Maandelijks archief: juni 2016

Droog

 lorgnet

Eens in de zoveel tijd moet ik er aan geloven. Het moment dat de wereld om me heen wat wazig wordt en dat mijn armen te kort zijn om lekker te lezen is weer aangebroken. Op naar de brillenboer.

Dan begint de ellende. Monturen, monturen en nog eens monturen. Monturen die er zo leuk uit zien op het rek pakken op mijn neus heel anders uit. Monturen die van binnen een andere kleur hebben dan van buiten maken me in de war. Monturen die op mijn beste oog een sticker hebben zodat ik er ongewild hartstikke scheel uit zie. Monturen die mijn eigen spiegelbeeld angst aanjagen. Monturen die mij veel geleerder laten overkomen dan ik ben. Monturen die mijn leeftijd zomaar een aantal jaren omhoog laten schieten. Pfff.

Uiteindelijk toch een passend montuur gevonden! Volgens de poster in de winkel kom ik voor bijna alle kortingen in aanmerking dus wil ik met een briefje van vijf afrekenen. Vergissing. Het is niet en-en maar of-of… Maar ja, ik kan niet zonder dus vooruit maar. Dan laat ik me nog een hoedje schrikken door die oogpufjes, zit een half uur voor joker met een knutselbril te gokken of 1 of 2 beter of slechter is totdat de opticien zegt dat hij weet wat ik zie. Onder de koffie gaat hij alles precies uitrekenen en kan ik even om me heen kijken…

Een echtpaar op leeftijd is op zoek naar een nieuwe gok voor hem. Bij het eerste montuur zegt hij ‘Dan nem’n we deze toch!’. Maar dat laat de winkeljuffrouw niet toe en biedt hem 100 en 1 monturen. Ze kirt met de echtgenote mee ‘Déze is leuk!!!’ en ‘Nee, déze!!!’.  Uiteindelijk hebben de dames een keuze gemaakt. ‘Dus deze wordt ‘m?’ vraagt de man. ‘Ja!’, zegt zijn vrouw, ‘Deze doet iets voor je.’ ‘Wat dan?’ ‘Nou, gewoon, iets!’ Hij haalt zijn schouders op. De winkeljuffrouw zet hem het montuur nogmaals op en zegt ‘Ik kijk even achter uw oren hoor’. Hij kijkt haar ondeugend aan en scoort met ‘Ik ben d’r al jaren droog hoor!’

Advertenties

Marius

‘Marius wil opgehaald worden uit Smalland’

Je hoeft niet eens te raden waar ik ben. Eens in de vijf jaar ga ik hier naar binnen. Vaker verdraag ik niet. Meestal heb ik ook niet echt iets nodig. Om vervolgens met volle armen (ook hier geen tassen meer) het pand te verlaten. Ach en dan is het wel zo gezellig nog een balletje mee te blijven prikken. Dat is genieten. Al die mensen bedoel ik dan.

Ik zie meteen al een stel praatouders. Kindlief loopt uitdagend te springen op de bank. Vraagt de vader met afhangende schouders aan de moeder ‘Vinden wij dit goed?’. Moeder, ook niet iemand met een duidelijke mening ‘Kweenie’. Ze roepen het kind bij zich en vragen waarom hij niet gaat zitten want doorgaans is een bank, ook die van Ikea, daarvoor gemaakt. Het kleine jongetje roept ‘Bleh!!!’ en huppelt vrolijk verder op de bank. De ouders kijken elkaar aan, halen tegelijkertijd de schouders op en gaan verder met eten.

‘Marius wil opgehaald worden uit Smalland!’

Achter ons zit een meneer die druk is met zijn telefoon. ‘Nee joh, dat heb ik allang met Martin besproken. Ja, ik dacht dat ik het ook met jou besproken had maar dat is dus niet zo. Haha. Ja, ik dacht het echt joh! Maar goed, Martin weet er van hoor. Ik kan het je wel uitleggen natuurlijk maar dan vertel ik het twee keer terwijl Martin het al weet. Weet je, als jij nou Martin ff belt dan legt hij het je wel uit. Als Martin d’r nou niet is moet je mij ff bellen dan leg ik het je gewoon uit. Geen moeite joh, is zo gebeurd. Zo moeilijk is het nou ook weer niet hè, haha! Dus jij neemt eerst contact op met Martin en dan eventueel met mij. Nou joh, ik hoop dat Martin er is. Anders hoor ik het wel!’

Naast ons een moeder met twee dochtertjes. Moeder houdt facebook waakzaam in de gaten terwijl de meiden elkaar opjutten wie de meeste Zweedse balletjes in één keer naar binnen kan proppen. Ze giechelen zich suf zoals alleen meisjes dat kunnen. Pas als ze uiteindelijk proestend de balletjes weer uitspugen kijkt de moeder verstoord op ‘Doe’es gewoon jullie!’.

‘Marius wil nu echt heel graag opgehaald worden uit Smalland!!!’

Aan de andere kant naast ons zit een vader, moeder met hun kleine spruit in de kinderstoel tussenin. Helemaal blij met een flesje water en al wat zijn ouders voor hem neerleggen eet hij smaakvol op. Dan heb ik het over twee patatjes, af en toe een sperzieboon, een stukje zalm en een half balletje. Bij iedere hap glundert hij en kraait ‘Lekker!!!’

‘OKÈ, MARIUS WORDT AAN DE EERSTE DE BESTE OUDERS MEEGEGEVEN!!!’

Het is weer genoeg geweest. Nog even het pakketje uit het magazijn ophalen. Hoe heet het ook alweer? O ja, Marius…. Zijn er nou echt ouders die hun kind naar een Ikeameubel vernoemen???

 

Werelddom

wereldvreemd

Je hebt van die mensen die zo wereldwijs zijn. Of in elk geval zo over komen. Het lijkt wel of ze overal verstand van hebben. Je kunt geen onderwerp aansnijden of ze weten er hele verhalen over. Ze zijn overal al eens geweest, hebben alles al eens meegemaakt. Bij voorkeur verder, meer, duurder en lekkerder. Ze hebben weinig vragen, kijken nergens van op en staan ook nooit voor verrassingen.

In vergelijking daarmee ben ik behoorlijk werelddom. Ik ben niet in al die verre hete oorden geweest, heb nog nooit bungee gejumpt en sta me in de supermarkt regelmatig af te vragen ‘wat is het?’ als er weer een nieuwe groente ligt. Een omschrijving van een auto komt bij mij niet verder dan de kleur en een restaurantje beoordeel ik eerder op ‘gezellig!’ dan op ‘exquise keuken met veurtreffelijke wijnkaart!’.

Zo reden wij laatst een stadje binnen en ik zag daar de huisvrouwen gezellig buiten voor de deur op straat op een keukenstoel zitten kletsen met elkaar. Later begreep ik dat het geen huisvrouwen waren maar dames van een heel ander beroep. Ik vond wel dat ze wat blotig en opzichtig gekleed waren…dat wel.

Zo staat hier bij het station zo’n klein kioskje, vlak naast de fietsenstalling. Regelmatig zie ik daar jongelui elkaar treffen. Ik dacht nog ‘Wat een leuk punt, want ze komen allemaal op een zeker moment wel met de trein of de fiets daar aan. Leuk ontmoetingspunt alhoewel het naar mijn idee wel iets groter zou kunnen om ze ook gezellig te laten zitten met een kopje koffie of zo. Gisteren zag ik opeens een vrolijk bordje aan de muur van het kioskje met een groen plantje er op… Die jongelui kwamen gewoon hun gram halen…of twee.

best bud

 

 

 

Drie om één

(Dit verhaal heb ik ingestuurd voor de schrijfwedstrijd georganiseerd door uitgeverij LetterRijn. Het thema was ‘Nordic Noir’, doelend op de ijzingwekkende thrillers uit Scandinavië, met ruime aandacht voor de psychologie en couleur locale.  Het is me niet gelukt om op de longlist te komen, ook niet om echt ijzingwekkend te schrijven maar wel met 2.628 woorden aan de verplichting van 2.500-4.500 woorden voldaan. Nog nooit zo’n lang verhaal geschreven… Dus toch wat geleerd .)

Voorzichtig tilt ze het kussen van zijn gezicht. Was het lang genoeg? Ze buigt wat voorover. Hoort ze nog iets? Beweegt zijn borstkas? Net als zij met haar hand boven zijn hartstreek is slaat hij zijn ogen op. Hij kijk haar vertwijfeld aan en stoot hijgend een paar schorre klanken uit. De deur van de kamer vliegt open en een struise verpleegster stapt naar binnen: ‘Meneer van Boven, u heeft gebeld?’ Josefien doet snel een stap achteruit en verklaart het kussen in haar handen: ‘Hij wilde wat hoger liggen.’ De verpleegster kijkt bevreemd, haalt haar schouders op en draait zich om. Op de drempel blijft ze even staan en zegt; ‘O ja, het gesprek dat u vanmiddag met dokter de Groot heeft, wordt een uurtje eerder. Ik neem aan dat u hierover zelf even contact opneemt met uw dochter.’

Zodra de deur weer gesloten is legt Josefien het gelige zijden kussen terug in de stoel. Ze loopt naar het bed en rukt de dekens van hem af. Ze ziet de alarmknop in de hand van haar man. Ze grist het verraderlijke ding weg en legt het net buiten zijn bereik. ‘Moet je me nu echt in alles dwarszitten,’ snauwt ze terwijl ze de dekens teruggooit. Ze haat die man. Ze haat de kamer waarin hij ligt. Met het vale bruine behang, de stoffige bruine gordijnen, de donkerblauwe deur in de bruine posten. Zijn meegebrachte rundleren oorfauteuil neemt nutteloos ruimte in. Het kleine raam biedt uitzicht op een troosteloze binnenplaats. Een zestal vaalgroene houten bankjes staat gegroepeerd om een verwaarloosd konijnenhok. Ze walgt van deze omgeving. Ze walgt van haar eigen man. Deze keer mislukte het, de volgende keer zal raak zijn. Ze pakt haar dikke jas met een pied-de-poules print en slaat hem om haar smalle schouders. In combinatie met de zwarte pantalon en witte blouse levert dit de chique uitstraling op die ze wil bereiken. Met haar rechterhand tast ze naar de strakke haarwrong in haar nek, met haar linkerhand pakt zij haar designertas. Zonder iets te zeggen verlaat zij de benauwde kamer. Nog op de drempel wordt zij overvallen door een kleine gestalte, gehuld in een paarse ochtendjas en rode chinees geborduurde slippers. Een oude vrouw met een naargeestig gezicht drukt zich tegen Josefien aan en raspt: ‘Hoe is het met mijn man?’. Josefien deinst achteruit van de penetrante geur die de vrouw verspreidt. Ze duwt de vrouw opzij en beent de lange gang door. Het tikken van haar hakken klinkt venijnig door de betegelde gang. Zodra ze bij het met steenstrips beplakte hokje van de verpleging komt tikt ze driftig op het raam. ‘Ik zou het op prijs stellen als jullie eens wat beter op Mevrouw Tiggelaar letten.’ roept ze naar binnen zonder op antwoord te wachten. De verpleegster kijkt haar hoofdschuddend na.

Sacha is nu al heel wat jaren verpleegster in deze zorginstelling maar nog steeds treft het haar dat ze meer werk heeft aan de familie dan aan de patiënten zelf. Elke keer als Mevrouw van Boven is geweest staat haar een flinke dosis kritiek te wachten. Het bed is te zacht, de lakens te hard, de dokter te vroeg en het douchen te laat. Zuchtend staat Sacha op. Ze gaat even bij hem kijken. Zodra ze de kamer binnenkomt ziet ze de paniek al in zijn ogen. ‘Rustig maar,’ sust ze, ‘Er is niets aan de hand. Gaat u maar lekker slapen.’ Hij probeert te praten maar het is niet meer dan wat onverstaanbare keelklanken. ‘Aha, ik begrijp het,’ zegt Sacha, ‘U wilt nog zo’n lekker pilletje van mij!’ Uit de broekzak van haar vormeloze uniform haalt ze een wit zakje en vist er een klein roze tabletje uit. Hij schudt zijn hoofd en zijn ogen schieten bang heen en weer. Bedaard stopt Sacha het tabletje in zijn keel en spuit er wat water achteraan. Hij kan niet ander doen dan slikken. Ze glimlacht. Zo moet het gaan. Zij is de baas. Over leven en dood. Haar hele jeugd heeft ze zich laten koeioneren door haar moeder, die haar leven dicteerde, die haar ongewild afhankelijk maakte. Elke vorm van verzet werd gewelddadig de kop ingedrukt. Dat ze uiteindelijk verpleegster is geworden was de zoveelste eis van haar moeder. Zo  verzekerde zij zichzelf van gratis zorg door haar eigen dochter op haar oude dag. En daar maakte de moeder een fout want opeens was zij afhankelijk van Sacha, haar dikke domme mislukte dochter. Hoe makkelijk bleek het te zijn om door enkel wat te schuiven met medicijnen de rollen volledig om te draaien. Dat haar moeder plotseling overleed heeft niemand ooit begrepen. Als de uitwerking van het roze pilletje bij meneer van Boven aanslaat bekijkt ze genietend zijn gevecht op het randje van leven en gaan. Ze weet precies waar de grens ligt. Hij zal nog niet gaan. Dat bepaalt zij wel. Terug op de gang ziet ze niet hoe een paarse wolk zich terugtrekt in een nis.

Madelon van Boven is boos. Meer dan boos. Ze heeft zich vanmiddag gehaast om op tijd bij het gesprek met dokter de Groot te zijn maar toen ze aankwam bleek het onderhoud al voorbij. Een persoonlijk gesprek met de arts van haar vader zat er ook niet meer in. Alles was al met haar moeder besproken. Volgens Sacha was haar moeder wel op tijd verschenen. Zij suggereerde dat Josefien het wellicht ontschoten was om haar in te lichten. Ontschoten? Ze heeft het natuurlijk expres gedaan. Al tijden probeert zij haar bij haar vader weg te houden. Hij zou de opwinding niet aankunnen of iets dergelijks. Maar telkens als Madelon de kamer binnenkomt lichten de ogen van haar vader wat op. Hij probeert haar altijd iets duidelijk te maken. Tevergeefs. Ze kan geen wijs worden uit zijn signalen. Soms denkt ze terug aan de tijd dat de ziekte net gediagnosticeerd was en hij nog helder kon denken. Toen heeft hij haar eens gevraagd hem bij te staan op het moment dat hij niet meer zelfstandig kon functioneren. Om hem te helpen. Ze wuifde toen alles weg en overtuigde hem er van dat hij er weer bovenop zou komen. Nu zou ze er heel wat voor over hebben om te weten welke hulp hij precies bedoelde destijds. Wat ze wel weet is dat hij niet gelukkig is. Nu zit ze stilletjes naast zijn bed, hij lijkt erg diep te slapen. Moet ze haar probleem aankaarten bij de dokter? Of zal ze toch nog maar eens proberen een goed gesprek met haar moeder te hebben. Dat wil zeggen haar stiefmoeder. Ze was destijds blij voor haar vader dat hij weer een vrouw vond maar Madelon had geen enkele affiniteit met haar. Ze voelde de afstandelijkheid als een persoonlijke aanval. Josefien liet al heel snel doorschemeren dat ze tegengas slecht duldde, haar wil was wet. Maar haar vader is het gesprek wel degelijk waard. Ze zal eerst Tim bellen. Een goede vriend van haar, afgestudeerd arts en hij heeft ongetwijfeld kennis van de meest verantwoorde manier om haar vader uit zijn lijden te verlossen. Tevreden nu ze een omlijnd plan heeft, staat ze op en verlaat de kamer. Op de gang knikt ze afwezig naar een dame op rode pantoffels. ‘Mijn man is heel erg ziek!’ roept de vrouw.

Zodra Josefien thuis is gaat ze direct door naar de serre. Vijf jaar geleden is deze extreem grote serre achter aan hun huis gebouwd. Volgens haar man met het idee er later, als ze oud zouden zijn, te gaan slapen. Tot die tijd mocht zij er mee doen wat ze wilde. Ze richtte het in met klassieke meubelen, waaronder een donkerrode fluwelen chaise lounge en een echt kristallen kroonluchter. De eikenhouten vloer en zware gordijnen in een donkergroene kleur gaven de glazen ruimte warmte. Als finishing touch zette ze er een paar zelfgemaakt schilderijen in en tenslotte organiseerde zij een feestje. Het bleek een succes, drie van haar schilderijen waren zelfs verkocht. Een van haar vriendinnen kwam de dag na het feest met een aantal zeer bijzondere sieraden, gemaakt door haar zoon. Niet geheel onverdienstelijk. Of Josefien er iets mee kon. Toen ontstond het idee in de serre jonge talenten ruimte tot exposeren te geven. Zij bepaalde wat er kwam te hangen of te staan. Het werd zo’n succes dat de serre al snel veel te klein was. Op een gewilde locatie, midden in de stad, opende Josefien drie maanden later haar eigen galerie. De laatste jaren uitgegroeid tot een goed bezochte plaats in de kunstwereld. Zij genoot van het artistieke leven en alles wat er mee samenhangt. Toen haar man plotseling ziek werd viel het grote leeftijdsverschil meer op dan anders. Hij was heel snel een oude zieke man geworden terwijl zij juist wilde leven, bruisen en sprankelen. Plaatsing in een verpleeghuis leek een oplossing. Knarsetandend herinnert ze zich het gesprek met dokter de Groot vanmiddag. Hij dacht toch niet dat zij dit allemaal gaat opgeven om haar man weer in huis te nemen. Ze snapt ook wel dat ze niets meer voor hem kunnen doen. En dat hij daarom niet meer daar kan blijven. Volgens dokter de Groot zal het niet langer dan een half jaar duren. Een half jaar. En al die tijd zou haar leven hier stilstaan. Ze wil dit niet, heeft er absoluut geen zin in. Het enige wat hij hoeft te doen is doodgaan. Morgen zal ze hem daarbij een handje helpen. Alleen maar helpen.

Sacha begint aan haar laatste ronde. Nog even en ze kan naar huis. Hopelijk heeft Paulo boodschappen gedaan. Ze hoopt dat hij niet weer zo´n rotzooi gemaakt heeft als gisteren. Door het hele appartement lagen kleiresten, spatels en schrapers. Hij maakt het ene werk na het andere, zijn werkdrift is eindeloos. Maar zelden is hij tevreden. En als hij iets moois heeft gecreëerd, iets waar hij volledig achterstaat, raakt hij het aan de straatstenen niet kwijt. Hij leurt bij boetiekjes, markten en plaatselijke exposities maar zijn werk wordt niet begrepen en zo dringt hij ook niet door tot de kunstwereld. Sacha ziet ook niet altijd wat hij bedoelt maar ze houdt van hem. Ze grinnikt. Ze is trots op zichzelf dat ze een plan heeft gevonden om hem een kans te geven. Wat zou het heerlijk zijn als hij naam gaat maken, als zijn geploeter eindelijk resultaat boekt. Eerlijk gezegd zal ze ook blij zijn als er van zijn kant ook eens geld binnenkomt. En zij minder tijd bij die stinkende bejaarden hoeft door te brengen. Zodra ze thuiskomt verruilt ze het gehate witte uniform voor een uitdagend rode jumpsuit. Opeens is haar prachtige gevulde figuur voluit te zien. Paulo is in opperste concentratie bezig. Zo ziet ze hem het liefst. Zijn grote handen die gracieuze fijne beeldjes maken. Op de eettafel ziet ze een nieuwe serie staan. Het beneemt haar bijna de adem. Zo mooi, fragiel en toch krachtig. Dan merkt hij haar op en ziet haar kijken naar de tafel. ´Nou?’ vraagt hij. Ze vliegt hem om de hals en noemt de serie de beste die hij ooit gemaakt heeft. ‘Ik ga je helpen’ zegt ze gesmoord in zijn nek. Zoveel talent mag toch niet verloren gaan. Morgen gaat ze het mes op de keel zetten bij Josefien. Een vaste plek in de galerie voor haar vriend ruilen tegen de dood van haar man. Ze wil alleen maar helpen.

Madelon heeft een ernstig maar verhelderend gesprek gevoerd met Tim. Hij heeft haar de juiste raad gegeven. Ze moeten echter heel omzichtig te werk gaan. Dit wil ze het liefst vandaag nog met Josefien bespreken. In haar kleine auto komt ze voor haar ouderlijk huis tot stilstand. Boven en beneden brandt licht. Ze opent met haar eigen sleutel de voordeur. Er heerst een merkwaardige stilte. ‘Hallo?’ roept ze onderaan de brede wenteltrap. Stilte. In de modern ingerichte woonkamer ziet ze tussen de strakke witte bank en de glazen salontafel rode druppels op het witte vloerkleed. Daarnaast een omgevallen glas. Rode wijn. Nogmaals loopt ze naar de trap. Behoedzaam volgt ze de treden. Op de overloop komen vijf deuren uit. Een voor een doet zij ze open. Alle slaapkamers en badkamers zien er ongebruikt uit. Halverwege de trap naar beneden hoort ze opeens een geluid. Brekend glas. Daarna ingehouden gelach. Het lijkt van de achterkant van het huis te komen. Behoedzaam sluipt Madelon naar de serre, haar telefoon inmiddels in haar hand geklemd, klaar om hulp in te schakelen. Langzaam duwt ze de deur een stukje open en dan ziet ze het. Haar naakte stiefmoeder ligt zich met een eveneens naakte jonge man te amuseren op de chaise lounge. Nadat ze haar weerzin heeft onderdrukt stapt ze naar binnen.  ‘Fijn Josefien, dat jij je ook zo’n zorgen maakt om papa. Ik ga nu naar hem toe om hem te helpen.’ Verschrikt vliegt Josefien overeind, probeert met het gebloemde overhemd van de jongeman haar lichaam tevergeefs te bedekken. ‘ O nee,’ zegt ze, ’niet vanavond! Natuurlijk maar ik me ook zorgen. Wat denk jij nou. Ik mag toch wel even ontspannen. Maar ga niet vanavond naar hem toe. Ga naar huis en ga slapen. Morgen ga ik met je mee. Dan gaan we samen, om te helpen.’ Madelon draait zich op haar hakken om en verlaat met opgeheven hoofd het huis.

De volgende morgen staat Josefien al vroeg in het verpleeghuis op de lift te wachten. Een keurige dame, slank en opvallend verzorgd gekleed. Beheerst maar toch is de strijdlust in haar ogen te lezen. Madelon staat opeens naast haar. Net iets te zwaar en slordig gekleed in onbestemde tinten. ‘Wat ben jij vroeg.’ zegt Josefien lichtelijk verschrikt. ‘Je hebt je kleren weer kunnen vinden zie ik.’ reageert Madelon. Dan sluit ook Sacha zich bij de wachtende vrouwen aan. Ze trekt even haar wenkbrauwen op maar zegt niets. Ze slaat haar brede armen over elkaar en straalt meteen een onverzettelijkheid uit. Gedrieën stappen ze op dezelfde verdieping uit en lopen naar de kamer van meneer van Boven. Dokter de Groot staat over het bed heen gebogen en richt zich snel op als hij de drie vrouwen in het oog krijgt. ‘Nou,’ begint hij ‘dit is wel heel toevallig, ik wilde u net bellen. Het spijt me vreselijk u te moeten meedelen maar meneer van Boven is vannacht overleden. Gecondoleerd. Eerlijk gezegd is de doodsoorzaak nog niet precies vastgesteld, maar dit zal ongetwijfeld in de loop van de dag helder worden. Ik laat u nu even alleen met uw man, uw vader en jouw vaste cliënt. Nogmaals gecondoleerd. Dit hadden wij niet voorzien, anders hadden wij u natuurlijk tijdig opgeroepen.’ Nadat hij de kamer verlaten heeft kijken de drie vrouwen als gehypnotiseerd naar het bed. Dood is hij. Morsdood. Definitief. Ze staren alle drie bewegingsloos. Josefien is de eerste die zich herpakt. Ze knijpt haar ogen tot spleetjes en kijkt naar Sacha. ‘Heb jij wel de juiste medicijnen gegeven?’ bijt ze haar toe. Sacha laat een schamper lachje horen en zegt: ‘Ik had tenminste geen kussen bij me.’ Madelon kijkt vragend van de een naar de ander en zegt: ‘Medicijnen? Kussen? Wat bedoelen jullie?’ Josefien snauwt naar haar stiefdochter: ‘We bedoelen dat het vreemd is dat er geen doodsoorzaak is. Heel erg vreemd. Wacht eens, wat heb jij gisteravond eigenlijk gedaan? Heb jij je vader net zo onverwachts bezocht als mij? Ben jij werkelijk wel naar huis gegaan?’ Madelon hapt naar adem, slikt en reageert dan verontwaardigt: ‘Je zult het nooit weten hè.’ De drie vrouwen vallen in een ongemakkelijke stilte. Ieder met haar eigen gedachten. Af en toe wordt er een schuwe blik naar een ander geworpen. Gesproken wordt er niet meer. En niemand die het ziet. Geen van drieën. De Filippijnse schoonmaakster ziet het de volgende dag wel. Een rode chinees geborduurde slipper. Onder het bed.

 

 

 

 

 

 

 

Uitzondering

Ik ben zo blij dat iemand ooit bedacht heeft dingen bij de naam te noemen. De dingen in ieder geval een naam te geven. Stel dat dit niet zo was dan werd het me toch een zootje. ‘Geef mij dat ding eens aan, dan kan ik er wel een dingetje van dingesen’. Het wordt net zoiets als smurfentaal. Toch hebben de smurfen wel allemaal een eigen naam. Een naam naar aanleiding van hun gedrag. Lolsmurf, kooksmurf, schildersmurf of moppersmurf.

Daarom denk ik dat Karel de Grote beslist geen kleintje was. Filips de Stoute geen lieverdje was en dat het bij Willem de Zwijger heerlijk rustig was. Uitzonderingen zijn er natuurlijk, zoals Michiel de Ruyter, die zelfs bang was  voor paarden. Soms worden mensen genoemd naar waar ze vandaan komen, zoals Miep van de Beek of Jan van de Berg. Uitzondering is dan wel Joop van de Maan. Of mensen worden vernoemd naar hun beroep, zoals Henk Bakker en Herman de Boer. Toch associeert Mike de Boer heel anders. Wat te denken van Jan Slagter. En soms moet je gewoon niets achter een naam zoeken. Meneer de Zwart is zo wit als wat en mevrouw de Wit heeft een mokkakleurige huid, terwijl Jan de Bruin duidelijke Chinese trekken heeft.

Dat namen belangrijk zijn weten vooral winkels en instellingen. Je kunt je kapperszaak natuurlijk ‘Kapsalon De Dooie Punt’ noemen of je bejaardenhuis ‘Over de datum’, het cliëntenaantal zal drastisch laag zijn . Je moet ook niet vreemd opkijken je je restaurant ‘het Olijke Schimmeltje’ noemt dat er op woensdagmiddag allemaal ponymeisjes voor de deur staan.

Huizen en dieren hebben ook vaak een naam naar aanleiding van hun functie. Het verschil tussen een herdershond en een jachthond is duidelijk. Het verschil tussen Paleis het Loo en Opa’s hut ook. Maar of een bidsprinkhaan nu de hele dag zit te bidden? En de reden dat een koekoek koekoek heet slaat weer niet op een duif. Een zeemeeuw midden in de stad is net zo’n uitzondering als Café Zeezicht in Hengelo.

Dit alles is een inleiding op dit, wat ik gisteren in de winkel zag:

IMG_20160613_133229101

Tussen de glanzende rode aardbeien, de gladde gele bananen, de perfect ovale blauwe druiven lagen ze daar een partij lelijk te wezen: vaal groengele pokdalige zitzakachtige ugli’s!  Dan denk je toch meteen ‘Die zijn lelijk zeg, zullen ook wel niet lekker zijn, die koop ik niet!!!’ Maar ik kom graag op voor de onderdrukte partij en nam ze mee naar huis. Trekken ze jou ook niet aan, houd je niet van uitzonderingen, ga je liever mee met de gladde massa, laat je de buitenkant je idee bepalen of zelfs alleen maar de naam? Laat ze dan subiet allemaal liggen; ik eet met liefde al die overheerlijke schoonheden helemaal zelf op.

 

Mmmmmmm

Ik weet niet of ik de enige ben maar ik heb zo’n rare gewoonte. Heel hinderlijk. Lastig ook en heel moeilijk af te leren. Maar ik doe echt mijn best. Dat moet je geloven. Wat het is? Als ik met iemand praat die een plat Amsterdams accent heeft…doe ik binnen drie zinnen mee in het Amsterdams. Zo ook met Haags, Fries of Limburgs. Ook stopwoordjes van een ander neem ik razendsnel over. En ik trap er ook in als iemand bij elk vijfde woord zijn wenkbrauwen optrekt. Binnen de kortste keren zit ik als een malle te fronsen. Over knipogen wil ik het niet eens hebben. Waar wil ik heen?

Wij gingen gisteravond gezellig uit eten. Na enig speurwerk kwamen we uit bij Herberg De Boer’nkinkel. What’s in a name… Het was boers maar niet kinkelig. Eerder landelijk, met kleine raampjes en luikjes, met hoekjes en nisjes, met balken plafonds en vriendelijke bediening. Al met al een genoeglijke bedoening. Een gezellige dame kwam de bestelling opnemen en al snel werd de eerste gang gebracht door een keukenhulp. Deze jongeman had tevens de opdracht de gasten uit te leggen wat er precies op het bord geserveerd werd. Toen hij mijn aspergesoep uitlegde merkten we dat er veel moeilijke letters in voorkwamen, het klonk als a-a-a-p-p-p-erges-s-s-oep. Mijn tafelgenoot maakte het nog bonter, hij kreeg p-p-p-até m-m-m-et p-p-p-ittige m-m-m-osterds-s-s-aus. Gelukkig was dat laatste een koud gerecht. Ik was blij dat ik de pommodorisoep met pijnboompitten en Parmezaanse kaas niet had besteld.

De jongen deed vreselijk zijn best, bleef constant glimlachen en wij glimlachten voluit terug. Ik wilde hem over zijn bol aaien en riep bijna ‘G-g-g-eef-f-ft n-n-n-iks joh!’ Het hoofdgerecht hadden we al besteld maar als ik het van te voren geweten had…had ik gewoon ‘pasta’ besteld. Nu kregen we ‘b-b-b-iologisch v-v-v-ark-k-ken met a-a-a-sperges op een bedje van a-a-a-rdap-p-p-p-p-elp-p-p-uree.’ Ik hield me in en zei niet ‘l-l-l-ek-k-k-er hoor, b-b-b-ed-d-d-ankt!’

Toen de juffrouw van de bediening kwam vragen of we nog een toetje bliefden moest ik even nadenken. Een Crême Brulee kon ik de jongen niet aandoen evenals de Chocolademouse met meloenpartjes. Net toen ik wilde zeggen ‘Doe maar gewoon ijs’ stelde zij verse aardbeien voor. Tja, daar kan niets tegenop. Even later stond Brugman met twee reuzenborden ‘a-a-a-rdb-b-b-eien uit eig-g-g-en t-t-t-uin m-m-m-et s-s-s-abignon en in het m-m-m-idden een b-b-b-olletje s-s-s-chocolades-s-s-orbet.’ De boel was bijna gesmolten maar hij keek zo trots dat ik alleen maar stotterde ‘M-m-m-m-m-m-m-m-m!’

Collage 2016-06-14 20_10_02

Overigens: we hebben er heerlijk gegeten en mijn rare gewoonte is bijna onder controle…

Stel je eens voor

(Dit verhaal heb ik ingezonden voor een schrijfwedstrijd georganiseerd door Heel Nederland Schrijft. Het thema is ‘Stel je eens voor dat….’ en mag niet meer dan 400 woorden bevatten. Het publiek, jij als lezer dus, mag hierop stemmen mits je het een aardig verhaaltje vindt. Ga naar http://www.heelnederlandschrijft.nl , maak een gratis account aan en stemmen maar. Bij voorbaat dank!)

‘Leg dat eens heel snel neer!’ Zonder zich om te draaien ziet mijn moeder dat ik stiekem een vers gebakken koekje van de schaal probeer te pakken. Hoe doet zij dat toch? Heeft zij soms ogen in haar achterhoofd?

Stel je toch eens voor dat we allemaal ogen in ons achterhoofd zouden hebben. Dat zou nog eens wat zijn. Lekker alles in de gaten houden. Nooit meer overvallen worden door een achteropkomende scooter. Nooit meer schrikken. Nooit meer geklets achter je rug. Of gekke gezichten. Alles tegelijkertijd kunnen zien scheelt een hoop nekpijn. Dan kan ik slapen en wakker zijn tegelijkertijd.

Maar wacht eens. Wat doe ik met mijn haar? Wat moet ik doen om te zorgen dat het voor niet voor maar ook achter niet voor mijn ogen hangt? Een scheiding in het midden met twee staartjes over mijn oren lijkt de oplossing. Charmant is anders. Maar wat nou als mijn achterogen achteruit gaan en om een brilletje vragen? Raken de pootjes van de twee brillen, voor heb ik er namelijk al eentje, dan niet dagelijks in de war? De zonnebril in mijn haar ook maar meteen verdubbelen? Wat een gedoe eigenlijk. Daarbij, ik wil die achterogen natuurlijk ook wel eens opmaken als ik uitga, maar hoe maak ik daar smokey eyes als mijn handen aan de voorkant zitten? Als ik een leuk iemand tegenkom hoe reageert deze dan als ik knipoog? En stel dat diegene in mijn ogen verdrinkt wat gebeurt er als ik mij omdraai? En weg is de leukerd? Tegen de wind in lopen geeft tranende ogen maar achteruit lopen nu ook. Zal ik net op het strand lopen, overal zand in. Met welke ogen ga ik dan huilen? Als ik met mijn achterogen huil gaat mij neus dan van voren lopen? Gênant. Ik weet het niet hoor of het nou wel zo’n goed idee is, want als ik alles dubbel ga zien word ik vast ook dubbel zo moe…

En wìl ik eigenlijk wel alles zien. Alles is namelijk wel heel veel. Graag knijp ik een oogje toe maar als ik eerst moet besluiten welke van de vier…laat dan maar. Weet je, misschien is het beter dat alleen moeders dit kunnen. Zij houden nu eenmaal graag een oogje in het zeil.

 

Helemaal anders

papieren familie

Ik heb een carrière switch gemaakt. En ik snap eigenlijk zelf niet dat ik daar niet eerder op gekomen ben. Het lag zo voor de hand, het kon niet missen. En nee, zoiets is absoluut niet leeftijd gebonden. Als jij belooft dat je me niet na gaat doen zal ik het onthullen.

Welke loopbaan er ooit gevolgd gaat worden, de meeste beginnen toch met een simpele krantenwijk. Papier rondbrengen. En nu, vele jaren verder, ga ik datzelfde papier weer ophalen! Hoewel mijn voorkeur uit gaat naar karton, veel karton.

bijbeunen aow

Ik hoor je denken: Wat moet je daar nou mee?! Karton is doorgaans zeer geschikt voor surprises maar dat is slechts een maand per jaar. Dus èèn maand ben ik al zeker weten los. De andere maanden lever ik aan basisscholen; wie heeft er niet mee gewerkt?

karton 3

Aan studenten, voor al hun boeken (ook studieboeken).

kartonnen boekenkast

Aan stylisten, diverse modellen mogelijk, zelf in iedere gewenste kleur te verven.karton2

Aan kunstenaars!

IMG_20160607_115640062

Eerlijk gezegd heeft de kunstenaar van deze levensgrote kast me op het idee gebracht. Hij moet elke vrijdag naar Albert Heijn om zijn voorraad karton aan te vullen. Want karton is het enige materiaal dat hij gebruikt. Haast niet te geloven als je dit plaatje ziet, maar ik heb het van de week met eigen ogen gezien. Zelfs de inhoud is van karton; de vazen, de borden net als het paard en de kameel. Een kwestie van scheuren, plakken en nieten, meer komt er niet bij kijken. Ja, wat ruimtelijk inzicht natuurlijk maar daar is hij kunstenaar voor. Je begrijpt: voor een prikkie bezorg ik het graag wekelijks bij hem in zijn atelier. Zo kan hij lekker in zijn flow blijven. Mocht het nu allemaal wat tegenvallen heb ik in iedere geval altijd een goeie slaapplek bij me…

in een doos slapen

Ach ja, soms moet je wat gokken in je leven 😉

Kom er af!

Ik loop ergens, ik zie iets en opeens schiet er een liedje in mijn hoofd….

Janne Jansen z’n vrouw was een koorddanseres.
bij gebrek aan het touw klom ze op het bordes.
Het eten werd koud en Janne Jansen werd heet,
en in de straat weerklonk zijn kreet:

Kom van dat dak af!

Luisteren?…Ho maar!

Janne Jansen werd kwaad,
en zei aan is de boot.
Kom van dat dak af,
of je gaat in de goot…

4.benen

Eigenwijs typetje die vrouw van Janne Jansen!

 

Voorzichtig

Ik ben er zo buitengewoon verschrikkelijk gloeiende klaar mee!!! Nou ja, verschrikkelijk gloeiende klaar mee!! Of eigenlijk, gloeiende klaar mee! In principe, klaar mee. Kortom, ik vind het niet leuk meer.

Mensen met lange tenen. En dat zijn er tegenwoordig nogal wat. Begrijp me goed, ik wil de mensen met korte tenen natuurlijk absoluut niet te kort doen. Ik kijk wel uit. Als je voor het èèn bent ben je schijnbaar automatisch tegen het ander en dat pikt degene die voor is dan weer absoluut niet en degene die tegen is start dan een petitie en dat rolt over elkaar heen totdat niemand meer weet waar het oorspronkelijk om ging. Moet je dan voortaan maar voorzichtig zijn met wat je zegt? Zo van: wie schrijft die blijft…maar degenen die niet schrijven blijven natuurlijk ook. Mijn lievelingskleur is geel maar ben ook dol op alle andere kleuren van de regenboog hoor. Ik doe dit nog eens dunnetje over maar vind dikke mensen ook oké. Jij ruikt niet vies maar…eh…anders. Dat donkere haar staat je fantastisch net zoals blond jou fantastisch staat. Een kat is, net als een hond, mijn lievelingsdier. Wat een rare wereld krijgen we dan…

Mijn simpele oplossing zou zijn: accepteer nou gewoon dat er wandelaars zijn naast fietsers. En dat binnen die wandelaars ook nog veel soorten zitten: snelle, slome, dagelijkse, wekelijkse, mooi-weer, weer-en-wind, met stokken, zonder zorgen, enz. De wereld is juist zo leuk door al die verschillen! Hou es op met alles en iedereen over één kam te scheren (wat trouwens een vreemde uitdrukking is…kammen of scheren, scheren met een kam, over een kam?). Hier moest ik aan denken toen mijn eerder genoemde schrijfvriendin deze foto stuurde:

kammetje

Een onbreekbare kam, zomaar op de grond. Hoe komt die daar? Maakte de eigenaar een salto van vreugde toen zijn vriendin het aanzoek positief beantwoordde? Of grabbelde een jongedame tevergeefs in haar overvolle handtas opzoek naar een pepermuntje waarbij de gevallen kam een feit werd? Of is dit die ene kam waarover geschoren wordt! Onbreekbaar. Ik voel een scheiding aankomen. Precies in het midden. De gulden middenweg.