Boemerang

Was ik een aantal weken terug nog zeer in mijn nopjes dat ik op de longlist van uitgeverij LetterRijn terecht gekomen was…vorig weekend bereikte mij het bericht dat de shortlist een stap te ver voor me was. Jammer, een mens blijft toch hopen 😉 Drie jaar geleden haalde ik de deadline van hun jaarlijkse schrijfwedstrijd niet eens, twee jaar terug haalde ik  de deadline wel het maar daar bleef het bij, vorig jaar haalde ik de longlist, net als dit jaar. Er zit dus duidelijk progressie in! Laten we het daar op houden.

Het thema dit jaar was ‘Met de beste bedoelingen’. Iemand doet zijn uiterste best om iets goeds te doen maar de ondernomen actie pakt echter volledig verkeerd uit en het tegenovergestelde wordt bereikt. Om het spannend te houden moet er minstens één personage sterven binnen 3000 tot 4000 woorden.

Dit heb ik er van gemaakt.

Boemerang 

Ray van Vuuren zag het voor zijn ogen gebeuren.

Om inspiratie op te doen ging hij wel vaker een flink eind lopen in de stad. Bij voorkeur naar druk bezochte plekken waar hij mensen onopvallend kon bestuderen, om eventuele kenmerken te gebruiken voor personages in zijn boek. Sinds hij vorig jaar, tot zijn eigen verbazing, een bestseller had geschreven, had hij, tot nog grotere verbazing eigenlijk, ook een eigen literair agent aangenomen. Moniek, ‘zeg maar Moon’, bood zich destijds  spontaan aan voor deze functie, waar hij in eerste instantie nogal wat schamper tegenaan keek. Maar al snel had zij zich op diverse vlakken onmisbaar gemaakt. Hij was er van overtuigd dat vooral door haar toedoen Moordcollege al weken op de eerste plaats van de boekentop 10 stond. Zij had hem zelfs aangespoord zijn haar te laten groeien, wat hem een stoerder en daardoor aantrekkelijker imago zou verschaffen. Ze zorgde goed voor hem, wist wat hij nodig had, maar soms werd hij gek van haar gedram. Dan begreep ze niet dat hij eerst moest lopen, dat ze hem beter met rust kon laten als hij aan het lopen was. Ze belde hem nu al dagen achter elkaar om hem te herinneren aan de deadline van zijn tweede boek. ´Hoe ver ben je? Kan ik al wat lezen? Denk je wel aan de deadline?’

Hij volgde al een tijdje een slungelig meisje op het volle trottoir richting het station. Haar shirt was te groot, had geel en zwarte strepen en het lange haar hing nat op haar rug. Had zij laat gedoucht? Waarom? Opeens, zonder enige waarschuwing, zakte zij in elkaar. Omstanders weken uiteen, sommigen liepen haastig door, anderen bleven vertwijfeld staan. Ray aarzelde geen moment en knielde bij het meisje neer. Hij keek in een grijsgrauw gezicht dat van pijn vertrokken was, vochtig van transpiratie, de mond zoekend naar adem. Hij zag ook een baard, het lange haar had hem op het verkeerde been gezet. Haastig probeerde hij een oorzaak vast te stellen, het leek verdraaid veel op een hartaanval. Wat had hij daarover ook alweer geleerd? De ademhaling van het slachtoffer stokte. ‘Bel 112! Snel!’, riep hij tegen een vrouw met blauw haar, die toch al met haar telefoon in haar hand stond. Naarstig zocht hij zijn geheugen af naar het hoofdstuk reanimeren. Een luikje ging open en hij wist feilloos wat hij moest doen. Bij de mond-op-mondbeademing moest hij wel even iets overwinnen want het ringbaardje van de man die op de grond lag zag er nu niet bepaald aantrekkelijk uit. Er hing sowieso een penetrante geur om hem heen. Iets chemisch dat Ray zo snel niet kon thuisbrengen. Even verwenste hij Moon toen zijn halflange haar hem steeds in de weg hing. Maar een zwakke hartslag kwam terug. Voor hij er erg in had arriveerde er een ambulance en nam het personeel de patiënt over. De chauffeur sloeg hem nog op de schouder met de woorden: ’Bedankt man, je hebt hem waarschijnlijk gered!’ En net zo snel als de ambulance verschenen was verdween hij ook weer. Iedereen snelde weer door alsof er niets gebeurd was. Toen zag Ray een tas liggen. Een plastic boodschappentas waarvan hij zeker wist dat die van het slachtoffer was. Hij hield hem nog even omhoog wat natuurlijk geen enkele zin had. Hij besloot de tas mee te nemen en bij het ziekenhuis af te geven. Een kleine moeite.

Nee Moon, nog niet! Gegroet!’ Nog met zijn hoofd bij het voorval botst hij in de hal van het station tegen iemand op. Als hij opkijkt gebeuren er twee dingen tegelijk. Drie eigenlijk. De man waar hij tegenaan botst wil hem een flinke duw teruggeven en tegelijkertijd trekt er een andere man aan de gevonden tas.  Maar als plotseling links van de duwende man Rob en Els opduiken, die zijn naam luidkeels roepen, verdwijnen de twee mannen razend vlug in de menigte. ‘Hé Ray, hoe gaat het man, goed jou weer eens te zien.’ Rob slaat hem uitbundig op de schouder. Als Els hem kust en hem direct uitnodigt een hapje met hen te gaan eten, besluit hij de twee mannen te vergeten. Tijdens het nuttigen van een bord verantwoorde pasta wordt er gesproken over werk, deadlines, vakanties, huizen en heel voorzichtig over relaties. Ray stelt hen gerust door te vertellen dat hij nu echt de vrouw van zijn leven heeft gevonden in Juliette. De volgende afspraak moet beslist met z’n vieren. Het valt hem op dat Els regelmatig kucht. Als hij er naar vraagt bloost ze een beetje. ‘Sorry, keelirritatie, gevoelig voor luchtjes, ligt aan mij hoor!’, ze glimlacht verontschuldigend. Beschaamd haalt hij de gevonden boodschappentas onder tafel vandaan. ‘Waarschijnlijk ruik je dit!’, zegt hij. Als Els harder gaat hoesten is het bewijs geleverd. Ray stopt de tas snel weg en vertelt over de herkomst ervan. ‘Je hebt iemands leven gered!’, dweept Els. Zij overhandigt hem een ingewikkeld opgevouwen kunststof tas met een bont bloemenpatroon.‘Stop hem hier maar in, ik heb er toch zes van. Deze tas kun je afsluiten!’ Dankbaar maakt hij gebruik van haar aanbod en ritst de tas dicht.

Hij had er rekening mee moeten houden dat de late treinen niet zo vaak rijden, het is nu een stuk later geworden dan hij wilde. Maar hij moet ook toegeven dat het weer als vanouds gezellig was. Nadat hij Moon drie keer had weggedrukt had hij zijn telefoon helemaal uitgezet. Het is flink wat kouder geworden, huiverend zet hij de kraag van zijn jas op. Omdat het al zo laat is loopt hij alleen op straat, en hoort zo overduidelijk zijn eigen voetstappen dat het lijkt alsof er iemand achter hem loopt. Dat is natuurlijk niet het geval. Voor de zekerheid kijkt hij toch om. Tot zijn schrik ziet hij twee mensen zo’n twintig meter achter hem lopen. Hij kan niet veel meer zien dan een groot verschil in lengte. Zijn het de mannen van het station? Hij versnelt zijn pas en na een poosje kijkt hij nogmaals om. Niemand. Verbeeldde hij zich nou maar wat? De gebruikelijke route naar zijn huis via het park laat hij nu achterwege, liever blijf hij in het licht van de straatlantaarns. Vijf minuten later staat hij bij zijn voordeur. Man, wat is het hier donker, morgen gaat hij eerst de buitenlamp vervangen, en dan zal hij… Een hand op zijn mond beneemt hem bijna de adem. Een andere hand drukt hem hard tegen zijn eigen voordeur. Zijn rechterwang schuurt langs het hout. Zijn hart slaat sneller dan goed voor hem is. ‘Waar is het!’ hoort hij iemand sissen. De hand voor zijn mond verplaatst zich naar zijn nek. ‘Waar is wat?’, vraagt Ray stotterend. Hij probeert zijn hoofd te draaien maar wordt hardhandig tegengewerkt. ‘De tas, die je van straat hebt geraapt, die is van ons ja!’ Zijn brein maakt overuren terwijl zijn linkerhand de bedoelde tas omklemt. ‘De supermarkttas bedoel je?’, vraagt hij tijdrekkend. Met een smak wordt hij omgedraaid en zijn achterhoofd knalt tegen de deur. ‘Ja! Geef op!’ Een mes klikt open en de punt daarvan zwaait gevaarlijk dicht langs zijn keel. Zijn ogen vliegen angstig heen en weer tussen de twee mannen die hij nu herkent van het station. Wat moet hij doen? De tas geven of niet? Hij beslist in een seconde: ‘Die heb ik niet meer. Aan een verkoper van de  daklozenkrant gegeven. Die met die rode baard, die altijd voor het station staat!’ De twee mannen kijken elkaar snel aan. De kleinste maakt een hoofdbeweging en de ander klikt het mes dicht. Langzaam blaast Ray wat lucht uit en net als hij denkt hier goed weg te komen geeft de langste hem een ongenadig harde stomp in zijn maagstreek. Ray klapt dubbel en voelt dan de knie van de kleinste tegen zijn neus rammen. Zijn aanvallers laten hem liggen en maken zich uit de voeten met de woorden: ‘Als je liegt komen we terug!’ Zijn telefoon geeft 12 gemiste oproepjes van Moon aan.

‘Hey Juul lieverd, je moet vandaag maar niet komen hoor. Ik ben ziek.’ Ray probeert de pijn te verbijten.’Nee schatje, ik hoef geen verzorging of boodschappen. Blijf jij nou maar daar, ik wil niet dat jij ook buikloop krijgt. Dag, ik moet rennen.’ Hij laat zich op zijn bed terugvallen. Zijn hele hoofd bonkt en zijn neus in het bijzonder. De pijnstillers in combinatie met de genuttigde alcohol kregen hem toch in slaap vannacht. Nu probeert hij uit alle macht helder te krijgen wat er nu eigenlijk gebeurd was. De jongen met de hartaanval, de gevonden tas, de twee mannen, de klappen die hij kreeg. De tas! Waarom waren die mannen zo kien op die tas? Hij krijgt het gevoel dat daar wel eens een antwoord in kan zitten of anders wellicht een aanwijzing. Hij sleept zich naar de gang waar de tas nog ligt en neemt hem mee naar de keuken. Als hij de gebloemde tas opent ruikt hij onmiddellijk  de scherpe lucht weer. Chloor, weet hij opeens, het ruikt naar chloor. Hij opent de supermarkttas en haalt de inhoud tevoorschijn. Een opgerold, nog vochtig badlaken, een zwembroek en een blauw plastic hoesje met een rits. Als zijn gekneusde lijf niet zo´n pijn deed zou hij hard lachen. Is dit waar die twee op uit waren? Heeft hij deze rommel met gevaar voor eigen leven verdedigd? Hij pakt het badlaken beet met de bedoeling het weer terug te stoppen in de tas als er iets uitrolt en op de grond valt. Een pistool. Een zwart pistool in zijn keuken! Even kijkt hij of hij water ziet branden. Dan pakt hij het op en is verbaasd door het gewicht. Met zijn hand om de kolf, zijn vinger op de trekker, richt hij op de koelkast en zegt zachtjes: ‘Pang!’ Als hij het ding weer vlug in het badlaken wil rollen ziet hij twee gaten in de dikke stof. Kogelgaten? Nog sneller stopt hij het terug in de tas. De zwembroek schudt hij voor de zekerheid ook maar uit alsof er in dat kleine kledingstuk een doos patronen verstopt zou zitten. Dan ritst hij het blauwe hoesje open. Hij ziet geld, veel geld en een stukje wit  papier. Na telling blijkt het om €5000 te gaan en op het witte papiertje staat: Fahrenheitstraat 46. Waar is hij in vredesnaam in terecht gekomen? Hij haalt vertwijfeld zijn hand door zijn lange haar. ‘Ja Moon, ik heb inspiratie voor tien vandaag! Als jij me nou niet steeds belt kan ik meters maken! Ophouden nu!’

Na een flinke dosis cafeïne concludeert Ray dat hij drie opties heeft. Of hij gaat rechtstreeks naar de politie en laat hen het uitzoeken, òf hij gaat naar het ziekenhuis en dropt daar de tas zo snel mogelijk bij de eigenaar òf hij gaat kijken wat er zich op het adres van het witte papiertje bevindt. En dan nog iets: dat geld. Opperde Juliette laatst niet een reisje naar Bali? Zijn badkamer is dringend aan vervanging toe. Maar hoe zit het met zijn twee achtervolgers? Die hebben dus duidelijk een idee van wat er in de tas zit. Zullen ze echt terugkomen? Om het geld of om het wapen? Opeens krijgt hij haast en hij neemt een besluit. Hij zal via de Fahrenheitstraat naar het ziekenhuis gaan. Zijn nieuwsgierigheid wint het. De plastic tas stopt hij wederom in de gebloemde tas, die truc werkt prima. Zijn blik speurt de straat af en als hij niets verdachts ziet snelt hij naar zijn auto. Tijdens het rijden houdt hij zijn achteruitkijkspiegel in de gaten. Even later draait hij de Fahrenheitstraat in. Aha! Op nummer 46 bevindt zich het zwembad ‘De spetter’. De chloorlucht is hiermee verklaard. Ray stapt toch uit en loopt de hal van het zwembad binnen. Het bevreemdt hem dat hij de enige bezoeker is. Het hokje waar een kassamedewerker hoort te zitten is leeg. Ray loopt verder, zijn voetstap weerklinkt op de harde tegels en hij houdt stil voor een grote glazen ruit. Vandaar ziet hij dat de baden leeg zijn. De zon schijnt door de hoge ramen en geeft bizarre weerspiegelingen in het water dat zachtjes beweegt. ‘Kan ik u helpen?’, hoort hij opeens achter zich. Hij draait zich zo snel om dat een kleine duizeling hem overvalt. Een stevige dame op gifgroene slippers, gewapend met een dweil op een stok, staart hem aan. ‘We zijn gesloten hoor’, vervolgt de vrouw iets minder argwanend. Ray laat zich op een stoel zakken en veegt zijn haar achter zijn oren. ‘Hoe dat zo?’ De vrouw heeft weinig aansporing nodig. ‘Ja, we moesten zoveel opruimen. Geeft een hoop smurrie hoor als ze iemand overhoop schieten. Weet u hoe rap dat bad leeg was gister? En een gegil joh! Van de dader geen enkel spoor natuurlijk. Ik zei gisteravond nog tegen Henk, mijn man, op zich best slim eigenlijk om het in een zwembad te doen, want het is hier altijd zo’n gekrioel dat je hartstikke snel weg bent. Nee, geloof mij, die gaan we niet meer vinden. Voor het slachtoffer evenzogoed zielig want die kan niks meer navertellen. U heeft trouwens ook wat meegemaakt?’ Ray verschuift ongemakkelijk op zijn stoel. ‘Die neus van u!’, ze wijst met de stok. ‘O dat! Ongelukje. Ik ga maar weer eens. Tot ziens.’ Meer struikelend dan lopend verlaat hij het zwembad. De vrouw schudt haar hoofd en dweilt verder.

In zijn auto wrijft Ray over zijn ogen en haalt een paar maal diep adem. Zijn neus doet zeer en de spanning beheerst zijn al zijn spieren. In het handschoenenvakje moeten nog wat pijnstillers liggen. Hij buigt kermend naar voren en steekt zijn hand diep in het vakje. Dan geeft hij een schreeuw als er een flinke dreun op zijn auto wordt gegeven. In een deel van een seconde flitst het door zijn hoofd dat de mannen terug zijn. Het portier wordt opengerukt en Ray doet zijn armen in een reflex beschermend over zijn hoofd. ‘Rustig maar hoor,’ klinkt een bekende stem,’Je bent je tas vergeten!’ De vrouw met de groene slippers gooit de tas rakelings voor zijn gezicht langs op de bijrijderstoel.

Bij het ziekenhuis valt het niet mee een parkeerplek te vinden. Ray gaat brutaal op een artsenplaats staan. Hij staat verbaasd van zichzelf, is hij nu ook al asociaal? Maar hij moet van die tas af en snel ook en dan alles snel vergeten, gewoon weer zijn oude leventje oppakken. ‘Waar ben je, sta voor je deur. Bel me terug!!! Moon.’ Bij de balie wordt hij direct al tegengewerkt. Nee, hij weet geen naam, en nee, hij is geen familie. ‘Dan kan ik niks voor u doen meneer.’ zegt het meisje resoluut. Ray draait zich om en loopt vastberaden richting de koffiehoek. Vlak daarvoor schiet hij naar rechts een gang in. Gelukkig hangen overal plattegronden van het immense ziekenhuis en al snel weet hij waar de Spoedeisende Hulp zich bevindt. Daar treft hij een oververmoeide dame die hem klakkeloos de informatie verschaft die hij hebben moet, nadat hij verklaard heeft familie te zijn. ‘Ach, voor ik het vergeet,’ zegt Ray,’mijn neef denkt vaak dat hij grappig is en geeft dan een andere naam op, welke gebruikt hij nu?’ Met de juiste naam begeeft hij zich naar de hartafdeling. Alsof hij precies weet wat hij doet loopt hij de gangen door, intussen spiedend op elk naambordje naast de deur van elke kamer. Bij de juiste naam kijkt hij nog eens links en rechts de gang in en drukt dan de deurkruk naar beneden. In het bed herkent hij de jongeman, die er roerloos bij ligt. Aan een haakje hangt het shirt met gele en zwarte strepen. De machines boven hem piepen met een zekere regelmaat. Wat nu? De tas hier laten? Hem wakker maken? Voordat Ray met een idee komt zwaait de deur open en een vlotte verpleegster stapt naar binnen. Ze draait zich om en zegt tegen iemand op de gang: ‘O, ik zie dat er al bezoek is!’ Dan draait ze zich naar Ray. ‘U bent ook familie? Er staan hier twee neven die ook even willen kijken. Zou u zo vriendelijk willen zijn…?’ ‘Natuurlijk!’, zegt Ray vlug en haast zich de kamer uit. Daar botst hij tegen zijn twee belagers aan. Even zijn ze alle drie met stomheid geslagen. De kleinste herpakt zich het snelst. Vlug pakt hij Ray bij de arm en roept: ‘Hey neef! Zullen wij anders eerst even koffie drinken?’ Met een hoofdbeweging naar de kamer: ‘Die slaapt toch nog een tijdje.’ De lange heeft het spel door en pakt Ray bij de andere arm, slaat hem uitbundig op de schouder en zegt: ‘Hoe gaat het nou gozer?’ Ze sleuren hem zowat de gang door. Bij de eerste de beste bocht gaat er ergens een alarm af en in mum van tijd is de gang vol met rennend verplegend personeel. Een grote donkere vrouw duwt een crashcar voor zich uit. Ray maakt gebruik van de verwarring die ontstaat, wringt zich los en begint te rennen alsof zijn leven er van afhangt. Wat waarschijnlijk ook zo is. Hij weet zelfs ongezien in het trappenhuis te komen. Hijgend en met pijn in zijn zij moet hij snel beslissen, naar boven of naar beneden?

Bizar hoe snel een mens in tijd van stress toch een keuze weet te maken. Door met drie treden tegelijk naar beneden te vliegen lukt het Ray te ontsnappen aan zijn achtervolgers. Hij springt in zijn auto. De parkeerboete laat hij verfrommeld achter. Als een bezetene rijdt hij naar zijn huis. Er vanuit gaande dat de twee mannen hem nog zoeken, propt hij binnen wat kleding in een sporttas, hier kan hij niet meer blijven. Koortsachtig probeert hij te bedenken waar hij naar toe moet gaan. Peter! Wellicht kan hij daar een tijdje blijven. Net als hij het nummer van Peter wil intoetsen belt Moon hem. Hij wil ook geen argwaan wekken dus neemt hij op. ‘Waar ben je!!! Ik probeer je al de hele dag te bereiken man! Ik moet je dringend spreken. Kom nu naar mijn kantoor! Nu!!!’ Hij bedenkt dat een bezoekje aan haar de verhitte gemoederen wat kan bedaren en belooft er binnen tien minuten te zijn. ‘Hè, hè!’, klaagt Moniek en trekt hem naar binnen, ‘Zitten jij! Jeetje Ray, wat zie jij eruit! Nou, dat verklaar je straks maar. Eerst vertel je me luid en duidelijk wat je allemaal gedaan hebt gisteren!’ Ray zucht: ‘Weet ik veel, niets bijzonder waarschijnlijk. Luister Moon, ik doe mijn uiterste best maar als jij zo aan mij twijfelt werkt dat averechts natuurlijk. Mag ik nu weg ik heb een afspraak met…’ ‘Noem het maar niets bijzonders!’, valt ze hem lachend in de reden. Moniek die lacht? Wat is hier aan de hand? Ze smijt hem een krant voor zijn neus en dan ziet hij zichzelf gebogen over een figuur met een geel en zwart gestreept shirt. ‘Geen mis- maar goede daad’ staat er boven. Slechte kop, denkt Ray nog. ‘Blijf zitten!’, gebiedt ze als de bel gaat, om even later te roepen, ‘Hier is hij!’ Ray draait zich om en kijkt recht in het gezicht van een politieagent. Het zweet breekt hem aan alle kanten uit. Zijn keel voelt gortdroog aan. Zijn linkerknie trilt. Zijn hartslag resoneert in zijn oren. ‘Luister goed sukkel!’, zegt Moniek en ze gaat met een scheve glimlach op haar bureau zitten. ‘Tja, eh…’, de agent schraapt zijn keel, ‘Meneer van Vuuren, ik kom u bedanken! U heeft ons namelijk een grote eer bewezen gister. U heeft het leven gered van Benny de Booij. Wij waren al een flinke tijd op zoek naar dit fraaie heerschap als ontbrekende schakel in een groter misdaadnetwerk. ’ Hij steekt zijn rechterhand uit naar Ray.

Gebeurt dit echt? Hij krijgt een compliment van een politieagent terwijl hij met een pistool op schoot zit. En waarschijnlijk ook nog met de gage van een huurmoordenaar. Hij probeert nog: ’Het leven van wie? En hoe weet u dit allemaal?’, dan op de krant wijzend, ‘En hoe kan dit dan?’ ‘Tja, na Moordcollege zijn er meer mensen die u kennen dan andersom waarschijnlijk. Een vrouwelijke fan heeft u herkend, u sommeerde haar 112 te bellen.’ Helder ziet Ray de vrouw met het blauwe haar voor zich en realiseert zich nu dat ze aan het filmen was. Moniek is door het dolle, ziet dit als een geweldige publiciteitstunt. De agent vervolgt: ‘We zijn er zeker van dat hij met de zwembadmoord te maken heeft die gisteren plaatsvond, maar krijgen het bewijs nog niet helemaal rond.’ Er giert een korte maar hevige wervelwind in het brein van Ray, maar dan zegt hij: ‘Misschien kan ik u hierbij van dienst zijn. Hier is de tas die het slachtoffer achterliet. Ik weet niet wat er in zit en u moet me geloven dat ik van plan was deze af te leveren bij het bureau.’ Moniek gilt bijna: ‘Ray! Wat heb je allemaal uitgevreten! Het wordt steeds mooier! Ik ga Matthijs even bellen voor vanavond, dan kun je daarna door naar Eva!’ De houding van de agent is opeens veranderd. Hij kijkt Ray strak aan: ‘Heeft u de inhoud bekeken?’ ‘Vluchtig, het …eh…stonk nogal!’ De agent neemt de tas over en verlaat het kantoor met de woorden: ‘Ik verzoek u met niemand over deze tas te praten!’ Ray knikt, steekt twee vingers op en zegt: ‘Erewoord.’ Hij zakt, opeens doodmoe, achterover in de stoel. Moniek laat energiek allerlei plannen op hem los maar hij hoort het niet. Hij kan alleen maar denken. Dit was het? Afgelopen nu? Was het de juiste beslissing? Hij heeft toch zeker nergens mee te maken? Wie zal er kraaien naar die duizend euro?

Drie maanden later staat er een opmerkelijk bericht inde krant:

Schrijver Ray van Vuuren is vanmorgen in voorlopige hechtenis genomen door de politie. Hem wordt betrokkenheid verweten bij de zwembadmoord vorige maand in zwembad de Spetter. Verschillende getuigen zijn gehoord. Een aldaar werkende schoonmaakster heeft verdachte daags na de moord verward aangetroffen in het afgesloten gebouw. Verplegend personeel in het plaatselijke ziekenhuis bevestigen valse voorwendselen omtrent familiebanden. Maar overduidelijk waren de vingerafdrukken op het wapen en op de drieduizend euro in de tas,  die in het bezit was van verdachte. De rol van zijn literair agent M. ten Haaften zal hangende het vervolgonderzoek duidelijkheid verschaffen. Deel 2 van Moordcollege wordt voorlopig uitgesteld.

 

 

 

 

 

 

 

 

Advertenties

4 gedachten over “Boemerang

Laat een reactie achter op Darling Doormat Reactie annuleren

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s