Maandelijks archief: juli 2016

Zachte mannen

Neem nou zo’n programma als ‘het Familiediner’. Hierin worden jarenlange familievetes onder de loep genomen en dan blijkt achteraf dat er allerlei opmerkingen uit de context zijn gehaald, dat er vreemde verbanden zijn gelegd en dat de oorsprong van de in onmin levende bloedverwanten eigenlijk iets heel anders is. Een opmerking is zo gemaakt maar als je de samenhang niet weet…

‘Zal ik van die zachte mannen voor je meenemen?’ Dit is nou zo’n zin. De vraag werd me vorige week gesteld. Nu krijg je toch een raar beeld van me, dat ik gek zou zijn op zachte mannen. Als ik er nu bij vertel dat ik rillend van de koorts onder een dekentje lag (ja, die dag van de 34 graden!) vanwege een fikse longontsteking, dan kun je denken dat ik lichtelijk ijlend de zin verkeerd verstaan heb. ‘Huh?’ was mijn gevatte antwoord.

‘Van die zachte zoete, die vind je toch lekker?’ Het moet niet gekker worden! Ik deed mijn uiterste best en opeens snapte ik de vraag en antwoordde ‘Ja, van die blote!’

‘Hoe heten die ook alweer?’ Ik kon er niet opkomen. Het enige wat ik wist dat ik altijd eerst de kop er af knauw en dan pas de rest verorber. Van die zoete zachte mannen. ‘Ik weet het: manneke pisjes!’

zachte mannen

Nog geen half uur later lag ik lekker te sabbelen op een Brussels manneke, zo goed voor mijn gehavende keel! Dus de eerste vraag moet je wel in de context zien en was gewoon heel lief bedoeld…

Samen

(Dit verhaal heb ik ingestuurd voor de schrijfwedstrijd van Literair Zeist 2016. Het thema was vrij, tja…dan hoef ik maar naar buiten te kijken…. ;-))

Elke dag zie ik ze wel een keer langslopen. Hij past zijn tempo goedmoedig aan aan dat van haar. Ze sjokt een beetje. Tenslotte is ze ook niet meer de jongste. Wat voor weer het ook is, ze lopen altijd samen. In de herfststormen hoor je hem mompelen ‘Goed zo meisje, je kunt het.’ Gedurende de winterse buien houdt hij galant de paraplu net iets meer boven haar. In het lentezonnetje wijst hij haar aandachtig op de vernieuwde flora en fauna. En op lome zomerdagen gaat hij graag samen met haar op een bankje zitten. Eenvoudigweg even genieten van de zon en elkaar. Hij slaat dan liefdevol een arm om haar heen, kroelt wat in haar nek, zij stopt haar neus in zijn hals.

Hij was al een tijd alleen. Eenzaam ook. Op die ene middag in de week na als hij een potje biljart speelde met zijn twee oudste kameraden, zag of sprak hij weinig andere mensen.  Hij ontdekte haar via een advertentie in de krant. In eerste instantie vond hij dit niet de juiste manier maar zodra ze elkaar zagen was er iets. Ze begrepen elkaar. Ook zonder woorden. Ze zocht de geborgenheid die hij haar graag wilde geven. Ze kwam bij hem wonen en hij haalde alles in huis om het haar zo aangenaam mogelijk te maken. Zij was het eerste wat hij zag als hij wakker werd en het laatste als hij ging slapen. En in de tussenliggende tijd wandelden ze veel. Ook waren ze allebei  gek op lekker eten, natuurprogramma’s kijken op tv of zomaar een beetje dutten.

Vandaag zie ik hen weer.  Zoals gewoonlijk lopen ze samen langs het water. Het is een snikhete dag. Opeens haalt hij een bal tevoorschijn, gooit die in het water en roept ‘Pak hem maar!’.  Ze doet het. Voor hem.

De Blik

Je mag blij dat je dit nog kunt lezen. Of beter gezegd ik mag blij zijn dat ik dit nog kan schrijven! Ik heb gisteren namelijk tot drie keer toe De Blik gekregen. De blik van ‘Mens, bemoei je er niet mee!’, de blik van ‘Verdwijn! Los op! Verlaat deze plek!’, de blik van ‘Als blikken konden doden’. Levensgevaarlijk dus. Op het nippertje aan de blikkendood ontsnapt.

Ik was die dag al zeker zes keer bijna van mij sokken gelopen, gefietst, gescooterd door zombies op zoek naar virtuele wezentjes. Zombies met verwrongen geesten, verkrampte handen en rode ogen die plotseling, onaangekondigd, blijven stilstaan om…eh…iets te vangen. Het gaat hier om kleine maar ook grote zombies, alle kleuren zombies, alle rangen en standen zombies. Van haastige kantoormeisjes tot huisvaders, van basisschoolleeftijd tot ver, heel ver, daar boven.

Nu kun je daar natuurlijk geagiteerd op reageren maar dat helpt niet. Je dringt niet door tot hun wereld. Daarom dacht ik er goed aan te doen me enigszins in te leven in hun belevingswereld en belangstellend over te komen. Zo vroeg ik een jongetje van een jaar of tien, die in opperste concentratie over zijn  scherm stond te vegen ‘Hoeveel heb je er al?’. Ik had namelijk gekoekeld naar het doel van het spel en in de beginnerinstructie staat vermeld dat je er 150 moet verzamelen/vangen. Dus dit leek mij een logische vraag. Het ventje schrok echter zo van mijn oprechte belangstelling dat hij vergat te vangen. Ik kreeg De Blik. Een veel grotere jongen, met een reuzenbaard en een Pokémon t-shirt, stopte opeens met fietsen. Hij veegde en veegde. ‘Hè, te laat’ zuchtte hij diep teleurgesteld. In een poging hem op te beuren opperde ik ‘Heb je al achter die boom gekeken?’. Ik kreeg wederom De Blik. Even later wilde ik een fietspad oversteken maar er stond een jongedame met een scooter. Ze wendde haar mobiel alle kanten uit, omhoog, omlaag, schuin achter. Als een regisseur die de juiste hoek zoekt. Ik dacht nog even dat ze een juiste positie voor een selfie zocht dus bood ik haar spontaan aan ‘Zal ik even een foto van je maken?’. Ik ontving voor de derde keer De Blik.

Mijn strategie werkte niet zoals bedoeld maar ik heb me een Snorlax gelachen.

snorlax

Onbegrip

onbegriptegel

In de buurt van ons huis is een veldje. Een grasveldje. Vandaag echter een tentveldje. Een kijken-hoe-het-ook-alweer-moet-die-tent-opzetten-veldje. Ik heb tijd genoeg om het te volgen. Wie weet steek ik er nog iets van op. Misschien word ik wel besmet met het kampeervirus. Een blauwe en een beige kniebroek doen hun uiterste best. Enthousiast worden de eerste verrichtingen verricht. Die wisten ze nog wel van vorig jaar. Maar dan. Hoort die nou links of rechts? Moet deze eerst en dan die er over? Nee, toch er onderdoor. Waarom past dit nou niet meer? Hier hadden we er toch twee van? Waar heb jij dat ding gelaten? Ik heb helemaal niks ergens gelaten! Ik zag toch dat jij hem had? Misschien heb je hem zelf wel kwijt gemaakt! Ik ben toch niet achterlijk?! Nou… Waar is de gebruiksaanwijzing? Hoezo, jij hebt toch moeite met begrijpend lezen! Het enthousiasme maakt plaats  voor een flinke portie irritatie. Na anderhalf uur staat er iets wat prima voor een tent kan doorgaan. Prima. Voor scheve mensen. Die op hun knieën lopen. Dikke prima.

Dan weet ik zeker dat het virus wederom aan mij voorbij zal gaan. Ik houd er sowieso niet van als ik eerst de vreemdste dingen op of uit moet vouwen, in of uit moet klappen, uit of op moet rollen. Ik begrijp het gewoon niet. In een folder zag ik zo’n klein vouwstoeltje, je weet wel twee gekruiste stangpoten en een klein lapje stof om op te zitten. Op het eerste gezicht een lief gezicht, leuk stofje ook, maar uitsluitend geschikt voor maatje zero. Daarbij verkochten ze een plastic houten blad dat je op het krukje kunt leggen, past precies over dat lapje en dan heb je een tafel! Tafeltje. En waar moet je dan zitten als de stoel een tafel is geworden… Ik begrijp het gewoon niet! In een andere folder stond de allernieuwste uitvinding: tentharingen met LED-verlichting! Eerst denk ik nog dat dit handig is, onmisbaar eigenlijk. Stel dat je ’s nachts in het donker met een rol onder de arm naar een bepaald hok moet (O gruwel!!!). Dan bedenk ik dat ik eerder over de scheerlijn struikel dan over de haring…

Ik begrijp het gewoon niet. Ook morgen niet.

 

De mens van 2050

(Dit verhaal heb ik ingestuurd voor de schrijfwedstrijd georganiseerd door Stichting Toekomstbeeld der Techniek, met als thema De mens in 2050. Niet dat ik nou zo technisch ben, helemaal niet zelfs, maar een toekomstbeeld kan ik nog wel vinden. Het is eigenlijk een wens….)

De mens van 2050

Ik ben warempel gewoon zenuwachtig. Ik weet ook niet precies waarom. Eigenlijk weet ik het wel. Het komt door het bericht van de directrice. Ze wil iedereen spreken. Niet alleen spreken maar ook zien. En dan niet via een scherm zien maar in levende lijve. Vanmorgen nog. Zodra ronde 1 en 2 zijn voltooid. Eerst maar eens ronde 1 gaan doen.

Zuchtend neem ik plaats achter mijn desk met de grote schermen. In één oogopslag heb ik zicht in vijfentwintig ruimtes. Ze hebben allemaal dezelfde functionele maat en indeling. Met een druk op de knop gaat alle raambekleding omhoog. In ruimte zeven blijft het gordijn hangen hetgeen ik direct doorgeef aan de technische dienst. Tegelijkertijd klinkt er een reggaeversie van Vader Jacob, een muziekstuk dat de directrice nog in een oude cloud had hangen. Ik zie de bewoners glimlachend wakker worden, een goede zet van de directrice dus. Daarna gaan alle ligbedden in de schuine stand. Het dekbed rolt automatisch op in het voeteneind en de mensen glijden vanzelf in de gereedstaande stoel. Dan volgt er een optocht in de gang. Alle stoelen rijden naar de wasruimte. Een ouderwets zwembad is omgebouwd tot een antiseptisch  dompelbad. Ik blijf het fascinerend om te zien hoe al die stoelen achter elkaar het water in rijden, steeds dieper. Iedereen gaat twee tellen helemaal kopje onder en daarna weer de helling op naar boven. Vervolgens een ritje door de droogruimte waar meteen een heerlijke lucht wordt afgegeven. Degene die de kledingstof heeft uitgevonden verdient een prijs. Elke bewoner heeft een identiek pak.  Ze worden in het bad gereinigd gelijk met de drager.

Als alle stoelen weer in hun eigen ruimte zijn begint de tweede ronde. Ik druk op een volgende knop. Het oeroude buizenpost systeem bezorgt in elke ruimte een beker. De bewoners kunnen dit zelfstandig pakken. Meestal zit er een lepel bij. In de beker zitten alle benodigde voedingstoffen vermalen met de medicijnen tot een hapklaar papje. De bewoners mogen maandelijks een smaak uitzoeken. Ook iets nieuws van de directrice. Als de bekers met diezelfde buizenpost weer opgehaald zijn heb ik wat meer vrijheid. Bewoners kunnen via het pictogrammenbord op hun stoel aangeven wat ze willen gaan doen. Oude hobby’s komen weer tot leven. Wie van sport houdt kan via een keuzemenu aangeven welke wedstrijd uit welk jaar hij wil zien. Wie van schilderen houdt hoeft slechts een vinger over het scherm te bewegen nadat een kleur na keuze is bepaald. Wie van puzzelen houdt krijgt ingewikkelde verslagen te lezen van een oeroud ministerie van volksgezondheid. Wie wil bloggen krijgt een mega grootletter toetsenbord. Alles kan via die ene stoel. Ik vraag me wel eens af wat de zorg zonder die superstoel zou moeten.

Omdat we eigenlijk nooit iets bespreken met z’n tienen in één ruimte is het nog even zoeken geblazen naar een geschikte plek. Uiteindelijk vinden we die buiten. Ik merk dat de anderen ook wat gespannen zijn. ‘Beste mensen,’ begint de directrice. ‘ik wil jullie een paar voorstellen doen en zou graag zien dat er niet meteen geprotesteerd wordt. Ik verzoek jullie daarom; doe je ogen eens dicht en denk aan jezelf. Zie jij jezelf later hier wonen in ons prachtige vooraanstaande huis Exit. Zie jij jezelf ooit zitten in onze hightec-stoel? Ja? Bedenk dan eens het volgende. Met wie kun je praten? Met wie kun je verdriet of vreugde delen? Met wie kun je zingen of naar buiten? Zou je niet heel graag gehoord en gezien willen worden? Zou je niet heel graag dingen samen met andere mensen willen doen? Eigen kleding, eigen voedsel, eigen vrijetijdsbesteding willen bepalen? Zou je niet een zelfdenkend mens willen zijn die af en toe ergens mee geholpen moet worden? Zou je niet graag bij je naam genoemd worden in plaats van je ruimtenummer? Daarom kom ik met een vernieuwend voorstel: elke bewoner krijgt een eigen verzorger!’

Ik haast me terug naar mijn desk voor ronde 3. De stoelen worden naar de bedden gereden en de handeling van vanmorgen vindt in omgekeerde volgorde plaats. Dan zie ik opeens dat in ruimte drie de voetbalwedstrijd nog niet is afgelopen. In ruimte veertien wil iemand net een bladzijde van een boek omslaan. In ruimte drieëntwintig is iemand te laat voor het toiletbezoek dat over een uur staat geprogrammeerd. In ruimte negen zitten twee bewoners. De ene beweegt niet en de ander zit hartverscheurend te huilen. Met de woorden van de directrice nog vers in mijn gedachten huil ik zomaar wat stilletjes mee.

 

Seizoenswerk

Er is geen enkele binding met het weer. Regen of geen regen. Hitte of geen hitte. Het maakt allemaal geen spetter uit. De tijd van markten, fairs en braderieën is weer aangebroken. En ik houd ervan.

Om gezellig te slenteren, om een praatje links en rechts te maken. Om verwondering te hebben (of te veinzen) over sommige voorwerpen en nog vaker over de verhalen (die je er gratis bij krijgt).

Zo stond er een mevrouwtje met een hele kraam overvol met nutteloze pannenlappen (tikkie scheef genaaid), poppenjurkjes (zelfs je pop zal dit weigeren aan te trekken), babyschoentjes (met maar vijf gevallen steken), beterschapkaarten (waar je je nog beroerder van gaat voelen), torenhoog opgestapeld op een plastic (!!!) tafelkleed en ondertussen stond ze nog iets te punniken. Ze verkocht echt helemaal niets. Ik vroeg nog ‘Gunst, heeft u dit allemaal zelf gemaakt?!’. Na een trots bevestigend antwoord dacht ik ‘Heeft u dan echt niets beters te doen?!’ Ik vraag me nog steeds af wat ze toch met al die onverkoopbare handel gaat doen.

Bij een andere kraam zag ik dit:

IMG_20160616_115146536

Best handig dat er een bordje bijstaat. Hoewel ik eerst dacht dat het ‘uinger’ stond. Niet duur ook.  Voor een vingeroogje dan hè. Ben nog even aan het nadenken wat ik er precies mee zal gaan doen…en hoeveel ik er nodig heb.

En dan kom je opeens een kraam tegen waar je, zonder te beseffen, al heel lang op hebt gewacht! Al maanden, wat zeg ik, al jaááren vraag ik me af waar ik die dingen moet laten, ze slingeren maar rond, rollen ook steeds weg. Daarom extra blij, dit handzame kistje is natuurlijk DE oplossing.

IMG_20160611_140733441

Helemaal niet zo gek dus die markten, fairs en braderieën.

De auditie

(Dit verhaal heb ik ingezonden voor de schrijfwedstrijd Baarnse Literatuurprijs 2016. Volgens Google moet literatuur een ‘universele waarde’ hebben. Of dit hier het geval is betwijfel ik ten zeerste maar dit was wel het verhaal dat bij me opkwam toen ik het thema zag: ‘Oproep’)

De auditie

“Hoi, met mij, ik moet je even spreken. Wat ik vandaag meegemaakt heb, dat geloof je niet. Let op. Je weet dat ik vanmorgen een auditie had. Een echte auditie voor een echt serieuze rol! Nou ja, geen serieuze rol want ze zochten nog iemand die de stuntel van het stuk kon spelen. Maar wel serieus genoeg om misschien eens door te breken. En zeg nou zelf, wie stuntelt er beter dan ik? Ik had me zowaar een keer niet verslapen. Ik was zelfs te vroeg. Uiteindelijk kwam dat goed uit voor een toiletbezoekje. Daar zag dat ik maar één oog had opgemaakt.  Wel eens geprobeerd in een toiletruimte met koud water en papieren doekjes een oog schoon te maken? Toen had ik een rood oog.  Ik werd binnengeroepen en moest een scène spelen met, houd je vast, met die leuke acteur, Rob…eh…dinges. Je weet wel. Van schrik kwam ik niet meer uit mijn woorden  terwijl ik de tekst gisteravond feilloos kon oplepelen. Met rode konen en een verhoogde hartslag worstelde ik me er doorheen. Waarom wilde ik dit ook alweer. Maar wat denk je, ik kreeg applaus na afloop! Dit was wel ongeveer wat ze zochten. Ik zou eind van de dag een telefoontje krijgen. Spannend hè. Wacht, even mijn thee pakken.

Ben ik weer. Toen ik weer thuis was kon ik mijn draai niet vinden. Moest ik nu thuis gaan zitten blijven wachten op dat telefoontje? Eind van de dag was een rekbaar begrip toch. Ik besloot naar het winkelcentrum aan de andere kant van de stad te fietsen, even wat adrenaline wegtrappen. Daar wandelde ik op mijn gemak door de gangen en net  toen ik bij de chocola stond hoorde ik mijn telefoon afgaan. Ik graaide in mijn jaszak. Mis. Andere kant dan. Ook niet. Tas! Dat ding zit natuurlijk onderin. ‘Hee Max, kan ik je straks terugbellen, ik sta in de supermarkt.’, hoorde ik opeens. Het was mijn telefoon helemaal niet. Plotseling brak het zweet mij uit. Ik had geen telefoon bij me! En stel nou dat ze bellen over die auditie. Stel dat de rol van mijn leven aan mijn neus voorbij gaat,  mijn hele carrière aan diggelen. Ik dacht alleen maar ‘Naar huis, ik moet naar huis!’. Na de file bij de kassa, de onbruikbare pinpas en op het nippertje voldoende contant geld hebben, propte ik alles snel in mijn fietstas. Waarom maken ze die dingen toch zo klein? Toen ben ik als een dwaas naar huis gefietst. Tenminste, de laatste drie straten moest ik lopen, met een geklapte achterband. Ik krijg dorst van dit verhaal. Blijf hangen, ik pak even een wijntje.

Ben ik weer. Het werd nog  erger. Ik kwam de tuin in, smeet de fiets tegen de schuur toen ik een klap hoorde, echt zo’n zware dreun en tegelijkertijd een verschrikkelijk gegil. Ik stond stijf van schrik. Het lawaai kwam van de buren, die oudere mensen weet je wel, dus ik keek voorzichtig over de heg. Maar niet voorzichtig genoeg want de buurvrouw riep me meteen, helemaal overstuur. Haar man was gevallen, of ik even kon helpen. Een tel twijfelde ik nog. Zal ik eerst mijn telefoon halen? Maar ik liep toch de buurtuin in. Meteen zag ik die man op de grond liggen. In zijn val had hij de salontafel omgegooid terwijl het kanten kleedje daarvan op zijn hoofd was gevallen. Er ontsnapte mij een zenuwachtig gegrinnik. De buurvrouw jammerde alleen maar “Hij gaat dood”. Hij zag er ook zo uit. Ik gaf haar, ogenschijnlijk   doortastend, de opdracht 112 te bellen. Daarna heb ik  bij de buurman ter hoogte van waar ik dacht dat zijn hart zat een paar keer geduwd en gepord. Toen ik wat aan zijn bovenste knoopjes prutste deed hij opeens zijn ogen open. ‘Hou daar es mee op!’ snauwde hij. Ik viel van schrik plat op mijn achterste. Maar zo kende ik hem weer. Mopperkont eerste klas. Of het de buurvrouw nog is opgevallen weet ik niet maar zodra de ambulance verscheen haastte ik mij terug naar huis. Naar mijn telefoon natuurlijk. Even bijvullen hoor.

Ben ik weer. Dus ik kom thuis en zie mijn telefoon gewoon midden op tafel liggen. Grote opluchting want ik dacht nog  dat hij misschien gestolen was, of dat ik hem  verloren had of dat hij thuis was kwijt geraakt. Maar hij lag gewoon op tafel. Toch durfde ik niet meteen te kijken. Ik nam eerst een glas wijn en toen nog een tot ik voldoende moed had. ‘3 oproepen gemist’. Wat! En het was nog niet eens eind van de dag! Boos, verontwaardigd en vooral overmoedig  belde ik meteen terug. Er werd opgenomen en voor iemand iets zeggen kon ratelde ik als een kip zonder kop dat ik er niets aan kon doen en dat ik de rol zo  ontzettend graag wilde hebben en dat ik nog een kans verdiende. En toen ik even ademhaalde hoorde ik ‘Hoi, met Rob, heb je al drie keer gebeld om te vragen of je vanavond met me uit wilt’.  O wacht, ik krijg een wisselgesprek….”

 

EK en IK

voetbal

Wat ik begrijp:

–          ‘we’ doen niet mee.

–          Ik  hoef geen oranje versieringen op te hangen.

–          ‘we’ hoeven niet alle wedstrijden te kijken.

–          Ik hoef geen oranje eten te maken.

–          ‘we’ gaan niet op de bank eten.

Wat ik niet begrijp:

–          Elke avond staat toch de tv aan.

–          Iedere wedstrijd wordt bekeken.

–          Ik ken nu alle variaties op het woord ‘sukkel’.

–          We eten toch op de bank.

–          Het ene moment zijn de Belgen goed genoeg voor slechte grappen,

–          Het volgende moment zijn ze ‘onze’ nieuw helden.

–          Spelers zijn net stripfiguren: veel plaatjes, weinig tekst.

–          Ze  zweten zich een ongeluk maar hun haar blijft immer keurig in model.

–          Hoe kun je koppen met een hanenkam (was er laatst niet een bal lek….?)

–          Is high zijn van de haarlak ook doping?

–          De nazit wordt verzorgd door een stelletje landlopers.

–          Op een haveloze bank wordt geneuzeld over hoe saai het is.

–          Waarna iedereen concludeert dat er niets aan is.

–          Hoor ik nou die vreselijke claxon van de Tour op de achtergrond???!!!