Zijn haar

Ik liep in een winkel en zag een man met een snor. Op zich heb ik niks tegen mannen met snorren maar ik vraag me altijd een aantal dingen af als ik het zie. Dingen zoals: waarom? Toevallig weet ik van Bram Krikke waarom hij een snor heeft.

Het is een simpel links-rechts-snorretje maar hij denkt/hoopt dat hij er ouder mee lijkt. Ik denk alleen maar: dat is niet gelukt jongen. Het is een wat triestige beharing die eerder neigt naar een plaksnor dan naar een echte. Misschien komt het ook wel doordat de rest van zijn gezicht zo akelig babyglad is..?

Kijk dit ziet er stoerder/mannelijker uit:

Mooi lijnenspel van oor tot oor bij Özcan Akyol. Lekker strak. Maar ik vraag me wel af: hoelang sta jij ’s morgens voor de spiegel man? Heb je zo’n vaste hand dat je nooit eens uitschiet? Hoe krijg je die lijntjes zo dun? En als je wel uitschiet, wat dan? Of komt er elke morgen een barbier aan te pas?

Clark Gable kon er ook wat van! Alsof er een liniaal langs gelegen heeft. Maar die gebruikte hij natuurlijk ook voor zijn scheiding… Dit geheel in tegenstelling tot:

Dorus. Een echte borstelsnor. Maar bij hem had de knevel een heel ander doel natuurlijk. Men mocht bij hem niet zien dat hij zich stiekem een bult lachte om dat ‘Poesie Mauw’. En als ik het nou toch over snorren hebt mag ik deze van Dali natuurlijk niet vergeten.

Wat zal die man ’s morgens in de weer geweest zijn met zijn kunstwerk. Een beetje gel, nog meer gel, zijn ze even lang, staan ze onder dezelfde hoek omhoog. Ik vraag me af wat gebeurt er als de man eens een lekkere bak warme tomatensoep at. Ging de gel dan zacht worden, gingen de delen naar beneden hangen, dreven ze uiteindelijk in de soep?

En dan zeggen vrouwen wel eens dat ze het moeilijk hebben…

Maar die man in de winkel had dus. Hij ook een snor, een zogenaamde zeiksnor, net zo eentje als Johan Derksen. Nee, hiervan plaats ik geen foto, vind ik niet fris. De man zag er ook een beetje smoezelig uit, hij banjerde wat tussen de ‘tafels’, de handen stijf in de zakken. Opeens klonk er een muziekje gevolgd door de zwoele stem van Marilyn Monroe.

Tiffany’s, Cartier, Blackstar, Frost, Ghoram
Talk to me, Harry, Winston, tell me all about it
There may come a time when a lass needs a lawyer
But diamonds are a girl’s best friend

 Alle klanten in de winkel keken op. Pas toen het sexy ‘Poepoepediedoe…’ klonk, reageerde de zeiksnor en haalde zijn telefoon uit zijn binnenzak. Hij brulde: ‘Ja?!’ en twee tellen later: ‘Nee!!’ Zo was iedereen luid en duidelijk getuige van het feit dat het met zijn contactuele vaardigheden wel snor zat.

 

 

 

 

Starry Night

Nee, slaapkamergeheimen deel ik nooit met je maar … wat ik vannacht toch meemaakte!

‘Pssst!!!’, hoor ik opeens naast mijn bed. Ik kijk richting het geluid maar zie niets. ‘Hierzo! Beneden!’, hoor ik weer. Geërgerd draai ik me om en kijk naast mijn bed naar beneden. Dan zie ik het: een klein blauw mannetje van hooguit 10 centimeter lang staat tussen mijn pantoffels driftig op en neer te springen en verwoed naar me te zwaaien. Ik steek mijn hand uit en laat hem plaatsnemen. Zo hijs ik hem omhoog. Daar gaat hij staan op een dikke plooi van het dekbed. Nu ik hem goed bekijk zie ik dat hij wat wegheeft van een stoplichtmannetje, maar dan in het blauw. Hij ziet er zorgelijk uit.

  • Je moet me helpen!
  • Oké, met wat?
  • Ik ben verliefd!
  • O zoek dat zelf maar uit, daar begin ik niet aan…
  • Maar ze is geel!
  • Nou en, jij bent blauw, ik ben wit van de slaap. Was dit alles?
  • Maar ik wil dolgraag kinderen!
  • Ga je gang. Maar niet hier!
  • Snap je het dan niet?!
  • Eh…nee?
  • Onze kinderen worden groen!
  • Vreselijk?
  • Ja! Want ik houd helemaal niet van groen! Ik erger me eraan!
  • Maar misschien worden ze wel blauw. Of geel!
  • ….
  • Kan toch?
  • Bedankt!!!

En met een aanloop verdwijnt hij over de knieënberg dwars door het donkere voetenbos.  Hè hè, ik kan weer gaan slapen. Achteloos wuif ik met mijn hand een mug weg. Een mug? En sinds wanneer kunnen muggen giechelen? Dan merk ik dat het blauwe mannetje terug is. Naast hem een geel vrouwtje met een snoezig jurkje en vlechten in het haar. Ik knipper nog eens met mijn ogen maar ze staan er echt. En ze stralen! Het mannetje schraapt zijn keel.

  • Ik wil je nog bedanken!
  • Waarvoor dan?
  • Voor je goede advies!
  • Welk bedoel je precies?
  • Om voor haar te gaan! (slaat liefdevol een arm om het gele vrouwtje)
  • Nou, eh, graag gedaan…
  • En met de kinderen is het ook goed gekomen!
  • Hoe bedoel je?

Het mannetje fluit op zijn vingers en er komen twee kleine kindertjes tevoorschijn. Het ene kind is van een prachtige nachtblauwe kleur met hier en daar een ronde gele draaiende ster en het andere diep donkerblauwe kind wordt opgeleukt door felgele zonnebloemen… Wat zijn ze mooi! Ik rek me uit om ze aan te raken. Met een klap valt het boek dat ik gisteravond las op de grond.

Wat een nacht! 😉 Gelukkig had ik nog wel beide oren…

Ode aan Emma (3)

Ik knipper even met mijn ogen en je bent 3! Hieperdepiep hoe kan dat toch zo snel!

Tijd voor een feestje? Het leven met jou is alle dagen een feestje! Ik lach me regelmatig slap om je, je bent grappig, vindingrijk, nog steeds heerlijk nieuwsgierig en je eigen mening ontwikkelt zich met de dag, evenals je taalgebruik.

  • We zijn niet de tas vergeten maar de boodschappentas…
  • Ik ben niet moe, alleen een beetje slaperig…
  • Ik ben niet gevallen maar gestruikelen…
  • Tja, dàt weet ik dus niet…
  • Nou ja zeg!
  • Dat is niet grappig Oma!

Soms zit je er nog wat naast qua woordenschat. Je moeder vraagt aan mij, wijzend naar de theepot: ‘Nog een bakkie?’ Jij rent naar de keuken en haalt een plastic bakje en vraagt allerliefst: ‘Ook een bakkie pepernoten Oma?’ Snoepen, daar ben je dol op. Al snel weet je in de winkel waar de donuts liggen… En als ik vraag wat je voor je verjaardag wilt krijgen roep je zonder twijfel: ‘Chocola!’ Kind naar mijn hart…

We verstoppen ons samen onder een veel te warme deken voor een monster. Als ik uit enthousiasme bange piepgeluidjes maak, klop je met jouw handje geruststellend op mijn arm met de woorden: ‘Stil maar, je hoeft niet bang te zijn, ik ben bij je’ Ik had toch een traantje…

Ons jaarlijks theaterbezoekje gaat dit jaar naar Doornroosje. Ademloos kijk je naar het spektakel, het kasteel, de feeën, de mooie jurken en naar Doornroosje die ging trouwen…met de postbode…bijna goed! 😉 Sprookjes, je weet nooit of ze bestaan. Voor de zekerheid wordt de kikker onderweg geaaid. Kind naar mijn hart.

Je bent aan het verven aan de tafel. ‘Wil jij ook, Oma?’ vraag je. Ik knik en steek mijn hand uit naar de kwast. ‘Kijk Oma, je moet eerst dippen en dan afvegen en dan krijg je geen druppel op je werkje’ Dan pas krijg ik de kwast. Je houdt me nauwlettend in de gaten. Zodra ik het goed doe wil jij de kwast weer… Dan zeg je opeens:

  • Daar komt een muis
  • Echt???
  • Een reuzenmuis!
  • Nnnee toch???
  • Wat moeten we doen?
  • Help!!!
  • Ik ga de jager bellen. Hallo meneer jager, hier is een reuzenmuis, jij moet helpen, doei! Hij komt zo. Wil jij nog verven?

Wat geniet ik toch van jou en jouw fantasie en de verhalen die we samen maken. Kind naar mijn hart. Ben je dan altijd maar lief en braaf? Nee joh, gelukkig niet 🙂

  • Als je moeder eens vraagt: ‘Ga je handen even wassen bij de kraan’ zeg je doodleuk: ‘Ik was mijn handen wel met mijn tong’ Ik heb niet gelachen (dit jok ik).
  • Eerder genoemde donut verlaat regelmatig de winkel zonder toestemming.
  • Als ik je liefkozend Oma’s poppedijntje noem, kijk je me boos aan:’Ik ben niet poppedijntje maar tote tus!’ Zo heeft je moeder je genoemd toen ze vertelde van het nieuwe zusje dat binnenkort komt, dus dan is het zo: je bent een grote zus! Gepaard met dit grote en superfijne nieuws ging je empathische ontwikkeling met sprongen vooruit. ‘Hoe was het bij de babydokter mama?’ ‘Heb je rugpijn Mama?”Moet je naar de fysio?’ Maar ook als ik drie keer hoest zeg je: ‘Gaat het wel?’ Zo lief. Kind naar mijn hart.

Niets mis met de woordenschat en het taalgebruik maar logopedisch gezien moet er nog wat groeien. De letter ‘v’ blijft lastig, wordt vaak een ‘w’: ik heb een wies west aan. En de ‘s’ en de ‘z’ klinken nog steeds als een ‘t’: ik krijg een tusje. Net als oma ben je dol op taartjes! Met een workje, dat wel. Kind naar mijn hart.

Ik feliciteer mezelf met zo’n kleinkind. 💖

Poehee

‘Het leven is een feest, wel even zelf de slingers ophangen’

Wie kent deze uitdrukking niet. Er wordt niet specifiek bij aangegeven wanneer of waar je dat precies of ongeveer moet doen… Waarschijnlijk mag je dat zelf weten?

‘Mijlpalen zijn er om slingers aan op te hangen’

Nog zo eentje. In eerste instantie lijkt het een mooie uitdrukking maar bij nader inzien vind ik hem best vermoeiend. Je moet dus eerst mijlpalen bereiken, minimaal twee anders kun je er niets tussen ophangen, en dan nog eens zelf die slingers ophangen.

Een mijlpaal is letterlijk ‘een paal die de afstand in mijlen aangeeft, tot een bepaalde stadspoort of tot de volgende mijlpaal’ maar figuurlijk wordt het gebruikt om aan te duiden als ‘iets belangrijks dat je bereikt’. Het heeft in elk geval iets gewichtigs, iets belangrijks, iets gedenkwaardigs. En ik blijf het mooi maar lastig vinden. Want wat is een figuurlijke  mijlpaal? Een zwemdiploma halen, een eigen boek uitgeven, een motie aannemen in de Tweede Kamer, een hoofdrol spelen in een film, zonder zijwieltjes fietsen? En waaruit bestaat een slinger? Een fijne verjaardag, een romantische bruiloft, geboorte van een kleinkind, een tropische vakantie?

Je moet best wel veel meemaken, poehee! Daarbij lijkt me dat wat voor mij een mijlpaal is, voor jou niet veel voorstelt en andersom. En wat voor jou een slinger is, vind ik helemáál niet belangrijk. Daarom was ik zo uitermate blij met dit theezakje…

Geen grootse en meeslepende dingen zijn nodig om gelukkig te worden. Gewoon van de kleine dingen genieten. Niks geen palen slaan of op trapjes klimmen met slingers. Maar genieten van het moment dat ik de juiste schoenen vind, het eten een keer niet laat aanbranden, een paddenstoel ontdek, een opgestoken hand van de buurvrouw zie, als de buschauffeur wel op me wacht, het moment dat de zon mijn neus nog net raakt, het moment dat ik dacht nog één bonbon te hebben terwijl er drie liggen, de tandarts niets kan vinden, het draaiorgel mijn favoriete liedje draait, mijn lievelingsluchtje in de aanbieding is, mijn paraplu heel blijft in een storm, als de extra kassa voor mij geopend word, mijn taart precies op het plaatje lijkt, een slinger achter een raam, het moment dat je kind belt als je aan hem denkt. Momenten waarop je een knipoog van het leven krijgt. Dat is pas belangrijk. Iemand nog thee? 😉

 

Op straat (10)

Dit vond ik.

(met dank aan Annie de Wijs voor het leveren van de foto)

En dit ging er aan vooraf.

Langzaam sjokte Daan de brug over. Alsof hij daarmee het bezoek uitstelde. Niets was minder waar want even later stond hij toch voor de deur van zijn ouderlijk huis. Hij draalde wat in de gang, hing zijn jas zuchtend op een hangertje aan de kapstok. Even keek hij in de spiegel met de zware eiken lijst en trok een grimas tegen zijn eigen gezicht. Kom op, over een uurtje mocht hij weer gaan.

Twee uur later zag hij zichzelf weer in de spiegel. Zijn wangen rood van de warmte, zijn kaak gespannen van ingehouden woede. Wanneer zou dit eens een normaal bezoek worden zoals het hoort tussen vader en zoon. Waarom ging het tussen hen altijd zo moeizaam. Hoe kon het dat hij nooit goed genoeg was in de ogen van zijn vader en dat hij het idee kreeg nooit van zijn leven te kunnen tippen aan zijn zus Viola. Zij had rechten gestudeerd en al jaren een goedbetaalde baan als advocaat, een mooi huis, een ruime auto en zelfs een boot voor in het weekend. Het weekend waarin zij zó nodig moest ontspannen dat de enige zoon opeens goed genoeg was om boodschappen te doen en Vader een uurtje gezelschap te houden. Dat uurtje mondde vaak uit in meer dan een uurtje en bestond vooral uit luisteren naar het ophemelen van zijn zus en het afkraken van de thuiszorg en de huidige tijd in het algemeen. Vader was iemand die vroeger alles beter vond.  Daan hoopte dat hij er zelf gezelliger bij zou zitten op zijn 87ste. Volgende week wordt Vader zelfs 88. Het zal me een feest worden.

Viola heeft geld overgemaakt naar Daan zodat hij de cadeaus en bloemen kan regelen voor Vaders verjaardag. Zelf was zij helaas verhinderd, haar aanwezigheid was dringend gewenst bij een of andere belangrijke cliënt. Maar ze stelde Daan voor het nieuwste model telefoon aan te schaffen. En anders ‘iets van zilver of zo’. Daan had haar smoes door, als enige. Het was namelijk niet de eerste keer dat hij als enig kind op Vaders verjaardag zat. Viola wist zich er altijd op de een of andere manier onderuit te draaien. Hij besloot het dit jaar anders aan te pakken…

Vader vond het schitterend dat Viola er niet was en kon weer eens flink opscheppen tegen zijn enige vriend Kees. Aangezien Kees uitsluitend voor de drank langs kwam en vaak maar half luisterde kreeg Vader de kans het verhaal drie keer te vertellen. ‘Viola kon niet gemist worden!’ Terwijl Daan Kees en Vader nog eens inschonk stelde hij voor het cadeau van Viola en hem uit te pakken. Vader wreef zich in de handen en zei tegen Kees dat zijn dochter hem altijd zo goed bedacht. Daan zette het pak voor Vader neer en toen het papier eraf was droop de teleurstelling van zijn gezicht.

‘Wat is dit!’, riep hij, ‘Wat moet ik met een plant?!’

‘Dit’, begon Daan, ‘Is niet zomaar een plant, maar een speciaal soort die Viola speciaal voor u meegenomen heeft van haar zakenreis in Zuid-Frankrijk!’

Toen ’s avonds de telefoon van Daan wel tien keer achter elkaar overging, drukte hij zijn zus tien keer weg en keek glimlachend naar zijn nieuwe schoenen.

 

Rondje

Regen of niet, soms moet je gewoon even boodschappen doen. Dan maar meteen een rondje langs de velden.

Action – Een jongeman zet zijn brooddoos in twee paarstinten, op de lopende band om zijn handen vrij te hebben, want hij drinkt ook nog koffie uit een to-go-beker en zoekt zijn telefoon. De caissière rekent de doos automatisch af. Ik lach me een kriek, de jongeman ook, de caissière niet.

HEMA – een uiterst behulpzame winkeljuffrouw snelt me tegemoet als ik bij de kassa sta met een nieuwe theedoek. Ze legt me uit dat er nu zelfkassa’s zijn en doet me voor hoe het moet. Ze hanteert een razend tempo alsof er minstens een volksstam achter me staat te wachten, er staat niemand. ‘Kijk, dan drukt u hierop, dan daarop, daar hangt een tasje, daarvoor moet u €0,10 hierzo aanslaan, dan betalen, pas hierin of contactloos, en wilt u het bonnetje mee?’ Uiteindelijk heb ik niks zelf gedaan. Behalve het betaalgedeelte. Misschien verandert dat ook nog eens.

Kruidvat – een man van middelbare leeftijd staat met waterige oogjes en een rode neus bij de kassa te sniffen. Hij overhandigt het mandje met daarin hoestdrank, keeltabletten, mentholsnoepjes en een familiepak zakdoekjes. Zegt ze: ‘Heeft u nog uitleg nodig?’ De blik van de man…

Xenos – een vriendelijk dame wacht me bij de ingang op en vraagt me een stijltestje te doen. Ik krijg een blaadje in handen gedrukt met daarop vijf verschillende lampen, ik mag mijn voorkeur aankruisen. Zo ook met kussentjes, kleur kaarsen, krukjes en nog meer ongein. Toen moest ik tellen hoe vaak ik nummer 1 als antwoord had, hoe vaak nummer 2, enz. en toen wist zij mijn stijl! ‘Goh, handig zeg, na 62 jaar weet ik nu eindelijk wat mijn stijl is…’ Ze dacht echt dat ze me gelukkig gemaakt had. De uitslag klopte voor geen meter.

Supermarkt – zo snel als iemand aan de hand van een testje kan zien wat mijn stijl is, kan ik aan de inhoud van een winkelwagentje zien wat voor soort mensen het zijn. Hoewel…soms helemaal niet!

  • Een echtpaar, veertigers denk ik, hebben 6 zakken chips, 6 blikken bruine bonen en 6 kilo gehakt. Oeh, denk ik, dat wordt een familie- of vriendenfeestje met een makkelijke en lekkere bonenschotel! Maar er gaan ook 6 flessen chloor mee… Wordt het gerecht nog met 6 kilo uien aangevuld? Of hebben ze iets met het getal 6?
  • Een bejaard echtpaar hebben uitsluitend verantwoorde zaken in het wagentje: blauwe bessen, linksdraaiende yoghurt, oneindigveelpittenenzadenbrood, appelsap met vruchtvlees, 2 liter groene smoothie, geen vrolijkheid te bekennen. Ze zagen er zelf ook uit als een soort aangeklede mueslireep. De enige uitspatting was een klein zakje kruidnootjes. Zouden ze elkaar daar vanavond mee verwennen? Of komt er morgen een kleinkind langs? Of bewaren ze het zuinig tot 5 december, ‘t kan maar in huis zijn.
  • Ten slotte een jongeman, beetje smoezelig type, qua uiterlijk en kleding. Hem kan ik niet peilen maar misschien jij wel? Wat moet de man met 5 flessen Crystal Clear en 1 pak kattenbakkorrels?

Op straat (9)

  • Dit vond ik.

En dit ging er aan vooraf.

Hij zag haar zomaar opeens. Ze zat met een aantal andere vrouwen aan een tafel van een goed bezocht café. De groep lachte hard en aanstekelijk, er was waarschijnlijk iets te vieren. Toen een van de dames opstond om naar het toilet te gaan had hij zicht op een donkerharige jonge vrouw met een sjerp schuin over haar borst, met de tekst ‘Bride to be’. Aha, een vrijgezellenfeestje. En naast de toekomstige bruid, daar zat zij. Met haar blonde haar in een staartje viel ze niet eens direct op. Ook haar denim blouse stak wat gewoontjes af naast de glitterjurkjes van haar vriendinnen. Ze hield haar hoofd schuin gebogen om te luisteren naar een roodharige krullenbol. Daarna gooide ze haar hoofd in haar nek en schaterde het uit. Precies op dat moment werd hij verliefd. Toen ze opeens zijn kant uit keek en hun ogen aan elkaar leken te haken, wist hij het zeker.

Maar nu? Hij kon toch niet op haar afstappen en vragen of ze met hem wilde trouwen? Want dat was zeker, ze zou zijn vrouw worden. Ze keek nog eens naar hem en frummelde aan haar linker oorbel. Hij zag een kleine glimlach. Of wilde hij dat zien? Snel nam hij een slok van zijn bier. Ze keek nog steeds. Was ze nou aan het flirten? Hij kreeg het er warm van. Wat moest hij doen? Hij moest in elk geval iets doen. Hij stak voorzichtig een hand naar haar op. Maar deed dit zo onhandig dat zijn glas omviel! Zat ze nu te grinniken achter haar hand? Hij lachte ook maar wat stompzinnig en depte zinloos het bier met een servetje. Tot zijn schrik maakte de groep aanstalten om op te staan. Snel schreef hij zijn telefoonnummer op een bierviltje en hield dit omhoog naar haar. Ze knikte. Hij legde het op de hoek van zijn tafeltje en verdween naar het toilet om snel zijn stinkende bierhanden te wassen. Maar net niet snel genoeg want toen hij terugkwam was de groep verdwenen. Het bierviltje echter ook.

Twee dagen moest hij wachten. Toen belde ze. Ze wilde dolgraag met hem ergens iets drinken. Ze spraken af, voor dezelfde avond nog, bij een gelegenheid midden in de stad. Zijn handen trilden licht toen hij de verbinding verbrak. Naarstig doorzocht hij zijn kast naar passende en vooral schone kleding. Zijn schoenen poetste hij met een stukje keukenpapier. Wel drie keer deed hij zijn haar en daarna twijfelde hij een kwartier lang tussen drie luchtjes. Toen hij helemaal klaar was om de wereld te gaan veroveren ging zijn telefoon. Even schrok hij: ‘Laat haar niet afzeggen!’ maar hij zag de foto van zijn moeder verschijnen op zijn scherm. Even overwoog hij de mogelijkheid haar weg te drukken maar kon het niet over zijn hart verkrijgen. Tenslotte was ze pas eergisteren aan haar tweede heup geopereerd en had duidelijk behoefte aan wat aanspraak. Drie kwartier later had hij serieus spijt dat hij opgenomen had. Hij rende zijn appartement uit en snelde naar zijn afspraak. Zijn fietssleutel kon hij van de weeromstuit niet meer vinden dus rende hij het hele stuk. Hijgend en met zijn zorgvuldig behandelde haar voor zijn ogen kwam hij bij het restaurant aan. Te laat. Ze was weg.

Gelukkig was hij wel zo slim haar nummer op te slaan en hij belde haar. Terwijl hij zich in allerlei toonaarden verontschuldigde hoorde ze hem geduldig aan. ‘Blijft zit zo?’, vroeg ze uiteindelijk,’dat je moeder altijd voor mij gaat?’ ‘Nee joh, meer heupen heeft ze niet’, grapte hij slecht. Ze spraken nogmaals af, hij kreeg nog een laatste kans, een simpele pizza in een intiem restaurantje. Onderweg kocht hij een prachtig boeket voor haar. Zijn fietssleutel was nog steeds kwijt maar hij nam nu de tijd om het hele stuk te lopen. Onderweg sloeg de twijfel toe. Hij nam een bloem uit het boeket en rukte een voor een de blaadjes er af en prevelde: ‘Ze houdt van me, ze houdt niet van me!’ Steeds als hij met ‘Ze houdt niet van me’ eindigde nam hij snel een volgende bloem. Een spoor van blaadjes en lege stelen achtervolgde hem. Bij de pizzeria had hij niets meer over, de papieren verpakking stopte hij snel in een prullenbak. ‘Hoi!’, hoorde hij achter zich, ‘Daar ben je dan eindelijk en op tijd ook nog! Niet zo’n origineel idee van je om je nummer op een bierviltje te zetten maar kijk, het werkt toch!’ Toen hij zich omdraaide keek hij een vrolijk gezicht omlijst door een grote bos rode krullen…

 

 

 

Merry Christmas

Ja, ja, ik weet het…Sinterklaas is nog niet eens in het land, dus Kerst is nog een verboden onderwerp. Maar schreef ik laatst niet iets over dooie mussen die van het dak vielen en van glibberige laptoptoetsen? Toch was ik toen al bezig met kerst, een witte kerst nog wel. Het ging namelijk om een schrijfwedstrijd van Crime Compagnie. Het moest gaan over kerst, donkere dagen, sneeuw, familie, gevoel en lekker warm maar ook moord en doodslag! Gezelligheid ten top in 2000 à 2500 woorden. Best lastig om je in te leven bij 30 graden… Ik deed een poging en stuurde het ijskoud in. Vorige week uitslag gekregen: van de 33 inzendingen gingen er maar drie door en daar zat ik jammer genoeg niet bij. Misschien toch te warm gebleven…? Lees maar.

Merry Christmas

Ik doe mijn ogen open en weet direct dat er iets leuks is. Wat was het ook alweer? O ja, ik ben verloofd! Ik kijk naar mijn linkerhand en zie daar de witgouden ring. We waren gisteravond bij de winterversie van de buurtbarbecue, een mooie traditie op kerstavond, en Gijs gebruikte dit  als decor om mij ten huwelijk te vragen. Ik tast naast me om naar Gijs te kijken. Als ik niets voel draai ik me helemaal om. Ik constateer dat het bed, op mij na, helemaal leeg is, er zit zelfs geen deukje in het kussen van Gijs. Vreemd. Ik pijnig mijn hersenen om de afloop van gisteravond helder voor de geest te krijgen. Dit lukt niet erg. We bleven maar proosten, op ons, op de buurt, op de liefde en het leven. Dat weet ik nog wel. Wat ik ook nog weet is het gezicht van Dennis. Ach Dennis, mijn trouwe vriend van twee huizen verderop. Zijn scheiding ging niet zonder slag of stoot. Hij heeft wat gehuild bij mij in de keuken en we hebben gepraat tot we niet meer konden. Liters koffie, thee en wijn zijn er doorheen gegaan en regelmatig gingen we samen iets leuks doen met de kinderen. En als de kinderen bij zijn ex waren bleef hij vaak bij Gijs en mij eten. De mannen konden het zo goed met elkaar vinden dat een gezamenlijk uitstapje naar de kroeg bijna ieder weekend plaatsvond. Daarom kon ik de uitdrukking op het gezicht van Gijs gisteravond niet duiden. Ik kan er niet de vinger op leggen wat ik precies zag.

Ik stap uit bed en doe een gordijn open. Dan houd ik mijn adem in. Mijn wens is uitgekomen: een witte kerst! Een dikke laag sneeuw zover mijn ogen reiken. De tuin heeft iets mysterieus. De twee coniferen in pot staan als kabouters met witte puntmutsen naast de schuur. Het vogelhuisje op stam draagt een zware witte hoed. De fiets van onze zoon staat weer niet in de schuur en is nu bijna onherkenbaar verstopt. De buxusbollen zijn nu sneeuwbollen. Naast de schuur ligt een grote berg. Wat lag daar nou toch? Ik herken het even niet. Een vroege vogel landt op de fiets. Hij zakt diep weg en vliegt snel weer op. Dan strijkt hij op de grote berg neer. Wederom heeft het diertje geen houvast en fladdert driftig met zijn vleugeltjes. Een laagje sneeuw verstuift en opeens zie ik iets geels tevoorschijn komen. Net zo geel als mijn winterjas. Gijs lachte zich suf toen ik ermee thuis kwam maar nooit eerder had ik zo’n heerlijke winterjas. Enkellang en met een grote capuchon, dik gevoerd en dus comfortabel warm. De gele kleur gaf het geheel iets vrolijks en als je van dichtbij keek zag je dat er piepkleine rode roosjes op geborduurd waren. De vogel heeft intussen gezelschap gekregen en het stukje geel wordt groter. Het moet niet gekker worden, het lijkt echt op mijn jas. Maar wat zou dat ding buiten doen? Ben ik hem vergeten? Heb ik hem daar laten liggen?

Ik ben nu zo nieuwsgierig dat ik naar beneden loop om poolshoogte te nemen. Zodra ik de gang doorloop moet ik glimlachen als de plastic eland begint te zingen: ‘I wish you a merry Christmas’.  De kinderen wilden hem graag in de gang hangen zodat het liedje maar vaak te horen zou zijn. Als het ding buiten mijn jas blijkt te zijn haal ik hem snel naar binnen. Hij heeft me een klein fortuin gekost en zoiets bijzonders vind ik nergens meer. Ik zie hem niet aan de kapstok hangen. Dan trek ik het zwarte jack van Gijs aan, wurm me in mijn laarzen en stap de tuin in. Even sta ik stil. Wat jammer dat de ongerepte laag nu verstoord wordt door mijn voetstappen. Maar ik moet duidelijkheid krijgen en vervolg mijn weg naar de schuur. De sneeuw knerpt vriendelijk onder mijn voeten. De vogels vliegen op zodra ik dichterbij kom. Ik kniel bij de berg neer en veeg nog wat sneeuw opzij. Ja, dit lijkt precies mijn jas. Ik trek er zachtjes aan maar voel direct weerstand. De jas zit ergens aan vast. Ik veeg nog meer sneeuw weg. Als ik iets hards raak spring ik geschrokken overeind. Met mijn laars probeer ik het harde deel bloot te leggen. Dan slaak ik een kreet van ontzetting: het is een hand. Een hand die uit de mouw van de jas steekt. Mijn jas. Opeens maak ik haast en veeg de sneeuw zo snel mogelijk weg boven de mouw tot ik bij de kraag ben. Nog een stukje en ik zal een gezicht zien. Durf ik dit? Kan ik dit?

Ik ren naar binnen op zoek naar Gijs, waarom zou ik dit alleen doen? Op mijn geroep komt geen antwoord, de eland in de gang zingt elke keer als ik langsloop opnieuw en als ik alle kamers vlug bekeken heb voel ik opeens druk op mijn borst. Mijn ademhaling gaat snel en ik merk dat ik hijg. Van mijn nachtkastje pak ik mijn telefoon. Nog één keer kijk uit het raam. Nu ik vermoed dat er een mens ligt zie ik ook duidelijk de contouren. Ik slik moeizaam. Ik ga naar beneden en opnieuw de tuin in. Wat moet ik doen? De politie bellen? Knoei ik nu met een plaats delict? Nee, dat is alleen als er moord is toch? Dit lijkt meer een ongeluk. Maar wie ligt daar toch? Opeens bedenk ik me dat diegene misschien niet eens dood is en dringend hulp nodig heeft! Ik graaf of mijn leven ervan afhangt en binnen de kortste keren kijk ik in een paar helblauwe ogen. De ogen van Gijs! Ik hoor een harde hoge gil. Ik graaf Gijs verder uit en zodat zijn hoofd op mijn schoot kan rusten. Ik wrijf over zijn gezicht en schudt hem heen en weer. Ik huil en besef dat het gegil uit mijn mond komt. Ik probeer de capuchon over zijn hoofd te doen met de bedoeling hem warmte te geven en zie dan dat de binnenkant donkerrood bebloed is. Op dat moment pak ik mijn telefoon en bel om hulp.

Gijs is dood en meegenomen door de ambulance. De kinderen zijn meegenomen door mijn ouders, die met kalkoen en al voor de deur stonden om kerst te komen vieren. Ik kon die verdrietige gezichtjes niet aan. De ouders van Gijs zijn op hun vakantieadres in Thailand op de hoogte gebracht van het verschrikkelijke nieuws en komen morgen terug. Zo moest ik in mijn eentje ook de politie te woord staan. Als die eindelijk vertrekken met hun zeurderig gevraag wil ik maar één ding: Dennis! Natuurlijk zal hij de ambulance en de politieauto’s wel gehoord of gezien hebben, het bevreemdt me ook enigszins dat hij nog niet hier is, maar bedenk dan dat zijn kinderen dit weekend bij hem zijn. Nog steeds in Gijs zijn jas loop ik twee deuren verder en bel aan. Zodra Dennis opendoet worden zijn ogen groter. ‘Gijs is dood. Ik heb je nodig!’ fluister ik en stort me in zijn armen. Hij wrijft me onhandig over mijn rug als ik het hele verhaal vertel. ‘En nu is hij dood! En we zouden nog wel gaan trouwen!’, snik ik: ’Wat is er nou gebeurd en waarom was hij nog buiten? En waarom had hij mijn jas aan?’ Dennis reageert opeens koeltjes: ‘Ja hoor eens, dat weet ik ook niet hoor. Vreemd allemaal. Misschien wilde hij gewoon iets uit de schuur halen en trok hij jouw jas omdat die nu eenmaal hartstikke warm is. Toen is hij uitgegleden, heeft zijn hoofd gestoten en is door de kou bevangen?’ Maar dan breekt Dennis ook, hij huilt met gierende uithalen en snikt: ’Sorry Gijs, sorry, ik wist het niet.’ Nu is het mijn beurt om te troosten: ‘Precies Dennis, wisten we het maar. Reken er op dat de politie erachter komt!’ Dennis snuit luidruchtig zijn neus, kijkt me met rode ogen aan en zegt zacht: ’Ik moet dit echt verwerken, hij was ook mijn beste vriend hè. Vind je het erg om me alleen te laten, zodra ik wat bekomen ben kom ik je helpen, oké?’ Ik kijk verbaasd maar zeg toch: ‘Oké!’

Alleen thuis weet ik me geen raad. Ik drink wat thee naast de opgetuigde kerstboom en kijk doelloos naar buiten. Het sneeuwt flink en de plek waar Gijs lag is met een flinterdun laagje bedekt. De schoenen van de ambulancebroeders en de politiemannen hebben donkere gaten achtergelaten. Wat een verschil met de sprookjesachtige tuin vanmorgen vroeg. De gebeurtenissen gaan natuurlijk als een lopend vuurtje door de buurt, vooral na de gezellige avond gister. De telefoon gaat constant. Snel doe ik de gordijnen van de voorkamer dicht, ik heb geen zin in andere mensen. Ik wil alleen Gijs. Mijn mooie sterke Gijs. Terwijl ik niet eens zo op machotypes val was Gijs anders. Sterk en toch zacht. Lief, doortastend, energiek. Hoewel hij vlagen van afstandelijkheid kon hebben, hij kon dan zomaar uren achter elkaar op de bank zitten. Hij leek wel een tijdje in een andere wereld te verkeren. Zijn eigen wereld waarschijnlijk. Als de periode voorbij was wilde hij nooit iets met me delen hierover en was dan ook zo vrolijk en boordevol nieuwe plannen dat ik het maar zo liet. Mijn telefoon gaat. ‘U spreekt met Hendriks van de recherche. Wij staan bij u voor de deur, wilt u opendoen? We hebben nieuws over uw vriend.’ Ik realiseer me dat de voordeurbel een paar maal is overgegaan.

Ik heb het koud. Een trui van Gijs die nog over bank lag trek ik aan. Ik ruik Gijs. Mijn lieve Gijs die volgens de politie is neergeslagen met een scherp voorwerp. De bijl die achter de twee coniferen lag is meegenomen. Voor onderzoek. Nog steeds heb ik het ijskoud. Mijn telefoon gaat weer. Een onbekend nummer deze keer. Ik besluit op te nemen zonder iets te zeggen. Een blikkerige stem roept: ‘Bitch! Ik krijg jou ook nog wel! Kom naar buiten als je durft…’ Ik hap naar adem en laat de telefoon bijna uit mijn handen vallen. Instinctief kijk ik naar buiten. De tuin ligt er stil bij. Ik ruk de gordijnen hier ook dicht. Daarna sluip ik naar boven. Vanuit het slaapkamerraam gluur ik naar beneden. De vitrage laat voldoende door om te zien zonder gezien te worden. De tuin is inderdaad leeg, er beweegt niets. In de tuin van de rechterburen wordt een paadje geveegd. Bij de linkerburen maken kinderen een sneeuwpop. In de verte hoor ik een hard  en regelmatig geluid, alsof er iemand tegen een deur slaat. Als ik op mijn tenen sta zie ik Dennis. Hij hakt hout, als een bezetene. Hij slaat zijn verdriet er uit zeker. Bijzonder om dit op kerstmorgen te doen. Ik besluit hem te bellen en te vragen of hij langs komt. Ik zie hem zijn telefoon uit zijn broekzak halen. Voor ik iets kan zeggen drukt hij me weg en gaat zo mogelijk nog harder hakken.

Ik eet werktuiglijk het ene chocolade kerstkransje na het andere. Ondertussen bedenk wat ik moet doen. Ik moet naar buiten. Onze kat Pluis is al een tijd weg. Ik wil hem roepen, bij me nemen, met hem kroelen, troost aan hem ontlenen. Maar durf ik naar buiten? Inmiddels is het al bijna donker, maar een lichtje doe ik niet aan. Enge telefoontjes heb ik na die ene keer niet meer gekregen. Wel intimiderende appjes, die ik heb opgeslagen. De mouwen van de trui van Gijs heb ik over mijn handen getrokken om de verlovingsring maar niet te zien. Hem afdoen is een stap te ver. Na een half uur neem ik een besluit. Ik doe het, ik ga naar buiten. Een klein stukje de tuin in, de achterdeur open laten, wat kan me gebeuren. Eenmaal buiten roep ik met schorre stem: ‘Pluisie! Kom maar bij het vrouwtje! Kom maar Pluis!’ Ik wil niet laten horen hoe bang ik ben en loop bijna stampend. Hoe dichter ik bij de schuur kom, hoe meer ik ga beven. Opeens gaat mijn telefoon weer, een appje: ‘Pluis in het vogelhuis!’ met een serie lachebekjes er achteraan. Ik zet een voet richting huis maar kijk toch schielijk naar het vogelhuis. Ik kokhals als ik het lichaampje van Pluis daar zie hangen. Struikelend over mijn eigen voeten ren ik het huis weer binnen en met een zucht draai ik de deur op slot. ‘Prima, doe maar op slot!’ hoor ik achter me. Vliegensvlug draai ik me om. ’Jeetje Dennis, ik schrik me dood!’  Dennis kijkt naar me, op een hele indringende manier. ‘Dennis, wat is er, wat kijk je raar!’

En weer rijdt er een ambulancewagen bij mijn huis weg en opnieuw zit rechercheur Hendriks in mijn woonkamer. De uitbundige kerstboom lijkt misplaatst. ‘Vertelt u het nog eens rustig vanaf het begin’, vraagt hij vriendelijk. Maar ik weet nog steeds niet waar het begin is. Begon het toen Dennis hier over vloer kwam? Of was het toen Dennis met Gijs ging stappen? Begon het omdat ik niet door had dat Dennis en Gijs een relatie hadden, met elkaar. Of begon het toen Gijs mij ten huwelijk vroeg. Toen ging het in elk geval mis bij Dennis. Zijn toekomst ging in rook op en dat was mijn schuld. Ik moest uit de weg geruimd worden. Maar hoe kon hij weten dat Gijs met mijn jas aan naar buiten kwam? Zo doodde hij zelf de liefde van zijn leven. En dan vertel ik de rechercheur dat Dennis zijn handen al om mijn keel had gelegd toen de eland opeens begon te zingen: ‘I wish you a merry Christmas’. Afgeleid door het geluid draaide Dennis zich om. De vader van Gijs twijfelde geen moment en overmeesterde  de verblufte Dennis. Ik hoefde alleen nog maar de politie te bellen. Maar waar het allemaal begon? Misschien heb ik Gijs nooit echt gekend. Ik ben moe. Mijn schoonmoeder stuurt me naar bed. In de gang klinkt : ‘I wish you a merry Christmas’

 

 

Klerenbende

‘Kleren maken de man’ Pas op: met deze uitdrukking kom je er niet zonder kleerscheuren vanaf. Want wat dacht je van ‘Kleren maken de vrouw’, of ‘De vrouw maakt kleren’? De juiste uitdrukking is natuurlijk ‘Kleren maken de mens!’ Hoewel … dit kan eigenlijk ook niet meer, want iemand beoordelen op slechts het uiterlijk kan je behoorlijk de das omdoen. Tenzij je iemand bewust de handschoen wil toewerpen, dan kan het wel.

Deze dame heeft de kous aardig op de kop gekregen. Jarenlang stond ze fier en vrolijk de mooiste kleding te showen achter het raam, volop te genieten van het leven in de spotlights. Maar door het verliezen van een arm wordt ze weggestopt in een hoekje, staat ze in haar hemd. Ze wil je niet eens meer aankijken.

 

Een seizoen verder staat ze er nog! Ze zet haar hakken in het zand door de hakken naast zich neer te zetten en de afwezige arm te bedekken. Dat scheelt een jas. Aankijken blijft een dingetje. Mis(s)etalagepop. Maar vooralsnog blijft ze dapper in de uitstalkast staan, waarvoor hulde!

De minder dapperen moet je achter de broek(en) blijven zitten. Of staan. Die willen al te graag het naadje van de kous weten. Of passen. Maar dan zullen eerst een jas moeten uittrekken.

Voor je het weet sta je in je hemd of andere koude kleren. Je kunt dan wel een oude meester om je taille knopen, je kunt het ook aan je laars lappen, maar samen onder een hoedje met Vermeer in je eigen keuken spelen…ik denk dat Johannes ons de mantel zou uitvegen.

Je weet vaak zelf het beste waar de schoen wringt. Of het schort. Maar je trekt wel de stoute schoenen aan als je hiervoor gaat: ruim waar het moet, getailleerd waar het kan. Bij mij zit in dit geval de strik om mijn nek, de rest blijft dan lekker ruim…

Hier zie je duidelijk wie de broek aan heeft. Nou ja, niet letterlijk, want dat is ver te zoeken onder al die lagen. Maar de manier waarop de kraag stijf rechtop staat, de muts strak geplooid om de harde krullekes is gedrapeerd, het benepen grimlachje….je zou niet graag in haar schoenen willen staan. Of erger nog: die van haar man.

Wat een raar verhaaltje is het geworden vandaag. Nou ja, wie de schoen past….gaat er niet naast lopen.

(On)eerlijk

Lastig, want was is precies eerlijk? Goede synoniemen zijn: echt, gemeend, ongelogen, zuiver, betrouwbaar, rechtschapen en fatsoenlijk. Om er maar een paar te noemen. Maar zie dit:

Is het eerlijk dit ik altijd zulke letters trek? Is het eerlijk dat ik dan af en toe een beetje oneerlijk ga spelen? 😉 Tot wanneer is het nog eerlijk? Het is maar een spelletje? Maar waar ligt de grens als het geen spelletje is maar menens…

Om iedereen een gelijke kans te geven zijn er advocaten aangesteld, dat is hartstikke eerlijk. Alle kanten van het ‘verhaal’ worden belicht en de rechter velt een daarover een eerlijk oordeel. De advocaat doet niets anders dan zijn cliënt helpen, een eerlijk proces aanbieden. Hoe oneerlijk is het dan dat juist de advocaat wordt vermoord. De advocaat die niet alleen maar advocaat is maar ook zoon, man, vader, vriend, buurman en collega.      Het rare, bizarre, oneerlijke (?) is, dat de dader daarvan ook weer een eerlijk proces krijgt… Maar eerlijk duurt het langst. Toch?

In Apeldoorn werd je vroeger in dit prachtige gebouw eerlijk berecht. Tegenwoordig is het een horecagelegenheid gerund door mensen met een beperking. Eerlijke mensen die geen vlieg kwaad doen en heel hard en netjes werken. In de voorste kamer hangt nog een groot schilderij van een beroemde rechter die vanaf de schouw goedkeurend op hen neerziet. In het indrukwekkende trappenhuis hangt nog immer een geur van angst.

Vandaag de dag is dit de rechtbank. Een stukje typische architectuur van Wegerif en het muurtje boven de voordeur en naast is inderdaad rond. Aan de achterzijde zitten twee grote silo’s want vroeger was dit gebouw een opslag voor graan. Daar werd vast en zeker (?) eerlijke handel gedreven. Als je de voordeur van heel dichtbij bekijkt zie je dit:

Het muisje heeft waarschijnlijk niets met strafzaken te maken in de trant van : dit muisje zal nog een staartje krijgen! Zoals ik in het begin dacht… Maar gewoon een muisje die het, eerlijk gezegd, heel erg naar zijn zin zou hebben in al dat (h)eerlijke graan.

Eerlijk of oneerlijk, aan welke kant sta jij?