Maandelijks archief: februari 2014

Pedagogisch witbrood

                                                   

Opvoeden valt niet altijd mee. Je kunt het pedagogische proces zien als een lange weg. Soms met hobbeltjes en kuiltjes en soms van lekker glad asfalt. Soms tref je een hele hoge berg die je moet beklimmen, onwetend wat je boven zult aantreffen. Stort je in een afgrond of rol je schaterend van vreugde naar beneden. Dan weer stuit je op een T-splitsing, je moet kiezen, of je wilt of niet. Of nog ingewikkelder een kruispunt. Wat doe je? Je komt onderweg veel zijstraten tegen maar zijn die per definitie beter? Er is één ding zeker: het is altijd een éénrichting straat, je kunt nooit achteruit of terug en het nog eens overdoen.

Natuurlijk zijn er plattegronden en  navigatiesystemen die je de weg wijzen, maar de weg kiezen moet je zelf doen. Er zijn boeken vol geschreven en programma’s volgepraat over dit onderwerp. Wat je daar doorgaans van leert is zeker te weten hoe het NIET moet. Hoewel gewoon om je heen kijken levert ook nog wel eens goede ideeën op.

Kinderen van tegenwoordig worden ook wel de  ‘applaus-generatie’ genoemd en ik krijg daar persoonlijk de kriebels van. Je ziet het bijvoorbeeld duidelijk bij de The Voice Kids. Als een kind bij de Battle weggestuurd wordt zegt het negen van de tien keer ‘Ik heb toch gewonnen’. Ouders en andere familieleden beamen dit volmondig  ’Tuurlijk schat, jij was de beste!’. Het lijkt dan alsof het kind een zekere wijsheid in zich heeft maar het is gebakken lucht. En hebben die ouders oogkleppen op? Willen ouders hun oogappeltjes verwennen of beschermen? Het constant bejubelen went snel voor een kind. Als hetzelfde mensje later solliciteert en niet wordt aangenomen zegt ze dan nog ‘Ik heb toch de baan’? Wanneer dringt het dan door dat ze NIET gewonnen heeft of dat ze de baan NIET heeft? En hachelijker: hoe gaat ze daar dan mee om als ze dit nooit geleerd heeft?

Laatst zat ik bij de apotheek te wachten. En te kijken. Een moeder bestudeerde aandachtig de ‘gezonde make-up ‘ hoek. Kindlief drentelde steeds naar het klapdeurtje dat de apothekers van het publiek scheidt. Een zetje, een zet, een fikse mep, na iedere handeling vragend omkijkend naar moeder. Pas nadat het deurtje met een harde klap tegen de zijkant van de toonbank beukte keek ze om en zei ‘Doe maar niet, anders sta je straks aan de andere kant’. Nog geen drie tellen later ‘Mama ik sta aan de andere kant!’. ‘Doe maar niet, kom maar hier kijken’. Toen ontdekte hij een lange schakelketting die aan het systeemplafond hing en waar allerlei babyknuffels aangehaakt waren. (Er hangt ook zo’n fijn knisperboekje aan waar ik altijd even mee moet knisperen…) ‘Doe maar niet aan trekken hoor dan valt alles er af’. Dat liet hij zich geen twee keer zeggen. Boem! Alle verantwoorde knuffels op de grond. ‘Kom maar hier, wij zijn aan de beurt’.

Dit zijn nu typische voorbeelden van pedagogisch witbrood. Ik heb de term ergens gelezen, dit sloeg op een moeder zeggend tegen haar kind, die een hoge blokkentoren aan het bouwen was ‘Doe die laatste er maar niet op dan valt de toren om’.  Het betekent zo veel als: het voedt niet en zeker niet op.

witte broodjes

Zullen we wat vaker bruin brood met pitten gaan eten?

Advertenties

Zeven dagen vrijheid

(Dit verhaal heb ik ingestuurd naar een schrijfwedstrijd georganiseerd ter promotie van het nieuwe boek ‘De Week’ van Christine Pannebakker, met als thema ‘wat zou je doen in een week van totale vrijheid’ en dat in niet meer dan 500 woorden. Geen prijs wel een leuke uitdaging.)

Dag 1.

Niet beginnen met uitslapen, zoals je misschien van me zou verwachten maar bijtijds aan de keukentafel. Met een leeg vel.  Voor de goede ideeën. Ik weet allang wat ik wil deze week. Ik wil kunst creëren! Eindelijk het schilderij maken dat ik al jaren in mijn hoofd heb maar waar ik evenzoveel  jaren niet aan toe kom. Het zal groots en meeslepend worden. Ik zal er mee doorbreken. Mensen zullen me smeken nog zo iets prachtigs te maken. Iedereen zal ‘mij’ willen hebben hangen. Boven een schouw in Italië, in een  restaurant in Tokyo, naast een Warhol in Chicago. Ik schenk vast een wijntje in om het te vieren. Zo, de doelstelling is bepaald!

Dag 2.

Laat nu maar komen die creatiedrang. Wat heb ik nodig? Een doek, verf en kwasten. Niet moeilijk lijkt me. O ja, en een ezel. Resoluut naar de stad fietsen om de ingrediënten voor mijn toekomst te halen. Hm, het ruikt in zo’n verfwinkel gewoon naar succes. En wat zijn er veel kleuren, zeker twaalf tinten rood! Ik neem maar van alles wat. De kwasten zijn als set verkrijgbaar van lekker grof tot één-harig steeltje. Doe maar een set. Nu alleen nog een doek. Meteen maar eentje overeenkomstig mijn plannen; groot dus! Op  de terugweg zwalk ik alle kanten uit; de tassen zijn te zwaar, het doek zo groot dat de wind er constant vat op heeft. Maar thuis wacht een wijntje. Zo, de spullen zijn in huis.

Dag 3.

Ezel vergeten! Het doek staat op de keukentafel die ik tegen het aanrecht heb geschoven. Weet je wat, ik ga eerst even op mijn laptop wat voorbeelden zoeken. Per slot ben ik nog geen professional. Eens kijken. Hè een mail van Elly, gezellig. En van Sonja. Even kijken hoe het met Tante Suus gaat. Heeft Johan zijn profielfoto op facebook al veranderd? Een uitnodiging voor een wijntje van Tom voor vanmiddag. Vanmiddag? Maar dat is nu. Nou ja, kunstenaars moeten ook ontspannen, toch?

Dag 4.

Ik verf. Ik schilder. Ik leef. Rood. Donkerrood. Lichtrood. Bruinrood. Zwartrood. Koraalrood. Bleekrood. Karmijnrood. Purperrood. Robijnrood. Tomaatrood. Aardbeirood. Signaalrood. Ik drink wijnrode Bordeaux.

Dag 5.

Goedemorgen, dát is rood! Kunst met diepte hoor. Het heeft alleen nog een goede titel nodig. Ik zie verleidelijke rode linzensoep. Een slagveld. Een heftige zonsondergang. Tranen van bloed. Ik drink bordeauxrode wijn.

Dag 6.

Het is te gewoontjes. Dat is het. Ik heb waarachtig een schildersblock. Verplaatsing is wellicht een goed idee en ik sleep het gevaarte naar de lichte serre. Waarom heb ik dat niet eerder gedaan? Het lijkt nu op een reuzenpalet waar de reus al zijn kleurtjes rood op heeft gespoten. Wat een ellende! Geef me nog een bodempje rood.

Dag 7.

Vanmorgen tevergeefs geprobeerd de verf van de keukenkastjes te poetsen. Daarna kloek een roller gepakt… En bedenk ondertussen: in deze  vrije week heb ik toch toegegeven aan dwang en moeten, met als resultaat een ‘nieuwe’ rode keuken en een schilderij getiteld ‘Ellende’ op Marktplaats.

rood schilderijrode keuken twee
 

Lorrenboer

Drie dagen terug zat ik toch weer met spanning te wachten op de uitslag van de Staatsloterij. In mijn ogen de Staatsverlakkerij; ik win namelijk nooit iets. Mijn getallen komen zelfs niet in de buurt! Verschillende theorieën heb ik er al op losgelaten. Eindigend op een 5, want dat is mijn geluksgetal. Of toch niet? Begincijfer 5 dan? Volgende keer is 4 mijn geluksgetal! Of 8…of 6…of 3… Intussen ben ik door mijn geluksgetallen heen. Wat me rest zijn dromen tot de volgende trekking.

Wat te doen met een miljoen. Ga ik dat clichématig besteden? Een derde tweede huisje, emigreren naar een land waar ze geen buienradar kennen, shoppen in New York. Of iets persoonlijker, zal ik mezelf een  eigen drukkerijtje cadeau doen, of mijn verjaardag gaan vieren in Disneyland terwijl het mijn verjaardag niet eens  is of zal ik de kok van Oprah Winfrey kopen zodat ik zelf niet op de lijn hoef te letten. Misschien toch meer aan anderen denken; zal ik gaan schenken aan arme kindertjes in een warm land, een waterput, een school, of aan arme kindertjes in Nederland, een thuis, een pestvrije school. Of aan de ouderenzorg, elke dag douchen, gebak en bingo. Of aan de gezondheidszorg, een pil die alle ziektes laat verdwijnen. Roelof Hemmen omkopen tot uitsluitend vreugdevol nieuws te brengen lijkt me ook wel wat.

Of ga ik een oude verborgen wens waar maken en….straatjutter worden! Het geld zorgt voor de vaste en gezellige onkosten en ik kan heerlijk de straten afschuimen. Fascinerend vind ik het om te zien wat mensen weggooien en op welk moment. Meestal te laat… Dan is het afgedankte zo vies, vuil en kapot dat ik denk ‘Dat je dat nog buiten durft te zetten!’. Soms is het op tijd. Dan kun je zien wat er binnenshuis aan de hand is; de peuter is kleuter geworden, de zolder is opgeruimd, oma’s kastje beviel toch niet, eindelijk al dat roze weg…  Heel soms is het te vroeg, dan vind ik spullen vinden waar eigenlijk niks aan mankeert. Een houten tafeltje, een apart stoeltje, een lampenvoet, kleine kastjes, koffertjes en wat te denken van restanten badkamertegeltjes! Ik zie er onmiddellijk iets in.

Ik koop meteen een schuur waar ik binnen de kortste keren als een Malle Pietje tot mijn nek in de spullen zit. In de schuur ernaast ga ik zagen, beitelen, verven, nagelen, slopen en weer in elkaar zetten, ergens een andere functie aan geven, van twee kasten één maken, van tafelpoten kaarsenstandaards maken, iets toevoegen, iets afhalen, kunst maken van emmers, schilderijen van schroefjes.  In de derde schuur bied ik het nieuwe product te koop aan. Aan een grote tafel waar koffie met verse appeltaart verkrijgbaar is kun je even rustig nadenken over je aankoop. Het verdiende geld kan ik dan aan arme kindertjes, bejaarden en Disney besteden! Ik vast een uithangbord maken “Smullen en spullen bij de fraaie Freule”. Misschien ga ik volgende maand wel open.

grof vuil             plastafel

Aan zee

(Dit verhaal heb ik ingestuurd naar de schrijfwedstrijd waarvan de titel ‘Aan zee’ vaststond en waar je met 222 woorden een verhaal mocht maken. Uiteindelijk heb ik korting op een schrijfcursus op Lesbos gewonnen.)

‘Hoe gaat het nu met je?’

Tja, hoe gaat het nu met me. Ik mis haar. Ze is weg, ver weg. Veel verder weg dan ik wil. Verder dan ik ooit gedacht had. Ik wist niet dat het zo zou zijn. Ik wist niet dat het zo zou voelen. Onomkeerbaar weg. Wat me rest zijn herinneringen.

Aan hoe ze geeft, hoe ze net zo makkelijk neemt. Aan wat ze weet en wat ze vergeet. Aan wat ze wil en wat ze zal. Aan hoe ze smaakt en ruikt. Hoe ze klinkt, murmelend of oorverdovend. Hoe ze beweegt, vloeiend of onrustig. Hoe ze me omarmt en hoe ze me los laat. Hoe onbereikbaar ze soms lijkt en toch zo dichtbij. Hoe ik haar altijd en overal herken. Ze roept vakantiebeelden op. Ze laat me lachen maar ook huilen. Ze is uitdagend maar straft ook onmiddellijk af. Ze geeft me diepte maar ook vaste grond onder mijn onzekere voeten. Ze komt in druppels of in golven. Ze is lieflijk, breekbaar maar ook opdringerig en aanwezig. Ze is een toonbeeld, een voorbeeld.

‘Je zult haar wel missen’

Missen? Een gat in mijn hart. Niet weten hoe verder te gaan. Niet voelen hoe door te leven. Missen. Ik mis de houvast van de altijd terugkerende zee. Ik mis de houvast van mijn wegebbende moeder.

 

zee