eh, oké dan, hartstikke merci!”

In Tsjechië ging het niet veel beter. Vreemde binnensmondse klanken hoorde ik. Ik trok mijn wenkbrauwen op. Nog meer drzrgtsj-klanken. Ik haalde nu ook de schouders op. Nee, van de Tsjechische taal is niets te volgen. Deze rijke taal kent drie geslachten, mannelijk, vrouwelijk en onzijdig (tot zo ver helder!) maar kent ook zeven naamvallen, geen lidwoorden en natuurlijk ook nog eens dialect. Een simpel biertje kun je tegenkomen als pivo, piva, pivu, pivem, piv, pivum of pivy. Het hangt allemaal af van de zin, de omstandigheden en het aantal pivo’tjes. Met behulp van het handige ‘Wat&hoe-in-het-Tsjechisch-boekje’ had ik braaf ‘nazdar’ (hallo) uit het hoofd geleerd, maar de standaard openingszin bleek steeds  ‘Briedèn’ te zijn! Wat ik dan weer niet in mijn boekje kon vinden omdat het een afkorting was van ‘Dobry den’ (dag). Nou ja, zinnen als ‘Hoe synchroniseer ik mijn telefoon via bluetooth’ of ‘Is het hier altijd zo nat?’ heb ik gevoeglijk overgeslagen. Maar twee vingers in de lucht steken een hard pivo bestellen dat kon ik dan weer wel.

Zelf pakken

Nog even over dat Frans. Kijk, de super- en hypermarché geven geen problemen, gewoon zelf pakken wat je nodig hebt. Bij de apotheek iets vragen ‘tegen de jeuk van een akelige muggenbeet van drie dagen geleden’ wordt een stuk lastiger. Maar soms is taal echter overbodig. Gezeten op een terrasje deed een windvlaag onze fietsen neersmakken met een bungelende voorlamp tot gevolg. Een fransoos, ook klant op het terras bemoeide zich er omslachtig en luidkeels mee en stuurde een andere fransoos met een rol tape op ons af, die al even onverstaanbaar maar in hetzelfde tempo ratelend het euvel verhielp. Woorden onzerzijds waren overbodig, een drie werf ‘Merci’ bleek ruim voldoende.

En soms zijn de Fransen gewoon slimmer. De donkerogige Française vuurt een vijftal Franse volzinnen op ons af. We hebben toch net alleen maar keurig om twee toegangskaartjes gevraagd? Deux tickets silvousplait. Ze leest in onze vragende ogen een flink portie onbegrip en volgt een andere aanpak. ‘Parlez vous francais?’ vraagt ze nog hoopvol. ‘Non’, zeggen wij. Wat eigenlijk niet klopt want ‘non’ is Frans zat. Daarbij kennen wij ook ‘une glace, deux boules’ en ‘chaud hè!’ en ‘piscine! vite!’. Maar daar komen we hier niet ver mee. ‘Un petit peu’ proberen we haar nog tegemoet te komen. Ze zucht dramatisch en wuift al onze opmerkingen, in welke taal dan ook, weg. ‘Anglais?’ We knikken enthousiast en roepen ter bevestiging luidkeels ‘Yes!’ Ze rolt nog eens met haar ogen en vervolgt met dat charmante Franse accent ‘Oké, ziz is fog you’. Ze schuift ons een papiertje toe ‘Ziz give you korting.’ Wij verloochenen onze afkomst niet en veren op bij het laatste woordje. De elegante dame heeft vaker met dit bijltje gehakt en roept concluderend ‘Aha, you kom fgom ze Nezerlands!’

 

 

Logeren (1 van 2)

Een paar weken terug stond ik een weekendtas te pakken. Wat luchtige broeken en ruime shirtjes, een pyjama en een toilettas. Iets te lezen en iets te schrijven gaan er ook in. O ja, oplaadkabel, pantoffels en iets te snoepen. Het leek alsof ik op vakantie ging… Bijna goed: ik ging logeren in het ziekenhuis. Mijn longen waren dusdanig van slag dat een paracetamolletje niet meer hielp dus even een weekje  resetten onder begeleiding. De week heeft uiteindelijk het beoogde resultaat opgeleverd maar de verhalen dolen nog rond in mijn hoofd. Niet de medische maar de mensenverhalen 😉

In eerste instantie had ik, heel luxe, een royale eenpersoonskamer, met bijbehorende badkamer waarin ik met gemak een driedubbele flikflak kon uitvoeren. In isolatie op verdenking van Covid19 uiteraard, dat wel. Die test stelt trouwens niets voor hoor, is gebeurd voor je er erg in hebt en je hebt een gratis check of je fontanel wel gesloten is… Maar na de negatieve uitslag volgde er een verhuizing naar zaal en was ik al mijn ruimte en privacy in één klap kwijt. Gelukkig had ik een schrijfschrift.

In bed 1 lag Mevrouw Lek (74). Het vocht dat achter haar longen zat liep via een drain naar een opvangbak. Prima systeem maar soms lekt de aansluiting iets, dat is normaal. Daar kun je natuurlijk op verschillende manieren mee omgaan. Eerst belde zij haar man: “Ik heb gelekt! Mijn hele T-shirt was nat!” Daarna belde zij een vriendin: “Meid ik heb toch gelekt; het hele bed was drijfnat!” Vervolgens werd een zus op de hoogte gesteld van de kletterende waterval vanaf het bed op de grond. Het zou mij niet verbaasd hebben als een krant met grote koppen melding gemaakt had van een overstroming in het Gelre, waarbij de bedden door de gangen dobberden…

In bed 2 lag Mevrouw van Rossum (83). Zo heette ze niet maar ze leek verdacht veel op Maarten. Diezelfde afkeurende blik, diezelfde zware stem en vooral hetzelfde heerlijke zwaarmoedige gemopper. “Die stomme medicijnen? Die vergeet ik wel eens een paar dagen, wat geeft dat nou. Ik maak het zelf wel uit!” “Of ik thee wil? Ja, maar dan wel met een flinke donder melk! Slap gedoe hier.” Op haar nachtkastje vond ze haar eigen gehoorapparaat, ze pakte het op, draaide het eerst verbaasd om en om en mompelde na herkenning: “Een verdomd handig dingetje.”  Ze weigerde haar dikke vest uit te doen als haar bloeddruk gemeten moest worden: “Een beetje goeie zuster moet dat niet uitmaken!” Ze wilde naar huis om haar nieuwe elektrische bakfiets uit te proberen. “Ik ben er vorige week mee in de sloot gesodemieterd maar ja, die krengen gaan zo achterlijk hard.”

In bed 3, tegenover 2, lag ik, te dagdromen van een nacht vol rust, want ik was vooral moe.

In bed 4, naast mij, tegenover 1 lag Mevrouw Wind, alias Alie Kalknagel (73). Zij beheerste het hoesten uit diverse lichaamsopeningen tot in de puntjes. Ze zou met stip in aanmerking komen voor een extra belastingheffing op de methaanuitstoot. Verder was ze best rustig.

De avond valt vroeg in een ziekenhuis. Na de laatste snoepjesronde lagen 1, 3 en 4 al snel gestrekt. Van Rossum zat aan tafel te mopperen: “Wat een idioterie zeg, zo vroeg ga je thuis toch ook niet?!”  Kniezend trok ze haar spijkerbroek uit en ging in bed liggen lezen. Tenminste, dat zei ze. Als eerste snurkte ze als een tempelier boven haar boek en onder haar gezellige tl-licht. Toen mevrouw Lek probeerde stiekem het licht uit te doen schrok ze verkwikt wakker en ging lezen. Om half 1 vroegen wij (1, 3 en 4) met gezwollen ogen of alsjeblieft het licht uit mocht. Ze weigerde. Gelukkig bood een zuster uitkomst: van Rossum mocht op de gang lezen. Vest en deken mee. Om half 3 hoorde ik haar terug stommelen, ze bonkte overal tegenaan in het donker. ‘Ho!’ was haar enige tekst…

Om half zes kwam er een fris en fruitig iemand: “Goedemorgen hebben we lekker geslapen?” “Welke we bedoel je precies?”, schreeuwde ik boven het geronk van van Rossum uit, wanhopig happend naar frisse lucht.

Weer een nacht overleefd. Ik knapte al lekker op…

Vakantie = cultuur snuiven

(Deel 4 van de serie Vakantieherinneringen op Apeldoorn Direct.)

Door Carla van Vliet

De coronasituatie zorgt ervoor dat veel vakantieplannen niet doorgaan. We blijven dichter bij huis of zelfs helemaal thuis. Je leest erover in onze serie ‘Coronazomer’. Daarnaast is er alle tijd om terug te denken aan voorgaande jaren. Gelukkig hebben we de foto’s en de verhalen nog. Hiervan een verzameling, geschreven door Carla van Vliet. 

Een uitstapje naar Duitsland. Naast kerken, ingedommelde dorpjes, terrassen en Konditoreien vind ik ook musea leuk om te bezoeken in mijn vakantie. Bij voorkeur niet de schilderijen-en-beelden-musea maar de net-iets-anders-dan-anders-musea. Zo troffen wij een heus houtmuseum in Morbach. En aangezien ik erg van hout houd leek dit een schot in de roos.

De folder gaf het juiste adres aan en we kwamen in een buitenwijk van een toch al ver uitgestrekt dorpje aan. Na een lichte aarzeling verstoorden wij het keurig aangeharkte grint om de auto toch maar ergens te laten. Nog voor het uitstappen ging de voordeur van het museum al open en een morsige Duitser riep ons van verre herzlich welkom. Hij knikte dat we goed zaten en gebaarde dat we de auto daar mochten parkeren. Hij dirigeerde ons naar binnen en wees ons de weg naar de Kasse. Zonder hem hadden we nooit geweten welke deur we hadden moeten nemen, de ene die openstond met een bordje ‘Kasse” of de ene die dichtgetimmerd was.  Achter de Kasse zat een morsige norse Duitser die de intelligente vraag stelde: “Sie wünsche?”. Mijn fantasie antwoordde: “Een miljoen euro! Een jaar lang gratis taart! Een paar schoenen die ook met deze hitte lekker zitten! Een open raam want het ruikt niet zo fris!”. Mijn verstand vroeg om twee toegangskaartjes, Bitte. Ik wachtte op het belletje van de antieke verzilverde kassa die indrukwekkend stond te glimmen. Maar het geld verdween in een Tupperwarebakje dat er naast stond. Na betalen likt de norse morsige aan een potloodstompje en turfde twee streepje op een maagdelijk blank blaadje. Toen overhandigde hij ons de felbegeerde papiertjes.

Er bleek een duidelijke taakverdeling te bestaan tussen de uiteindelijk drie morsige Duitse mannen. Nummer 1 deed het welkomstwoord, de ontvangst en de catering, nummer 2 de financiën en nummer 3 was verantwoordelijk voor de rondleiding. Het was een morsige maar vriendelijke Duitser, die zijn uiterste best deed een keihard keelsnoepje weg te kauwen. Dit viel waarachtig niet mee met anderhalve tand. Nog wat nasmakkend en gehuld in een wolk van menthol begon hij enthousiast te vertellen. Maar aangezien hij uitsluitend vloeiend Morbachs sprak en wij uitsluitend glazig keken, gaf hij het al snel op. Even begon hij nog hoopvol de bordjes voor te lezen. Maar ja, dat konden wij zelf ook wel. Hij droop af met een mompelend “Jahjah!”

We leerden dat we hout kunnen ruiken, voelen, zien, proeven maar ook horen. Er stond een reuze grote xylofoon en toen ik alleen maar een piepklein hoortestje deed verscheen de anderhalve tand weer en zuchtte: “Jaja!”. De vrijwilligers van het museum hadden zoveel houten voorwerpen verzameld dat ze de bovenverdieping van het pand ook bij het museum betrokken hadden. Je kon daar echter niet rechtop staan, dus met een scheve nek kwamen wij een uurtje later weer naar beneden. In het laatste kamertje beneden was kinderspeelgoed, van hout uiteraard. Een reuze grote knikkerbaan met houten knikkers groter dan biljartballen. En dat gaf me toch een heerlijke herrie! “Jahjah!”, klonk het.

De nummer 1 had intussen koffie gezet. Waarschijnlijk had hij een extra schepje toegevoegd, of de koffie van gisteren opgewarmd, want het rook zo sterk dat de lucht alleen al voldoende was om vriendelijk doch beslist te bedanken. Het feit dat hij nog snel een lading ondefinieerbare  kruimels van het meer dan morsige tafelkleedje veegde deed ons definitief naar de uitgang snellen. “Wiedersehen!”

Makkelijk hoor zo’n mopperverhaaltje schrijven over een stel hardwerkende vrijwilligers. Ik denk dat zij in hun werkzame leven landarbeiders waren met hun knoestige handen en verweerde koppen. Met een versleten knie, een nieuwe heup en ver versleten gebit hadden zij het toch maar prima naar hun zin, deden zij nog iets nuttigs met hun leven. Hulde voor deze vrijwilligers die zo trots zijn op hun werk en ons in staat stellen mee te genieten van al die mooie dingen. Tenslotte zijn zij degenen die zo’n klein museum in stand houden!

Ik wed dat ze elkaar een ferme high five gaven toen wij vertrokken. Of ein höhes Fünf!

 

 

In 100 woorden

Boeken- en lezersplatform Hebban was bang dat schrijvend Nederland zich zou gaan vervelen in de vankantieperiode en schreef een schrijfwedstrijd uit. Er wordt elke week een foto geplaatst en daarbij mag je een verhaal verzinnen. Echter een verhaal van precies 100 woorden, niet meer en ook niet minder. Het verhaal met de meeste likes is de winnaar en mag een week op de website staan. Leuk idee maar de waardering door middel van likes vind ik minder. Niet de beste schrijver wint dan maar degene met de meeste volgers… Voor de lol/uitdaging heb ik toch twee keer meegedaan. Wat zou jij bedenken…?

 

Foto 1

Niet huilen kleintje, hier zijn we veilig. Hij is dood, het is voorbij. Ik zal altijd voor je zorgen. Ik kan dat. Alleen. Jij zult niets tekort komen. Maar nu moeten we verder. Voor het donker is moeten we verdwenen zijn. We volgen gewoon het hek. Het mes is goed verstopt en gelukkig had ik nog één schoon shirt. Zachtjes nu lieverd, anders vinden ze ons alsnog. Denk maar aan morgen, als we vrij zijn. Dan gaan we zingen en dansen, elke dag, maar nu stil. Goed zo, ga maar slapen. Ik houd van je. O shit wat hoor ik?

 

Foto 2

Ik rende alsof mijn leven er vanaf hing, wat waarschijnlijk ook het geval was. Ik was nog nooit zo bang geweest. De gemiste sportschoolafspraken telden, evenals de calorierijke buurtbarbecues. Maar ik moest wel doorrennen want het gevaar zat me danig op de hielen. Ik zweette, mijn hartslag verdubbelde, ik vreesde het ergste. Ging ik het op tijd halen? Nog zo’n honderd meter… nog vijftig … nog tien … gehaald! Ik bonsde hard zo op de deur dat deze plat voorover viel!

De regisseur vloog naar me toe en snauwde driftig: “Hoe moeilijk is het om het decor heel te houden?!”

 

Vakantie = (geen) les

Door Carla van Vliet

De coronasituatie zorgt ervoor dat veel vakantieplannen niet doorgaan. We blijven dichter bij huis of zelfs helemaal thuis. Je leest erover in onze serie ‘Coronazomer’. Daarnaast is er alle tijd om terug te denken aan voorgaande jaren. Gelukkig hebben we de foto’s en de verhalen nog. Hiervan een verzameling, geschreven door Carla van Vliet. 

In de vakantie hoeven kinderen lekker niets te leren. Zou je zeggen. Volwassenen ook niet. Zou je zeggen. Wat ik vanaf mijn Franse balkon zag…

Op een bosachtig stukje grond, met drie reuze dennenbomen, komen de vakantiekinderen aan het eind van de dag samen. Toevallig allemaal Franse kinderen, dus geen taalbarrière. Behalve voor mij: ik versta er niets van. En toch begrijp ik veel. Er is een jongetje van ongeveer 9 jaar en een meisje van ongeveer 10 jaar, duidelijk broer en zus. Er is nog een jongetje, van ik schat 8 jaar en een kleine dreumes van 2 jaar, de laatste luistert naar de melodieuze naam Elodie.

Net als in de grote-mensen-maatschappij werpt (dringt) één persoon zich vrijwillig (nadrukkelijk) op als aanvoerder. Het jongetje van 8 schreeuwt het hardst dus is hij de leider. Als broer en zus iets voorstellen om te gaan spelen houdt hij één hand afwerend op en met zijn andere een stuk hout tegen zijn oor. Ik versta iets van ‘telephoné’. Hij trekt een ernstig snuit en roept te pas en te onpas ‘oui’ en ‘bien sur’ alsof hij aandachtig aan het luisteren is. Dan zegt hij resoluut: ‘Mais non!!!’ en volgt er een Franstalige waterval die duidelijk intimiderend bedoeld is.  Met een ferme ‘Bonjour!’ drukt hij zijn gesprekspartner weg op zijn houten telefoon. Broer en zus lijken onder de indruk van zoveel overwicht. Maar als ik ze stiekem naar elkaar zie lachen merk ik dat zij de act ook nogal overtrokken vinden. Le Patron heeft intussen een plan bedacht: ze gaan een pad aanleggen. Een pad van zand, bedekt met dennennaalden en de kanten worden afgezet met een sierlijke rij dennenappels. Broer en zus zijn blij eindelijk iets om handen te hebben en verzamelen naarstig de benodigde materialen. Ze werken langs de door de baas uitgezette lijnen. Het wordt wel wat!

Maar dan komt Elodie in beeld. Het is een schatje met prachtige blonde krullen, haar kromme beentjes in een parmantige legging gestoken en een shirt dat vast bij een andere combi hoort, maar in de vakantie letten zelfs de Fransen niet op stijl. Ze heeft altijd een  lach op haar gezicht, die alle omstanders ook doet lachen. Maar niet monsieur le Patron! La petite Princesse vindt de dennenappels zo aantrekkelijk dat ze er af en toe eentje uit de keurige rij vist, een actie die overduidelijk tegen het oorspronkelijke plan indruist. De baas gebruikt al zijn tact en neemt haar lief bij het plakkerige handje en leidt haar zeven meter verderop. Hij biedt haar ook nog een mooie stok aan ter compensatie. Ze neemt het dankbaar aan en schenkt hem haar liefste lach. Tevreden draait hij zich om en stuurt zijn personeel verder aan. Wat hij even niet ziet is dat de kleine dame zich ook omdraait en achter hem aan drentelt. Zodra hij het wel in de gaten heeft brengt hij haar gedecideerd terug.

Tot vijf x toe herhaalt Elodie deze actie en de manager wordt steeds ongeduldiger. Hij voelt zijn gezag ondermijnd worden. Uiteindelijk smijt hij haar zijn ‘telefoon’ toe en verdwijnt mokkend naar huis. Broer en zus halen de kleine dreumes erbij en gedrieën spelen ze nog uren lief met elkaar.

Welk een levensles zie ik hier onder mijn ogen uitgespeeld worden: de grootste schreeuwlelijk wordt de baas maar dat wil niet zeggen dat de kleinste partij geen stem heeft…

Waar lijkt dit toch op?

 

Hoera, hoezee, whoop whoop!

In het vroege voorjaar heb ik meegedaan aan een schrijfwedstrijd van uitgeverij 18.02 publishing. Het was een hele bijzondere wedstrijd waarover ik een volgende keer iets meer uitleg zal geven. De deadline werd nog een maand verschoven i.v.m. corona dus werd het nog wat langer wachten. Ik heb zelfs een tweede verhaal ingestuurd. Maar opeens was daar de uitslag….en ik sta er bij! Mijn eerste verhaal wordt onderdeel van een boek en daar ben reuze blij mee! Zie hier het bericht via Facebook 😉

18.02 publishing

 

Een dag te vroeg kunnen we jullie de uitslag van de schrijfwedstrijd vertellen!

De schrijfwedstrijd 2020 Wat Voorafging … was anders dan andere schrijfwedstrijden. Vanuit een beginsituatie, beschreven door ons, werd gevraagd een verhaal te schrijven over hoe een van de personages of een groepje personages daar terecht was gekomen. Zolang het geen gedicht was, stond het type verhaal helemaal vrij. Door dit concept is het mogelijk om van alle verhalen samen één verhaal te maken. Het einde wordt aan de hand van de ingezonden verhalen geschreven door ons.

Het was spannend of er voldoende verhalen ingezonden zouden worden en of alle personages aan bod zouden komen. De jury heeft, zonder te weten wie de verhalen hadden geschreven, de verhalen beoordeeld. Daarna werd gekeken wie over een personage of een groepje het beste verhaal had geschreven.

En we kunnen zeggen: het is gelukt! We kregen mooie, goede, spannende verhalen opgestuurd en we hebben over elk personage een goed verhaal. Hier en daar zullen we de schrijvers vragen een paar kleine details te veranderen, waardoor we alle verhalen samen kunnen brengen tot een spannend einde waarin een hoop gebeurt. Hierbij kunnen we dus vooralsnog stellen dat het een geslaagd concept is.

Alle deelnemers krijgen zo snel mogelijk een mail. De winnaars lezen dan over het vervolg zoals de redactieronde. Degenen van wie het verhaal niet in de bundel verschijnt, krijgen in ieder geval via de mail een kort juryrapport.

De winnende verhalen zijn

  • Bob de Winter – Personage 4 en Heidi
  • Romeo Mazzei – Personage 15: Hugo
  • Gytha de Boer – Personages 7 en 8: Mariët en Annemarie
  • Debora Degreef – Personages 11 en 12: Ayse en Semiha
  • Rémon Saaltink – Personages 5 en 6: Stine en Jens
  • Carla van Vliet – Personage 13: Roosmarijn
  • Marieke van de Reep – Personages 9 en 10: Harm en Jelle
  • Annette Akkerman – Personages 1, 2 en 3: Cindy, Freek en Sjon
  • Joris Totté – Personage 14: Frits
  • Ben Deckers – Extra personages: Leopold en David

Gefeliciteerd voor de winnaars en alle deelnemers bedankt voor de inzendingen!

Wij gaan nu druk aan de slag met de redactie en de vormgeving van de bundel, waardoor alle lijntjes mooi afgerond worden. Ook benieuwd naar het eindresultaat? Houd onze website, Instagram en Facebook in de gaten!!

 

 

 

 

 

Vakantie = avontuur

(Deel 2 van de vakantieherinneringen op Apeldoorn Direct.)

Door Carla van Vliet

De coronasituatie zorgt ervoor dat veel vakantieplannen niet doorgaan. We blijven dichter bij huis of zelfs helemaal thuis. Je leest erover in onze serie ‘Coronazomer’. Daarnaast is er alle tijd om terug te denken aan voorgaande jaren. Gelukkig hebben we de foto’s en de verhalen nog. Hiervan een verzameling, geschreven door Carla van Vliet. 

Eigenlijk stel ik helemaal geen hoge eisen aan een vakantie. Ik ben tevreden met lekker weer (20 à 25 graden), een mooie omgeving en gezellige mensen. Ik hoef niet zo nodig te jumpen, te hiken, te sailen of te seilen. Uit mijn dak ga ik van een goede stoel, een goed gevuld glas en een goede pot scrabble. Ja, dat klinkt saai en veilig en weinig avontuurlijk. Maar toch…

Op een avond, naarstig op zoek naar wat afkoeling na weer een dag van 39 graden, zetten we de ramen en tuindeur van ons tijdelijke Franse huisje lekker tegen elkaar open. Ik ben aan de winnende hand met scrabble als opeens de tuindeur dichtklapt door het enige zuchtje wind dat die avond langs kwam. Eh… en nu? In de tuindeur zat geen beweging meer. De sleutel hadden we voor de zekerheid aan de binnenkant van de voordeur gestoken. Opdat die niet kwijt zou raken. En opdat we die in geval van nood niet midden in de nacht moesten gaan zoeken. Het keukenraampje was ook dichtgeklapt. Het andere assortiment raampjes, van die schattige kleintjes om de warmte buiten te houden maar ook een tikkie gezette Nederlanders, was te hoog en dus onbereikbaar…

Eh…en nu? In geval van nood mag je altijd de bazin van het park bellen. Het nummer ligt binnen. Zo ook de telefoon. Een stoel door het raam gooien dan maar? Daar gaat onze borg. Heel hard “Help!’ roepen, desnoods ‘Au secours!”? Dan hoogstwaarschijnlijk ruzie met de jonge ouders waarvan de kleine dreiners eindelijk stil zijn. Hulp vragen bij de Franse buren? Het wat-en-hoe-boekje ligt binnen. Dan maar met onze mains et pieds, je moet wat. De buurman snapt eindelijk ons problême, belt de bazin die ‘pas du problême’ binnen tien minuten ter plaatse was met een loper. Die niet werkte omdat onze sleutel het slot blokkeerde. Een ladder had zij nèt niet meegenomen dus naar binnen klimmen zat er ook niet in. De handy-garcon die als redder zou kunnen fungeren woonde 30 kilometer verderop en intussen was het al ver na middernacht.

Et maintenant? Het enige alternatief dat de dame ons te bieden had was in het naastgelegen en nog onbezette huisje de nacht door te brengen! We kregen verse lakens en een wc-rol. Daar zaten we dan. Met de lakens, voldoende wc-papier, in onze niet al te frisse kleren, zonder tandenborstel of zeepje. Met uitzicht op ons huisje waar we niet meer in konden, maar waar wel ons hele hebben en houwen lag. En o ja, met ons lege glaasje en ons fijne scrabblebord. Ik leg ‘dom’ aan ‘nogal’.

Hoe het avontuur afliep? De volgende morgen klom er in alle vroegte de fris en fruitige handygarcon met zwierige elegantie door ons badkamerraampje en opende binnen twee tellen onze voordeur met onze sleutel. Op deze manier waren we ongewild toch behoorlijk avontuurlijk bezig geweest.

 

Vakantie = inpakken en wegwezen

(Een eigen serie van 7  met vakantieherinneringen op Apeldoorn Direct , elke zondag een deel)

Door Carla van Vliet

 

De coronasituatie zorgt ervoor dat veel vakantieplannen niet doorgaan. We blijven dichter bij huis of zelfs helemaal thuis. Je leest erover in onze serie ‘Coronazomer’. Daarnaast is er alle tijd om terug te denken aan voorgaande jaren. Gelukkig hebben we de foto’s en de verhalen nog. Hiervan een verzameling, geschreven door Carla van Vliet. 

 

“Moet dit ook mee?!”

“Ja schat, we kunnen niet zonder!”

Op vakantie gaan gaat niet zomaar, er gaat het een en ander aan vooraf. Allereerst het inpakken. Zonder te willen opscheppen kan ik met een gerust hart stellen dat ik hier een kei in ben. Ik kan griezelig goed stapelen en stouwen, dit alles zonder echt te proppen. Menig reisgenoot heeft versteld gestaan: “Heb je dat óók bij je??!” Dan heb ik het niet over Nederlandse aardappelen en heel veel hagelslag want wat is er leuker dan in een ander land boodschappen doen? Maar ik heb het vermogen om in doemscenario’s te denken. Stel dat…en wat nou als… Een voorbeeld: geven de weersvoorspellingen  uitsluitend hoogzomerse temperaturen dan zie ik toch een onverwachte kille dag opdoemen. Zo kil dat de lange broek gewenst is. Dan zie ik het gebeuren dat iemand (anders) iets smerigs op die broek knoeit. Dus heb ik voor iedereen twee lange broeken mee. Ik krijg pas zin in vakantie als ik het getingel van de lege kledinghangertjes in de kast hoor en ik zeker weet dat van bikini tot bontgevoerde vestjes in de koffer zitten. In het gunstigste geval gaat driekwart van de kofferinhoud alleen maar heen en weer mee op vakantie en kan na afloop zo de kast weer in. Kortom ik ga over de koffers, de tasjes, de bakjes, de zakjes en de mandjes. Schat gaat over de auto…

Wegwezen dan maar. Het heeft altijd wel wat, met z’n allen op de Route du Soleil. Zo’n Route verbroedert. Want je rijdt een aardig tijdje met dezelfde auto’s/mensen op. Je haalt elkaar eens in. Je gluurt eens bij elkaar naar binnen. Je herkent elkaar na verloop van kilometers. Afgezien van de bumperklevende of rechts inhalende wegmisbruikers en de slingerende asocialen die heel sociaal zitten te facebooken, zijn er ook gezellige meerijders. De voortdurend met elkaar kletsers, de samen zwijgers, de dommelende knikkebollers, de gestreste let-jij-nou-es-op-die-kinderen-stellen, de van verveling eters, de constante rokers, de enthousiaste meezingers en de altijd aanwezige neuspeuteraars. We vormen een groep, een team, een bonte verzameling, een club, een peloton dat van weerszijden afstevent op Parijs!

Natuurlijk ga ik bij een file ook eerst de opstandige fase in: zuchten en blazen en geïrriteerd op mijn horloge kijken en denken: “Als die voorste nou eens gewoon doorrijdt hebben we er allemaal wat aan…!” Dan komt de berustende fase: “Tja, er valt niets aan te doen, dan komen we maar wat later aan.” En ten slotte de creatieve fase: “Wat zal ik eens gaan doen?”

Links naast ons rijdt een man alleen, met een fiets achterop en een schoon overhemd aan een haakje voor het achterzijraam. Een kantoormeneer die de laatste kilometer op de fiets gaat? Maar waarom is zijn overhemd een houthakkershemd? Leidt hij een dubbelleven? Achter deze man rijdt een jong meisje dat zich uitsluitend bemoeit met haar telefoon. Wat is er zo belangrijk? Of appt ze haar vriendje dat ze in de ###file staat en daardoor wat later komt? Rechts van ons rijdt een vrachtwagen. De chauffeur heeft zijn raampje open en er bungelt een arm met sigaret uit. Met zijn andere hand trommelt hij het ritme mee van een of ander levenslied. Weinig vlam in de pijp deze keer. Daar achter rijdt een echtpaar met een caravan. Hun eigen kleine huisje van geluk op wielen. Zij voert hem stukjes appel. Hij checkt de spiegels, ten overvloede.

Wij passeren elkaar gedurende uren, links en rechts, inhalen en ingehaald worden, alles met een slakkengangetje. Hé, er komt op rechts een nieuw iemand tussen. Even kijken. Voor het achterraampje verschijnt een rond chinees jongensgezichtje. Hij kijkt naar me. Hij kijkt nog eens goed. Hij wijst naar me en schiet dan in de lach. Hij draait zich om naar de andere inzittenden en roept iets, ondertussen steevast naar mij wijzend. Wij kunnen doorrijden en verliezen hen uit het oog. Maar niet voor lang. Intussen zijn er twee kindergezichtjes en één moedergezicht voor het raampje verschenen en zodra ze mij zien beginnen ze keihard te lachen. Het gaat over in de slappe lach, hikkend vallen ze tegen elkaar. Ik vraag mijn chauffeur of er iets op mijn neus zit. “Je klep”, is het enige antwoord. Ik laat mijn zonneklepje een paar keer heen en weer bewegen op mijn bril en oogst applaus! Aha!

Heerlijk met z’n allen onderweg.

 

Vergeten

(Dit verhaal heb ik ingestuurd voor de schrijfwedstrijd voor de Baarnse Literatuurprijs. Aangezien ik nog steeds niet precies weet wat literatuur is maar het wel bloedserieus vind klinken, krijg ik altijd de neiging dan juist een niet zo serieus verhaal te schrijven… Waarschijnlijk is dat ook de reden dat ik hiermee niet in de prijzen ben gevallen 🙂 )

Vergeten

Soms vraag ik mij wel eens af of mijn zus wel echt mijn zus is. Ons enige overduidelijke raakvlak is onze achternaam. Zij heeft echter alles keurig voor elkaar. Een knappe man. Bloedsaai, maar knap en hij verdient geld als water. Ze wonen in een prachtig huis met hun twee kinderen. Schatjes hoor, maar lijken iets te veel op hun vader, saai dus. Er bleek ook voldoende geld voor een huisje in het bos. De inrichting ervan lijkt precies op hun grote huis zodat ze niet misgrijpen of zich te veel moeten aanpassen. Gaap. Nou ja, nu hoef ik niet uit te leggen hoe mijn bestaan er uitziet.

Maar goed, daarnaast is hun hart groot genoeg om anderen te laten delen in hun riante leventje en daarom ben ik hier in hun boshuisje. Nu ik tussen twee banen in zit, heb ik alle tijd van de wereld om eens een dagje heerlijk uit te blazen. Bijkomen van het lezen van afwijzingen, van het opstapelen van lege pizzadozen, van het volgen van Netflixmarathons. Een hele heerlijke dag voor mezelf. Nou ja, van die hele dag is al een flink deel verloren gegaan aan de reis. De bus kwam te laat (tijd vergeten) en daardoor miste ik de trein en bij het laatste stukje lopen naar het huisje brak er een wieltje van mijn rolkoffer. Waarom een rolkoffer voor een dag, zul je denken. Maar hé, ik ben gewoon goed op alles voorbereid. Hoewel de inrichting van het huisje er toch iets anders uitziet dan ik dacht ben ik voornemens uitsluitend te genieten.

Mijn grote vriend, de zon, is er ook dus eerst maar eens lekker buiten lunchen. In het toch wel knusse designkeukentje maak ik een blad klaar. Ik leg mijn meegebrachte bammetje op een Wedgwood bordje, vind in de koelkast een aangebroken wit wijntje dat nodig op moet en doe verschillende stukjes fruit in een sierlijk schaaltje met een dekseltje. Ook van Wedgwood ja. Ik hijs me in een luchtig zomeroutfitje van mijn zus (short vergeten)en ga  met mijn blad in de luxe tuinstoel op het terras zitten. Verrukkelijk. O wacht, eerst even smeren anders verbrandt mijn poezelige huidje direct.  (olie vergeten) Ik zoek in de badkamer in alle kastjes. Hé wat is dat? Een zwangerschapstest? Sinds wanneer wil mijn zus een derde? Ik ren naar mijn telefoon, hier wil ik het mijne van weten. O ja, geen bereik hier in het bos. Terug in de badkamer vind ik de zonnebrandolie, waar ik me rijkelijk mee insmeer. Je kunt niet voorzichtig genoeg zijn. Snel weer naar mijn tuinstoel. Rinkeldekinkel!!! Het glas glipt uit mijn gladde handen. Nou ja zeg, dat zuiver kristal geeft net zoveel scherven als gewoon glas. Ik veeg ze snel onder tafel.

Even later zit ik met de wijn in een plastic kinderbekertje weer op mijn uitverkoren plekje. De boterham is intussen uitgedroogd en klinkt als een cracker. Zodra ik aan mijn fruit wil beginnen denk ik het te horen. Maar ik doe net of ik het niet hoor en eet stug door. Uiteindelijk kan ik er niet meer omheen: het zachte gezoem gaat over in oorverdovend gezoem en al snel zit mijn fruitbakje vol met wespen. Ik spring gillend overeind en gooi het bakje ver het bos in. Het sierlijke Wedgwood bakje (vergeten ja). De zwerm trapt erin en verdwijnt van het terras. En nu wil ik echt ontspannen, op een ligbed met zo’n extra dik kussen! Adem in, adem uit. Adem in, adem uit.

Al snel lig ik me te vervelen en zie dat mijn teennagels nog helemaal niet zomerproof zijn! Ik vind paarse glitterlak (lak vergeten) en een stel roze teenspreiders (gewaagd hoor zus). Dit moet lukken. Net als ik met de laatste teen bezig ben schiet ik uit en zie tot mijn grote afschuw een paarse veeg over de smetteloos witte tuinstoel. Wat nu? Even later loop ik op mijn hakken, met gespreide tenen, en zet op alle tuinstoelen op precies dezelfde plek een paars veegje. Eenheid, daar houdt mijn zus van. Nu lijkt het net een heel chique merk. Als de klus geklaard is verdien ik rust en iets lekkers. Ik vul het kinderbekertje bij, vind wat paperclips om mijn haar vast te zetten (speldjes vergeten) en besluit een verfrissend huidmaskertje aan te brengen. Er is zelfs verse komkommer om op mijn ogen te leggen. Hmmm eindelijk vrede…

‘Help! Help! Een monster!!!’ Een klein jongetje in een grote zwembroek staat op veilige afstand naar me te wijzen, ondertussen voortdurend achterom roepend. Steeds scheller klinkt zijn stem. Ik blijf verstijfd liggen, zeker wetend dat het afschuwelijke monster zich achter mij bevindt. Dan verschijnt naast het jongetje een man. Een leuke man zelfs. Hij komt me redden. Hij verslaat het monster. Hij zal blij zijn dat ik ongedeerd ben. Hij zal me ten huwelijk vragen. We zullen super lang en zo gelukkig leven.

‘Wat doet u in onze tuin en ons huisje?!’

’s Avonds om 11 uur ben ik weer  in mijn eigen huis. Ik ben versleten, kapot, verreisd en verbrand en bovenal vergeten waar alle tijd van de wereld gebleven is.

Gokje (4)

De zon piept door het gordijn in de slaapkamer van ouwe Gerrit. In zijn dromen danst hij een hartstochtelijke tango met buurvrouw Sylvia. Ze hangt aanhalig in zijn armen en kijkt hem bij tijd en wijle zo doordringend aan dat hij bijna uit de maat gaat. Maar hij stapt en springt, recht zijn rug en strekt zijn benen, draait staccato zijn hoofd en stampt met zijn hakken. Vanaf een tafeltje trekt hij een roos uit een vaasje die hij tussen zijn tanden klemt. Sylvia pakt de roos af en kriebelt hem ermee tegen zijn neus. En kriebelt en kriebelt. Als hij de roos wil wegslaan wordt Gerrit wakker en kijkt razendsnel opzij. Au, daar verdraait hij zijn nek toch bijna. Hij ziet op de wekker dat het al even na negen uur is. Hij springt uit bed, even later zit hij aangekleed en wel achter zijn eerste kopje koffie. Hij wrijft zijn grote knuist nog eens over zijn ogen. Die Sylvia, die kon er wat van hoor. Hij schudt zijn hoofd, wat een onzin vannacht.

Op deze waarschijnlijk laatste mooie dag van het seizoen moet hij maar gebruik maken van de situatie want het is de hoogste tijd de goten van de schuur schoon te maken. Gerrit zet de ladder zo stevig mogelijk tegen de muur. Een beetje wiebelig klimt hij naar boven. Bergen vol bladeren en kleine takjes veegt hij met zijn handen over de rand naar beneden. Dat veegt hij straks wel bij elkaar. Nu gebruikt hij de bezem om het deel van de goot schoon te maken dat buiten het bereik van zijn handen ligt. Opeens hoort hij een zacht gepiep. Nee hè, is het weer zover? Die eigenwijze kleine vogeltjes die veel te vroeg het nest verlaten en dan in zijn goot belanden. Daarvan ligt er vast weer eentje bij dat hoopje bladeren. Voorzichtig trekt Gerrit het piepende hoopje naar zich toe en pakt het met één hand vast. Met zijn andere hand aan de ladder klimt hij naar beneden. In de keuken staat nog een doos van zijn nieuwe laarzen en daar legt hij het vogeltje en de bladeren in. Nu eerst de rommel buiten opruimen.

Gerrit staat te vegen als hij zijn naam hoort noemen.’Gerrit! Hé hoor je me niet?’ Als hij verstrooid opkijkt ziet hij buurvrouw Sylvia aankomen. Hij verschiet van kleur en roept: ‘Ik wil niet met je dansen hoor!’ Sylvia schudt haar hoofd: ‘Malle man, ik ga toch zeker niet dansen. Ik vraag alleen maar of je ook een ijsje lust, het is best warm en je bent de hele morgen al zo druk.’ Dan ziet Gerrit dat ze hem een ijshoorntje toesteekt. Hij neemt het aarzelend aan. Vlug herpakt hij zich en vertelt van het vogeltje  in de goot. ‘Een klein vogeltje? Nu? In oktober? Wat raar!’, reageert Sylvia. Gerrit nodigt haar uit in zijn keuken.’Kijk zelf maar!’ Sylvia buigt zich over de doos en port wat in de bladerenhoop. Met een gilletje trekt ze haar hand snel terug. ‘Jij gemenerd! Kun je wel, een weerloze vrouw zo aan het schrikken maken. Ik zal jou nog es een ijsje komen brengen!’ Gerrit begrijpt even niet wat er aan de hand is. ‘Misschien moet jij je bril eens opzetten!’ Gerrit doet het en ziet dan dat er geen vogeltje in de doos zit maar een muis. Hij schaterlacht en pakt Sylvia bij haar middel. ‘Nu zie ik ook wat een mooie buurvrouw ik heb, zullen zij eens samen dansen?’ De muis kijkt over de rand en waagt de sprong. De dansende voeten ontwijkend vlucht hij naar buiten.