Maandelijks archief: september 2018

Zevelientje

Dit verhaal heb ik ingestuurd voor de schrijfwedstrijd van Schrijverspunt: schrijf een sprookje. Het moet leuk en grappig zijn voor kinderen van 5 tot 10 jaar en het moet voorgelezen kunnen worden en mag dus niet meer dan 750 woorden bevatten. Persoonlijk vind ik de leeftijdsgroep wat aan de grote kant…maar de uitdaging is leuk!)

Er was eens een klein meisje. Zij woonde in een paars huisje achter de derde heuvel buiten het dorp. Omdat zeven haar lievelingsgetal was noemde zij zichzelf Zevelientje. Ze had prachtig lang haar waarvan ze elke morgen zeven dikke vlechten maakte. Daarna kookte ze zeven eitjes die ze met een klein beetje suiker in zeven happen opat. Daarna deed ze haar jas met zeven knopen aan en huppelde naar het dorp. Misschien konden de mensen haar hulp vandaag wel gebruiken, want mensen helpen deed ze het liefst.

Onderweg kwam Zevelientje een oud mannetje tegen, die tien zware boodschappentassen tegelijk probeerde te dragen, maar telkens liet hij er drie vallen. Zevelientje droeg de drie tassen helemaal naar zijn huis. Een jongen met een geruite pet op riep: “Help!”, want zijn fiets ging alleen maar achteruit. Zevelientje zette de jongen achterstevoren op zijn fiets en hup, hij ging weer vooruit. Ze hielp ook nog een hond met buikpijn, een meisje met te kleine schoenen en een dakloze slak. En zo hielp Zevelientje zeven keer per dag.

Op een dag was het heel druk in het dorp. Alle mensen stonden op straat met elkaar te praten. Ze keken bang. Zevelientje vroeg wat er aan de hand was. “Er is een reus in het bos! En die reus is heel erg hebberig. Hij wil het hele bos voor zichzelf hebben en nu moeten wij verhuizen of anders…” “Of anders wat?”, vroeg Zevelientje. “Anders gaat hij op onze huizen staan! En waar moeten we dan wonen?” “Zal ik helpen?”, vroeg Zevelientje. “Nee, hier ben jij veel te klein voor!”, zeiden de grote mensen. Ze gingen in een kring staan om een plan te maken. Maar dat was nog niet zo makkelijk. Wat doe je tegen een reus? Zevelientje probeerde nog eens: “Zal ik helpen? Ik weet zeven toverspreuken!” De dorpsbewoners wisten het ook niet meer, haalden hun schouders op en zeiden: “Vooruit, probeer jij het maar.”

Toen de reus die middag dichtbij het dorp kwam riep Zevelientje :

“Toverspreuk 1: stoot je teen!”

Het werkte! Hij  jammerde van de pijn: “Au, au, au!” De reus stond op één voet rond te hupsen terwijl hij zijn andere voet met twee handen vasthield. De dorpsbewoners glimlachten voorzichtig. Totdat de pijn weer over was en de reus dichterbij kwam. Snel sprak Zevelientje nog een spreuk.

“Toverspreuk 2: val in de puree!”

Het werkte! De reus leek opeens wel dronken; hij wiebelde en waggelde en viel met een harde gil languit achterover in een grote bak puree! De dorpsbewoners lachten zachtjes toen de reus de puree uitspuugde en zijn ogen uitwreef. Totdat hij weer opgekrabbeld was en dichterbij kwam.

“Toverspreuk 3: krijg een kromme knie!”

Het werkte! De reus kwam hard stampend aanrennen en opeens stond zijn rechterknie helemaal krom en kon hij niet meer lopen. Hij viel zo met zijn neus op het natte mos. De dorpsbewoners lachten hardop. Maar hij stond weer op.

“Toverspreuk 4: verander in een piepklein dier!”

De reus hikte even en veranderde plotseling in een mier. Zevelientje liep dreigend op hem af en de mier maakte dat hij wegkwam. De dorpsbewoners lachten zich slap. Totdat ze zagen dat deze spreuk maar vijf minuten werkte. De mier werd weer een reus.

“Toverspreuk 5: jeuk op je hele lijf!”

Het werkte alweer! De reus krabbelde aan zijn kin, achter zijn oor, aan zijn rug, zijn knieën, zijn haar, zijn voeten, zijn buik, overal had hij de kriebels. Ten slotte rende hij gillend het bos weer in. De dorpsbewoners rolden over de grond van het lachen. Totdat hij terugkwam.

“Toverspreuk 6: eet een giftige bes!”

Nu werd het spannend. De reus lachte heel hard: “Er zijn geen giftige bessen in mijn bos, hahaha!” En hij nam een handvol tegelijk. En? Hij viel langzaam op de grond en daar bleef hij liggen.  Zevelientje wist het zeker: “Ik heb een reus verslagen! Het gevaar voor het dorp is voorbij!” De mensen wachtten nog vijf minuten, voor de zekerheid. Toen juichte en klapte iedereen en ze riepen “Hoera!” Ze droegen Zevelientje op hun schouders. Iedereen was aardig  en blij. Ze mocht snoepen en drinken wat ze wilde en kreeg allemaal lieve cadeautjes. De burgemeester gaf haar zelfs een medaille en zei: “Lieve Zevelientje, dank je wel voor wat je voor ons dorp gedaan hebt! We zijn zo blij dat de reus weg is! Ik heb nog wel één vraag: je had toch zéven toverspreuken?” Zevelientje knikte en riep heel hard:

“Toverspreuk 7: lang en gelukkig zullen we leven!”

Advertenties

Verhalenslang 17/25

(De eerste zin van dit verhaal is de laatste van het vorige verhaal. Beide verhalen hebben niets met elkaar te maken.)

Het valt in duizend scherven. Hij draait door en er vallen weer duizend andere scherven. Ze kijkt naar hem. Dat hij genieten kan van een simpele caleidoscoop blijft voor haar een raadsel. Zij wordt er horendol van. Het liefst zou ze het onding uit zijn handen rukken en er mee op zijn hoofd slaan. Heel hard slaan, net zolang tot hij… verschrikt houdt ze haar adem in. Wat zijn dit voor rare gedachten. Ze loopt naar de bank waar hij op ligt en omarmt hem. Haar lippen dwalen door zijn haar waar ze gesmoord “Sorry” in zegt.

Hij kijkt haar vragend aan. Ze schudt resoluut haar hoofd en glimlacht. Ze tilt zijn linkerbeen op en duwt zijn knie richting zijn neus. Na vijftien keer doet ze hetzelfde met zijn rechterbeen. Al die tijd ligt hij in de caleidoscoop te kijken. Wat er in hem omgaat weet ze niet. Hij ligt daar maar. Emotieloos, met een zeer beperkte vorm van contact. De sporadische momenten van opleving zijn haar te weinig. Het duurt al zo lang. En hoelang moet het nog duren. “Au, au!” Ze schrikt op uit haar overpeinzing en merkt dat ze zijn been veel te ver doorbuigt. Ze doet hem pijn. Abrupt houdt ze ermee op. Ze legt de zelfgebreide deken over zijn benen en loopt met tranen op haar wangen snel naar de keuken.

Met gesloten ogen leunt ze tegen een keukenkastje. Ze kan niet meer. Ze wil ook helemaal niet meer. Het is te zwaar. Hoe komt ze hier ooit uit. Gewoon weglopen? Hem aan zijn lot overlaten? Dat nooit! Hem een handje helpen? Kan ze daarmee leven? Waarschijnlijk niet. Was er maar iemand waarmee ze kon praten. Dan schrikt ze op van getik tegen het raam. Nee hè, de nieuwe achterburen. Mensen die ze niet goed kent en waar ze dus geen trek in heeft. Maar ze hebben haar al gezien. Met tegenzin opent ze de deur.

Nog geen half uur later is ze met Els, haar nieuwe achterbuurvrouw, in de sportschool voor een workshop boksen. De mannen blijven samen in haar huis. Gebeurt dit echt? Laat ze hem zomaar achter bij een vreemde? Maar zo voelt het niet. Het voelt alsof ze elkaar al jaren kennen. Els nam vastberaden de beslissing voor haar. Dat ze er eens moest, dat een potje boksen heel bevrijdend werkt. Ze slaat links, ze slaat rechts, eerst zachtjes en voorzichtig, uiteindelijk beukt ze er stevig op los. Links tegen de ziekte, rechts tegen de situatie, links tegen de onmacht, rechts tegen het verdriet. Tranen stromen over haar wangen. Ze wordt moe maar verbijt dat en vecht krampachtig door. Tot Els roept: “Stop maar! En meekomen!” Even later laat ze haar bezwete en vermoeide lichaam in het warme zachte water zakken. Ze doet haar ogen dicht en zucht tevreden.

“Hartstikke bedankt!”, zegt ze nogmaals tegen Els en Maarten als die door de achterdeur het huis weer verlaten. “Geen moeite”, wuiven ze haar woorden weg.  ”Jij bent een goeie mantelzorger voor je man. Wij zorgen graag een beetje voor jou!”

 

O, o, Den Haag

Wiebelende koetsen en levensgevaarlijke hoedjes, moeilijke-gouden-berg-praatjes en  moederlijke groetjes.

Hier gaat wat af en daar komt wat bij, uiteindelijk is er ergens wel (n)iemand blij.

Fortuinlijke jurken voor 1 dag, hier en daar een oranje vlag.

Leve de Koning hoera! hoera!, en we drinken nog een jus-tje na.

Vorige week was ik zelf nog in en Haag, wat een mooie fotogenieke stad is het toch!

Hotel des Indes bood nog een alleraardigst Prinsjesdag-arrangement aan. Normaal gesproken kost 1 nachtje in de binnenstad slechts €465,- per nacht maar dat is dan wel inclusief ontbijt. Wat er voor een een arrangement met een gegarandeerde plek op de tribune gevraagd wordt…heb ik ff niet nagevraagd. Waarschijnlijk had ik niet voldoende doekoe bij me.

Toen zag het Lange Voorhout er heel anders uit. Hier vond namelijk de wekelijkse antiekmarkt plaats. Een antiekmarkt op het Lange Voorhout dat doet je toch direct denken aan chique, verantwoord en eerlijk antiek, deftig, veurnaam, hete aerdappelgedoe….

     

Hier kun je toch warempel zomaar een mooie asbak of een mooie doos kopen. Het doet er niet toe of het oud is, of het antiek is, of het handgemaakt is, of het uit een bijzonder land komt, of het van bijzonder materiaal gemaakt is….het is gewoon mooi. Relatief begrip hoor. Laten we het er op houden dat de kraamhoudster het in elk geval mooi vond.

En als je je afvraagt of dit echt zilver is, of het Engels of Nederlands is, of het gemerkt is, of de achterkant van hetzelfde materiaal is, of het intensief gebruikt is en waarvoor eigenlijk diende, door wie het gebruikt is…één ding is zeker: het is leeg!

Kijk meneer de Koning, zo simpel kun je de dingen ook benoemen 😉

 

Ongelukje in Lunteren

Het klinkt een beetje als lanterfanten…lunteren…een lekker potje lunteren…relaxt lunteren…om van te geeuwen, dat luie lunteren…

Niets is minder waar! Lunteren is een dorp op de Veluwe met in 2016 nog geen 14.000 inwoners, maar was gisteren het decor van de Reumawalk. Mijn oudste dochter heeft de 10 kilometer met haar pijnlijke reumavoeten helemaal uitgelopen, hoe knap is dat! Tezamen met andere lopers is er bijna €8.000,= opgehaald, waar weer veel mooi werk verricht kan worden! Lunteren ligt precies in het midden van Nederland en geeft vanaf de Goudsberg ongeveer dit uitzicht!

Het dorpje is schilderachtig en knus. Niet te hard lopen anders ben je er doorheen. Maar je treft er zelfs nog originele mensen die onthaast op klompen lopen.

Uiteraard is er een kerk en een dorpshuis.

Een stallingsplaats voor je ouderwetsche tweewieler.

Hier is een dorpsfeest nog een feest voor het hele dorp.

En je kunt er dit huis vinden met wel heel bijzonder geschilderde  luiken. Na het maken van deze foto werd ik plotsklaps op de schouder getikt door een oerlunteraar: `Wat of dacht dat die luiken voorstelde?´ Ik wist het oprecht niet. Hij vertelde dat de eigenaar dit zelf aangebracht had met het C&A-logo als inspiratie en warempel als je goed kijkt… 😉

En nog meer creativiteit langs de lange laan van Lunteren…

En als je dan in Lunteren een lekker ijsje wilt kun je o.a. kiezen tussen een snoepertje, een ukkie of een seizoentje, maar doe mij maar een ongelukje…een verrukkelijk ongelukje in Lunteren.

Warrig

Er zijn van die dagen dat alles vanzelf lijkt te gaan, dat je wind mee lijkt te hebben. Je stapt met je juiste been uit bed, vindt een broek die past, hebt een good-hair-day, de bus komt op tijd, je bent niets vergeten, je snapt het leven. Je kijkt om je heen en je begrijpt wat er gebeurt en waarom. Hoe fijn is dat? Heerlijk toch?!

Vandaag is alles anders. Ik twijfel aan mezelf, aan mijn kijk op het leven, aan wat er om mij heen gebeurt. Ligt dit aan mij? Of zie jij het ook?

Op zoek naar wat herfstmateriaal…

Hoor ik nou die meid van Carey alweer bleren?

Eindelijk! Een onderhoudsvrije cactus!

Blijkt een kattenkrabpaal te zijn.

Huh?! Welk seizoen leven we nu?

Herfst? Kerst? Of voorjaar?

Ik ga hier weg! En rijd bijna een kuil in…

Zo handig dat het waarschuwingsbord in de kuil staat en niet ervoor….

Ik ga naar huis, kruip op de bank met een plaidje en als ik het allemaal weer snap kom ik terug. Doei!

 

Verhalenslang 16/25

(De eerste zin van dit verhaal is de laatste van het vorige verhaal. Beide verhalen hebben niets met elkaar te maken.)

Een paar grote blauwe kinderogen kijken me aan. Zucht! Te laat. Ik ben ontdekt! Altijd hetzelfde liedje: een kindermens dat me gevonden heeft. Ik verstop me steeds zo goed mogelijk in de struiken maar ze vinden me altijd. Oké, soms let ik niet goed op en wil ik wel eens open en vrij op een tafelblad lopen. Kijk, dan is het mijn eigen schuld dat ze me vinden. Maar nu zat ik op een tak. O nee hè, daar komt weer zo’n vingertje. De kleine poert  net zo lang tegen mijn pootjes dat ik wel op die vinger moet springen. En zodra ik eraf wil rennen komt er weer een andere vinger tevoorschijn. En nog een, en nog een. Gek word ik er van! Alsmaar op zoek naar het hoogste punt om vanaf te vliegen. Help!

Het wordt nog erger: het glazen huis! Mijn moeder waarschuwt me er elke avond voor. Regelmatig wordt het trieste relaas van oom Piet aangehaald. Ik moet er altijd om lachen. Moeders zijn zo overbezorgd dat ze de meest enge verhalen ophangen om hun kroost maar wat angst in te boezemen. Om hen te ‘beschermen’ noemen zij dat. Het zal allemaal wel. Ik laat me toch zeker niet vangen en opsluiten. Maar nu voel ik toch een zekere mate van paniek opkomen als ik een glazen huisje op tafel zie staan. Het blonde mensenkind roept iets en er verschijnt een roodharig mensenkind, die haalt het dak van het glazen huis. Ik stribbel zoveel mogelijk tegen maar ren uiteindelijk alleen maar rondjes. De hand beweegt op en neer en dan vlieg ik zomaar door de ruimte. Ik ben zowel stuur- als gewichtsloos en eindig met een zacht plofje in het glazen huis.

De blaadjes op de bodem breken mijn val. De dak wordt vliegensvlug gesloten. En daar zit ik dan. De blauwe en groene ogen komen angstaanjagend dichtbij. De open monden vormen diepe spelonken. Ik houd me stil. Ga op mijn rug liggen en trek al mijn zes pootjes in.  Misschien vergeten ze me dan en leggen zij hun aandacht op iets of iemand anders. Dat had ik beter niet kunnen doen. Een hand, ik meen van de rode, klemt zich om het huisje en dan wordt ik ongenadig door elkaar geschud. De blaadjes vliegen door de ruimte en vallen op mijn hoofd. Met veel moeite kruip ik er onder vandaan en een gejuich klinkt vervormd van buiten.

Ik krijg het benauwd. Echt benauwd. Frisse lucht zou welkom zijn. Ik ga me steeds trager bewegen. De kindermensen schudden het huis nog eens door elkaar maar ik kan echt niet meer. Waarschijnlijk hebben ze het in de gaten want opeens gaat het dak eraf, een stuk papier moet het vervangen. Buiten het huisje klinkt getimmer en dan komt het dak er weer op. Er zitten nu gaten in waar de zo gewenste frisse lucht door heen komt. Een paar maal haal ik heel diep adem en voel me direct opleven. Ik heb er honger van gekregen maar onder de blaadjes is geen enkele luis te vinden. De kindermensen zijn kennelijk tevreden met mijn gescharrel en verdwijnen op twee wielen. Eten, hoe kom ik aan eten? Dan kijk ik omhoog en zie de blauwe hemel door de gaten van het dak heen. Zal ik? Ik doe het en vlieg omhoog naar wat mij het grootste gat lijkt. Nee! Ik pas er niet door! Ik zit klem! Ik wrik en wurm me een ongeluk en opeens schiet ik los. Auw! Een stukje rode vleugel hangt nog aan de opening. Gelukkig kan ik nog vliegen. En ik vlieg, ik vlieg en ik vlieg…

Hoog boven op een struik zie ik hoe een windvlaag het glazen huisje van de tafel doet rollen. Het valt in duizend scherven.

Verhalenslang 15/25

(De eerste zin van dit verhaal is de laatste zin van het vorige verhaal. Beide verhalen hebben niets met elkaar te maken.)

Dan zie ik niks meer door de tranen. Ik bijt op mijn lip. Ik wil niet dat ze me ziet janken. Ze weet precies hoe ze me raken moet. En waar.  Al vijftien minuten beukt ze genadeloos overal op mijn lichaam en telkens als ik dubbelklap van de pijn stoot ze haar knie tegen mijn neus. Het bloed druipt op de witte vloerbedekking wat haar een nieuwe woedeaanval bezorgt. Van het een op het andere moment houdt ze op en loopt weg. Een dreun van de voordeur geeft aan dat ze naar haar werk vertrokken is.

Ik kruip de trap op naar de badkamer en schrik van mijn verwrongen spiegelbeeld. Ik zak kreunend neer op de deksel van het toilet en huil zonder inhouden. Van pijn. Pijn aan mijn lichaam. Mijn ribben. Mijn neus. Maar vooral van onmacht. Om de situatie waarin ik me nu bevindt. Welke vent laat zich nou in elkaar slaan door zijn vrouw. Waar is de Veronique gebleven waar ik verliefd op werd. Waarom kan ik nooit iets goed doen. Ik kon het echt niet helpen dat haar thee niet de juiste temperatuur had. Als ik het bloed van mijn gezicht verwijderd heb probeer ik het tapijt schoon te maken.

“Goedemorgen, wat heb jíj gedaan?!” Ik probeer vruchteloos collega’s te vermijden maar heb een verhaal klaar. Een verhaal over mountainbiken en daarbij een ongelukkige smak maken. Ik zie Peter zijn wenkbrauwen fronsen. Gelukkig zegt hij niets. In mijn bureaulade vind ik nog een aangebroken strip pijnstillers en neem er direct een paar in. Met mijn hand voor mijn ogen wacht ik tot de pillen hun werk doen. Daarna probeer ik te werken, het wordt niet meer dan wat heen en weer schuiven van mappen en staren naar het beeldscherm van de laptop. Ik kijk op mijn horloge en zou de tijd willen tegen houden. Zodat het moment van weer naar huis gaan zo lang mogelijk uitgesteld wordt.

Opeens krijg ik een mailberichtje van Peter. Met als onderwerp: ‘Lees dit!’ Een bijgevoegde link leidt me naar verhalen over mishandelde mannen. Naar blijf-van-mijn-lijf-huizen voor mannen. Naar ervaringsverhalen door mannen. Mijn ogen scannen de informatie, ik zuig de verhalen op. Een traan rolt over mijn  gehavende wang. Toch sluit ik met een klap mijn laptop en storm naar de kamer van Peter. ‘Waar bemoei jij je mee! Er is helemaal niets aan de hand tussen Veronique en mij!’, schreeuw ik naar hem. ‘Zo te merken zit ik op het juiste spoor’, antwoord Peter rustig.’Laat je helpen Maarten, dit hoeft niet, dit mag niet eens. Het ligt niet aan jou.’ ‘Hou je kop en stop daarmee!’, bijt ik hem nog toe voordat ik me omdraai en de deur met een daverende knal dicht gooi.

Ik heb op tijd het avondeten klaar maar Veronique verschijnt een paar uur later. De badkamer boven heb ik net een laatste grondige schoonmaakbeurt gegeven. Met uitgestrekte armen komt ze op me af. ‘Ach schatje toch, wat zie je er uit! Kom maar hier, dan zal ik je beter maken.’ Zodra ze mijn gezicht probeert aan te raken trek ik me schielijk terug. Fout. Direct zie ik de flikkering in haar ogen opgloeien. Haar ademhaling versnelt en ik zie haar rechterarm tergend langzaam naar achteren bewegen. Dan doe ik wat ik nog nooit gedaan heb: ik ontwijk haar. Zodra haar vuist richting mijn gezicht gaat duik ik naar beneden. Ze heeft zo’n krachtige aanval gepland dat ze om haar as draait als ze doel mist. Ze doet nog een poging zich ergens aan vast te grijpen maar klapt dan met haar hoofd naar beneden de trap af. In een vreemde houding en met een bloedspoor uit haar oor blijft ze bewegingsloos liggen. Achter me gaat een deur langzaam open. Een paar grote blauwe  kinderogen kijken me aan.

 

Verhalenslang 14/25

(De eerste zin van dit verhaaltje is de laatste van het vorige. Beide verhalen hebben niets met elkaar te maken.)

We hebben weer nieuwe vooruitzichten. Ik stroop mijn mouwen op en ga direct aan de gang terwijl tante Truus nog steeds snikkend op de grond zit met de resten van haar befaamde frambozencake. Tenminste, ze noemt het frambozencake maar de rode spikkeltjes die zich in het grauwe deeg bevinden smaken nooit echt naar frambozen. Van alles wat tante Truus maakt is de smaak moeilijk te herleiden. Hoewel ik tot nu toe vrij weinig karton heb gegeten, heb ik het idee dat veel gerechten van haar hiernaar smaken. Laten we zeggen dat zij het ook niet zo nauw neemt met de hygiëne. Zowel de taarten als de ovenschotels hebben eenzelfde bijzondere aroma en structuur. Al jaren geef ik haar kookboeken voor haar verjaardag. Tevergeefs.

Zo wierp zij zich spontaan op om de bruiloft van ons nichtje Gisela te voorzien van catering. Nog spontaner bood ik aan de verzorging van de catering met haar te delen: zij haar frambozengebak, ik het diner. Voor zo’n vijftig gasten moest dit toch haalbaar zijn. Weken speurde ik het internet af, dook onder in mijn kookboeken en snuffelde in mijn map met goed geaccepteerde recepten. Daarmee stelde ik een gepast menu samen. Een lichte gezonde salade vooraf. Een verrukkelijke malse kip op een bedje met verse groenten als hoofdgerecht. En een oogstrelend dessert wat super makkelijk te bereiden was. Ik had alles dik voor elkaar met mooi servies, bijpassende schalen en glanzend gepoetste glazen. De servetten had ik zelf kunstig gevouwen en de naambordjes met een zwierig handschrift geschreven.

Tante Truus kwam ’s morgens met talloze bakken en dozen de keuken in strompelen. Vol trots haalde ze de frambozenbaksels in allerlei afmetingen tevoorschijn. Ze blies de kattenharen nog even van de chocolaatjes. Ze legde uit dat ze de diverse taarten nu ter plekke ging stapelen tot een bruidstaart. Ik hield mijn hart vast maar durfde haar niet tegen te spreken. Toen er drie taarten op elkaar lagen begon de onderste te scheuren. Ze vulde het snel met wat losse druiven die nog op tafel lagen van mijn dessert. Na vijf lagen stond het geheel zo scheef dat een ramp onvermijdelijk was. Toen zij ten slotte het lelijke plastic bruidspaartje in de bovenste laag wilde steken ontplofte het geheel als een bom.

Het huilen staat haar nader dan het lachen en ik probeer haar zo goed mogelijk te troosten terwijl ik een gierende lachbui diep naar binnen terugstuur. Met een glaasje likeur tegen de schrik zet ik haar in de tuin op een stoeltje met een grote witte strik en beloof haar te helpen door in de keuken te proberen nog iets te redden. Als een razende bel ik de plaatselijke bakker en leg het een en ander uit. De goede man biedt uitkomst en belooft over een uur een bruidstaart te bezorgen van vijf lagen, in elkaar geflanst van wat er op dat moment nog in de bakkerij is. Ik vind alles prima als er maar taart is. Stiekem ben ik blij voor Gisela dat ze nu toch een heerlijke taart aan haar gasten kan voorzetten.

Geheel in mijn nopjes loop ik naar buiten om de zien hoe het met het slachtoffer gaat. Haar stoeltje is leeg. Ik kijk om me heen maar zie geen tante Truus. Argeloos haal ik mijn schouders op. Ik loop door de keuken naar de bijkeuken waar alles voor het diner klaar staat. Staat??? Stond!!! “Ik dacht, ik ga jou maar eens een beetje helpen!” Dan zie ik dikke klodders slasaus op de gezonde salade: “Veel beter voor de smaak!”, zie ik de mooie kipfilets aan ongelijke hompen gesneden en door de groenten gehusseld:“Veel makkelijker in één ovenschotel!”. Tante Truus kijkt me hoopvol aan. Dan zie ik niks meer door de tranen.