Tante Cora

(Dit verhaal heb ik ingestuurd voor de schrijfwedstrijd van Schrijverspunt. Het genre was helemaal vrij maar er moesten op de een of andere manier de woorden ‘onder de boom’ in voorkomen. Stond er een gouden stoel? Een kabouterhuisje? Lag er een dronken man? Was er juist iets verdwenen? Wat was er gebeurd? Dit heb ik er van gemaakt. Mijn verhaal viel niet in de prijzen maar de uitdaging was weer geweldig.)

Tante Cora

Mijn tante Cora is dood en ik sta versteld. Naïef van mij natuurlijk want iedereen gaat een keertje dood. Maar ze kwam op mij altijd over als een onsterfelijk type. Hoewel het lieve vrouwtje al 89 was, stond zij nog midden in het leven, was van allerlei zaken op de hoogte en vond van veel dingen gefundeerd iets. Zo vaak heb ik bij haar gelogeerd als kind. Later als studente ook nog, vriendinnen mee, het was nooit een probleem. Terwijl zij niet eens een bloedverwante tante was. Ik weet eigenlijk niet meer hoe we aan haar gekomen zijn, maar in mijn beleving was ze er altijd al. We hadden een bijzondere band. Misschien was ik wel de nooit gekregen maar zeer gewenste dochter. Ze kookte belabberd maar compenseerde dit ruimschoots met haar prachtige verhalen. Spannende verhalen hadden haar voorkeur. Vertellen kon ze, iedereen hing aan haar lippen. En als er niemand was om mee te praten las ze. Geen boek bleef onbesproken en op verjaardagen bleef het cadeau geen raadsel. Omdat zij altijd een boek zocht dat bij precies bij de jarige paste werd het toch nog een verrassing. Vreemd genoeg kreek ik nooit een boek van haar realiseer ik me opeens. De zelfgebreide sjaals waren me echter even dierbaar.

Mijn tante Cora is dood en ik ruim haar huis uit. Samen met mijn moeder, haar vaste mantelzorger, hebben we er veel werk aan. Zoveel luie stoelen, want iedereen moest lekker zitten. Pannen in alle soorten en maten, want iedereen moest kunnen mee-eten. Stapels zelf gebreide omslagdoeken, want niemand mocht het koud hebben. Als de boekenkast bijna leeg is vind ik op de onderste plank een zware doos. Met een zwarte viltstift staat er in mijn tantes handschrift ‘Cora’ opgeschreven. Wat is dit? Waarom zou mijn tante haar eigen naam op die doos zetten? Mijn nieuwsgierigheid wint het en ik open de doos. Dan zie ik allemaal pakjes, keurig ingepakt in gebloemd papier. Typisch tante Cora, al haar cadeautjes zaten in gebloemd papier. ‘Bloemen kunnen altijd’, beweerde. De pakjes zijn verschillend van formaat maar aan de vorm en het gewicht te voelen zijn het allemaal boeken. Op elk pakje zit een witte sticker met daarop een jaartal. Het gaat terug tot 25 jaar geleden. Mijn geboortejaar. Hé wacht es! Er zitten 25 pakjes in de doos en ik wordt over drie weken 25 jaar. Toch begrijp ik er niets van en stapel de pakjes weer in de doos. Als ik de doos wil sluiten zie ik opeens een envelop geplakt op een van de flappen. In de envelop zit een brief.

Lieve Corine,

Allereerst gefeliciteerd met je verjaardag. Wat was ik blij toen jij geboren werd. Je vader was foetsie maar geloof me, daar misten we niets aan. Je moeder liet me toe in jullie leven, om te helpen waar ik kon. Er was maar één regel: ik mocht je niet verwennen. Daarom kreeg je elk jaar voor je verjaardag een zelf gebreide sjaal van mij, terwijl ik niet eens van breien houd,  maar dat vond ik te weinig. Omdat ik weet dat je ook zo dol bent op boeken kocht ik elk jaar een boek voor je die ik voor jou bewaarde. Nu je 25 bent geworden vind ik het tijd dat je moeder zich er niet meer mee bemoeien mag en geef ik alles in één keer. Een doos vol verhalen. Verhalen om je in te verliezen, verhalen die iets bij je losmaken, verhalen om te onthouden en verhalen om door te geven. Het laatste boek is een bijzonder boek, net zo bijzonder als jij voor mij bent. Ik blijf je moeder eeuwig dankbaar dat ze de moeite nam jou naar mij te vernoemen. En ik blijf jou eeuwig dankbaar dat je mij als tante wilde zien. Ik hoop van harte nog heel lang jouw tante te mogen zijn. En voortaan krijg je gewoon een boek op je verjaardag.

Je tante Cora.

Er zigzagt een traan over mijn wang. Van ontroering, door dit uiterst lieve gebaar. Van frustratie, ik had het zo graag uit haar eigen handen ontvangen. Van boosheid, waarom is ze er niet meer?! Van gemis, hoe kan ik haar nu ooit nog bedanken. Opeens voel ik een arm om me heen. Mijn moeder zit geknield naast me op de grond. ‘Wat heb je gevonden?’ Ik laat haar de brief lezen. Ze glimlacht, bijt dan op haar lip en er ontsnapt een snik uit haar mond. ‘Wat mis ik haar. Ik weet niet wat er van ons terecht gekomen zou zijn als zij er niet al die tijd was. En deze doos, echt iets voor haar. Altijd in de weer voor een ander. Terwijl ze het zelf financieel niet makkelijk had hoor. Iets met schulden uit het verleden, ik weet het niet eens precies. Ze weigerde steevast er maar iets over los te laten. En nu zullen we het nooit weten.’ Er valt een aangename stilte in de lege kamer als we schouder aan schouder, ieder in onze eigen gedachten verzonken,  samen naar buiten kijken. Het enige geluid komt van de takken van de kastanjeboom die zwiepend door de wind zachtjes tegen het raam tikken. Dan sta ik op en trek mijn moeder ook overeind. ‘Kom, ze zou niet willen dat wij hier een potje zielig zitten te doen. Ik neem de doos mee naar huis en misschien pak ik vanavond wel 24 pakjes uit. De vijfentwintigste pak ik over drie weken uit, zoals tante Cora het bedoeld heeft.’ Mijn moeder knuffelt me en samen tillen we de doos in mijn autootje.

Mijn tante Cora is dood en ze is voor het eerst niet op mijn verjaardag. Mijn moeder wel en een paar goeie vriendinnen ook. Een gebloemd pakje ligt al de hele dag op tafel. Ik kan er niet toe komen het uit te pakken. Het is alsof ik verwacht dat ze zelf nog hier binnen zal stappen om het aan me te geven. Mijn vriendinnen verwennen me met geurige badkamerpakketjes, met afspraken voor een high tea, met foute romcom dvd’s en mijn moeder verrast me met ‘een jaar lang elke vrijdag een boeket bloemen’. Ik serveer koffie en taart. Ik deel thee en chocola. Ik schenk wijn. Ik sta in de keuken om hapjes te bereiden. Ik schenk nogmaals wijn. Ik dribbel weer naar de keuken. Als ik terugkom houdt iedereen opeens zijn mond. Mijn moeder neemt het initiatief en dwingt me te gaan zitten. Ze drukt het pakje van tante Cora in mijn handen en knikt. Nu moet ik wel. Ik draai het pakje om en om, peuter dan heel voorzichtig een hoekje los en uiteindelijk glijdt het bloemetjespapier op de grond. In mijn handen houd ik een boek, het is een zelf gemaakt fotoboek. Er staan 25 foto’s in van mij. En van mijn moeder. Als baby in mijn moeders armen, als peuter op haar nek, als tiener naast haar. De laatste is van twee maanden terug; mijn moeder zit bij mij op schoot, we gieren van de lach. Op alle foto’s zitten we op hetzelfde bankje. Het bankje van tante Cora. De kastanjeboom er achter groeit op elke foto mee. Weer stromen de tranen over mijn wangen. Als ik het boekje sluit zie ik pas de titel: Geluk onder de boom.

Mijn tante Cora is dood en mijn herinneringen zijn springlevend.

Advertenties

Van framboos tot vooroordeel

Ik loop door de stad en zie een bordje met de tekst: ‘Kom binnen en proef!’ met daaronder een afbeelding van een alleraardigst frambozentaartje. Nu laat ik mij doorgaans niet commanderen maar ik weet hoe kort houdbaar die dingen zijn, dus geef ditmaal graag gehoor aan het gebod. Even later zit ik genietend te proeven en kijk om me heen of anderen ook genieten. Ik zie een Chinese dame binnenkomen die ook ‘heel glaag de flamboos wil ploeven’. Ik glimlach om haar enthousiasme totdat ik de zwarte band om haar rechter enkel zie…

Is het echt wat ik zie? Een enkelband? Zo’n elektronische beveiliging voor mensen die iets strafbaars hebben uitgehaald? Wat heeft ze gedaan dan? Heeft ze gerommeld met de hygiëne in het restaurant? Heeft ze iemand vergiftigd? Met foute babi pangpang? Heeft ze iemand aan de eetstokjes geregen? Heeft ze iemands handen verbrand met een te heet handdoekje? Heeft ze de fooienpot mee naar huis genomen? Heeft ze nieuwe tafelkleedjes bij Ali besteld en een bon van de Bijenkorf ingeleverd? Moet ik bang worden?

Ze heeft het taartje eerder op dan ik en ze loopt naar buiten. Vlak voor de deur stopt ze even en bukt zich. Dan zie ik dat ze haar linkersok met zwarte rand ophaalt… Wat een vooroordeel meteen hè:  alsof elk Chinese vrouw in een restaurant werkt!

Boemerang

Was ik een aantal weken terug nog zeer in mijn nopjes dat ik op de longlist van uitgeverij LetterRijn terecht gekomen was…vorig weekend bereikte mij het bericht dat de shortlist een stap te ver voor me was. Jammer, een mens blijft toch hopen 😉 Drie jaar geleden haalde ik de deadline van hun jaarlijkse schrijfwedstrijd niet eens, twee jaar terug haalde ik  de deadline wel het maar daar bleef het bij, vorig jaar haalde ik de longlist, net als dit jaar. Er zit dus duidelijk progressie in! Laten we het daar op houden.

Het thema dit jaar was ‘Met de beste bedoelingen’. Iemand doet zijn uiterste best om iets goeds te doen maar de ondernomen actie pakt echter volledig verkeerd uit en het tegenovergestelde wordt bereikt. Om het spannend te houden moet er minstens één personage sterven binnen 3000 tot 4000 woorden.

Dit heb ik er van gemaakt.

Boemerang 

Ray van Vuuren zag het voor zijn ogen gebeuren.

Om inspiratie op te doen ging hij wel vaker een flink eind lopen in de stad. Bij voorkeur naar druk bezochte plekken waar hij mensen onopvallend kon bestuderen, om eventuele kenmerken te gebruiken voor personages in zijn boek. Sinds hij vorig jaar, tot zijn eigen verbazing, een bestseller had geschreven, had hij, tot nog grotere verbazing eigenlijk, ook een eigen literair agent aangenomen. Moniek, ‘zeg maar Moon’, bood zich destijds  spontaan aan voor deze functie, waar hij in eerste instantie nogal wat schamper tegenaan keek. Maar al snel had zij zich op diverse vlakken onmisbaar gemaakt. Hij was er van overtuigd dat vooral door haar toedoen Moordcollege al weken op de eerste plaats van de boekentop 10 stond. Zij had hem zelfs aangespoord zijn haar te laten groeien, wat hem een stoerder en daardoor aantrekkelijker imago zou verschaffen. Ze zorgde goed voor hem, wist wat hij nodig had, maar soms werd hij gek van haar gedram. Dan begreep ze niet dat hij eerst moest lopen, dat ze hem beter met rust kon laten als hij aan het lopen was. Ze belde hem nu al dagen achter elkaar om hem te herinneren aan de deadline van zijn tweede boek. ´Hoe ver ben je? Kan ik al wat lezen? Denk je wel aan de deadline?’

Hij volgde al een tijdje een slungelig meisje op het volle trottoir richting het station. Haar shirt was te groot, had geel en zwarte strepen en het lange haar hing nat op haar rug. Had zij laat gedoucht? Waarom? Opeens, zonder enige waarschuwing, zakte zij in elkaar. Omstanders weken uiteen, sommigen liepen haastig door, anderen bleven vertwijfeld staan. Ray aarzelde geen moment en knielde bij het meisje neer. Hij keek in een grijsgrauw gezicht dat van pijn vertrokken was, vochtig van transpiratie, de mond zoekend naar adem. Hij zag ook een baard, het lange haar had hem op het verkeerde been gezet. Haastig probeerde hij een oorzaak vast te stellen, het leek verdraaid veel op een hartaanval. Wat had hij daarover ook alweer geleerd? De ademhaling van het slachtoffer stokte. ‘Bel 112! Snel!’, riep hij tegen een vrouw met blauw haar, die toch al met haar telefoon in haar hand stond. Naarstig zocht hij zijn geheugen af naar het hoofdstuk reanimeren. Een luikje ging open en hij wist feilloos wat hij moest doen. Bij de mond-op-mondbeademing moest hij wel even iets overwinnen want het ringbaardje van de man die op de grond lag zag er nu niet bepaald aantrekkelijk uit. Er hing sowieso een penetrante geur om hem heen. Iets chemisch dat Ray zo snel niet kon thuisbrengen. Even verwenste hij Moon toen zijn halflange haar hem steeds in de weg hing. Maar een zwakke hartslag kwam terug. Voor hij er erg in had arriveerde er een ambulance en nam het personeel de patiënt over. De chauffeur sloeg hem nog op de schouder met de woorden: ’Bedankt man, je hebt hem waarschijnlijk gered!’ En net zo snel als de ambulance verschenen was verdween hij ook weer. Iedereen snelde weer door alsof er niets gebeurd was. Toen zag Ray een tas liggen. Een plastic boodschappentas waarvan hij zeker wist dat die van het slachtoffer was. Hij hield hem nog even omhoog wat natuurlijk geen enkele zin had. Hij besloot de tas mee te nemen en bij het ziekenhuis af te geven. Een kleine moeite.

Nee Moon, nog niet! Gegroet!’ Nog met zijn hoofd bij het voorval botst hij in de hal van het station tegen iemand op. Als hij opkijkt gebeuren er twee dingen tegelijk. Drie eigenlijk. De man waar hij tegenaan botst wil hem een flinke duw teruggeven en tegelijkertijd trekt er een andere man aan de gevonden tas.  Maar als plotseling links van de duwende man Rob en Els opduiken, die zijn naam luidkeels roepen, verdwijnen de twee mannen razend vlug in de menigte. ‘Hé Ray, hoe gaat het man, goed jou weer eens te zien.’ Rob slaat hem uitbundig op de schouder. Als Els hem kust en hem direct uitnodigt een hapje met hen te gaan eten, besluit hij de twee mannen te vergeten. Tijdens het nuttigen van een bord verantwoorde pasta wordt er gesproken over werk, deadlines, vakanties, huizen en heel voorzichtig over relaties. Ray stelt hen gerust door te vertellen dat hij nu echt de vrouw van zijn leven heeft gevonden in Juliette. De volgende afspraak moet beslist met z’n vieren. Het valt hem op dat Els regelmatig kucht. Als hij er naar vraagt bloost ze een beetje. ‘Sorry, keelirritatie, gevoelig voor luchtjes, ligt aan mij hoor!’, ze glimlacht verontschuldigend. Beschaamd haalt hij de gevonden boodschappentas onder tafel vandaan. ‘Waarschijnlijk ruik je dit!’, zegt hij. Als Els harder gaat hoesten is het bewijs geleverd. Ray stopt de tas snel weg en vertelt over de herkomst ervan. ‘Je hebt iemands leven gered!’, dweept Els. Zij overhandigt hem een ingewikkeld opgevouwen kunststof tas met een bont bloemenpatroon.‘Stop hem hier maar in, ik heb er toch zes van. Deze tas kun je afsluiten!’ Dankbaar maakt hij gebruik van haar aanbod en ritst de tas dicht.

Hij had er rekening mee moeten houden dat de late treinen niet zo vaak rijden, het is nu een stuk later geworden dan hij wilde. Maar hij moet ook toegeven dat het weer als vanouds gezellig was. Nadat hij Moon drie keer had weggedrukt had hij zijn telefoon helemaal uitgezet. Het is flink wat kouder geworden, huiverend zet hij de kraag van zijn jas op. Omdat het al zo laat is loopt hij alleen op straat, en hoort zo overduidelijk zijn eigen voetstappen dat het lijkt alsof er iemand achter hem loopt. Dat is natuurlijk niet het geval. Voor de zekerheid kijkt hij toch om. Tot zijn schrik ziet hij twee mensen zo’n twintig meter achter hem lopen. Hij kan niet veel meer zien dan een groot verschil in lengte. Zijn het de mannen van het station? Hij versnelt zijn pas en na een poosje kijkt hij nogmaals om. Niemand. Verbeeldde hij zich nou maar wat? De gebruikelijke route naar zijn huis via het park laat hij nu achterwege, liever blijf hij in het licht van de straatlantaarns. Vijf minuten later staat hij bij zijn voordeur. Man, wat is het hier donker, morgen gaat hij eerst de buitenlamp vervangen, en dan zal hij… Een hand op zijn mond beneemt hem bijna de adem. Een andere hand drukt hem hard tegen zijn eigen voordeur. Zijn rechterwang schuurt langs het hout. Zijn hart slaat sneller dan goed voor hem is. ‘Waar is het!’ hoort hij iemand sissen. De hand voor zijn mond verplaatst zich naar zijn nek. ‘Waar is wat?’, vraagt Ray stotterend. Hij probeert zijn hoofd te draaien maar wordt hardhandig tegengewerkt. ‘De tas, die je van straat hebt geraapt, die is van ons ja!’ Zijn brein maakt overuren terwijl zijn linkerhand de bedoelde tas omklemt. ‘De supermarkttas bedoel je?’, vraagt hij tijdrekkend. Met een smak wordt hij omgedraaid en zijn achterhoofd knalt tegen de deur. ‘Ja! Geef op!’ Een mes klikt open en de punt daarvan zwaait gevaarlijk dicht langs zijn keel. Zijn ogen vliegen angstig heen en weer tussen de twee mannen die hij nu herkent van het station. Wat moet hij doen? De tas geven of niet? Hij beslist in een seconde: ‘Die heb ik niet meer. Aan een verkoper van de  daklozenkrant gegeven. Die met die rode baard, die altijd voor het station staat!’ De twee mannen kijken elkaar snel aan. De kleinste maakt een hoofdbeweging en de ander klikt het mes dicht. Langzaam blaast Ray wat lucht uit en net als hij denkt hier goed weg te komen geeft de langste hem een ongenadig harde stomp in zijn maagstreek. Ray klapt dubbel en voelt dan de knie van de kleinste tegen zijn neus rammen. Zijn aanvallers laten hem liggen en maken zich uit de voeten met de woorden: ‘Als je liegt komen we terug!’ Zijn telefoon geeft 12 gemiste oproepjes van Moon aan.

‘Hey Juul lieverd, je moet vandaag maar niet komen hoor. Ik ben ziek.’ Ray probeert de pijn te verbijten.’Nee schatje, ik hoef geen verzorging of boodschappen. Blijf jij nou maar daar, ik wil niet dat jij ook buikloop krijgt. Dag, ik moet rennen.’ Hij laat zich op zijn bed terugvallen. Zijn hele hoofd bonkt en zijn neus in het bijzonder. De pijnstillers in combinatie met de genuttigde alcohol kregen hem toch in slaap vannacht. Nu probeert hij uit alle macht helder te krijgen wat er nu eigenlijk gebeurd was. De jongen met de hartaanval, de gevonden tas, de twee mannen, de klappen die hij kreeg. De tas! Waarom waren die mannen zo kien op die tas? Hij krijgt het gevoel dat daar wel eens een antwoord in kan zitten of anders wellicht een aanwijzing. Hij sleept zich naar de gang waar de tas nog ligt en neemt hem mee naar de keuken. Als hij de gebloemde tas opent ruikt hij onmiddellijk  de scherpe lucht weer. Chloor, weet hij opeens, het ruikt naar chloor. Hij opent de supermarkttas en haalt de inhoud tevoorschijn. Een opgerold, nog vochtig badlaken, een zwembroek en een blauw plastic hoesje met een rits. Als zijn gekneusde lijf niet zo´n pijn deed zou hij hard lachen. Is dit waar die twee op uit waren? Heeft hij deze rommel met gevaar voor eigen leven verdedigd? Hij pakt het badlaken beet met de bedoeling het weer terug te stoppen in de tas als er iets uitrolt en op de grond valt. Een pistool. Een zwart pistool in zijn keuken! Even kijkt hij of hij water ziet branden. Dan pakt hij het op en is verbaasd door het gewicht. Met zijn hand om de kolf, zijn vinger op de trekker, richt hij op de koelkast en zegt zachtjes: ‘Pang!’ Als hij het ding weer vlug in het badlaken wil rollen ziet hij twee gaten in de dikke stof. Kogelgaten? Nog sneller stopt hij het terug in de tas. De zwembroek schudt hij voor de zekerheid ook maar uit alsof er in dat kleine kledingstuk een doos patronen verstopt zou zitten. Dan ritst hij het blauwe hoesje open. Hij ziet geld, veel geld en een stukje wit  papier. Na telling blijkt het om €5000 te gaan en op het witte papiertje staat: Fahrenheitstraat 46. Waar is hij in vredesnaam in terecht gekomen? Hij haalt vertwijfeld zijn hand door zijn lange haar. ‘Ja Moon, ik heb inspiratie voor tien vandaag! Als jij me nou niet steeds belt kan ik meters maken! Ophouden nu!’

Na een flinke dosis cafeïne concludeert Ray dat hij drie opties heeft. Of hij gaat rechtstreeks naar de politie en laat hen het uitzoeken, òf hij gaat naar het ziekenhuis en dropt daar de tas zo snel mogelijk bij de eigenaar òf hij gaat kijken wat er zich op het adres van het witte papiertje bevindt. En dan nog iets: dat geld. Opperde Juliette laatst niet een reisje naar Bali? Zijn badkamer is dringend aan vervanging toe. Maar hoe zit het met zijn twee achtervolgers? Die hebben dus duidelijk een idee van wat er in de tas zit. Zullen ze echt terugkomen? Om het geld of om het wapen? Opeens krijgt hij haast en hij neemt een besluit. Hij zal via de Fahrenheitstraat naar het ziekenhuis gaan. Zijn nieuwsgierigheid wint het. De plastic tas stopt hij wederom in de gebloemde tas, die truc werkt prima. Zijn blik speurt de straat af en als hij niets verdachts ziet snelt hij naar zijn auto. Tijdens het rijden houdt hij zijn achteruitkijkspiegel in de gaten. Even later draait hij de Fahrenheitstraat in. Aha! Op nummer 46 bevindt zich het zwembad ‘De spetter’. De chloorlucht is hiermee verklaard. Ray stapt toch uit en loopt de hal van het zwembad binnen. Het bevreemdt hem dat hij de enige bezoeker is. Het hokje waar een kassamedewerker hoort te zitten is leeg. Ray loopt verder, zijn voetstap weerklinkt op de harde tegels en hij houdt stil voor een grote glazen ruit. Vandaar ziet hij dat de baden leeg zijn. De zon schijnt door de hoge ramen en geeft bizarre weerspiegelingen in het water dat zachtjes beweegt. ‘Kan ik u helpen?’, hoort hij opeens achter zich. Hij draait zich zo snel om dat een kleine duizeling hem overvalt. Een stevige dame op gifgroene slippers, gewapend met een dweil op een stok, staart hem aan. ‘We zijn gesloten hoor’, vervolgt de vrouw iets minder argwanend. Ray laat zich op een stoel zakken en veegt zijn haar achter zijn oren. ‘Hoe dat zo?’ De vrouw heeft weinig aansporing nodig. ‘Ja, we moesten zoveel opruimen. Geeft een hoop smurrie hoor als ze iemand overhoop schieten. Weet u hoe rap dat bad leeg was gister? En een gegil joh! Van de dader geen enkel spoor natuurlijk. Ik zei gisteravond nog tegen Henk, mijn man, op zich best slim eigenlijk om het in een zwembad te doen, want het is hier altijd zo’n gekrioel dat je hartstikke snel weg bent. Nee, geloof mij, die gaan we niet meer vinden. Voor het slachtoffer evenzogoed zielig want die kan niks meer navertellen. U heeft trouwens ook wat meegemaakt?’ Ray verschuift ongemakkelijk op zijn stoel. ‘Die neus van u!’, ze wijst met de stok. ‘O dat! Ongelukje. Ik ga maar weer eens. Tot ziens.’ Meer struikelend dan lopend verlaat hij het zwembad. De vrouw schudt haar hoofd en dweilt verder.

In zijn auto wrijft Ray over zijn ogen en haalt een paar maal diep adem. Zijn neus doet zeer en de spanning beheerst zijn al zijn spieren. In het handschoenenvakje moeten nog wat pijnstillers liggen. Hij buigt kermend naar voren en steekt zijn hand diep in het vakje. Dan geeft hij een schreeuw als er een flinke dreun op zijn auto wordt gegeven. In een deel van een seconde flitst het door zijn hoofd dat de mannen terug zijn. Het portier wordt opengerukt en Ray doet zijn armen in een reflex beschermend over zijn hoofd. ‘Rustig maar hoor,’ klinkt een bekende stem,’Je bent je tas vergeten!’ De vrouw met de groene slippers gooit de tas rakelings voor zijn gezicht langs op de bijrijderstoel.

Bij het ziekenhuis valt het niet mee een parkeerplek te vinden. Ray gaat brutaal op een artsenplaats staan. Hij staat verbaasd van zichzelf, is hij nu ook al asociaal? Maar hij moet van die tas af en snel ook en dan alles snel vergeten, gewoon weer zijn oude leventje oppakken. ‘Waar ben je, sta voor je deur. Bel me terug!!! Moon.’ Bij de balie wordt hij direct al tegengewerkt. Nee, hij weet geen naam, en nee, hij is geen familie. ‘Dan kan ik niks voor u doen meneer.’ zegt het meisje resoluut. Ray draait zich om en loopt vastberaden richting de koffiehoek. Vlak daarvoor schiet hij naar rechts een gang in. Gelukkig hangen overal plattegronden van het immense ziekenhuis en al snel weet hij waar de Spoedeisende Hulp zich bevindt. Daar treft hij een oververmoeide dame die hem klakkeloos de informatie verschaft die hij hebben moet, nadat hij verklaard heeft familie te zijn. ‘Ach, voor ik het vergeet,’ zegt Ray,’mijn neef denkt vaak dat hij grappig is en geeft dan een andere naam op, welke gebruikt hij nu?’ Met de juiste naam begeeft hij zich naar de hartafdeling. Alsof hij precies weet wat hij doet loopt hij de gangen door, intussen spiedend op elk naambordje naast de deur van elke kamer. Bij de juiste naam kijkt hij nog eens links en rechts de gang in en drukt dan de deurkruk naar beneden. In het bed herkent hij de jongeman, die er roerloos bij ligt. Aan een haakje hangt het shirt met gele en zwarte strepen. De machines boven hem piepen met een zekere regelmaat. Wat nu? De tas hier laten? Hem wakker maken? Voordat Ray met een idee komt zwaait de deur open en een vlotte verpleegster stapt naar binnen. Ze draait zich om en zegt tegen iemand op de gang: ‘O, ik zie dat er al bezoek is!’ Dan draait ze zich naar Ray. ‘U bent ook familie? Er staan hier twee neven die ook even willen kijken. Zou u zo vriendelijk willen zijn…?’ ‘Natuurlijk!’, zegt Ray vlug en haast zich de kamer uit. Daar botst hij tegen zijn twee belagers aan. Even zijn ze alle drie met stomheid geslagen. De kleinste herpakt zich het snelst. Vlug pakt hij Ray bij de arm en roept: ‘Hey neef! Zullen wij anders eerst even koffie drinken?’ Met een hoofdbeweging naar de kamer: ‘Die slaapt toch nog een tijdje.’ De lange heeft het spel door en pakt Ray bij de andere arm, slaat hem uitbundig op de schouder en zegt: ‘Hoe gaat het nou gozer?’ Ze sleuren hem zowat de gang door. Bij de eerste de beste bocht gaat er ergens een alarm af en in mum van tijd is de gang vol met rennend verplegend personeel. Een grote donkere vrouw duwt een crashcar voor zich uit. Ray maakt gebruik van de verwarring die ontstaat, wringt zich los en begint te rennen alsof zijn leven er van afhangt. Wat waarschijnlijk ook zo is. Hij weet zelfs ongezien in het trappenhuis te komen. Hijgend en met pijn in zijn zij moet hij snel beslissen, naar boven of naar beneden?

Bizar hoe snel een mens in tijd van stress toch een keuze weet te maken. Door met drie treden tegelijk naar beneden te vliegen lukt het Ray te ontsnappen aan zijn achtervolgers. Hij springt in zijn auto. De parkeerboete laat hij verfrommeld achter. Als een bezetene rijdt hij naar zijn huis. Er vanuit gaande dat de twee mannen hem nog zoeken, propt hij binnen wat kleding in een sporttas, hier kan hij niet meer blijven. Koortsachtig probeert hij te bedenken waar hij naar toe moet gaan. Peter! Wellicht kan hij daar een tijdje blijven. Net als hij het nummer van Peter wil intoetsen belt Moon hem. Hij wil ook geen argwaan wekken dus neemt hij op. ‘Waar ben je!!! Ik probeer je al de hele dag te bereiken man! Ik moet je dringend spreken. Kom nu naar mijn kantoor! Nu!!!’ Hij bedenkt dat een bezoekje aan haar de verhitte gemoederen wat kan bedaren en belooft er binnen tien minuten te zijn. ‘Hè, hè!’, klaagt Moniek en trekt hem naar binnen, ‘Zitten jij! Jeetje Ray, wat zie jij eruit! Nou, dat verklaar je straks maar. Eerst vertel je me luid en duidelijk wat je allemaal gedaan hebt gisteren!’ Ray zucht: ‘Weet ik veel, niets bijzonder waarschijnlijk. Luister Moon, ik doe mijn uiterste best maar als jij zo aan mij twijfelt werkt dat averechts natuurlijk. Mag ik nu weg ik heb een afspraak met…’ ‘Noem het maar niets bijzonders!’, valt ze hem lachend in de reden. Moniek die lacht? Wat is hier aan de hand? Ze smijt hem een krant voor zijn neus en dan ziet hij zichzelf gebogen over een figuur met een geel en zwart gestreept shirt. ‘Geen mis- maar goede daad’ staat er boven. Slechte kop, denkt Ray nog. ‘Blijf zitten!’, gebiedt ze als de bel gaat, om even later te roepen, ‘Hier is hij!’ Ray draait zich om en kijkt recht in het gezicht van een politieagent. Het zweet breekt hem aan alle kanten uit. Zijn keel voelt gortdroog aan. Zijn linkerknie trilt. Zijn hartslag resoneert in zijn oren. ‘Luister goed sukkel!’, zegt Moniek en ze gaat met een scheve glimlach op haar bureau zitten. ‘Tja, eh…’, de agent schraapt zijn keel, ‘Meneer van Vuuren, ik kom u bedanken! U heeft ons namelijk een grote eer bewezen gister. U heeft het leven gered van Benny de Booij. Wij waren al een flinke tijd op zoek naar dit fraaie heerschap als ontbrekende schakel in een groter misdaadnetwerk. ’ Hij steekt zijn rechterhand uit naar Ray.

Gebeurt dit echt? Hij krijgt een compliment van een politieagent terwijl hij met een pistool op schoot zit. En waarschijnlijk ook nog met de gage van een huurmoordenaar. Hij probeert nog: ’Het leven van wie? En hoe weet u dit allemaal?’, dan op de krant wijzend, ‘En hoe kan dit dan?’ ‘Tja, na Moordcollege zijn er meer mensen die u kennen dan andersom waarschijnlijk. Een vrouwelijke fan heeft u herkend, u sommeerde haar 112 te bellen.’ Helder ziet Ray de vrouw met het blauwe haar voor zich en realiseert zich nu dat ze aan het filmen was. Moniek is door het dolle, ziet dit als een geweldige publiciteitstunt. De agent vervolgt: ‘We zijn er zeker van dat hij met de zwembadmoord te maken heeft die gisteren plaatsvond, maar krijgen het bewijs nog niet helemaal rond.’ Er giert een korte maar hevige wervelwind in het brein van Ray, maar dan zegt hij: ‘Misschien kan ik u hierbij van dienst zijn. Hier is de tas die het slachtoffer achterliet. Ik weet niet wat er in zit en u moet me geloven dat ik van plan was deze af te leveren bij het bureau.’ Moniek gilt bijna: ‘Ray! Wat heb je allemaal uitgevreten! Het wordt steeds mooier! Ik ga Matthijs even bellen voor vanavond, dan kun je daarna door naar Eva!’ De houding van de agent is opeens veranderd. Hij kijkt Ray strak aan: ‘Heeft u de inhoud bekeken?’ ‘Vluchtig, het …eh…stonk nogal!’ De agent neemt de tas over en verlaat het kantoor met de woorden: ‘Ik verzoek u met niemand over deze tas te praten!’ Ray knikt, steekt twee vingers op en zegt: ‘Erewoord.’ Hij zakt, opeens doodmoe, achterover in de stoel. Moniek laat energiek allerlei plannen op hem los maar hij hoort het niet. Hij kan alleen maar denken. Dit was het? Afgelopen nu? Was het de juiste beslissing? Hij heeft toch zeker nergens mee te maken? Wie zal er kraaien naar die duizend euro?

Drie maanden later staat er een opmerkelijk bericht inde krant:

Schrijver Ray van Vuuren is vanmorgen in voorlopige hechtenis genomen door de politie. Hem wordt betrokkenheid verweten bij de zwembadmoord vorige maand in zwembad de Spetter. Verschillende getuigen zijn gehoord. Een aldaar werkende schoonmaakster heeft verdachte daags na de moord verward aangetroffen in het afgesloten gebouw. Verplegend personeel in het plaatselijke ziekenhuis bevestigen valse voorwendselen omtrent familiebanden. Maar overduidelijk waren de vingerafdrukken op het wapen en op de drieduizend euro in de tas,  die in het bezit was van verdachte. De rol van zijn literair agent M. ten Haaften zal hangende het vervolgonderzoek duidelijkheid verschaffen. Deel 2 van Moordcollege wordt voorlopig uitgesteld.

 

 

 

 

 

 

 

 

Serieus

Nu het toch vakantietijd is en menigeen ligt te dobberen op een opblaasflamingo of loopt te wandelen op beeldige schoenen, ga ik eens proberen een serieuze blog te schrijven. Een zogenaamde recensie (kritische noot) op een eerder verschenen artikel. Komt-ie.

Veel vrouwen hebben een hekel aan een badpak of bikini passen. Begrijpelijk want het onflatteuze licht in het pashokje is meedogenloos en laat elk bobbeltje zien. Een paar tips voor wie de uitdaging wel aangaat: vermijd knellend ondergoed om lelijke afdrukken in je huid te voorkomen. 

Onderwerp: (zucht…) niet zo vernieuwend hoor.

‘Elk bobbeltje’: meestal gaat het om meerdere bobbels.

‘Vermijd knellend ondergoed’: dan ga ik maar in mijn blootje?

Plan je bikini-passessie in vóór de lunch om een opgezette buik te voorkomen. Verwacht je veel te gaan zwemmen of eindeloos van de glijbaan af te gaan met de kinderen? Kies dan voor een badpak of sporty bikini die alles goed op z’n plaats houdt. Kijk ook goed naar je figuur: welke punten wil je benadrukken en wat verdoezel je liever? Staar je niet blind op minpunten. Hoe opvallend ze voor jou ook zijn, een ander ziet ze vaak niet eens.

‘Vóór de lunch’: hoeveel denk jij dat ik eet!!!

‘Eindeloos van de glijbaan’: hoe oud denk je dat ik ben!

‘Wat verdoezel je liever’: alles tussen kin en knieën…?

‘Een ander ziet het vaak niet eens’: als je in een darkroom zwemt…!

Andersom geldt hetzelfde: dat je een triangeltop of string past, wil niet zeggen dat het je figuur ook goed doet. Ook belangrijk: blijf niet stil staan voor de spiegel maar beweeg! Doe je armen omhoog en kijk of het bovenstukje niet opkruipt. Loop heen en weer om erachter te komen of de boel goed blijft zitten. Staar je niet blind op de maat of het merk. Waar het om gaat is dat het lekker zit en mooi staat. Niet dat er S, M of L op de label staat. Die knip je er thuis toch uit!

‘Triangeltop’: klinkt mij te vrolijk.

‘Beweeg’: hoe denk je dat ik überhaupt in zo’n badpak kom?

‘Loop heen en weer’: een pashokje heet niet voor niets hokje.

‘De boel’: de hele boel?

‘Lekker zit en mooi staat’: wat moet ik nou, zitten of staan?

‘S, M, of L’: en wat betreft 3XXXL?

Oh ik zie het al, je denkt dat ik dit verzin? Dit artikel stond serieus in een bla(a)d(je), inclusief de vreemde grammatica. Dat is pas een ellende…. Serieus!

Leezen en fluiten

Afgelopen week las ik ergens dat ‘mond-op-mond-reclame’ tegenwoordig goed gerekend wordt. Zo eng! Mond-tot-mond is me dichtbij genoeg. De reden vond ik nog enger: ‘omdat iedereen het tegenwoordig zo schrijft.’ Dus als we ons met z’n allen maar lang genoeg blijven beseffen dat hun gelijk hebben…. Auw, gruwel, dat doet toch pijn?! En wat te doen met de dialecten? Gisteren zag ik dit op een Twentse markt:

Bloazen of prebeeren,

Is wa koopm,

Dus betaaln

De prijs was met een stickertje geplakt, vandaag 3 euro en in een rijkere gemeente 5 euro? Veel geld voor een fluitje van 1 cent…. Maar rekenen we dit taalgebruik nu fout? Of vinden we het juist charmant?

Nog zo iets, een naam van een streekproduct. Gaat het om pèrkes voor je knie? Is het een kès waarin geknieperd kan worden? Zijn het èrkès gemaakt van kniep? Gelukkig was het snel te ruiken waar het over ging: heerlijke koekjes! Het deeg werd door een Twents ambachtelijk knieperkesbakkertje geknepen in een smeedijzeren knieperkesbakijzer en daarna door moeder de vrouw opgerold, in een zakje gedaan en aan de man gebracht met de opeens universele woorden ‘Lekker hoor!’

Vaak gaat taal ook over de manier waarop iets gezegd wordt maar ook de toon van schrijven is doorslaggevend. Toen ik dit zag: wat metalen borden in een bak gesmeten, op de grond gegooid en dan een briefje erbij met de tekst: ‘Zoek uit!’ Dan denk ik meteen: ‘Zoek het lekker zelf uit!’

Taal blijft een wonderlijk iets! Het leeft dus verandert! Maar geef dit blogje toch maar mond-tot-mond door… 🙂

Dure niks

Geld, pegels, doekoe, centen, contanten, duiten, kapitaal, zilverlingen, oortjes, poen, pingping, slappe was, euries, we houden er van.

Oké, het maakt niet gelukkig, maar zéker niet ongelukkig. Het is verdraaid makkelijk er aardig wat van te hebben. Want wat kun je er allemaal mee doen? Lekker laten rollen, bij voorkeur mijn kant uit. Vakanties, etentjes, voorstellingen, cadeaus. Uitgeven aan jezelf of delen met een ander. Het stinkt niet en het zoekt vaak geld waardoor het vanzelf meer wordt!

Je kunt het natuurlijk ook niet uitgeven maar sparen, er op gaan zitten. Wel typisch Nederlands. Ze zeggen niet voor niets dat ‘wij’ het koperdraad hebben uitgevonden toen er twee Nederlanders vochten om een cent. (Of waren het Schotten?) In elk geval vertel ik niets nieuws als ik zeg dat wij graag een voordeeltje hebben, een koopje, een uitverkoopje, een meevallertje, een anbiedinkie. Helemaal door het dolle zijn we als iets gratis is! Maar wat doen we hiermee?

Alles in de zomersale! Een vlot jurkje van een mooi stofje, luchtig, makkelijk te wassen, kreukvrij in de koffer, soepel vallend en afkledend, wat wil je nog meer.  Prijs valt mee. Daarbij een zomers hoedje, zo’n rieten geval dat overal bij past, dat je zelf kunt opleuken door er een sjaaltje omheen te knopen kleurend bij het jurkje. Doe es gek. En dan de schoenen: aangenaam zomers, je voelt niet dat je ze aanhebt, onverslijtbaar, luchtig, modieus en in one-size-fits-all…? Dure niks…

Peukie

Nee joh, ik ga niet zitten zeuren over de warmte hoor, dus je kunt gerust doorlezen. Wat kan het jou nou schelen dat mijn vinger steeds van de toetsen glijden. Dat ik nog minder aanheb dan je dacht. Dat ik om de acht tellen moet niezen, als de wendbare ventilator langs komt waaien. Dat sinds een dag of drie de vriezer mijn beste vriend is. Nee, daar ga ik het niet over hebben. Dat gemopper door iedereen! Terwijl het hitteplan mij uitstekend bevalt. Rustig aan en veel drinken: heerlijk! Omzien naar de medemens: ik kijk m’n ogen uit.

En ik zie dat het appen-op-de-fiets-verbod nog niet bij iedereen is doorgedrongen. Ik moet eigenlijk keihard FLAPPDROL roepen…maar ik durf het niet. Dat meisje met haar grote fiets slingert nu al vervaarlijk en ik ben bang zij dat door mijn geroep van schrik alsnog een doodsmak maakt. Die grote sterke jongen zie ik al dreigend op mij afkomen om te vragen waar ik me mee bemoei. Het levert niet het gewenste effect dus kijk ik alleen maar hoofdschuddend. Een jonge gast met een scooter gaat netjes aan de kant en appt zich een slag in de rondte. Hij grinnikt en appt, hij zet zijn zonnebril op zijn haar en appt, hij maakt een selfie en appt. Tjonge, wat een sociaal leven heeft hij zeg. Na een half uur blijkt de conversatie te stokken en stopt hij de telefoon weg. Ik hoop dat hij  nog benzine heeft want al die tijd was de motor draaiende… Een meisje met een fiets met voorop zo’n grote kist rijdt langs en ze schreeuwt in de kist ‘Néééé, méén je!’. Eerlijk is eerlijk: ze heeft de telefoon niet in haar hand 🙂

Waar ik me ook over verbaas is dit:

Toen ik dit voor het eerst zag dacht ik dat het een sigaret was… Ik schoot in de lach om zoveel domheid: een sigaret moet niet IN je oor maar ACHTER je oor. Zo gaat-ie knakken! (natuurlijk moet een sigaret helemaal niet, maar als je er dan toch eentje hebt…) Later zag ik er meer, ook aan twee kanten, en verbaasde me over het simpele kopieergedrag van mensen. Wat een trend! Oké, nu weet ik beter, het zijn draadloze oordopjes, maar ik blijf het een raar gezicht vinden. Omdat die dingen op het randje van je oor hangen en omdat ze draadloos zijn en dus nergens anders aan vastzitten, is de kans op verlies behoorlijk groot.  Ook daar is natuurlijk weer iets op gevonden. En nu begrijp ik meteen waarom sommige mensen van die joekels van gaten in hun oor hebben….

 

Nee joh, dat hitteplan is juist hartstikke leerzaam! Doe er je voordeel mee!

Op straat (8)

Dit vond ik,

en dit ging er aan vooraf.

Hij keek niet eens meer op van het telefoontje. De kliniek waar zijn vrouw verbleef had al zo vaak gebeld. Met een zucht nam hij het gesprek aan. Maar gaandeweg de uitleg aan de andere kant werd hij bleker. ‘Maar hoe kan dit?’ stamelde hij. Hij wreef met zijn hand over zijn ogen en knikte. Realiseerde zich toen dat de beller dit niet kon zien en uitte de belofte direct te komen. Hij meldde zich af bij zijn leidinggevende en haastte zich naar zijn auto. Haasten had eigenlijk geen zin meer maar nu wilde hij toch zo snel mogelijk bij Leonie zijn.

Bij de kliniek wachtte Laura hem op. Een jonge frisse verpleegkundige die hem al door heel wat dieptepunten heen geloodst had. Ze voelde hem goed aan en wist op het juiste moment de juiste dingen te zeggen. Bij haar kon hij boos zijn, verdrietig, of gewoon moe. Moe van de zorgen om Leonie, moe van de zorgen om hun kinderen, moe van het altijd maar positief blijven naar de buitenwereld toe. Hij kende Laura intussen goed. Al die uren in spanning samen doorgebracht werden ook gevuld door verhalen van haar kant. Ze bleek een jonge weduwe van een op missie gesneuvelde soldaat. Achterblijvend met een peuter. Met liefhebbende ouders die zich op hoge leeftijd fulltime om het kleinkind bekommerden zodat zij voor een inkomen kon zorgen om de huur te kunnen betalen. Nu zou hij haar  minder gaan zien. De laatste poging van Leonie bleek een fatale.

Zes maanden later is hij weer voorzichtig gelukkig. De eerste tijd na het overlijden van Leonie waren verdrietig maar onderhuids voelde hij ook opluchting. Zij had eindelijk rust en hij kon doorgaan met zijn leven dat stilstond vanaf het moment van haar opname. Na twee maanden nam hij contact op met Laura, die hij niet meer gezien had sinds de begrafenis. Hij miste haar, de gesprekken, haar lach. Toch wilde hij eerst uitvinden of het om Laura zelf ging of van de troostende werking die zij altijd op hem had. Al snel merkte hij dat Laura zich ook afvroeg waar de grens tussen werk en privé lag. Samen zochten ze die grens op en sloegen uiteindelijk de weg naar elkaar toe in. Het was voorbestemd. Ze hadden elkaar gevonden.

Vanavond wil hij de vraag stellen. Of ze bij hem en de kinderen wil komen wonen. Met haar eigen Julian erbij natuurlijk. De wekelijkse logeerpartijtjes voldoen niet meer. Om het te vieren heeft hij een mooie fles champagne gehaald en die in de tuin bij het lage muurtje gezet. Hij wil dat ze spontaan ‘ja’ zegt en niet omdat de bubbels al koud staan. Uiteraard wil hij dit doen zonder dat de kinderen daarbij zijn. Even echt hun momentje van maken. Uitgerekend deze avond heeft Tom nog wat wiskundevragen en moet Romy nog een heel werkstuk printen. De kleine Julian heeft last van zijn oren en huilt elk kwartier jammerend om zijn moeder. Het is al behoorlijk laat als hij toch met de vraag komt. Laura glundert direct en roept: ’Ja, ja, ja, dat wil ik!’. Dan kruipt ze bij hem op schoot en fluistert verleidelijk: ’Laten we naar boven gaan om het zachtjes te vieren…’ Meer aansporing heeft hij niet nodig.

Om half vier ’s nachts wordt hij wakker. Wat hoort hij toch? Hij loopt naar het raam en schuift het gordijn wat opzij. Op het lage muurtje zit een man luidkeels te zingen: ‘Want zij geloóóóóóft in mij!’ Na een poosje wordt de lege fles weer netjes in de tas gestopt en de man waggelt het donker in.

Oud

Ja hoor, het was weer zo ver: de eerste jaarlijkse antiek- en curiosamarkt in Apeldoorn! Uren kan ik langs de kramen dweilen. Pak af en toe iets op, draai het quasi geïnteresseerd om en om en zet het vervolgens weer terug. Genietend van de entourage, de mensen, de handel, het geheel. De een noemt het ouwe meuk, de ander antiek, weer een ander grootmoeders spul. Met dat laatste heb ik een beetje moeite…  Zelf ben ik ook grootmoeder maar het meeste spul heb ik echt niet gebruikt hoor, dus om wiens grootmoeder gaat het hier eigenlijk? En wat me diep raakte was dit:

Dat Barbie, op haar zestigste, in haar blootje, in een kartonnen doos op een antiekmarkt moet eindigen! Ik ben nog ouder, wat komt er van me terecht?! Misschien komt het nog goed want ik kreeg van een voorbijganger toch nog een oneerbaar voorstel! Ik stond deze oude wieg te bewonderen:

Prachtig hout, twee halfronde houten schommelpoten eronder en aan het hoofdeind een stok waarmee de wieg in beweging gebracht kon worden. Maar ook nog met een oog in die stok waar een touw doorheen kan zodat moeder (of vader) vanuit haar eigen stoel aan het touw kon trekken ten einde de boreling lekker te wiegen. Gezien mijn leeftijd opperde ik er beter een plantenbak van te maken. Word ik opeens door een wildvreemde man in mijn arm geknepen: ‘Nee joh, het is toch veel leuker om eerst een baby te maken en die er dan in te leggen, hebbie twee keer lol!’  Op de markt is de humor onbetaalbaar 😃

Er waren opvallend veel kramen met zilverwerk en als eksters komen vrouwen daar op af. Zo ook een dame die met een piepklein zilveren stoeltje met daarop een piepklein zilveren hondje in haar hand stond. Ze was er echt weg van. Ze vroeg de prijs. ‘Tis wel een echt oudje hoor mevrouw, dus deze kost €37,50.’ Mevrouw schrok zichtbaar, zette het kleinood met tegenzin weer terug en antwoordde verontschuldigend: ‘Als ik straks met mijn neus omhoog lig, dan weet ik het wel, dan ligt het heel snel bij de kringloop.’

Dit vond ik ook een mooie. De verkoper had geen zin overal zo’n plakkerig prijsje op te doen en wilde toch graag van de handel af. Hij dacht: weet je wat, ik doe alles voor 5 euro weg! En zijn vrouw maakte een keurig bordje àlles voor €5

Totdat er natuurlijk een bijdehante leukerd langs kwam die zei: ‘Is goed, geef mij alles maar, dan krijg jij vijf euro!’ Gelukkig had de handelaar nog een rode viltstift meegenomen.

En over prijsjes gesproken. Meestal dat plakkerige dingetje dus, soms ligt er een los papiertje naast en soms moet je er naar vragen. In het laatste geval bepaalt de verkoper ter plekke de prijs, afhankelijk van zijn bui, zijn thuissituatie, jouw gezicht en het verloop van de dag in het algemeen. Deze had ik nog niet eerder gezien…

Nou moet ik er bij vertellen dat deze uitstalling tegen een muurtje stond, dus VOOR je kijken kon sowieso niet, maar wat een weergaloze tekst: Prijs Vragen Kijk Achter U. Taalkundig klopt het niet maar je staat verbaasd hoeveel mensen direct achterom keken zodra ze dit lazen.

Bezoekers van deze markt komen overal vandaan maar toevallig stond hier een Amsterdammer naar de dobbers te kijken van een Amsterdamse koopman.

  • Benne mooie dobbers, haha!
  • Ja meneer, ’t sijn oudjes hè.
  • Net als wij seg maar…haha!
  • Dat hep u goed gesien!
  • Je hep er seker een dobber an om ze te verkopen, haha!
  • O u hep verstand van vissen?
  • Ikke wel!
  • Vooral achter het net seker, haha!

Ja, het was weer een heerlijk dagje markten, als vanouds…

 

 

 

 

Piep!

Even een associatiespelletje met je doen. Ik noem een woord en jij roept het eerste wat in je opkomt.

Zomer! Wedden dat je dacht aan zon of vakantie?

Strand! Wedden dat je dacht aan zand, luieren en zee?

Piepschuim! Wedden dat je dacht: huh wat bedoel je?

Over dat piepschuim wil ik je graag wat meer wijsmaken. De klussers onder ons kennen het vooral van dak-  of kruipruimte-isolatie. De knutselaars onder ons kennen het vooral van piepschuimballen en eieren die je decoratief kunt verven of beplakken. Maar wist je dat er veel meer mogelijk is?! In Borne staat het bedrijf EPS maatwerk, onder de bezielende leiding van Marco Lagendijk, en daar is piepschuim in elke gewenste vorm te bestellen (vandaar de term maatwerk…).Ook in elke gewenste hardheid piepschuim, want er zit nog veel verschil in. De specialisatie van het bedrijf bestaat uit het 2D vormen snijden. Dit is hartstikke handig voor de bouw; regelmatig heb je te maken met afwijkende maten en dan kunnen hiervoor passende elementen gemaakt worden. Er staat bijvoorbeeld een mooie bestelling klaar voor de damwanden van de trambaan in Amstelveen. Het materiaal kan rechtlijnig geleverd worden maar ook rond.

  Opvulblokken voor een hoogwaterbrug of als basis voor een zwembad.

Stel je hebt een bloeiende webshop maar je hebt moeite de artikelen dusdanig te versturen dat ze heel blijven. Neem gerust contact op met EPS maatwerk en ze denken graag mee aan een goede oplossing.

Wat een aantrekkelijke verwerking is, zijn letters. Voor winkels of voor jezelf om een feestje of event op te leuken. Je ziet het, kan ook in kleur geleverd worden.

 

Naast letters kunnen er ook andere vormen gemaakt worden wat dacht je van deze?

 

Een ijsje van een meter of een iglo die past in het winterthema van het Hilton hotel…

Als je nu denkt: ik heb hier nog nooit iets van gehoord of gezien dan kun je je nog wel eens vergissen. Kijk je wel eens naar ‘De tv-kantine’? Of naar ‘Ondertussen in Nederland’ met Humberto Tan en Luuk Ikink?

 

Zowel de kruisen als de losse provincies zijn gemaakt door EPS maatwerk.

Je begrijpt dat er wel reststukken overblijven na het uitzagen van deze vormen, ook dat is geen probleem. Die gaan in de vermaalmachine en de korrels die daar uitkomen gaan in zakken en worden verkocht als zitzakvulling en/of als kruipruimte-isolatie. Zo gaat er ook nog eens niets verloren van dit bijzondere materiaal.

Het laatste nieuws, toevallig deze week is er een nieuwe machine, vers uit Frankrijk, bijgekomen zodat EPS maatwerk ook 3D artikelen kan leveren! Voor nog meer mogelijkheden!

Waarom ik zo enthousiast ben over dit bedrijf? Bij het woon-zorgcentrum waar ik vrijwilligster ben organiseerden we laatst een Amerikaanse week, om de bewoners het gevoel te geven op vakantie te zijn in Amerika. Het Grand Café moest natuurlijk passend aangekleed worden. En EPS maatwerk maakte voor ons een heuse Lady of Liberty van zo’n twee meter hoog! Het was een waardevolle toevoeging aan de uitstraling van de decoratie.

Wil je ook zoiets, voor je bedrijf, voor je school, voor je feest, voor je voorstelling, voor je carnavalswagen? Wil je er eentje of liever vijftig? Heb je zelf leuke ideeën? Neem gerust contact op met Marco en verbaas je over de mogelijkheden. Succes!