Moeders

(De moeder, de vrouw is het thema van de Boekenweek die gisteren begonnen is. Er zijn tal van boeken, verhalen en gedichten geschreven over moeders. Iedereen heeft er tenslotte eentje. Soms is dat heerlijk, soms pakt dat minder goed uit. Er zijn ook zoveel soorten moeders. Lieve moeders, ontaarde moeders, toegewijde en egoïstische moeders, carrière gerichte en luizenmoeders, bonus- en stiefmoeders, pleeg- en knuffelmoeders, noem maar op. De afdeling Schrijven van De VAK, centrum voor kunsten in Delft, heeft een schrijfwedstrijd uitgeschreven: schrijf een tekst in maximaal 250 woorden waarin een moeder het onderwerp is. Dit is mijn, overigens niet autobiografische en niet gewonnen, bijdrage.)

Moeder 2.0

Vandaag ben je nog in elke vezel bij me. Ik kijk naar je zoals je daar ligt. Naar je weerbarstige krullen. Je hebt mijn kind er ook mee opgezadeld. Soms vind ik dat fijn maar meestal verwens ik het onderhoud.  Ik kijk naar je licht gebogen neus. Jouw fijne neus voor stemmingen, maar wat stak je diezelfde neus toch dikwijls en ongevraagd in mijn zaken. Ik kijk naar je oren, altijd luisterend, maar te vaak Oost-Indisch doof. Ik kijk naar je ogen, nu gesloten, maar ik weet hoe liefdevol ze kunnen kijken. Ook hoe doordringend of verwijtend ze kunnen staan. Ik kijk naar je mond, die zowel kan spreken als zwijgen. Je stem die regelmatig grote wijsheden en liefdesuitingen verkondigde maar misschien nog wel vaker met flinke verheffing klonk. Ik kijk naar je handen, wat hebben ze hard gewerkt. Gestreeld, maar ook geslagen. Teder toegedekt en ingestopt maar ook hardhandig wakker geschud. Ik kijk naar je voeten, die me de weg zijn voorgegaan maar die me dikwijls op hinderlijke wijze in de weg liepen. Ik kijk naar je lijf, vaak gestrekt in afweer, niet om tegen aan te schurken, niet  om je geborgen bij te voelen. Je wist niet hoe dat moest. Toch een lichaam waar ik van houd omdat het (van) jou is.

Morgen zul je slechts een herinnering zijn. Hoewel ik ‘de kouwe kant’ ben zul je voor mij een warme herinnering zijn, zeker weten. Want jij was mijn schoonmoeder. Mijn warme schoonmoeder.

Advertenties

Opruiming

Al een tijdje niet naar de stad geweest. Met dit mooie weer geen strafwandeling dus hup naar buiten! Het tempo is nog niet wat ik zou willen maar hè, zo kan ik wel op het gemak van alles bekijken.

Drie jaar geleden liep ik langs een appartementje waar de bewoonster kennelijk net jarig was geweest. Ze had zelf een klein plekje op de bank ingenomen en de rest van de kamer stond vol met prachtige donkerrode rozen, helgele zonnebloemen en uitbundig bloeiende planten. Ik dacht toen nog wel…wat een onderhoud! Nu ik er vandaag weer langsliep en heel toevallig eens naar binnen keek, bleken de rozen een aantal tinten lichter, de zonnebloemen waren zachtgeel en de planten bloeiden nog net zo uitbundig maar dan onder een laag stof. Hier valt wel iets op te ruimen. Het vrouwtje zat nog net zo op het hoekje van de bank. Zij is toch wel echt???

Twee jaar geleden liep er een wit verfspoor door de stad. Een stel jonge mannen waren een piepklein pandje aan het opknappen met witte verf, maar kennelijk was de verfpot lek… Na een paar weken was de verf weggeregend en zag het zaakje er keurig uit: twee grote spiegels, twee stoelen, één tondeuse en een supergrote televisie en een knus bankje. Meer was er niet nodig voor een kapperszaakje. Elke bezoeker gaat met hetzelfde kapsel naar buiten want er is immers alleen één tondeuse. Van boven krijgt iedereen standje cavia en de rest standje super kort. De enige variatie is de geschoren scheiding. Bij het opruimen treft de baas uitsluitend zwart krulhaar. Maar het is er altijd druk. Als de kapper er is…

Een jaar geleden had een kennisje van me een ernstige vorm van opruimwoede. Gehoorgevend aan de slogan ‘Heel Apeldoorn Rein’ ging ze bij de gemeente een zak en een grijper halen en zorgde ervoor dat Apeldoorn een stukje reiner werd. Anderen werden door haar aangestoken, vooral kinderen waren erg dol op de grijper, en je zag steeds meer mensen in de bermen, struiken en bosschages slepen met volle zakken. Niet jofel dat het nodig is maar de actie werkte wel. Vandaag vond ik nog een enthousiasteling…

…die het niet helemaal begrepen heeft.

 

Theaterbezoek

Vorig weekend weer eens het theater bezocht, een lekker avondje uit. Lachen en genieten van de voorstelling. Me helemaal thuisvoelen op het rode pluche. En met mij nog vele andere mensen. Jonge mensen, iets oudere mensen, veel oudere mensen. Ja, het was duidelijk een voorstelling geschikt voor alle leeftijden. En in de pauze wilden ze allemaal koffie of thee. Ik zal je even aan een paar mensen voorstellen:

Joyce was er ook. Zij dacht ‘Ik doe mijn bont gestreepte vest aan en dan kan ik mijn rode laarsjes ook weer eens dragen, want daar komt niets van op mijn werk als verpleegkundige’. Haar vriendin Marjan, op de hoogte van de vaak uitbundige smaak van Joyce, koos voor zekerheid met een zwart jurkje.  Ze was maar wat blij dat je tegenwoordig sneakers onder je zwarte jurkje aan kan want de hele dag in de apotheek staan voel je ’s avonds echt wel in je voeten. Het was leuk weer eens met z’n vieren af te spreken. Hun mannen moesten nog wat aan elkaar wennen maar hadden meer overeenkomsten dan ze zelf dachten.

Hoe lang zou het geleden zijn dat je deftig aangekleed naar het theater ging? Nu gaat Rob met zijn beste vrienden gewoon in spijkerbroek, Tim zelfs in joggingbroek, en sportschoenen. En waarom ook niet, draag wat je prettig vindt. Netty en Trudy zijn van een andere generatie en hebben voor de gelegenheid de zwarte lakschoenen gepoetst. Niet zo’n hoge hak want dat gaat niet meer met de rug van Trudy. Netty vindt een hakje nu eenmaal wat vrouwelijker staan.

José heeft het super naar haar zin. Thuis heeft ze momenteel veel problemen, net de scheiding achter de rug, gezeur met John over alimentatie en de kinderen die ronduit lastig zijn. Ze geniet  ervan dat ze dit weekend bij hun vader zijn en zij lekker alleen kan uitgaan op haar tijgerprintlaarsjes. Nou ja, alleen… Ze is omringd door drie mannen. Vetermannen en geen sneakermannen, dat is een heel verschil. Opvallend is dat de mannen er allemaal even nonchalant bij staan, net zo nonchalant als José zelf.

Ten slotte was Hans er ook. Een beetje zonderling type die Hans. Vroeger op school was hij al het pispaaltje en tegenwoordig op kantoor is het niet veel beter. Hij zoekt zijn heil vaak in het theater, waar hij zich kan verliezen in een andere wereld, waar niemand hem kent, waar niemand hem lastig valt en waar niemand iets zegt over het feit dat hij sandalen draagt in maart.

Ja, het was weer een heerlijk avondje theater.

Slingers (4)

Intussen ben ik er achter gekomen dat ik er in het woon-zorg-centrum niet alleen en uitsluitend voor het versieren ben.  Thuis bereid ik doorgaans het e.e.a. voor maar zet ter plekke alles in elkaar. Denk hierbij aan hele sterke lijm die ik gebruik, zo wil ik voorkomen dat de week erop de tafelstukjes geplunderd zijn of boven op de ’eigen kamers’ zijn terug te vinden…

Ik kan de klok er op gelijk zetten, binnen 10 minuten staat de eerste dame al bij mijn tafel. “Wat moet het worden?” Een tweede dame volgt:“ Wat stelt dit nu weer voor?” Dame 3 voegt zich erbij: “Hoe doet u dat?” Ik leg graag uit en krijg dan wisselend commentaar van ietwat schamper: “O, maar dat heb ik vroeger ook gedaan!”, tot berustend: “Ik wou dat ik dat ook nog kon…”,  tot het bemoedigende: “Knap hoor van u, dat heeft u leuk bedacht!”

Voor het winterthema had ik sneeuwpoppen gemaakt van piepschuimballen met zelf gebreide mutsjes en sjaaltjes. Als grapje had ik er een bordje met de tekst ‘Koud hè!’ bij gezet.

Mevrouw 1 duwde haar gezicht dichtbij het bordje en schoot toen in de lach: “Koud hè!”.      Mevrouw 2 : “Wat zeg je? Het is hier helemaal niet koud!”                                                                      Mevrouw 1: “Dat staat daar!”                                                                                                              Mevrouw 1 en 3: “Hahaha, koud hè!”                                                                                                         Meneer 1: “Koud? Vroeger was het pas koud!”

Er ontspon zich een geanimeerd gesprek over kou en over sneeuw en ijs, over schaatsen, natuurlijk de Elfstedentocht, over doorlopers, tot kussens onder je billen binden, en heerlijke koek en zopie. De verhalen vlogen over tafel. Dit alles naar aanleiding van een bordje…

Een week later kwam ik een ouderwets grijs-gewolkt-emaille pannetje brengen, ik had er een gezellig sjaaltje bij gebreid en twee sneeuwpoppen bij gezet.

Bewoners vroegen zich verwonderd af wat het voorstelde. Ik opperde dat het gewoon een pannetje warme soep was. Ik werd wantrouwend bekeken. “Zeker erwtensoep.”, grijnsde mevrouw A. “Misschien moet u er even inkijken”, zei ik. Voorzichtig tilde meneer B. het deksel op, keek er in en trok de wenkbrauwen zo mogelijk nog verder op. Toen wilde iedereen kijken! Sommigen voelden zich een beetje bij de neus genomen en wisten niet goed te reageren, anderen moesten er direct hardop om lachen. Hoe dan ook, het hield hen de rest van de ochtend bezig. Telkens als er een nieuwe bewoner binnenkwam riepen ze om het hardst: “Wil je ook soep? Moet je in de pan kijken!” Ze hadden er reuze schik om, alsof ze het zelf bedacht hadden… 😉

Grappig hè, dat een paar simpele versieringen stof tot uitgebreide en vooral spontane communicatie kunnen leiden.

 

 

 

55 woorden

Schrijverspunt heeft weer een schrijfwedstrijd georganiseerd: schrijf een verhaal van 55 woorden. Van 14 t/m 21 februari werd de Week van het Korte Verhaal hiermee gevierd. Makkie, denk je dan. Lekker weinig woorden, snel klaar. Je hoeft je ook maar aan twee spelregels te houden:

  1. Alleen fictie komt in aanmerking, dus echte afgeronde prozaverhalen, met een begin, een midden en het liefst een verrassend eind. Gedichten, filosofische overpeinzingen en beschouwingen van natuur en persoonlijk leed, hoe mooi ook opgeschreven, worden onverbiddelijk en meedogenloos terzijde gelegd en doen niet mee aan de wedstrijd.

Oké, denk ik dan, dat klinkt een stuk strenger. Hogere eisen dan ik aanvankelijk dacht. Weinig woorden voor een afgerond verhaal. Wat kun je vertellen? Het moet wel ergens over gaan.

  1. Het verhaal moet in precies 55 woorden, inclusief de titel worden verteld!

Wat?! Inclusief de titel? Tjonge, dat wordt een errug kort verhaaltje. Ik heb toch een idee en begin gewoon enthousiast te schrijven. Klaar. Even tellen: oeps, 257 woorden… Ik heb ooit eens een boekje gelezen: ‘Schrijven en schrappen’ en dat breng ik nu maar al te graag in de praktijk. Dan ga ik van 257 naar 163 naar 53. Dit zijn er te weinig! Dan heb ik er eindelijk precies 55! Maar o jee, de titel vergeten. Opnieuw schuiven en schrappen totdat er een heel verhaal inclusief titel van 55 woorden staat. Snel insturen en dat deden 699(!) mensen met mij. Na een best wel korte tijd (het waren natuurlijk ook maar korte verhaaltjes…) kwam de uitslag al en konden  55 schrijvers zich verheugen op een plek in de bundel en ik zit daarbij. Jippie!

Eén verhaal wordt als winnend verhaal uitgekozen en vooraan in de bundel gezet. Deze keer is het van Lilian Steenvoorden en het gaat zo:

Overstekend groot wild

‘Weet je het zeker, er is zoveel lawaai hier en ik zie almaar van die lichten.’ De groep herten kwam behoedzaam uit het kreupelhout tevoorschijn. ‘Ja, kijk maar.’ Het oudste hert knikte in de richting van de rood-witte driehoek op een dunne paal. ‘Dat zijn wij toch? We mogen hier zelfs springen.’

Ik vind ‘m grappig en leuk gevonden.  Mijn verhaal gaat zo:

Verrassing

Op Jacqueline’s Nieuwjaarsfeestje in augustus kijk ik zoekend rond. Ik heb haar twee jaar niet gezien. Ik zie een man, in zijn gezicht trekken van Jacqueline. Nooit geweten dat zij een broer had. Hij kust me en zegt met de stem van Jacqueline: ‘Proost op mijn nieuwe jaar lieverd. Het nieuwe jaar van Jacques.’

Wil je de andere 53 verhaaltjes ook lezen moet je de bundel maar kopen. Het is de vierde keer op rij dat deze jaarlijkse wedstrijd georganiseerd wordt met als vaste sponsor Stichting Biblionef. Deze stichting stelt zich ten doel om kinderen overal ter wereld de kans te geven om te lezen. Hoe mooi is dat! Zo kun je lekker lezen en tegelijkertijd kinderen helpen! 👍😍

 

Pssssst

Het stelde helemaal niet zoveel voor. Maar soms wordt ongewild iets kleins zo opgeblazen!!! Dat je uiteindelijk denkt ‘waar gaat het over???’

Ik had gewoon de griep. Een snertgriep weliswaar, maar toch gewoon de griep. Met alles drop-en-dran. De ramen rammelden vervaarlijk in de sponningen als ik hoestte, zo angstaanjagend rammelden ook mijn longen. Liters hoestdrank later en misselijk van alle keelsnoepjes, was de conclusie: ‘Ik kom er niet vanaf!’ Ik sleepte mij naar de huisarts en trakteerde haar op een blafconcert. Om mij er wel vanaf te laten geraken adviseerde zij een antibioticakuurtje. Prima. Alles prima. Whatever. Direct langs de apotheek, kuurtje ophalen en aangepast vliegensvlug terug naar het warme bed. Dacht ik.

Ho, ho, ho! Dat gaat zomaar niet! Het ging faliekant mis bij de apotheek. De bestelling doorgeven ging nog goed. ‘Gaat u maar even zitten, dan maak ik het voor u klaar’, kwam reuze goed uit voor mijn eigenwijs zwabberende benen. De pillen werden handmatig gedraaid denk ik, want ik doezelde even weg. Eventjes maar. Een nieuw fris en fruitig meisje riep mijn naam en ik snelde (bij wijze van spreken) naar de balie. Ik wilde het doosje uit haar handen grissen en maken dat ik in mijn dekbedholletje terecht kwam. Echter…zij hield het andere eind van het doosje stevig vast. Ik rukte nog iets maar ze liet niet los en bleef naar me glimlachen. ‘Het is wel een kuurtje hoor, dat betekent dat u dat helemaal moet afmaken. Ook al voelt u zich beter.’ Ik trok mijn wenkbrauwen wat op. Tenslotte heb ik al vele malen vaker kuurtjes geslikt dan dat zij het woord antibiotica uitgesproken heeft. Ze vatte het verkeerd op en gaf nog meer uitleg. Ik had geen puf me te verzetten en knikte  en probeerde terug te glimlachen. ‘Het zijn dispergeerbare tabletten, dit betekent dat u ze in water kunt oplossen.’ Als ik iets smerig vind…maar ik knikte.  Ze was een aanstormend talent in de apothersscene en vastbesloten alles (nog) volgens het boekje te doen. ‘U moet ze met een tussentijd van 8 uur innemen, dit betekent als u nu om half 12 begint dan…eh…om half 8 en dan…eh…nou dat rekent u zelf maar uit.’ Ik knikte, wist zeker dat ik niet midden in de nacht om half 4 zou opstaan en trok zachtjes aan het doosje. Ze trok ook en trok mij zelfs naar haar toe. Ze fluisterde: ‘O ja, er kunnen wat bijwerkingen optreden…’ ‘En dat betekent…???’, vroeg ik gemaakt geduldig, er vanuit gaande dat zij ze één voor één ging opnoemen. ‘Darmen…’ , fluisterde ze nog zachter. Mijn snotvolle oren verstonden het gefluister niet helemaal: ‘Wat gebeurt er met mijn armen?’ Ze zette nog net niet haar hand voor haar mond en tegen mijn oor, maar boog zich zo mogelijk nog dieper naar me toe, keek schielijk om zich heen en mompelde de alarmerende code: ‘Diarree….!’ Ze wilde mij waarschijnlijk niet in verlegenheid brengen door luidkeels over darmproblemen te oreren aan zo’n openbare balie, maar het feit dat we beiden geheimzinnig in elkaars oor stonden te fluisteren leek volgens mij heel veel vreemder.

Eindelijk liet ze los. Ik voelde me direct opknappen. Ze komt er wel.

Op straat (4)

Dit vond ik…

En dit ging er aan vooraf…

Bertram Wilhelmus Joep  van den Berg was altijd al een bijzonder kind. Door een lichte oogafwijking had hij op jonge leeftijd een brilletje, hetgeen hem al op zijn vijfde het uiterlijk van een professor gaf. Niet alleen zijn uiterlijk, vooral zijn uitgebreide woordenschat en de toepassing daarvan deden regelmatig menig wenkbrauw fronsen. Hij ging elke twee weken met een kruiwagen naar de bibliotheek om een nieuwe lading boeken te halen. Alle informatie dronk hij gulzig in en sloeg het vervolgens, om nooit meer te vergeten, op in zijn interne geheugen. Studenten waren graag bevriend met hem in tijden van examens en het schijnt dat hij onder de naam A.L. Weter in de mobiel van de minister president stond. Niemand keek er dan ook echt van op dat hij uitvinder werd toen hij groot was. Hij vond de meest wonderlijke dingen uit. Dingen waarvan zelfs niemand wist waar het voor diende! Niemand deed hem dat na. En laat ik nu zo’n DING gevonden hebben?!Het lag zomaar midden op de stoep. Ik liep langs en dacht: ‘Hè, een ding..’ Toen ik nog eens keek dacht ik: ‘Hè dit lijkt wel een Bertram-Wilhelmus-Joep-van-den-Berg-ding!!!’ Je ziet dat het met liefde en aandacht gemaakt is, zonder dat je het doel herkent. Het is niet helemaal mijn ding zo’n ding, het lijkt me ook geen echt hebbeding, maar daar ga ik geen ding van maken natuurlijk. ’t Is natuurlijk wel een dingetje wat je met dat ding moet, ik zou het onder geen beding een onding willen noemen, maar hé, ieder zijn ding hè. Zoals Bertram zijn ding deed!

 

Niet nu

Verzamelen, ik ben er gek op. Martine Bijl beschreef het eens als volgt: “Ik had een schattig hondenbeeldje en kreeg van iemand een ander maar net zo schattig hondenbeeldje voor mijn verjaardag. Toen kocht ik op een markt een derde en opeens had ik een verzameling.”

Ja ja, we moeten ontspullen! Maar van wie eigenlijk? Als ik daar nou blij van word? Daarbij, ik koop weinig nieuws, doe meer aan recycling en ruilhandel. Help anderen van hun spullen af, lekker maatschappelijk verantwoord bezig, toch?

Het enige dat best lastig is te krijgen is moed. Ik wil zo graag moed verzamelen. Moed om dingen te kunnen doen die ik zonder moed niet kan (lees durf). Moed om bepaalde dingen te kunnen (lees durven) zeggen. Waar is die moedmarkt?

Dan zou ik best durven vragen of er ook kaarsvaasjes in het groen zijn zonder bang te zijn er een heel raar woord van te maken…

Dan zou ik best durven vragen waar Alpaca spuug naar ruikt…

Dan zou ik het gewoon doen: het onderste doosje er tussenuit wurmen 🙂

Maar ja, eerst nog maar even sparen…

Slingers (3)

Slingers (3)

Deze week is het wat minder winters maar de toegangsdeuren van het woonzorgcentrum staan nog op de winterstand. Het zijn twee automatische schuifdeuren met daar tussenin een soort sluisje, zodat de kou niet direct naar binnen slaat en de warmte niet direct naar buiten. De ene deur gaat pas open als de andere dicht is. Je begrijpt dat ouderen niet zo hard meer lopen en de deuren dusdanig zijn afgestemd dat er niemand klem komt te zitten. Voor mij, de kwieke vrijwilligster, duurt de tijd tussen beide deuren best wel lang.

Gistermorgen, op weg naar huis, net te laat voor de eerste deur. Ik sta met mijn winterjas hoog dicht, sjaal om, wantjes aan, tas om de schouder in de hal te wachten tot de deur opengaat. Mevrouw X is net door de tweede deur en staat dus buiten. Wat zij niet in de gaten heeft is dat ze nog in het ‘oog’ van de deur staat en die gaat niet dicht zolang zij daar blijft staan. Daar herinnert zij zich dat haar sleutels niet in het juiste vakje van haar tas zitten. Ze grabbelt en grabbelt en vindt uiteindelijk wat ze zocht. Dan is ze toch benauwd niet voldoende geld bij zich te hebben. ‘Beter eerst geteld dan voor niks bij de kassa staan’ denkt ze en zoekt haar portemonnee. Ze grabbelt en grabbelt. Hebbes. Ze telt, knikt en doet de beurs weer terug. Dan steekt ze haar hand uit. Regent het nu? Dan kan ze beter een regenkapje opdoen want anders is het zonde van de kapper. Ze grabbelt en grabbelt. Ik probeer in te stralen dat ze twee stappen naar voren moet doen zodat de buitendeur dicht kan en mijn binnendeur open. Intussen heb ik het zo warm met mijn jas, sjaal en wantjes…  Het regenkapje is ingenieus opgevouwen maar zit uiteindelijk toch op haar hoofd. Ze kijkt vooruit en lijkt te denken ‘wat ging ik ook alweer doen?’ Dan komt er een meneer aan die ze kent, denk ik want ze steekt haar hand op. Hij zegt iets, ze kan hem niet goed verstaan en loopt twee stappen naar voren… Yes, eindelijk! Ik spring naar buiten en snuif dankbaar de frisse lucht op.

Intussen had ik wel alle tijd om deze poster te lezen…

Een taalliefhebber heeft de ‘w’ al toegevoegd in de laatste regel. Maar er zit nog een fout in die ik nu heel zeker weet: de sluisdeuren functioneren wel degelijk afhankelijk van elkaar….!!!

Op straat (3)

Dit vond ik.

Dit ging er aan vooraf….

 

Ik snuit luidruchtig mijn neus, mijn broer veegt een traan van zijn wang. ‘Nou, kom op!’ zeg ik en sta resoluut op. Mijn broer blijft zitten en schraapt zijn keel. ‘Eh…Els, als het jou hetzelfde is wacht ik liever nog even op Simone.’  Ik trek mijn wenkbrauwen op, slik een bitse opmerking in en knik dan instemmend.  Ik heb het niet zo op mijn schoonzus. Simone met haar altijd onberispelijke kapsel, haar immer keurige kleding met nauwkeurig bijpassende accessoires, haar eeuwig afkeurende blik richting mij. Om me een houding te geven trek ik me terug in het kleine keukentje van ons ouderlijk huis. Ik open en sluit doelloos wat deurtjes. Mijn ogen glijden liefkozend over de oude theepot met het dikwijls gelijmde oor. Van een nieuwe wilde moeder niet weten. Ik zie een stapeltje keurig gestreken en gevouwen theedoeken. ‘Altijd de hoekjes naar binnen doen hè, zo hou je de kast netjes!’, hoor ik haar nog zeggen. Een foto van vader staat tussen de pannen. Zoals in elke kamer van het huis een foto van hem te vinden is. Dat vond moeder gezellig.

‘Hoi, laten we maar snel beginnen. Ik kan het overleg van 15.00 uur niet missen!’, stormt Simone de woonkamer binnen. Ik kijk op mijn horloge en reken snel uit dat het in tijd van  een half uur moet gebeuren. ‘Ik stel voor’, zegt ze, ‘dat Els de hele inboedel neemt, ik de sieraden, dat zal qua waarde elkaar niet veel ontlopen en samen delen we de opbrengst van het huis. Ik ben voor!’ En ze steekt daarbij haar hand op. Ik kijk naar mijn broer en zie dat hij mijn blik ontwijkt. Daaruit maak ik op dat ze dit thuis al besproken hebben. ‘En wat doen we met de verzameling?’, vraag ik. Simone werpt een giftige blik op mijn broer, ze was het duidelijk vergeten, en reageert snel: ‘Die hoort bij de sieraden!’ Ik haal diep adem, mijn hoofd is wollig, mijn hart verdrietig, ik ben zo eindeloos moe. ‘Prima’, hoor ik mezelf zeggen, ’Zal ik het voor jullie opzoeken en inpakken, dan kun je het morgen ophalen?’ Simone kijkt op haar horloge, staat op en roept gehaast: ‘Top, tot morgen!’ Mijn broer staat één seconde in tweestrijd maar kiest het hazenpad en stapt even later bij zijn vrouw in de auto.

Dan ben ik alleen in het huis. Het huis waar we zijn opgegroeid en waar ik jarenlang mantelzorg verleend heb . Eerst bij mijn vader, later ook bij mijn moeder. Jarenlang heb ik boodschappen gesjouwd, doktersafspraken geregeld, ziekenhuisbezoeken afgelegd, bedden verschoond, kleding gewassen en gestreken en de altijd beschikbare chauffeur gespeeld. Met liefde overigens, maar het was zoveel fijner geweest dit te kunnen delen met mijn broer en schoonzusje. Maar ze waren altijd ‘druk’ en konden ‘onmogelijk’ tijd vrijmaken. En nu wil Simone dus de sieraden en de verzameling. Oké, prima! Ik loop naar de slaapkamer om het sieradendoosje te halen en daarna naar zolder om de dozen te pakken. Elk jaar kreeg ze van vader op hun huwelijksdag een antieke kerstbal, met een indrukwekkende verzameling van 44 stuks als resultaat.

De volgende dag staat Simone op tijd voor de deur. Ik overhandig haar een plastic tas. ‘O ja Simone, ik kon niet alle sieraden vinden. Ik denk dat moeder ze verloren heeft of zo, ze was zoveel kwijt de laatste tijd. Misschien heeft ze ze wel weggegeven, kan ook nog. Maar wat ik nog vond zit er in hoor. En wat betreft de verzameling, ik heb er nog wat plastic balletjes bijgedaan die ze altijd in de kerststukjes deed, dan heb je het compleet, oké?’ Simone kijkt me bedenkelijk aan maar besluit er niet op in te gaan en grist de tas uit mijn handen. Ik loop de woonkamer in en ga voor het raam staan. Dan zie ik het gebeuren! Een handvat van de tas breekt af en de kostbare ballen vallen in scherven op de stoep. Hoe kan dat nou? Een plastic zilverkleurig balletje weet te ontsnappen en rolt vrolijk over de stoep.