Rondje

Regen of niet, soms moet je gewoon even boodschappen doen. Dan maar meteen een rondje langs de velden.

Action – Een jongeman zet zijn brooddoos in twee paarstinten, op de lopende band om zijn handen vrij te hebben, want hij drinkt ook nog koffie uit een to-go-beker en zoekt zijn telefoon. De caissière rekent de doos automatisch af. Ik lach me een kriek, de jongeman ook, de caissière niet.

HEMA – een uiterst behulpzame winkeljuffrouw snelt me tegemoet als ik bij de kassa sta met een nieuwe theedoek. Ze legt me uit dat er nu zelfkassa’s zijn en doet me voor hoe het moet. Ze hanteert een razend tempo alsof er minstens een volksstam achter me staat te wachten, er staat niemand. ‘Kijk, dan drukt u hierop, dan daarop, daar hangt een tasje, daarvoor moet u €0,10 hierzo aanslaan, dan betalen, pas hierin of contactloos, en wilt u het bonnetje mee?’ Uiteindelijk heb ik niks zelf gedaan. Behalve het betaalgedeelte. Misschien verandert dat ook nog eens.

Kruidvat – een man van middelbare leeftijd staat met waterige oogjes en een rode neus bij de kassa te sniffen. Hij overhandigt het mandje met daarin hoestdrank, keeltabletten, mentholsnoepjes en een familiepak zakdoekjes. Zegt ze: ‘Heeft u nog uitleg nodig?’ De blik van de man…

Xenos – een vriendelijk dame wacht me bij de ingang op en vraagt me een stijltestje te doen. Ik krijg een blaadje in handen gedrukt met daarop vijf verschillende lampen, ik mag mijn voorkeur aankruisen. Zo ook met kussentjes, kleur kaarsen, krukjes en nog meer ongein. Toen moest ik tellen hoe vaak ik nummer 1 als antwoord had, hoe vaak nummer 2, enz. en toen wist zij mijn stijl! ‘Goh, handig zeg, na 62 jaar weet ik nu eindelijk wat mijn stijl is…’ Ze dacht echt dat ze me gelukkig gemaakt had. De uitslag klopte voor geen meter.

Supermarkt – zo snel als iemand aan de hand van een testje kan zien wat mijn stijl is, kan ik aan de inhoud van een winkelwagentje zien wat voor soort mensen het zijn. Hoewel…soms helemaal niet!

  • Een echtpaar, veertigers denk ik, hebben 6 zakken chips, 6 blikken bruine bonen en 6 kilo gehakt. Oeh, denk ik, dat wordt een familie- of vriendenfeestje met een makkelijke en lekkere bonenschotel! Maar er gaan ook 6 flessen chloor mee… Wordt het gerecht nog met 6 kilo uien aangevuld? Of hebben ze iets met het getal 6?
  • Een bejaard echtpaar hebben uitsluitend verantwoorde zaken in het wagentje: blauwe bessen, linksdraaiende yoghurt, oneindigveelpittenenzadenbrood, appelsap met vruchtvlees, 2 liter groene smoothie, geen vrolijkheid te bekennen. Ze zagen er zelf ook uit als een soort aangeklede mueslireep. De enige uitspatting was een klein zakje kruidnootjes. Zouden ze elkaar daar vanavond mee verwennen? Of komt er morgen een kleinkind langs? Of bewaren ze het zuinig tot 5 december, ‘t kan maar in huis zijn.
  • Ten slotte een jongeman, beetje smoezelig type, qua uiterlijk en kleding. Hem kan ik niet peilen maar misschien jij wel? Wat moet de man met 5 flessen Crystal Clear en 1 pak kattenbakkorrels?
Advertenties

Op straat (9)

  • Dit vond ik.

En dit ging er aan vooraf.

Hij zag haar zomaar opeens. Ze zat met een aantal andere vrouwen aan een tafel van een goed bezocht café. De groep lachte hard en aanstekelijk, er was waarschijnlijk iets te vieren. Toen een van de dames opstond om naar het toilet te gaan had hij zicht op een donkerharige jonge vrouw met een sjerp schuin over haar borst, met de tekst ‘Bride to be’. Aha, een vrijgezellenfeestje. En naast de toekomstige bruid, daar zat zij. Met haar blonde haar in een staartje viel ze niet eens direct op. Ook haar denim blouse stak wat gewoontjes af naast de glitterjurkjes van haar vriendinnen. Ze hield haar hoofd schuin gebogen om te luisteren naar een roodharige krullenbol. Daarna gooide ze haar hoofd in haar nek en schaterde het uit. Precies op dat moment werd hij verliefd. Toen ze opeens zijn kant uit keek en hun ogen aan elkaar leken te haken, wist hij het zeker.

Maar nu? Hij kon toch niet op haar afstappen en vragen of ze met hem wilde trouwen? Want dat was zeker, ze zou zijn vrouw worden. Ze keek nog eens naar hem en frummelde aan haar linker oorbel. Hij zag een kleine glimlach. Of wilde hij dat zien? Snel nam hij een slok van zijn bier. Ze keek nog steeds. Was ze nou aan het flirten? Hij kreeg het er warm van. Wat moest hij doen? Hij moest in elk geval iets doen. Hij stak voorzichtig een hand naar haar op. Maar deed dit zo onhandig dat zijn glas omviel! Zat ze nu te grinniken achter haar hand? Hij lachte ook maar wat stompzinnig en depte zinloos het bier met een servetje. Tot zijn schrik maakte de groep aanstalten om op te staan. Snel schreef hij zijn telefoonnummer op een bierviltje en hield dit omhoog naar haar. Ze knikte. Hij legde het op de hoek van zijn tafeltje en verdween naar het toilet om snel zijn stinkende bierhanden te wassen. Maar net niet snel genoeg want toen hij terugkwam was de groep verdwenen. Het bierviltje echter ook.

Twee dagen moest hij wachten. Toen belde ze. Ze wilde dolgraag met hem ergens iets drinken. Ze spraken af, voor dezelfde avond nog, bij een gelegenheid midden in de stad. Zijn handen trilden licht toen hij de verbinding verbrak. Naarstig doorzocht hij zijn kast naar passende en vooral schone kleding. Zijn schoenen poetste hij met een stukje keukenpapier. Wel drie keer deed hij zijn haar en daarna twijfelde hij een kwartier lang tussen drie luchtjes. Toen hij helemaal klaar was om de wereld te gaan veroveren ging zijn telefoon. Even schrok hij: ‘Laat haar niet afzeggen!’ maar hij zag de foto van zijn moeder verschijnen op zijn scherm. Even overwoog hij de mogelijkheid haar weg te drukken maar kon het niet over zijn hart verkrijgen. Tenslotte was ze pas eergisteren aan haar tweede heup geopereerd en had duidelijk behoefte aan wat aanspraak. Drie kwartier later had hij serieus spijt dat hij opgenomen had. Hij rende zijn appartement uit en snelde naar zijn afspraak. Zijn fietssleutel kon hij van de weeromstuit niet meer vinden dus rende hij het hele stuk. Hijgend en met zijn zorgvuldig behandelde haar voor zijn ogen kwam hij bij het restaurant aan. Te laat. Ze was weg.

Gelukkig was hij wel zo slim haar nummer op te slaan en hij belde haar. Terwijl hij zich in allerlei toonaarden verontschuldigde hoorde ze hem geduldig aan. ‘Blijft zit zo?’, vroeg ze uiteindelijk,’dat je moeder altijd voor mij gaat?’ ‘Nee joh, meer heupen heeft ze niet’, grapte hij slecht. Ze spraken nogmaals af, hij kreeg nog een laatste kans, een simpele pizza in een intiem restaurantje. Onderweg kocht hij een prachtig boeket voor haar. Zijn fietssleutel was nog steeds kwijt maar hij nam nu de tijd om het hele stuk te lopen. Onderweg sloeg de twijfel toe. Hij nam een bloem uit het boeket en rukte een voor een de blaadjes er af en prevelde: ‘Ze houdt van me, ze houdt niet van me!’ Steeds als hij met ‘Ze houdt niet van me’ eindigde nam hij snel een volgende bloem. Een spoor van blaadjes en lege stelen achtervolgde hem. Bij de pizzeria had hij niets meer over, de papieren verpakking stopte hij snel in een prullenbak. ‘Hoi!’, hoorde hij achter zich, ‘Daar ben je dan eindelijk en op tijd ook nog! Niet zo’n origineel idee van je om je nummer op een bierviltje te zetten maar kijk, het werkt toch!’ Toen hij zich omdraaide keek hij een vrolijk gezicht omlijst door een grote bos rode krullen…

 

 

 

Merry Christmas

Ja, ja, ik weet het…Sinterklaas is nog niet eens in het land, dus Kerst is nog een verboden onderwerp. Maar schreef ik laatst niet iets over dooie mussen die van het dak vielen en van glibberige laptoptoetsen? Toch was ik toen al bezig met kerst, een witte kerst nog wel. Het ging namelijk om een schrijfwedstrijd van Crime Compagnie. Het moest gaan over kerst, donkere dagen, sneeuw, familie, gevoel en lekker warm maar ook moord en doodslag! Gezelligheid ten top in 2000 à 2500 woorden. Best lastig om je in te leven bij 30 graden… Ik deed een poging en stuurde het ijskoud in. Vorige week uitslag gekregen: van de 33 inzendingen gingen er maar drie door en daar zat ik jammer genoeg niet bij. Misschien toch te warm gebleven…? Lees maar.

Merry Christmas

Ik doe mijn ogen open en weet direct dat er iets leuks is. Wat was het ook alweer? O ja, ik ben verloofd! Ik kijk naar mijn linkerhand en zie daar de witgouden ring. We waren gisteravond bij de winterversie van de buurtbarbecue, een mooie traditie op kerstavond, en Gijs gebruikte dit  als decor om mij ten huwelijk te vragen. Ik tast naast me om naar Gijs te kijken. Als ik niets voel draai ik me helemaal om. Ik constateer dat het bed, op mij na, helemaal leeg is, er zit zelfs geen deukje in het kussen van Gijs. Vreemd. Ik pijnig mijn hersenen om de afloop van gisteravond helder voor de geest te krijgen. Dit lukt niet erg. We bleven maar proosten, op ons, op de buurt, op de liefde en het leven. Dat weet ik nog wel. Wat ik ook nog weet is het gezicht van Dennis. Ach Dennis, mijn trouwe vriend van twee huizen verderop. Zijn scheiding ging niet zonder slag of stoot. Hij heeft wat gehuild bij mij in de keuken en we hebben gepraat tot we niet meer konden. Liters koffie, thee en wijn zijn er doorheen gegaan en regelmatig gingen we samen iets leuks doen met de kinderen. En als de kinderen bij zijn ex waren bleef hij vaak bij Gijs en mij eten. De mannen konden het zo goed met elkaar vinden dat een gezamenlijk uitstapje naar de kroeg bijna ieder weekend plaatsvond. Daarom kon ik de uitdrukking op het gezicht van Gijs gisteravond niet duiden. Ik kan er niet de vinger op leggen wat ik precies zag.

Ik stap uit bed en doe een gordijn open. Dan houd ik mijn adem in. Mijn wens is uitgekomen: een witte kerst! Een dikke laag sneeuw zover mijn ogen reiken. De tuin heeft iets mysterieus. De twee coniferen in pot staan als kabouters met witte puntmutsen naast de schuur. Het vogelhuisje op stam draagt een zware witte hoed. De fiets van onze zoon staat weer niet in de schuur en is nu bijna onherkenbaar verstopt. De buxusbollen zijn nu sneeuwbollen. Naast de schuur ligt een grote berg. Wat lag daar nou toch? Ik herken het even niet. Een vroege vogel landt op de fiets. Hij zakt diep weg en vliegt snel weer op. Dan strijkt hij op de grote berg neer. Wederom heeft het diertje geen houvast en fladdert driftig met zijn vleugeltjes. Een laagje sneeuw verstuift en opeens zie ik iets geels tevoorschijn komen. Net zo geel als mijn winterjas. Gijs lachte zich suf toen ik ermee thuis kwam maar nooit eerder had ik zo’n heerlijke winterjas. Enkellang en met een grote capuchon, dik gevoerd en dus comfortabel warm. De gele kleur gaf het geheel iets vrolijks en als je van dichtbij keek zag je dat er piepkleine rode roosjes op geborduurd waren. De vogel heeft intussen gezelschap gekregen en het stukje geel wordt groter. Het moet niet gekker worden, het lijkt echt op mijn jas. Maar wat zou dat ding buiten doen? Ben ik hem vergeten? Heb ik hem daar laten liggen?

Ik ben nu zo nieuwsgierig dat ik naar beneden loop om poolshoogte te nemen. Zodra ik de gang doorloop moet ik glimlachen als de plastic eland begint te zingen: ‘I wish you a merry Christmas’.  De kinderen wilden hem graag in de gang hangen zodat het liedje maar vaak te horen zou zijn. Als het ding buiten mijn jas blijkt te zijn haal ik hem snel naar binnen. Hij heeft me een klein fortuin gekost en zoiets bijzonders vind ik nergens meer. Ik zie hem niet aan de kapstok hangen. Dan trek ik het zwarte jack van Gijs aan, wurm me in mijn laarzen en stap de tuin in. Even sta ik stil. Wat jammer dat de ongerepte laag nu verstoord wordt door mijn voetstappen. Maar ik moet duidelijkheid krijgen en vervolg mijn weg naar de schuur. De sneeuw knerpt vriendelijk onder mijn voeten. De vogels vliegen op zodra ik dichterbij kom. Ik kniel bij de berg neer en veeg nog wat sneeuw opzij. Ja, dit lijkt precies mijn jas. Ik trek er zachtjes aan maar voel direct weerstand. De jas zit ergens aan vast. Ik veeg nog meer sneeuw weg. Als ik iets hards raak spring ik geschrokken overeind. Met mijn laars probeer ik het harde deel bloot te leggen. Dan slaak ik een kreet van ontzetting: het is een hand. Een hand die uit de mouw van de jas steekt. Mijn jas. Opeens maak ik haast en veeg de sneeuw zo snel mogelijk weg boven de mouw tot ik bij de kraag ben. Nog een stukje en ik zal een gezicht zien. Durf ik dit? Kan ik dit?

Ik ren naar binnen op zoek naar Gijs, waarom zou ik dit alleen doen? Op mijn geroep komt geen antwoord, de eland in de gang zingt elke keer als ik langsloop opnieuw en als ik alle kamers vlug bekeken heb voel ik opeens druk op mijn borst. Mijn ademhaling gaat snel en ik merk dat ik hijg. Van mijn nachtkastje pak ik mijn telefoon. Nog één keer kijk uit het raam. Nu ik vermoed dat er een mens ligt zie ik ook duidelijk de contouren. Ik slik moeizaam. Ik ga naar beneden en opnieuw de tuin in. Wat moet ik doen? De politie bellen? Knoei ik nu met een plaats delict? Nee, dat is alleen als er moord is toch? Dit lijkt meer een ongeluk. Maar wie ligt daar toch? Opeens bedenk ik me dat diegene misschien niet eens dood is en dringend hulp nodig heeft! Ik graaf of mijn leven ervan afhangt en binnen de kortste keren kijk ik in een paar helblauwe ogen. De ogen van Gijs! Ik hoor een harde hoge gil. Ik graaf Gijs verder uit en zodat zijn hoofd op mijn schoot kan rusten. Ik wrijf over zijn gezicht en schudt hem heen en weer. Ik huil en besef dat het gegil uit mijn mond komt. Ik probeer de capuchon over zijn hoofd te doen met de bedoeling hem warmte te geven en zie dan dat de binnenkant donkerrood bebloed is. Op dat moment pak ik mijn telefoon en bel om hulp.

Gijs is dood en meegenomen door de ambulance. De kinderen zijn meegenomen door mijn ouders, die met kalkoen en al voor de deur stonden om kerst te komen vieren. Ik kon die verdrietige gezichtjes niet aan. De ouders van Gijs zijn op hun vakantieadres in Thailand op de hoogte gebracht van het verschrikkelijke nieuws en komen morgen terug. Zo moest ik in mijn eentje ook de politie te woord staan. Als die eindelijk vertrekken met hun zeurderig gevraag wil ik maar één ding: Dennis! Natuurlijk zal hij de ambulance en de politieauto’s wel gehoord of gezien hebben, het bevreemdt me ook enigszins dat hij nog niet hier is, maar bedenk dan dat zijn kinderen dit weekend bij hem zijn. Nog steeds in Gijs zijn jas loop ik twee deuren verder en bel aan. Zodra Dennis opendoet worden zijn ogen groter. ‘Gijs is dood. Ik heb je nodig!’ fluister ik en stort me in zijn armen. Hij wrijft me onhandig over mijn rug als ik het hele verhaal vertel. ‘En nu is hij dood! En we zouden nog wel gaan trouwen!’, snik ik: ’Wat is er nou gebeurd en waarom was hij nog buiten? En waarom had hij mijn jas aan?’ Dennis reageert opeens koeltjes: ‘Ja hoor eens, dat weet ik ook niet hoor. Vreemd allemaal. Misschien wilde hij gewoon iets uit de schuur halen en trok hij jouw jas omdat die nu eenmaal hartstikke warm is. Toen is hij uitgegleden, heeft zijn hoofd gestoten en is door de kou bevangen?’ Maar dan breekt Dennis ook, hij huilt met gierende uithalen en snikt: ’Sorry Gijs, sorry, ik wist het niet.’ Nu is het mijn beurt om te troosten: ‘Precies Dennis, wisten we het maar. Reken er op dat de politie erachter komt!’ Dennis snuit luidruchtig zijn neus, kijkt me met rode ogen aan en zegt zacht: ’Ik moet dit echt verwerken, hij was ook mijn beste vriend hè. Vind je het erg om me alleen te laten, zodra ik wat bekomen ben kom ik je helpen, oké?’ Ik kijk verbaasd maar zeg toch: ‘Oké!’

Alleen thuis weet ik me geen raad. Ik drink wat thee naast de opgetuigde kerstboom en kijk doelloos naar buiten. Het sneeuwt flink en de plek waar Gijs lag is met een flinterdun laagje bedekt. De schoenen van de ambulancebroeders en de politiemannen hebben donkere gaten achtergelaten. Wat een verschil met de sprookjesachtige tuin vanmorgen vroeg. De gebeurtenissen gaan natuurlijk als een lopend vuurtje door de buurt, vooral na de gezellige avond gister. De telefoon gaat constant. Snel doe ik de gordijnen van de voorkamer dicht, ik heb geen zin in andere mensen. Ik wil alleen Gijs. Mijn mooie sterke Gijs. Terwijl ik niet eens zo op machotypes val was Gijs anders. Sterk en toch zacht. Lief, doortastend, energiek. Hoewel hij vlagen van afstandelijkheid kon hebben, hij kon dan zomaar uren achter elkaar op de bank zitten. Hij leek wel een tijdje in een andere wereld te verkeren. Zijn eigen wereld waarschijnlijk. Als de periode voorbij was wilde hij nooit iets met me delen hierover en was dan ook zo vrolijk en boordevol nieuwe plannen dat ik het maar zo liet. Mijn telefoon gaat. ‘U spreekt met Hendriks van de recherche. Wij staan bij u voor de deur, wilt u opendoen? We hebben nieuws over uw vriend.’ Ik realiseer me dat de voordeurbel een paar maal is overgegaan.

Ik heb het koud. Een trui van Gijs die nog over bank lag trek ik aan. Ik ruik Gijs. Mijn lieve Gijs die volgens de politie is neergeslagen met een scherp voorwerp. De bijl die achter de twee coniferen lag is meegenomen. Voor onderzoek. Nog steeds heb ik het ijskoud. Mijn telefoon gaat weer. Een onbekend nummer deze keer. Ik besluit op te nemen zonder iets te zeggen. Een blikkerige stem roept: ‘Bitch! Ik krijg jou ook nog wel! Kom naar buiten als je durft…’ Ik hap naar adem en laat de telefoon bijna uit mijn handen vallen. Instinctief kijk ik naar buiten. De tuin ligt er stil bij. Ik ruk de gordijnen hier ook dicht. Daarna sluip ik naar boven. Vanuit het slaapkamerraam gluur ik naar beneden. De vitrage laat voldoende door om te zien zonder gezien te worden. De tuin is inderdaad leeg, er beweegt niets. In de tuin van de rechterburen wordt een paadje geveegd. Bij de linkerburen maken kinderen een sneeuwpop. In de verte hoor ik een hard  en regelmatig geluid, alsof er iemand tegen een deur slaat. Als ik op mijn tenen sta zie ik Dennis. Hij hakt hout, als een bezetene. Hij slaat zijn verdriet er uit zeker. Bijzonder om dit op kerstmorgen te doen. Ik besluit hem te bellen en te vragen of hij langs komt. Ik zie hem zijn telefoon uit zijn broekzak halen. Voor ik iets kan zeggen drukt hij me weg en gaat zo mogelijk nog harder hakken.

Ik eet werktuiglijk het ene chocolade kerstkransje na het andere. Ondertussen bedenk wat ik moet doen. Ik moet naar buiten. Onze kat Pluis is al een tijd weg. Ik wil hem roepen, bij me nemen, met hem kroelen, troost aan hem ontlenen. Maar durf ik naar buiten? Inmiddels is het al bijna donker, maar een lichtje doe ik niet aan. Enge telefoontjes heb ik na die ene keer niet meer gekregen. Wel intimiderende appjes, die ik heb opgeslagen. De mouwen van de trui van Gijs heb ik over mijn handen getrokken om de verlovingsring maar niet te zien. Hem afdoen is een stap te ver. Na een half uur neem ik een besluit. Ik doe het, ik ga naar buiten. Een klein stukje de tuin in, de achterdeur open laten, wat kan me gebeuren. Eenmaal buiten roep ik met schorre stem: ‘Pluisie! Kom maar bij het vrouwtje! Kom maar Pluis!’ Ik wil niet laten horen hoe bang ik ben en loop bijna stampend. Hoe dichter ik bij de schuur kom, hoe meer ik ga beven. Opeens gaat mijn telefoon weer, een appje: ‘Pluis in het vogelhuis!’ met een serie lachebekjes er achteraan. Ik zet een voet richting huis maar kijk toch schielijk naar het vogelhuis. Ik kokhals als ik het lichaampje van Pluis daar zie hangen. Struikelend over mijn eigen voeten ren ik het huis weer binnen en met een zucht draai ik de deur op slot. ‘Prima, doe maar op slot!’ hoor ik achter me. Vliegensvlug draai ik me om. ’Jeetje Dennis, ik schrik me dood!’  Dennis kijkt naar me, op een hele indringende manier. ‘Dennis, wat is er, wat kijk je raar!’

En weer rijdt er een ambulancewagen bij mijn huis weg en opnieuw zit rechercheur Hendriks in mijn woonkamer. De uitbundige kerstboom lijkt misplaatst. ‘Vertelt u het nog eens rustig vanaf het begin’, vraagt hij vriendelijk. Maar ik weet nog steeds niet waar het begin is. Begon het toen Dennis hier over vloer kwam? Of was het toen Dennis met Gijs ging stappen? Begon het omdat ik niet door had dat Dennis en Gijs een relatie hadden, met elkaar. Of begon het toen Gijs mij ten huwelijk vroeg. Toen ging het in elk geval mis bij Dennis. Zijn toekomst ging in rook op en dat was mijn schuld. Ik moest uit de weg geruimd worden. Maar hoe kon hij weten dat Gijs met mijn jas aan naar buiten kwam? Zo doodde hij zelf de liefde van zijn leven. En dan vertel ik de rechercheur dat Dennis zijn handen al om mijn keel had gelegd toen de eland opeens begon te zingen: ‘I wish you a merry Christmas’. Afgeleid door het geluid draaide Dennis zich om. De vader van Gijs twijfelde geen moment en overmeesterde  de verblufte Dennis. Ik hoefde alleen nog maar de politie te bellen. Maar waar het allemaal begon? Misschien heb ik Gijs nooit echt gekend. Ik ben moe. Mijn schoonmoeder stuurt me naar bed. In de gang klinkt : ‘I wish you a merry Christmas’

 

 

Klerenbende

‘Kleren maken de man’ Pas op: met deze uitdrukking kom je er niet zonder kleerscheuren vanaf. Want wat dacht je van ‘Kleren maken de vrouw’, of ‘De vrouw maakt kleren’? De juiste uitdrukking is natuurlijk ‘Kleren maken de mens!’ Hoewel … dit kan eigenlijk ook niet meer, want iemand beoordelen op slechts het uiterlijk kan je behoorlijk de das omdoen. Tenzij je iemand bewust de handschoen wil toewerpen, dan kan het wel.

Deze dame heeft de kous aardig op de kop gekregen. Jarenlang stond ze fier en vrolijk de mooiste kleding te showen achter het raam, volop te genieten van het leven in de spotlights. Maar door het verliezen van een arm wordt ze weggestopt in een hoekje, staat ze in haar hemd. Ze wil je niet eens meer aankijken.

 

Een seizoen verder staat ze er nog! Ze zet haar hakken in het zand door de hakken naast zich neer te zetten en de afwezige arm te bedekken. Dat scheelt een jas. Aankijken blijft een dingetje. Mis(s)etalagepop. Maar vooralsnog blijft ze dapper in de uitstalkast staan, waarvoor hulde!

De minder dapperen moet je achter de broek(en) blijven zitten. Of staan. Die willen al te graag het naadje van de kous weten. Of passen. Maar dan zullen eerst een jas moeten uittrekken.

Voor je het weet sta je in je hemd of andere koude kleren. Je kunt dan wel een oude meester om je taille knopen, je kunt het ook aan je laars lappen, maar samen onder een hoedje met Vermeer in je eigen keuken spelen…ik denk dat Johannes ons de mantel zou uitvegen.

Je weet vaak zelf het beste waar de schoen wringt. Of het schort. Maar je trekt wel de stoute schoenen aan als je hiervoor gaat: ruim waar het moet, getailleerd waar het kan. Bij mij zit in dit geval de strik om mijn nek, de rest blijft dan lekker ruim…

Hier zie je duidelijk wie de broek aan heeft. Nou ja, niet letterlijk, want dat is ver te zoeken onder al die lagen. Maar de manier waarop de kraag stijf rechtop staat, de muts strak geplooid om de harde krullekes is gedrapeerd, het benepen grimlachje….je zou niet graag in haar schoenen willen staan. Of erger nog: die van haar man.

Wat een raar verhaaltje is het geworden vandaag. Nou ja, wie de schoen past….gaat er niet naast lopen.

(On)eerlijk

Lastig, want was is precies eerlijk? Goede synoniemen zijn: echt, gemeend, ongelogen, zuiver, betrouwbaar, rechtschapen en fatsoenlijk. Om er maar een paar te noemen. Maar zie dit:

Is het eerlijk dit ik altijd zulke letters trek? Is het eerlijk dat ik dan af en toe een beetje oneerlijk ga spelen? 😉 Tot wanneer is het nog eerlijk? Het is maar een spelletje? Maar waar ligt de grens als het geen spelletje is maar menens…

Om iedereen een gelijke kans te geven zijn er advocaten aangesteld, dat is hartstikke eerlijk. Alle kanten van het ‘verhaal’ worden belicht en de rechter velt een daarover een eerlijk oordeel. De advocaat doet niets anders dan zijn cliënt helpen, een eerlijk proces aanbieden. Hoe oneerlijk is het dan dat juist de advocaat wordt vermoord. De advocaat die niet alleen maar advocaat is maar ook zoon, man, vader, vriend, buurman en collega.      Het rare, bizarre, oneerlijke (?) is, dat de dader daarvan ook weer een eerlijk proces krijgt… Maar eerlijk duurt het langst. Toch?

In Apeldoorn werd je vroeger in dit prachtige gebouw eerlijk berecht. Tegenwoordig is het een horecagelegenheid gerund door mensen met een beperking. Eerlijke mensen die geen vlieg kwaad doen en heel hard en netjes werken. In de voorste kamer hangt nog een groot schilderij van een beroemde rechter die vanaf de schouw goedkeurend op hen neerziet. In het indrukwekkende trappenhuis hangt nog immer een geur van angst.

Vandaag de dag is dit de rechtbank. Een stukje typische architectuur van Wegerif en het muurtje boven de voordeur en naast is inderdaad rond. Aan de achterzijde zitten twee grote silo’s want vroeger was dit gebouw een opslag voor graan. Daar werd vast en zeker (?) eerlijke handel gedreven. Als je de voordeur van heel dichtbij bekijkt zie je dit:

Het muisje heeft waarschijnlijk niets met strafzaken te maken in de trant van : dit muisje zal nog een staartje krijgen! Zoals ik in het begin dacht… Maar gewoon een muisje die het, eerlijk gezegd, heel erg naar zijn zin zou hebben in al dat (h)eerlijke graan.

Eerlijk of oneerlijk, aan welke kant sta jij?

 

 

Gieds en gids

Een week in de Belgische Ardennen leert je een heleboel. Ik dacht dat daar louter klimbossen en raftriviertjes waren… Wel veel bos gezien maar ook uitgestrekte maisvelden, grote meren met indrukwekkende stuwdammen. Een zucht van verlichting ontsnapte me: gelukkig geen survivaltocht 😉

Wat betreft kleine oude dorpjes kwam ik goed aan mijn trekken. Alhoewel sommige niet eens door de voorrondes van ‘Help mijn man is klusser’ zouden komen. Een betere optie zou zijn de vervallen panden te verkopen voor 1 euro aan bijvoorbeeld Spanjaarden of Italianen. Die het vervolgens dolenthousiast opknappen, op gepaste wijze gaan integreren, het dorp weer op de kaart zetten en zo de lokale bevolking een oppepper geven van heb ik jou daar. Laat dit alles gerust filmen door een tv-ploeg. ’t Is maar een idee.

Aan de andere kant ben ik ook dol op kastelen en grote landhuizen. In Chimay staat een kasteel om van te smullen. Zowel van buiten…

            

Als van binnen…

             

Bij binnenkomst krijg je bij je toegangskaartje een interactieve I-pad, zodat je heel handig alles ZELF kunt bekijken. Heldere uitleg in alle talen, slechts een kwestie van aanklikken. Toch stond er op de trap een keurig mannetje druk te gebaren. Hij riep: ‘Iek ben de gieds! U kunt mij alles vragen!’ Hij sprak alle g’s uit zoals wij het woord guillotine beginnen. Ik toonde hem glimlachend de I-pad, en dacht: ‘Laat me met rust!’ Maar hij bleef me achtervolgen en gaf te pas en te onpas uitleg. ‘Ier ies de groene kamer!’, ‘Ier ies de wapenkamer!’ Ben ik blind? Ik kan lezen hoor! Ik heb toch een I-pad! Jaartallen goochelde hij constant in het Frans te voorschijn zodat ik daar dan weer niets van begreep. Om half drie riep hij alle aanwezigen toe dat hij het theater ging openen, op een toon alsof hij ging roepen: ‘You get a car! You get a car! And you get a car!’ Met rollende ogen gaf ik hem zijn zin, totdat….ik het theater zag!

Alles was goud, rood fluweel, witte kaarsen, guirlandes, franjes, spiegels in en ereloge, barok all over the place! Wat een grandeur! Ik hou d’r van! Op het podium werd een film vertoond waar duidelijk werd dat dit prachtige theater heel veel te lijden heeft gehad, twee wereldoorlogen meegemaakt maar dit alles fier doorstaan heeft. Heden ten dage worden er zelfs nog concerten gegeven. Na de film sprong de gieds weer naar voren met een grijns op zijn gezicht alsof hij er persoonlijk voor had gezorgd dat het theater nog in leven was en riep: ‘Wie heeft nog vragen? Niemand? Maar iek ben gieds! Iek weet alles!’ Ik zwaaide nogmaals met mijn  I-pad en gaf hem applaus.

Twee dagen later stond Chateau du Fosteau op het programma. Op het terrein komen was al een uitdaging, maar als je door het smalle poortje was, dan had je ook wat! Het gordijntje naast de voordeur bewoog zachtjes heen en weer…

     

De voordeur ging open en een allerliefst ouder echtpaar heette ons welkom. Zij zei: ‘Bienvenue!’ Hij zei: ‘Je kunt gewoon Nederlands praten hoor.’ Ik mocht mee naar een deftige kamer met prachtige meubels en een gewelfd plafond met bloemetjesbehang. Ik wilde graag het toegangskaartje pinnen. Dit kon wel, maar eerst werd uit de lade van een 17de eeuws kabinetje de gebruiksaanwijzing gehaald van het pinapparaat. De rood onderstreepte stappen werden nauwkeurig gevolgd en de keurig gekapte en geklede dame slaakte een zuchtje toen de transactie succesvol verlopen was. Ik kreeg allerlei zelf getypte folders mee, van wat er te zien was, in het Nederlands, maar…meneer liep toch maar even mee. Stel dat ik iets zou overslaan of iets wilde vragen wat niet in de folder stond… Waarschijnlijk was hij blij zijn kennis weer eens te kunnen spuien. Zodra ik maar naar de folder keek begon hij weer. De uiterst vriendelijke en correcte heer had denk ik ook iets aan zijn stembanden waardoor er niet meer dan een naargeestig gefluister te horen viel. Met ingespannen oren onderging ik alles beleefd. Van de oorsprong in 1350 tot de drooglegging van de grachten in 1949, van 2004 toen er een latrine ontdekt werd in een van de dikke muren tot 2019 waar bezoekers nodig zijn om het pand te kunnen onderhouden. De kamers beneden mocht ik zelf bekijken, waarschijnlijk was hij wat vermoeid. De kamers liepen vanzelf in elkaar over en op sommige artikelen zat zelfs een prijsje. Je moet wat als eigenaren in nood.

     

Uiteindelijk werd ik vriendelijk uitgelaten door het echtpaar. Wederom paste de auto op een haar na door het poortje en er bewoog een gordijntje.

Was het toch nog een soort van survivallen…’hoe overleef ik de gids’…

Soms…

Soms denk ik wel eens…

…schreef ik maar boeken!

Maar boeken staan natuurlijk wel vol met uitsluitend woorden.

En wat moet ik dan met al die plaatjes die ik tegenkom…

Keuken salades?

Salades die je in de keuken moet opeten?

Moet die keuken dan ambachtelijk zijn?

Wat gebeurt er als ik die salade in de woonkamer voor de tv opeet?

Een kinder heuptas? Of een kinderheuptas?

Gaan kinderen hem dan ook zo onhandig en oncharmant schuin over de borst dragen?

Weet je hoe vreemd het eruit ziet bij een vrouw met een flinke voorgevel?

En nog vreemder als ze onderin dat tasje nog wat kleingeld denkt te hebben?

Waarom heet het dan een heuptas?

Beetje late vondst zo aan het eind van het terrasseizoen,

maar op deze simpele manier kun je toch besparen op het doorgaans duurder terras 🙂

Geweldig gevonden maar triest tegelijk.

 

Toch es nadenken over een boek…met plaatjes!

Einde verslaving

(Met dit verhaal haalde ik afgelopen mei de derde plaats bij een schrijfwedstrijd. De prijs bestond uit een redactie van een 1000 woorden verhaal. Omdat ik meestal verhalen van 500 of 1500+ woorden maak mocht ik er twee van 500 inleveren 😉 Van het tweede verhaal moet ik de uitslag nog ontvangen…. Ik zal de naam van de uitgever niet noemen, want misschien heb ik gewoon pech, maar netjes vind ik het niet. Ook mochten de winnaars hun verhaal niet publiceren omdat de uitgever dat via eigen kanalen wilde doen, maar ook dat is nog steeds niet gebeurd. Daarom gewoon lekker hier te lezen 🙂 De opdracht was: ‘vrij en niet meer dan 500 woorden.’ Dan wordt het in mijn geval zoiets. )

Einde verslaving

Ik sta voor de spiegel en haal diep adem. Ik bekijk mezelf goed en schud langzaam mijn hoofd. Ik weet dat ik moet ingrijpen maar tegelijkertijd vind ik dat een hele stap. Niemand heeft het immers in de gaten. Het heeft wel even geduurd, maar ik geef het toe: ik ben verslaafd. En niet zo’n beetje. Echt behoorlijk verslaafd. Ik kan niet meer zonder. Vorige week heb ik het nog geprobeerd maar na twee dagen zat er geen nagel meer aan mijn vingers. En gaf ik me direct weer gretig over. Moet ik hulp zoeken? Of kan ik het best zelf? Oké, morgen ga ik stoppen! Dat betekent vandaag nog één allerlaatste keer. Ik haast me uit de badkamer en plof op de bank met mijn laptop. Ik surf hongerig door allerlei kledingsites. Hier en daar klik ik wat aan en gooi het in mijn virtuele mandje. Na de betaling en bevestiging leun ik tevreden zuchtend achterover.

Elke bestelling geeft mij kriebels. De laatste tijd slaap ik er zelfs onrustig van. Ik kijk veel te vaak op mijn telefoon om te zien waar mijn bestelling zich bevindt. Ho, wacht eens even, denk jij nou dat ik verslaafd ben aan online shoppen? Nee joh, dat heb je helemaal mis. Ik doe het graag en veel omdat ik Roberto dan heel vaak zie. De koerier! Wat een stuk is dat. Lang èn breed èn donker èn gespierd èn beleefd. Heel beleefd. Naar mijn zin soms te beleefd. Afgelopen zomer, met die vreselijke warmte, bood ik hem regelmatig iets te drinken aan, wat hij beleefd aannam, opdronk, om daarna met een beleefde hoofdknik weer te verdwijnen. Van de winter heb ik hem zelfs gelokt met warme chocolademelk. Steeds maakte mijn hart een sprongetje als zijn auto verscheen. Ik bestelde me suf aan pakketjes en had het er graag voor over de volgende dag alles weer terug te moeten sturen via het postkantoor. Op een gegeven moment had ik hem zover dat hij mijn huis als laatste bezorgadres plande, zodat we meer tijd hadden om met elkaar te praten. Soms wel drie keer in de week. En alle keren waren daar de onderhuidse spanningen. Was het een onschuldige flirt of was er meer? Van mijn kant zeker wel meer! Denk ik. Toch? Ik moet hier duidelijkheid in krijgen, anders word ik gek. Daarom besluit ik hem met de komende bestelling opnieuw binnen te vragen en hem te overrompelen. Maandagavond hijs ik me daarom in een sexy dingetje, zet overal kaarsen neer en doe een bedwelmend luchtje op. Zodra ik zijn auto zie aankomen schuif ik de gordijnen dicht en doe de lampen uit. Snel haal ik nog een hand door mijn haar en open met, wat ik denk, een zwoele glimlach de voordeur. Dan blijven de ingestudeerde woorden in mijn keel steken want in plaats van de knappe Roberto staat daar een onbekend slungelig  joch. ‘Waar is Roberto?’ vraag ik dwingend. ‘Eh…o…Roberto? Ik val voor hem in want hij is gisteren getrouwd.’

 

 

Juffrouw Scholten

Sorry.

Het is me te heet.

Ik wil niet klagen.

Maar de letters druipen van mijn toetsenbord…

 

Zo kan ik niet bloggen natuurlijk!

Ik heb een goed idee.

Even naar de winkels.

Want die hebben airco!

Yeah!

Yeah….pffffff!

En ook:

Ook yeah….pfffff!

Ik ga naar huis.

Stap over de lijkjes heen.

Van het dak gevallen.

Ik heb mijzelf nou blij gemaakt

met een dooie mus (of twee)???

In een hoekje van de kamer ga ik stilletjes lezen.

Over een lotgenote.

Je bent gewaarschuwd.

Je telt voor twee.

Warme groet.

 

Over taal en Bob

Apeldoorn begint langzaamaan weer wat leeg te lopen. De toeristen keren weer huiswaarts. Een mooie omgeving om vakantie te vieren maar naast de eigen haard tikt het klokje thuis toch ook weer prima.

Soms vraag ik mij af: als wij Nederlanders soms al zo’n moeite met onze eigen taal hebben hoe is dat dan voor hen? Neem nou dit bord:

Roept Rob uit Groot Brittannië nu steeds: ‘I am Rob, not Bob!’ En denkt hij: ‘Waarom moet ik mee naar huis?’ En denken de Fransen: ‘Keskesekke Bob?’ En de Zweden: ‘Böb?’

Wat moeten ze dan hier wel niet van denken?

Een losse eetkamer zoekt stoelen? Deze stoelen gaan helemaal los in de eetkamer? Lekkere losse stoelen die je zelf nog in elkaar moet zetten?

Pas op voor de onderkant? Van wat? Van de tafel? Van het stuk piepschuim? Van het briefje? Oh…voor de onderkant van de speldjes! Maar spelden prikken toch altijd?

Deze is helemaal verwarrend… Bovenaan staan de cremè potten: er moet ergens een streepje op maar waar en naar welke kant? Daaronder staan op twee planken links de vòòr buiten potten, ik neem aan voor de voortuin? En rechts de tuinpotten, die kunnen overal in de tuin? Je ziet duidelijk verschil…toch? Daaronder staan de zwarte potten, dat is dan weer lekker helder.

Dit bordje hing bij de boeken. Ik zou niks durven pakken! Stel je voor, dan moet  ALLES terug en nog GRAAG ook! En dan niet liggen en slordig, maar ZETTEN + NETJES!!! Nou ja, een bedankje kan er dan nog wel af.

Tja, taal blijft zeg maar een dingetje…. 😉