Maandelijks archief: februari 2019

Op straat (4)

Dit vond ik…

En dit ging er aan vooraf…

Bertram Wilhelmus Joep  van den Berg was altijd al een bijzonder kind. Door een lichte oogafwijking had hij op jonge leeftijd een brilletje, hetgeen hem al op zijn vijfde het uiterlijk van een professor gaf. Niet alleen zijn uiterlijk, vooral zijn uitgebreide woordenschat en de toepassing daarvan deden regelmatig menig wenkbrauw fronsen. Hij ging elke twee weken met een kruiwagen naar de bibliotheek om een nieuwe lading boeken te halen. Alle informatie dronk hij gulzig in en sloeg het vervolgens, om nooit meer te vergeten, op in zijn interne geheugen. Studenten waren graag bevriend met hem in tijden van examens en het schijnt dat hij onder de naam A.L. Weter in de mobiel van de minister president stond. Niemand keek er dan ook echt van op dat hij uitvinder werd toen hij groot was. Hij vond de meest wonderlijke dingen uit. Dingen waarvan zelfs niemand wist waar het voor diende! Niemand deed hem dat na. En laat ik nu zo’n DING gevonden hebben?!Het lag zomaar midden op de stoep. Ik liep langs en dacht: ‘Hè, een ding..’ Toen ik nog eens keek dacht ik: ‘Hè dit lijkt wel een Bertram-Wilhelmus-Joep-van-den-Berg-ding!!!’ Je ziet dat het met liefde en aandacht gemaakt is, zonder dat je het doel herkent. Het is niet helemaal mijn ding zo’n ding, het lijkt me ook geen echt hebbeding, maar daar ga ik geen ding van maken natuurlijk. ’t Is natuurlijk wel een dingetje wat je met dat ding moet, ik zou het onder geen beding een onding willen noemen, maar hé, ieder zijn ding hè. Zoals Bertram zijn ding deed!

 

Advertenties

Niet nu

Verzamelen, ik ben er gek op. Martine Bijl beschreef het eens als volgt: “Ik had een schattig hondenbeeldje en kreeg van iemand een ander maar net zo schattig hondenbeeldje voor mijn verjaardag. Toen kocht ik op een markt een derde en opeens had ik een verzameling.”

Ja ja, we moeten ontspullen! Maar van wie eigenlijk? Als ik daar nou blij van word? Daarbij, ik koop weinig nieuws, doe meer aan recycling en ruilhandel. Help anderen van hun spullen af, lekker maatschappelijk verantwoord bezig, toch?

Het enige dat best lastig is te krijgen is moed. Ik wil zo graag moed verzamelen. Moed om dingen te kunnen doen die ik zonder moed niet kan (lees durf). Moed om bepaalde dingen te kunnen (lees durven) zeggen. Waar is die moedmarkt?

Dan zou ik best durven vragen of er ook kaarsvaasjes in het groen zijn zonder bang te zijn er een heel raar woord van te maken…

Dan zou ik best durven vragen waar Alpaca spuug naar ruikt…

Dan zou ik het gewoon doen: het onderste doosje er tussenuit wurmen 🙂

Maar ja, eerst nog maar even sparen…

Slingers (3)

Slingers (3)

Deze week is het wat minder winters maar de toegangsdeuren van het woonzorgcentrum staan nog op de winterstand. Het zijn twee automatische schuifdeuren met daar tussenin een soort sluisje, zodat de kou niet direct naar binnen slaat en de warmte niet direct naar buiten. De ene deur gaat pas open als de andere dicht is. Je begrijpt dat ouderen niet zo hard meer lopen en de deuren dusdanig zijn afgestemd dat er niemand klem komt te zitten. Voor mij, de kwieke vrijwilligster, duurt de tijd tussen beide deuren best wel lang.

Gistermorgen, op weg naar huis, net te laat voor de eerste deur. Ik sta met mijn winterjas hoog dicht, sjaal om, wantjes aan, tas om de schouder in de hal te wachten tot de deur opengaat. Mevrouw X is net door de tweede deur en staat dus buiten. Wat zij niet in de gaten heeft is dat ze nog in het ‘oog’ van de deur staat en die gaat niet dicht zolang zij daar blijft staan. Daar herinnert zij zich dat haar sleutels niet in het juiste vakje van haar tas zitten. Ze grabbelt en grabbelt en vindt uiteindelijk wat ze zocht. Dan is ze toch benauwd niet voldoende geld bij zich te hebben. ‘Beter eerst geteld dan voor niks bij de kassa staan’ denkt ze en zoekt haar portemonnee. Ze grabbelt en grabbelt. Hebbes. Ze telt, knikt en doet de beurs weer terug. Dan steekt ze haar hand uit. Regent het nu? Dan kan ze beter een regenkapje opdoen want anders is het zonde van de kapper. Ze grabbelt en grabbelt. Ik probeer in te stralen dat ze twee stappen naar voren moet doen zodat de buitendeur dicht kan en mijn binnendeur open. Intussen heb ik het zo warm met mijn jas, sjaal en wantjes…  Het regenkapje is ingenieus opgevouwen maar zit uiteindelijk toch op haar hoofd. Ze kijkt vooruit en lijkt te denken ‘wat ging ik ook alweer doen?’ Dan komt er een meneer aan die ze kent, denk ik want ze steekt haar hand op. Hij zegt iets, ze kan hem niet goed verstaan en loopt twee stappen naar voren… Yes, eindelijk! Ik spring naar buiten en snuif dankbaar de frisse lucht op.

Intussen had ik wel alle tijd om deze poster te lezen…

Een taalliefhebber heeft de ‘w’ al toegevoegd in de laatste regel. Maar er zit nog een fout in die ik nu heel zeker weet: de sluisdeuren functioneren wel degelijk afhankelijk van elkaar….!!!

Op straat (3)

Dit vond ik.

Dit ging er aan vooraf….

 

Ik snuit luidruchtig mijn neus, mijn broer veegt een traan van zijn wang. ‘Nou, kom op!’ zeg ik en sta resoluut op. Mijn broer blijft zitten en schraapt zijn keel. ‘Eh…Els, als het jou hetzelfde is wacht ik liever nog even op Simone.’  Ik trek mijn wenkbrauwen op, slik een bitse opmerking in en knik dan instemmend.  Ik heb het niet zo op mijn schoonzus. Simone met haar altijd onberispelijke kapsel, haar immer keurige kleding met nauwkeurig bijpassende accessoires, haar eeuwig afkeurende blik richting mij. Om me een houding te geven trek ik me terug in het kleine keukentje van ons ouderlijk huis. Ik open en sluit doelloos wat deurtjes. Mijn ogen glijden liefkozend over de oude theepot met het dikwijls gelijmde oor. Van een nieuwe wilde moeder niet weten. Ik zie een stapeltje keurig gestreken en gevouwen theedoeken. ‘Altijd de hoekjes naar binnen doen hè, zo hou je de kast netjes!’, hoor ik haar nog zeggen. Een foto van vader staat tussen de pannen. Zoals in elke kamer van het huis een foto van hem te vinden is. Dat vond moeder gezellig.

‘Hoi, laten we maar snel beginnen. Ik kan het overleg van 15.00 uur niet missen!’, stormt Simone de woonkamer binnen. Ik kijk op mijn horloge en reken snel uit dat het in tijd van  een half uur moet gebeuren. ‘Ik stel voor’, zegt ze, ‘dat Els de hele inboedel neemt, ik de sieraden, dat zal qua waarde elkaar niet veel ontlopen en samen delen we de opbrengst van het huis. Ik ben voor!’ En ze steekt daarbij haar hand op. Ik kijk naar mijn broer en zie dat hij mijn blik ontwijkt. Daaruit maak ik op dat ze dit thuis al besproken hebben. ‘En wat doen we met de verzameling?’, vraag ik. Simone werpt een giftige blik op mijn broer, ze was het duidelijk vergeten, en reageert snel: ‘Die hoort bij de sieraden!’ Ik haal diep adem, mijn hoofd is wollig, mijn hart verdrietig, ik ben zo eindeloos moe. ‘Prima’, hoor ik mezelf zeggen, ’Zal ik het voor jullie opzoeken en inpakken, dan kun je het morgen ophalen?’ Simone kijkt op haar horloge, staat op en roept gehaast: ‘Top, tot morgen!’ Mijn broer staat één seconde in tweestrijd maar kiest het hazenpad en stapt even later bij zijn vrouw in de auto.

Dan ben ik alleen in het huis. Het huis waar we zijn opgegroeid en waar ik jarenlang mantelzorg verleend heb . Eerst bij mijn vader, later ook bij mijn moeder. Jarenlang heb ik boodschappen gesjouwd, doktersafspraken geregeld, ziekenhuisbezoeken afgelegd, bedden verschoond, kleding gewassen en gestreken en de altijd beschikbare chauffeur gespeeld. Met liefde overigens, maar het was zoveel fijner geweest dit te kunnen delen met mijn broer en schoonzusje. Maar ze waren altijd ‘druk’ en konden ‘onmogelijk’ tijd vrijmaken. En nu wil Simone dus de sieraden en de verzameling. Oké, prima! Ik loop naar de slaapkamer om het sieradendoosje te halen en daarna naar zolder om de dozen te pakken. Elk jaar kreeg ze van vader op hun huwelijksdag een antieke kerstbal, met een indrukwekkende verzameling van 44 stuks als resultaat.

De volgende dag staat Simone op tijd voor de deur. Ik overhandig haar een plastic tas. ‘O ja Simone, ik kon niet alle sieraden vinden. Ik denk dat moeder ze verloren heeft of zo, ze was zoveel kwijt de laatste tijd. Misschien heeft ze ze wel weggegeven, kan ook nog. Maar wat ik nog vond zit er in hoor. En wat betreft de verzameling, ik heb er nog wat plastic balletjes bijgedaan die ze altijd in de kerststukjes deed, dan heb je het compleet, oké?’ Simone kijkt me bedenkelijk aan maar besluit er niet op in te gaan en grist de tas uit mijn handen. Ik loop de woonkamer in en ga voor het raam staan. Dan zie ik het gebeuren! Een handvat van de tas breekt af en de kostbare ballen vallen in scherven op de stoep. Hoe kan dat nou? Een plastic zilverkleurig balletje weet te ontsnappen en rolt vrolijk over de stoep.

Dialoog

Hoezee, de eerste van dit jaar! 

Een dialogenschrijfwedstrijd georganiseerd door uitgeverij Ambilicious mondde uit in een plekje in deze bundel. De opdracht was een dialoog te schrijven van maximaal 233 woorden, inclusief de titel en 75% van de tekst dient gesproken tekst te zijn. Het eindigde in heel veel schrappen, 233 woorden is echt niet veel. Met dit resultaat. Bedenk dat de laatste twee zinnen op een volgende bladzijde staan…mooi effect 😉

Dialoog

Een waterig zonnetje breekt door. Bezoekers nemen plaats op houten bankjes. Anderen blijven staan, drinken iets uit een plastic bekertje. Kinderen rennen rond en vergapen zich aan de grote trofeeën. Vrolijke muziek klinkt krakend uit de luidsprekers.

‘Hoi.’

‘Goedenavond.’

‘Druk hè.’

‘Zeker.’

‘Ken jij iedereen?’

‘Nee, u wel?’

‘Nee joh, maar die daar heeft wel twee hele grote zeg!’

‘Enorm.’

‘Zou dat echt zijn?’

‘Waarom niet.’

‘Zo groot?’

‘Nou, u ziet het.’

‘Heb ik thuis niet hoor.’

‘Ligt waarschijnlijk aan de voeding.’

‘Denk je?’

‘Vroeger zag je ze niet zo.’

‘Misschien een stukje revolutie.’

‘Evolutie bedoelt u.’

‘Ja natuurlijk. Ik ga het gewoon vragen.’

‘Ho, ho, dat mag niet hè.’

‘Hoezo niet?’

‘Voorkennis van de jury.’

‘Nou ja zeg, een praatje mag toch wel?’

‘Natuurlijk, maar dan wordt u gediskwalificeerd.’

‘Dan loop ik die poen ook mis zeker. Oké, ik blijf wel zitten.’

‘Verstandig. Let op, daar begint de eerste ronde.’

‘Kijk nou, ze loopt voorop! Wat een joekels zeg.’

Beide heren kennen de dame met de grote Newfoundlanders hoge punten toe. Uiteindelijk zal ze de eerste prijs winnen op de jaarlijkse hondententoonstelling.

 

Tot de dood

(Mijn bijdrage aan de schrijfwedstrijd van Schrijven online kan ik gerust hier plaatsen want ik zit niet bij de winnende verhalen. De opdracht was een verhaal van maximaal 500 woorden  te schrijven over een bruiloft. Het mocht alle kanten opgaan en gevraagd werd vooral alle clichés vermijden. Ik dacht een originele invalshoek te hebben gevonden…)

Tot de dood

´Je bent echt prachtig!´, zei ik. Ik ging achter de bruid staan en samen keken we naar het spiegelbeeld. De jonge vrouw in het glanzende wit en ik, de oude vrouw, in het matte zwart. Een grotere tegenstelling was niet denkbaar. ´Zul je goed voor mijn zoon zijn Colette?’, vroeg ik. De bruid knikte en in haar stralende ogen lag een belofte. ‘Hij is alles wat ik heb…’, zuchtte ik. Colette draaide zich om en omhelsde me. Ik maakte me los en keek haar  aan. ‘Ik heb nog iets voor je, het enige dat nog ontbreekt deze dag.’ Colette trok haar wenkbrauwen op. Ik haalde uit mijn zwarte handtas een donkerrood doosje. Toen ik het opende hield Colette haar adem in en haar ogen vlogen heen en weer tussen mij en de inhoud van het doosje. Op de crèmekleurige zijde lag een druppelvormige smaragd aan een ragfijn gouden kettinkje. Hij was zo geslepen dat het licht aan alle kanten weerkaatste. Ik zei: ‘Nu jij lid wordt van onze familie heb je ook recht op onze familiejuwelen. Ik zou het een eer vinden als je deze zou willen dragen vandaag.’ Colette knikte heftig en draaide haar rug naar me toe. Ik legde mijn handen om haar slanke nek en liet ze daar even rusten. Ik sloot voor een moment mijn ogen, slikte mijn woede weg en maakte de ketting vast. ‘Je bent echt prachtig!’, zei ik nogmaals.

Ik liet haar achter in de logeerkamer en ging op zoek naar mijn zoon. Hij is mijn alles, mijn reden tot opstaan elke dag. Ik weet exact wat hij nodig heeft, ik ken hem immers zijn hele leven. Ik weet wat hij wil en kan. Waar hij vrolijk van wordt of verdrietig.  Dit laatste zie ik niet graag en daar bescherm ik hem voor. Zoals ik hem bescherm tegen dat onaangename wicht , Colette. Zij probeert hem voor zich te winnen met haar berekende houding. Ze geeft hem het idee dat hij haar wereld is maar ze bedoelt zijn geld. Van ons familiekapitaal zal binnen afzienbare tijd weinig tot niets meer overblijven. Hij ziet het niet. Maar ik zal hem helpen, heel subtiel, zodat hij weer huilend op zoek naar bescherming in mijn armen valt.

Alles is anders gelopen. Nadat hij haar dood had aangetroffen in de logeerkamer en ik hem in mijn armen wilde nemen om hem te troosten wees hij me ruw af. ‘Wat heb je gedaan!’, siste hij woedend tegen me. Hij hield de smaragd voor mijn ogen. ‘Jij hebt haar de Traan gegeven terwijl je weet dat hij ongeluk brengt. Nadat tante Odile was overleden zou niemand hem ooit nog dragen en jij geeft hem aan de vrouw waar ik zielsveel van houd! Welke moeder doet zoiets. Jij bent geen moeder! Maar je hebt je zin, de bruiloft gaat niet door. Ga jij het maar eens haarfijn uitleggen aan alle gasten. Ik wacht beneden op je. Maar eerst dit.’ Hij deed me de ketting om.

( Als algemene feedback kregen de deelnemers van de schrijfwedstrijd te horen dat er een overvloed aan dode bruidjes was… 🤣  Zo origineel was ik dus helemaal niet!)